Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202031497 nr. 332

31 497 Passend onderwijs

Nr. 332 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BASIS- EN VOORTGEZET ONDERWIJS EN MEDIA

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 september 2019

Op verzoek van de commissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap reageer ik hierbij op een brief van het Kenniscentrum voor makkelijk lerenden, over de ontwikkelingen van het afgelopen jaar rondom de ondersteuning van zeer makkelijk lerende of (hoog)begaafde kinderen in het onderwijs. Mijn reactie heeft even op zich laten wachten, waarvoor excuses.

Er zijn veel betrokken mensen die zich met dit onderwerp bezig houden, zo ook de schrijfster van de brief. De commissie vraagt mijn reactie op een aantal suggesties, gelet op de intensiveringen voor het onderwijs aan (hoog)begaafde kinderen, zoals vermeld in het regeerakkoord.

De eerste suggestie is om meer financiële middelen vrij te maken om verder invulling te geven aan een wetenschappelijk kennisnetwerk voor (zeer) makkelijk lerenden. Om dit netwerk uit te bouwen is volgens het Kenniscentrum voor makkelijk lerenden nodig:

  • (1) het honoreren van zinvolle onderzoeksaanvragen over de groep (zeer) makkelijk lerenden; en

  • (2) de inzet van (veel) meer mensen en dus meer financiële middelen.

In de brief wordt verwezen naar onderzoeken die via NRO gefinancierd worden. Er wordt onder andere ter discussie gesteld waarom nieuw onderzoek moet voortbouwen op eerder door NRO gesubsidieerd onderzoek. In de subsidieronde «Kortlopend praktijkgericht onderwijsonderzoek 2019–2020» heeft het NRO bij uitzondering om gegronde redenen de eis gesteld om voort te bouwen op eerder door het regieorgaan gefinancierd onderzoek. Andere calls for proposals die het NRO tot dusver heeft opengesteld, kennen deze eis niet.

De afgelopen jaren zijn, van de in totaal ruim 600 gehonoreerde projecten, door het NRO meerdere onderzoeken gefinancierd op het gebied van (hoog)begaafdheid, makkelijk leren en excellentie. Twee voorbeelden hiervan zijn «Bevorderen van de ontwikkeling van intelligentie in de bovenbouw van de basisschool» (projectnummer 411-12-621) en «De langetermijneffecten van onderwijsaanpassingen voor (hoog)begaafde basisschoolleerlingen» (projectnummer 40.5.18400.008). Alle projecten zijn te vinden in de database van het NRO: https://www.nro.nl/onderzoeksprojecten-vinden/.

In september 2019 opent het NRO een grote subsidieronde voor impactonderzoek gericht op (hoog)begaafdheid. Dit onderzoek wordt in opdracht van mij uitgevoerd. Ik ben het dus met de schrijfster van de brief eens dat het belangrijk is om onderzoek te doen naar effectieve en efficiënte onderwijsaanpakken gericht op (hoog)begaafde leerlingen. Ik nodig de schrijfster van de brief dan ook van harte uit om een onderzoeksvoorstel in te dienen voor deze subsidieronde bij het NRO. Met vragen over de eis om voort te bouwen op eerder door het regieorgaan gefinancierd onderzoek, bovengenoemde subsidieronde of andere vragen over het NRO verwijs ik u of het Kenniscentrum voor makkelijk lerenden graag door naar het NRO via info@nro.nl.

Naast het hierboven genoemde impactonderzoek ben ik voornemens om nog dit najaar een aanbesteding uit te zetten voor een Kenniscentrum begaafdheid. Dit kenniscentrum moet praktijk, beleid en wetenschap verbinden en hierbij (inter)nationale partners betrekken. Het faciliteren van netwerkvorming tussen professionals en het leggen van verbindingen tussen initiatieven en partijen die elkaar kunnen versterken, zijn hierbij belangrijk. Het Kenniscentrum voor makkelijk lerenden heeft al een mooie stap gezet door een samenwerking aan te gaan met Balans en Ouders&Onderwijs.

De tweede suggestie betreft het zorgdragen dat de financiële middelen die zijn vrijgemaakt voor (hoog)begaafdheid, ook worden besteed aan kansrijke doelen en zinvolle projecten. De schrijfster van de brief geeft aan dat de in het regeerakkoord opgenomen extra investering in het onderwijs voor (hoog)begaafden op een efficiëntere en effectievere manier besteed had kunnen worden. De subsidieregeling is tot stand gekomen met experts uit wetenschap en praktijk en sluit hierdoor goed aan bij de situatie in het veld.

Doel van de regeling is om samenwerkingsverbanden en scholen te stimuleren een dekkend onderwijs- en ondersteuningsaanbod voor (hoog)begaafde leerlingen in te richten, en om hierbij aan kennisopbouw en -uitwisseling te doen. Ik herken mij dan ook niet in het artikel waarnaar wordt verwezen. De inrichting van de regeling heeft juist groot draagvlak onder scholen, samenwerkingsverbanden en experts in (hoog)begaafdheid. De auteur van het betreffende artikel heeft dat kunnen waarnemen tijdens de bijeenkomsten die ik heb georganiseerd om de regeling vorm te geven, waaraan zij heeft deelgenomen. Met het impactonderzoek zal ik volgen welke interventies die zijn opgezet met de regeling impactvol zijn. Ook volg ik welke interventies duurzaam zijn, waarnaar ik door het vragen naar cofinanciering naar streef. Hiermee borg ik dat de financiële middelen kansrijk en zinvol worden besteed.

Ik hoop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob