Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201131521 nr. 57

31 521 Taxibeleid

Nr. 57 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 november 2010

In mijn brief over het Taxibeleid van 16 maart 2010 (Kamerstukken II 2009/2010, 31 521, nr. 47) heb ik u op de hoogte gesteld van mijn voornemen om de screening in de taxibranche te verbeteren, om daarmee te voorkomen dat taxichauffeurs na het plegen van een (ernstig) strafbaar feit nog langer op een taxi rijden. Daarnaast heb ik toegezegd te zullen onderzoeken of het mogelijk is de screening in de toekomst ook voor bepaalde andere (beroeps)groepen te optimaliseren. In het verslag van het schriftelijk overleg van 21 juli 2010. (Kamerstukken II 2009/2010 31 521, nr. 54) heb ik uw vragen hierover beantwoord. Middels deze brief kom ik mijn toezegging na u in het najaar nader te informeren.

1. De Verklaring Omtrent het Gedrag en de nieuwe screeningssystematiek in de taxibranche

De Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) is een verklaring die aangeeft dat er op het moment dat deze wordt afgegeven geen bezwaar bestaat tegen de uitoefening van een bepaald beroep door betrokkene. Een VOG wordt aangevraagd bij het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG) van de dienst Justis. Een VOG kan in diverse gevallen worden gevraagd. Vaak gebeurt dat voor het vervullen van een functie waarbij wordt gewerkt met vertrouwelijke gegevens, kwetsbare personen, geld of goederen. Wanneer er geen wettelijke verplichting voor het overleggen van een VOG is vastgesteld, kan een werkgever zelf bepalen of hij iemand voor de uitoefening van een bepaalde functie vraagt een VOG te overleggen. Een werkgever, instantie of organisatie kan een werknemer of persoon verplichten een VOG te overleggen.

In de huidige systematiek wordt een VOG veelal alleen verlangd bij het aangaan van een werkrelatie of bij het kunnen verkrijgen van een vergunning. Het risico van deze systematiek is dat iemand ná het verkrijgen van de VOG een voor zijn beroep relevant strafbaar feit pleegt en desondanks werkzaam blijft in zijn functie. In de afgelopen jaren hebben zich enkele incidenten voorgedaan die hebben geleid tot maatschappelijke onrust. De voornoemde incidenten hebben zich met name voorgedaan in de taxibranche en toonden juist in deze branche de noodzaak tot het intensiveren van de screening aan. Derhalve heb ik voor de taxibranche een nieuwe screeningssystematiek ontwikkeld.

Deze nieuwe systematiek houdt in dat door de Inspectie Verkeer en Waterstaat IVW een (actuele) lijst met taxipashouders wordt gedeponeerd bij de Justitiële informatiedienst (JustID). Indien de lijst met taxipashouders in combinatie met het Justitiële Documentatie Systeem een «hit» oplevert, wordt dit doorgegeven aan het COVOG. Hij zal vervolgens marginaal beoordelen of de bewuste taxipashouder een nieuwe VOG dient aan te vragen. In de marginale toetsing wordt beoordeeld of sprake is van een relevant strafbaar feit dat, gelet op de aard en de ernst ervan, bij een hernieuwde beoordeling zou kunnen leiden tot weigering van de afgifte van de VOG. Op basis van de marginale toets besluit het COVOG om de IVW al dan niet te informeren. Indien wordt besloten wel te informeren, dan kan de IVW de bewuste taxichauffeur op grond van het Besluit personenvervoer 2000 verzoeken om een nieuwe VOG te overleggen. Indien betrokkene geen gehoor kan of wil geven aan dit verzoek, kan de chauffeurspas door de IVW worden ingetrokken.

Zoals ik reeds in mijn brief van 16 maart 2010 uiteen heb gezet, dient een tweetal aanpassingen te worden gedaan, alvorens de nieuwe systematiek kan worden ingevoerd. Allereerst dient het Besluit justitiële gegevens te worden aangepast teneinde de verstrekking door JustID aan het COVOG, het informeren van de IVW door het COVOG en de bevoegdheid van het COVOG om nieuwe justitiële gegevens marginaal te beoordelen wettelijk te regelen. Hiertoe is een voorstel tot wijziging van het Besluit justitiële gegevens opgesteld. De consultatieperiode is op 1 oktober 2010 afgerond. In de consultatie zijn geen bedenkingen gemaakt tegen de aanpassingen ten behoeve van de screening, maar wel tegen andere wijzigingen die in het Besluit waren meegenomen. De verwachting is dat de aanpassing van het Besluit daarom eerst per 1 juli 2011 kan ingaan. Daarnaast zullen ook de beleidsregels VOG worden aangepast teneinde invulling te geven aan de wijze waarop de marginale toets in de praktijk zal worden ingevuld.

Ten tweede is het noodzakelijk een technische koppeling te maken tussen JustID en het COVOG om de informatie-uitwisseling op een gestructureerde wijze te laten plaatsvinden. Op dit moment wordt een methode ontwikkeld, waarmee JustID middels een versleutelde mail de betreffende gegevens naar een speciaal daarvoor ingerichte mailbox van het COVOG kan sturen. Deze systematiek zal voor 1 juli 2011 geïmplementeerd en getest zijn.

2. Uitkomsten onderzoek screeningsmogelijkheden andere beroepsgroepen

De maatschappij stelt steeds hogere eisen aan de integriteit van personen waarvan anderen afhankelijk zijn. Naast het realiseren van een oplossing voor de taxibranche heb ik geconstateerd dat ook ten aanzien van andere beroepsgroepen, bijvoorbeeld het onderwijs, de behoefte bestaat te onderzoeken of de screening kan worden geoptimaliseerd. Bij dit onderzoek staan twee vragen centraal: onder welke omstandigheden is dit te rechtvaardigen en op welke wijze kan dit worden vormgegeven.

Wanneer is een intensievere screening gerechtvaardigd?

Bij de beslissing om tot een intensievere screening over te gaan, dient eerst een zorgvuldige afweging te worden gemaakt tussen de extra last die op werkgevers en werknemers gelegd wordt en de afname van de risico’s voor de samenleving die daarmee wordt bereikt. Daarbij heeft het implementeren van een intensieve vorm van screenen gevolgen op zowel juridisch, financieel als administratief gebied.

Het intensiveren van de screening dient in mijn ogen te worden overwogen indien sprake is van omstandigheden die recht doen aan het belang van de samenleving en alle inspanningen rechtvaardigen. Mijns inziens geldt dit in ieder geval indien sprake is van ofwel: een gezags- of afhankelijkheidsrelatie met minderjarigen of andere groeperingen die zich in een kwetsbare positie bevinden. De reden hiervoor is dat het essentieel is kwetsbare groeperingen in de samenleving zo goed mogelijk te beschermen. Sectoren die hierbij in beeld komen zijn bijvoorbeeld het onderwijs, de zorg en de kinderopvang; ofwel hogere eisen die worden gesteld aan de integriteit van een persoon, omdat deze een voorbeeldfunctie vervult of omdat deze meer machts- of geweldsmiddelen ter beschikking heeft dan andere burgers. Hierbij denk ik bijvoorbeeld aan tolken en vertalers die werkzaam zijn voor de rechterlijke macht of bijzondere opsporingsambtenaren.

Wanneer geen van deze twee indicatoren aanwezig is, ben ik van oordeel dat het invoeren van een intensievere screening niet proportioneel is. Het is dan de verantwoordelijkheid van de werkgever om de integriteit van de werknemers te waarborgen. Er kan wel (tussentijds) een nieuwe VOG worden aangevraagd, alleen dient dit niet door de overheid maar door de werkgever te worden gevraagd aan de medewerker. Aangezien dit thans ook al tot de mogelijkheden behoort, behoeft dit geen aanpassingen in de huidige systematiek.

Screeningsvarianten – continu en periodiek screenen

Uit het onderzoek komen twee werkwijzen naar voren waarop de screening kan worden verbeterd, te weten continu en periodiek screenen. De zwaarste screeningsvariant, te weten continu screenen, is de methode die thans voor de taxibranche wordt gerealiseerd. Bij deze screeningsvariant wordt continu gecontroleerd of een persoon nieuwe justitiële gegevens op zijn naam heeft staan, zodat direct actie ondernomen kan worden wanneer iemand met justitie in aanraking komt wegens het plegen van een (ernstig) relevant strafbaar feit.

Het invoeren van continu screenen is complex en blijkt niet algemeen toepasbaar te zijn. Hiervoor moet voldaan zijn aan een drietal randvoorwaarden. Ten eerste moet het COVOG zeker weten dat de betreffende persoon nog in de functie werkzaam is waarvoor eerder een VOG is verstrekt. Derhalve is het noodzakelijk dat een actueel overzicht bestaat van alle beroepsbeoefenaren in de desbetreffende branche of sector, zodat bekend is welke personen continu gescreend moeten worden. Ten tweede moet de VOG verplicht zijn gesteld voor het verkrijgen van een vergunning of een inschrijving in een register. In deze gevallen leidt het niet meer kunnen overleggen van de VOG direct tot intrekking van de vergunning of uitschrijving uit een register, zodat de desbetreffende persoon niet meer werkzaam kan blijven in zijn functie. Dit is van belang in het kader van de effectiviteit van deze screeningsvariant. Ten derde moet een toezichthouder aanwezig zijn met voldoende bevoegdheden om te handhaven. In de specifieke wet- en regelgeving van de sector moet opgenomen zijn dat de toezichthouder (tussentijds) een VOG mag verlangen. Immers moet wel op een adequate wijze actie worden ondernomen indien mij is gebleken dat bij een persoon een nieuw relevant justitieel gegeven is aangetroffen in de justitiële documentatie. Sectoren die aan deze randvoorwaarden voldoen zijn onder meer de bijzondere opsporingsambtenaren, de taxiondernemers en de houders van kinderopvang (gastouderbureaus, kinderdagverblijven en buitenschoolse-opvang).

Omdat continu screenen niet binnen alle sectoren mogelijk is, heb ik onderzocht of intensivering van de screening ook op een andere wijze gerealiseerd kan worden. Door het invoeren van een wettelijk verplichte periodieke screening (bijvoorbeeld elke twee of vijf jaren) wordt bewerkstelligd, dat de periode waarin een persoon na het plegen van een strafbaar feit zijn functie kan blijven uitoefenen aanzienlijk wordt verkort. Hierdoor wordt de integriteit van de sector vergroot.

Om periodiek screenen binnen een sector mogelijk te maken moet voldaan zijn aan een tweetal randvoorwaarden. Allereerst is het noodzakelijk dat het periodiek aanvragen van de VOG voor de betreffende sector verplicht wordt gesteld. De Wjsg gaat er op dit moment vanuit dat de afgifte van de VOG alleen naar aanleiding van een aanvraag kan geschieden. Er is met andere woorden altijd een aanvraag nodig om een onderzoek naar het gedrag van de aanvrager te kunnen instellen. Door de VOG periodiek verplicht te stellen, wordt gewaarborgd dat de screening daadwerkelijk plaatsvindt. Een aandachtspunt hierbij is dat het de verantwoordelijkheid van de desbetreffende ministeries is om te bepalen voor welke beroepen de verplichting geldt en dit ook wettelijk vast te leggen. Door hen dient samen met de dienst Justis de vraag te worden beantwoord of de extra last die op de overheid, werkgevers en werknemers wordt gelegd, in verhouding staat tot de mate waarin voor de samenleving wordt bestreden.

Ten tweede is het nodig dat er koppeling komt tussen de periodieke VOG en het behouden van een functie, vergunning of inschrijving in een register. Dat is essentieel om consequenties te kunnen verbinden aan het niet meer kunnen overleggen van een VOG. Hoe deze koppeling juridisch het beste kan worden vormgegeven binnen de verschillende sectoren wordt nog nader onderzocht. Tevens zal ik de komende periode nader in gesprek gaan met de desbetreffende ministeries om te bespreken welke sectoren voor een intensievere screening in aanmerking komen. Hierover zal ik u het in het eerste kwartaal 2011 verder informeren.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

F. Teeven