31 497
Passend onderwijs

nr. 15
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 27 juli 2009

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 heeft op 25 juni 2009 overleg gevoerd met staatssecretaris Dijksma van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over:

– de brief van de staatssecretaris van OCW, Dijksma, d.d. 17 juni 2009 inzake het advies van de Evaluatie- en adviescommissie Passend onderwijs (ECPO) (31 700 VIII, nr. 201);

– de brief van de staatssecretaris van OCW, Dijksma, d.d. 23 juni 2009 inzake de reactie op het advies van de Evaluatie- en adviescommissie Passend onderwijs (ECPO) (31 497, nr. 14);

– de brief van de staatssecretaris van OCW, Dijksma, d.d. 8 juni 2009 inzake de voortgangsrapportage en het tijdpad wetgeving passend onderwijs (31 497, nr. 12);

– de brief van de minister van OCW d.d. 20 april 2009 houdende een reactie op de moties die zijn ingediend tijdens het plenaire debat over de Wajong d.d. 16 april jl. inzake op het dossier passend onderwijs en gehandicaptenbeleid (31 780, nr. 44);

– de brief van de staatssecretaris van OCW, Dijksma, d.d. 29 april 2009 inzake de betrokkenheid van ouders bij de leerloopbaan van hun kinderen (31 293, nr. 38);

– de brief van de staatssecretaris van OCW, Dijksma, d.d. 15 mei 2009 inzake het onderzoek naar de inzet zorgmiddelen in het onderwijs (31 497, nr. 11);

– de brief van de staatssecretaris van OCW, Dijksma, d.d. 8 juni 2009 inzake de aanbieding van drie rapporten van de Inspectie van het Onderwijs: De kwaliteit van het speciaal basisonderwijs, Integraal toezichtregionale expertisecentra 2008 en OPDC’s nader bekeken (31 700 VIII, nr. 188);

– de brief van de minister van OCW d.d. 12 mei 2009 houdende het Onderwijsverslag 2007–2008 van de Inspectie van het Onderwijs (31 700 VIII, nr. 176).

Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Van Bochove

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De Kler

Voorzitter: Biskop Griffier: De Kler

Aanwezig zijn 7 leden der Kamer, te weten: Biskop, Bosma, Dezentjé Hamming-Bluemink, Dibi, Ferrier, Kraneveldt-van der Veen en Smits, en staatssecretaris Dijksma van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die vergezeld is van enkele ambtenaren van haar ministerie.

De voorzitter: Ik heet iedereen van harte welkom. Dit debat kan tot uiterlijk 18.00 uur duren. Wij hebben een spreektijd afgesproken van zeven minuten per woordvoerder, om mee te beginnen. Op bijzonder verzoek van de heer Bosma doen wij de inbrengen puntig en beknopt. Wij zullen zien hoe het loopt.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Voorzitter. Wij kennen allemaal de knelpunten die zich in onze huidige systematiek voordoen met betrekking tot zorgleerlingen. De afgelopen vier jaar hebben wij stap voor stap met een lerende aanpak geprobeerd daarin verbetering aan te brengen. De PvdA-fractie heeft deze aanpak altijd constructief gesteund, maar ook zeer kritisch gevolgd. Op veel scholen en in veel regio’s is sinds 2004 veel gebeurd. De vraag wat passend onderwijs nu is of kan zijn voor de school of de regio, wordt nu volop besproken. Er is meer dynamiek en gedachtevorming over dit thema gaande dan ooit. Er komen vormen van samenwerking op gang die er eerst niet waren. Men maakt analyses van het eigen zorgbeleid op school, men ziet mogelijkheden voor clusteroverstijgende aanpakken als autistenklassen en preventieve ambulante begeleiding en men beseft steeds meer dat scholen het niet alleen kunnen, maar dat zij moeten samenwerken om geen kind tussen wal en schip te laten vallen. De PvdA-fractie vindt dat winst sinds de start van dit traject.

Wij beseffen echter ook dat veel scholen nog niet ver genoeg zijn, dat een en ander tot nu toe vooral een bestuurlijke aangelegenheid is geweest en dat ouders en docenten te weinig betrokken zijn geweest in de fase van de netwerkvorming en het neerleggen van een visie. Wij zien dat er nog veel afstand en weerstand bestaat tussen speciaal en regulier onderwijs en dat men onzeker is over de budgetten in de toekomst.

De cruciale vraag waar wij vandaag voor staan, is wat scholen, docenten en ouders de komende maanden en jaren nodig hebben aan kwaliteitsimpulsen en aan ondersteunende structuren, helderheid en kaders via wet- en regelgeving om het proces van het komen tot echt passend onderwijs goed te laten verlopen. De vraag is ook wat wij moeten doen om alle betrokkenen, met name docenten en ouders, te helpen. Natuurlijk moet de structuur er niet zijn om bestuurders bezig te houden, maar moet die dienstbaar zijn aan de kwaliteit. Er moeten afspraken worden gemaakt om goed onderwijs te genereren.

De PvdA-fractie is van mening dat wij dat project niet kunnen en mogen afblazen. Dat zou een enorme stap achteruit zijn en de status quo alleen maar verergeren. Het zou niets oplossen met betrekking tot de huidige knelpunten, die talrijk zijn. Bovendien zou het geen recht doen aan alle betrokkenen in het veld die zich de afgelopen vier jaar enorm hebben ingezet om veranderingen ten goede in te zetten. Daarnaast zou het niets veranderen aan de voorlopige, maar schokkende constatering dat scholen geen verantwoording kunnen afleggen over zorggelden die zijn hebben gekregen en de wijze waarop zij die hebben ingezet. Het zou ook betekenen dat wij de kinderen in de steek laten die in onze huidige systematiek maandenlang thuiszitten zonder onderwijs. Wij zouden ook docenten in de steek laten die graag meer willen betekenen voor hun zorgleerlingen, maar die zich nog niet voldoende in staat voelen om dat waar te maken.

Wij willen dingen echter ook niet maar rücksichtslos doorvoeren en scholen dingen laten doen waar zij nog niet aan toe zijn, want dat leidt alleen maar tot grote problemen. In het vorige algemeen overleg heb ik daarom gezegd dat het project Dijsselbloemproof gehouden moet worden. Temporiseer en faseer het wetgevingstraject om scholen tegemoet te komen in hun wens meer tijd te krijgen om zich op een en ander voor te bereiden en om aan kwaliteit en scholing te werken. Ga in die gewonnen tijd in heldere stappen kijken wat je wel kunt doen, zoals het scholen van docenten, het verbeteren van de positie van docenten en ouders en het realiseren van allerlei vormen van overstijgende samenwerking, het weghalen van schotten, het verminderen van de bureaucratie en het nadenken over geldstromen. Laten wij alle adviezen van de Evaluatie- en adviescommissie Passend onderwijs (ECPO) en de adviezen die van elders in het land tot ons komen echt goed gebruiken.

Uit de invoeringsbrief van de staatssecretaris blijkt dat het invoeringstraject is aangepast en dat zij veel activiteiten onderneemt om docenten en ouders bij het proces te betrekken. Daar ben ik positief over gestemd. Ik miste echter ook dingen, zoals de zorgplicht. Dinsdagavond ontvingen wij een nieuwe brief. Ik denk dat die best een beetje als een bom is ingeslagen. De brief roept bij mij vragen op. Natuurlijk ben ik het met de staatssecretaris eens dat wij de adviezen van de ECPO ter harte moeten nemen, net als de inspectierapporten. Ik vind ook dat wij daarom vandaag in goed overleg met elkaar moeten kijken welke stappen wij moeten en kunnen zetten en welke niet, dus hoe wij verder willen gaan. De brief laat ongewis wat de staatssecretaris wel wil. Sommigen in het veld leggen de brief uit als «de staatssecretaris gelooft er niet meer in» of «ha, we zagen die zorgplicht toch niet zitten, dus ik ga achterover leunen». Ik ga er echter vanuit dat dit niet de bedoeling van de staatssecretaris is.

Wat bedoelt de staatssecretaris nu precies met de cruciale zin met betrekking tot het heroverwegen van het proces? Kan zij de PvdA-fractie geruststellen door te bevestigen dat wij weliswaar temporiseren en onderdelen van het traject heroverwegen in mate en in tijd, maar dat wij niet zomaar alle ideeën over wetgeving over boord gooien? De ECPO zegt immers terecht dat temporiseren niet stoppen is, maar vooral helderheid verschaffen over de richting die het op moet, bijvoorbeeld met een proeve van wet. Is de staatssecretaris het ermee eens dat het feit dat zij het geheel wil heroverwegen, niet mag betekenen dat de werkzaamheden voor passend onderwijs zoals die nu in de verschillende regio’s lopen, onderbroken of vertraagd worden? Voor ons is daarbij bijvoorbeeld de ontwikkeling van de collectieve ouderparticipatie van belang. Een ander belangrijk thema is de eenloketfunctie. Wij moeten dingen die goed gaan niet remmen doordat wij dingen gaan heroverwegen.

De PvdA-fractie wil dat de netwerken die wel goed zijn gestart en nu juist een beetje door die bestuurlijke drukte heen zijn, kunnen doorgaan. Wij willen dat de drie experimenten doorgaan, net als de vijf die er in het najaar bij komen. Wij willen dat die 24 veldinitiatieven doorgaan en dat die 115 stimuleringsaanvragen gehonoreerd kunnen worden zodat die projecten kunnen doorgaan. Wij willen niet dat een heroverweging feitelijk een beloning is voor de besturen die achterover zijn blijven leunen en nu denken dat er toch geen wetgeving komt, dus dat zij niets meer hoeven te doen. Herkent de staatssecretaris dit risico? De PvdA-fractie wil dat zij op dit punt stevige afspraken gaat maken met het veld over wat er nu wel gaat gebeuren. Dat is waar de staatssecretaris mee terug moet komen na consultatie van het veld in het najaar.

Mevrouw Smits (SP): U zegt dat wij deze heroverweging niet moeten zien als een beloning aan de besturen achterover hebben geleund. Dat lijkt mij goed, want wij houden geen van allen van besturen die niets doen. Misschien kunt u iets zeggen over hoe u dat dan ziet. Ik zie deze heroverweging wel een beetje als een beloning voor al die leraren die het hele proces niet steunden, wat blijkt uit het geringe draagvlak onder leraren voor de plannen voor passend onderwijs.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Nee, dat zie ik anders. Als heroverwegen zou betekenen dat wij stoppen en niets meer doen, schofferen wij een heleboel mensen die wel goede dingen hebben gedaan en zou dat bovendien averechts kunnen werken doordat er niets verandert aan de huidige praktijk van docenten in het onderwijs als zij zich handelingsverlegen voelen doordat zij met leerlingen niet de dingen kunnen doen die zij graag zouden willen doen. Ik denk dat wij door moeten gaan met de goede dingen die wij tot nu toe hebben gedaan. Er zijn ook dingen waar wij meer tijd voor nodig hebben en waar wij nog eens goed met elkaar over in gesprek moeten gaan. Die moeten wij temporiseren en faseren. Ik ben het er niet mee oneens dat de staatssecretaris zaken wil heroverwegen, maar uit haar brief kan ik niet helder opmaken wat zij nu wil doen met de goede dingen die er te gebeuren staan. Daarom vraag ik haar of zij het ermee eens is dat een aantal zaken dat ik heb genoemd, moet doorgaan. Wat ons betreft is één van de belangrijkste punten dat docenten veel meer moeten worden gesteund in het onderwijs dat zij met name in het reguliere onderwijs, maar ook in het speciaal onderwijs moeten geven aan deze kinderen.

Mevrouw Smits (SP): Ik begrijp dat u graag duidelijk wilt hebben wat die heroverwegingen zijn. Dat wil ik ook graag weten. Wat is uw visie dan op het draagvlak onder de leraren? Dat is namelijk minimaal. Dat schiet niet echt op, blijkt uit de onderzoeken van onder andere de commissie van mevrouw Lambrechts. De staatssecretaris ziet dat ook. Hoe duidt u dat?

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): In het vorige algemeen overleg hebben wij uitgebreid gesproken over de ouders en de docenten. Ik heb toen gezegd dat zij inderdaad te laat zijn betrokken zijn bij allerlei ontwikkelingen die nu gaande zijn, ook bij de goede ontwikkelingen. Daar moeten wij iets aan doen. Ik denk dat de staatssecretaris daar in haar voortgangsbrief een aantal goede suggesties voor heeft gedaan. Dat was te laat, maar beter laat dan nooit. Wij moeten daar nu versterkt op inzetten. Daar heb ik de vorige keer ook voor gepleit. Ik deel dus uw bezorgdheid, maar het zou jammer zijn als wij achteroverleunende besturen gaan steunen om niets meer te doen. Dan heb ik namelijk niet de garantie dat die besturen vervolgens hun docenten er wel bij te betrekken. Ik denk dat wij in die zin duidelijk moeten maken wat wij willen en wat niet.

Wij staan grotendeels achter de negen aanbevelingen van de ECPO, maar niet helemaal. Ik wil er op een paar ingaan. In aanbeveling 1 wordt gevraagd om uitstel van het tijdpad en fasering. Op zich zijn wij het daar mee eens, maar de commissie vraagt ook om een proeve van wet. Wij moeten wel een doorkijkje geven naar waar wij uiteindelijk met elkaar willen uitkomen. Kan de staatssecretaris daar nader op ingaan? Ik ben er niet voor om in deze periode helemaal niets meer aan wetgeving te doen. Ik denk dat wij dat doorkijkje echt moeten geven. Volgens mij vraagt het veld daar ook om. Dat wil niet zeggen dat wij de wet er doorheen moeten rammen, maar wel dat een schets wordt gegeven over waar wij met elkaar naartoe werken. Maak dus die proeve van wet. Wij vinden het ook heel erg belangrijk dat wij de beoogde effecten en opbrengsten, dus de output, gaan neerzetten. Dat kan volgens mij voor ieder onderdeel van het traject worden gedaan. Ook dan geven wij meer helderheid over waar wij naartoe willen werken.

De zorgplicht is een cruciaal punt. Je kunt niet zeggen dat de zorgplicht op het niveau van het netwerk ligt of een ander vorm van samenwerking waar wij straks op uitkomen en dat vervolgens het passend aanbod dat aan een kind of aan een ouder wordt gedaan het is. Wij moeten het draagvlak voor passend onderwijs bij ouders levend maken of levend houden. Dan zul je helder moeten maken waar individuele ouders recht op hebben en waar zij in het netwerk recht op hebben. De staatssecretaris moet dus ook stevig met het veld aan de slag gaan om de oordeelsvorming over de zorgplicht goed neer te zetten.

Over budgetfinanciering komen wij nog uitgebreid te spreken, dus dat laat ik maar even zitten. Het is een heel belangrijk punt. Wij zien vaak dat het daar in de samenwerking aan schort. Waar het geld straks naartoe gaat, is cruciaal voor de wijze waarop het onderwijsaanbod er straks uitziet.

De voorzitter: Kunt u tot een afronding komen, mevrouw Kraneveldt?

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): De tijd is heel erg kort, voorzitter.

De voorzitter: U hebt ook wel een indrukwekkende stapel papier bij u.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Ik weet dat ik moet gaan skippen, maar zeven minuten is wel heel erg kort.

Hoe gaan het vo-veld en het mbo-veld verder in het traject? Doen zij voldoende mee in het huidige traject om ook straks een goede rol te kunnen vervullen in het onderwijsaanbod? Waarom zou het mbo daar niet verplicht – de netwerken staan helaas nu weer op losse schroeven – in moeten participeren?

De eenloketgedachte is cruciaal. Daar moeten wij nu mee voortgaan. Ik vraag de staatssecretaris om dat streven nu niet op de lange baan te schuiven. Ontschotting van onderwijs en zorg en integrale indicering zijn heel belangrijk. Laten wij dat in elk geval meenemen de komende tijd.

Ik moet nu afronden, dus ik prop straks nog wat in mijn tweede termijn. Het is jammer dat ik moet stoppen, want ik heb nog een aantal noten op mijn zang.

De voorzitter: Wij hebben de spreektijd al enigszins opgerekt en u bent vast bekwaam om in de rest van het debat nog wat tijd te benutten.

Mevrouw Smits (SP): Voorzitter. Er is maar één conclusie: passend onderwijs knelt en het knelt aan alle kanten. Leraren weten niet wat zij ermee moeten, ouders weten niet dat het bestaat en besturen overleggen vooral en komen nauwelijks tot afspraken. Dat die grote problemen er zijn, is voor de staatssecretaris reden om passend onderwijs te heroverwegen. Dat vind ik een heel verstandig besluit. Daar wil ik ook graag complimenten voor geven aan de staatssecretaris, wat ik nog niet veel heb gedaan op dit onderwerp. Ik vind dat het heroverwegen wel een compliment waard is.

Wij moeten uiteraard nog maar even afwachten wat het betekent, dat heroverwegen. Ik zal even zeggen waar de SP-fractie staat. De SP-fractie wil uiteindelijk het hele zogenaamde passend onderwijs van tafel hebben. Wij hebben steeds gezegd dat het hier gaat om een mooie term voor de afbraak van het speciaal onderwijs. In de praktijk betekent het dat meer leerlingen van het speciaal onderwijs naar het regulier onderwijs gaan, of dat nu goed is voor dat kind of niet. Uit de rapportage van de adviescommissie van mevrouw Lambrechts blijkt eenzelfde streven.

De heer Dibi (GroenLinks): Verbaast het u net zo veel als mijn fractie dat het speciaal onderwijs in Nederland zo enorm groot is, dat er zo veel geld naartoe gaat en dat ontzettend veel ouders ervaren dat hun kinderen in het regulier onderwijs meer tot wasdom komen? Je moet uiteraard net zo veel aandacht geven aan het speciaal onderwijs en regulier onderwijs mag nooit een alternatief worden voor speciaal onderwijs. Vindt u wat ik hiervoor zei niet zorgwekkend en, zo ja, wat wil de SP-fractie daar dan aan doen?

Mevrouw Smits (SP): Ik vind het op zich totaal niet zorgwekkend dat wij een groot en sterk speciaal onderwijs hebben. Dat vind ik geen enkel probleem. Ik vind het wel een probleem dat er zwakke scholen zijn in het speciaal onderwijs. Daar moeten wij hard aan werken en dat doet de staatssecretaris ook. Ik vind het een probleem dat ouders weinig te kiezen hebben en dat er kinderen thuis zitten. Ik vind het ook een probleem dat er kinderen uit de klas klappen, omdat zij nauwelijks in het speciaal onderwijs terecht kunnen en zij in het reguliere onderwijs vastlopen. Dat vind ik een probleem. Het feit op zich dat wij speciaal onderwijs hebben, is geen enkel probleem.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik vind het bestaan van speciaal onderwijs ook geen enkel probleem. Ik vind het niet meer dan normaal dat wij dat hebben ingericht. Kan ik nu concluderen dat de SP-fractie vindt dat het passend onderwijs moet worden afgeblazen en dat alleen de kwaliteit van het speciaal onderwijs moet worden verbeterd? Is dit volgens haar de oplossing?

Mevrouw Smits (SP): Het passend onderwijs moet absoluut worden afgeblazen en de kwaliteit van het speciaal onderwijs moet absoluut worden verbeterd. Daarnaast moet de kwaliteit van het reguliere onderwijs worden verbeterd. Dat moet daar wel bij.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): U zegt dat het traject met betrekking tot passend onderwijs moet worden afgeblazen. Denkt u niet dat u daarmee alle goede dingen die inmiddels ook zijn gedaan ontzettend afremt en dat het doel dat u ook voor ogen hebt, namelijk versterking, een stuk verder weg komt te staan in plaats van dichterbij?

Mevrouw Smits (SP): Nee, dat denk ik niet. Er gebeuren goede dingen, dat klopt. Er gebeuren echter ook een heleboel dingen die wat mij betreft zonde van de tijd, de energie en het geld zijn. Allerlei overlegstructuren en nieuwe lagen creëren, daar ben ik niet voor. Ik vind dat je geld, tijd en energie moet investeren daar waar het nodig is, in de klassen, zowel in het speciaal als in het regulier onderwijs en dus niet in nieuwe overlegstructuren.

Uit de rapportage van de commissie van mevrouw Lambrechts blijkt dat de effecten van het zogenaamde passend onderwijs moeten blijken uit de vermindering van het percentage leerlingen dat fulltime in aparte voorzieningen voor speciaal onderwijs blijft. In de laatste, inmiddels de een na laatste, brief van de staatssecretaris, schrijft zij dat de groei van het speciaal onderwijs moet worden beperkt door gebudgetteerde financiering voor speciale leerlingenzorg zodat overschrijdingen in de toekomst worden voorkomen. Speciaal onderwijs is duur, dus dat moet krimpen. Dat is een trend die sinds de jaren 90 loopt en die deze staatssecretaris voortzet.

Laten wij bezien wat die trend te laatste jaren heeft opgeleverd. Er zijn overvolle klassen waarin leraren vaak niet aan alle leerlingen toekomen. Er zijn leerlingen die allerlei verschillende soorten zorg nodig hebben die leraren niet kunnen geven, niet altijd, in elk geval. Daarnaast groeit het speciaal onderwijs nog steeds, met iets zwakkere leerlingen die verzuipen in het regulier onderwijs door de grote drukte. Wij zijn er niets mee opgeschoten. Er is dus weinig draagvlak onder leraren voor de plannen voor passend onderwijs. Dat blijkt uit het rapport van de commissie-Lambrechts en je merkt het als je op scholen komt. Ik vind dat niet zo raar. Maatwerk leveren voor elk kind betekent dat je kijkt naar het kind en kijkt naar de klas. Je moet kijken waar het kind het best op zijn plek is. Soms is dat in het regulier onderwijs en soms in het speciaal onderwijs. Als je belangrijkste doel een bezuiniging is dan kun je praten tot je een ons weegt, maar krijg je geen draagvlak.

Ik vond het het meest opbeurende nieuws van deze week rond passend onderwijs dat niet de belangen van de begroting dit keer hebben gewonnen, maar die van leerlingen en hun leraren. De aandacht moet niet te veel naar de netwerken, maar meer naar het kind en de docent. Er komen wel vragen aan de staatssecretaris uit voort. Hoe definitief is deze overwinning? Betekent dit dat de staatssecretaris geen plannen gaat doorvoeren die niet op een breed draagvlak kunnen rekenen? Met draagvlak werkt het als volgt. Dat kan je creëren. Dat doe je als een slecht plan hebt waar niemand in gelooft. Dan ga je het uitleggen, uitleggen en uitleggen totdat mensen eraan wennen. Je kunt ook draagvlak verdienen. Dat gebeurt als je een goed plan hebt. Dan zien mensen dat en dan willen zij het graag steunen. Ik zou graag van de staatssecretaris horen of zij mij gerust kan stellen en kan garanderen dat zij niets gaat doen totdat zij zeker weet dat haar plannen breed gedragen worden door leraren en ouders.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Wat is breed voor de SP-fractie? Wanneer mag de staatssecretaris weer iets gaan doen?

Mevrouw Smits (SP): Ik wil niet dat de staatssecretaris niets doet hoor, helemaal niet zelfs. Ik wil dat zij hard aan de slag gaat. Ik heb ook nog een paar opdrachten voor haar, die ik straks zal noemen. Hoe breed het draagvlak moet zijn, is nogal een moeilijke vraag. Het moet in elk geval niet zo smal zijn als het nu is.

Uit de rapportage van de commissie-Lambrechts blijkt dat leraren en ouders nauwelijks bij het proces betrokken zijn geweest. Bestuurlijke samenwerking komt op gang, maar mondjesmaat en de tijd is te kort. De vraag is of deze bestuurlijke toestand resultaat oplevert. Veel blijft onduidelijk. De leerlingenzorg blijft achter en het zogenaamde passend onderwijs blijkt een knellend gedrocht. Tot deze week zag de staatssecretaris dat niet. Misschien zag zij het wel, maar zei zij het niet. Dat roept de vraag op bij mij waarom dat nu wel het geval is.

Kan de staatssecretaris een tip van de sluier oplichten wat betreft de toekomstige plannen? Ik snap dat een heroverweging betekent dat je even moet nadenken, dus dat zij nu niet letterlijk kan vertellen wat de nieuwe plannen zijn. Ik ben wel heel benieuwd in welke richting de staatssecretaris denkt. In het persbericht van het ministerie van OCW van gisteren stond dat het geen optie is om de huidige situatie te handhaven. Betekent dit dat de staatssecretaris doorgaat met de plannen voor passend onderwijs? Is er wel ruimte voor een alternatief en, zo ja, waar moeten wij dan aan denken? Betrekt zij bij de heroverweging ook de budgetfinanciering? Deze leidt er immers feitelijk toe dat het speciaal onderwijs wordt afgebouwd wegens een tekort aan financiering. Is de staatssecretaris bereid om de Kamer een plan van aanpak te presenteren om zorgmiddelen te oormerken, dus met een sticker erop naar de scholen te sturen? Dat staat immers in de door de hele Kamer aangenomen motie van mevrouw De Rooij uit april 2008. Wellicht krijgen wij dan wat meer zicht op waar die zorgmiddelen blijven.

Ik heb nog een punt dat gaat over de vraag of onderwijs past, maar niet zozeer over passend onderwijs. Het gaat over de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Door de bezuinigingen op de AWBZ dreigen grote problemen voor bijvoorbeeld kinderen met een verstandelijke beperking of een gedragsstoornis. Hun intensieve begeleiding wordt op dit moment vaak betaald uit de AWBZ. Als die begeleiding wegvalt, dreigt dat veel van deze kinderen niet meer naar school kunnen. Staatssecretaris Bussemaker laat deze staatssecretaris natuurlijk wel een beetje zitten, want zij bezuinigt op de AWBZ en het onderwijs zit ermee. Deze staatssecretaris heeft volgens mij straks een groot probleem, want de kans bestaat dat er al na de zomer kinderen niet meer naar school kunnen. Kan zij garanderen dat deze kinderen in het komende schooljaar gewoon naar school kunnen?

Ik wens de staatssecretaris een mooie zomer toe vol overpeinzingen. Ik ben blij dat zij het eindelijk met de SP-fractie eens is dat het niet zo goed gaat op deze manier, gelukkig. Ik geef haar de opdracht mee om met een nieuw plan te komen. Voorwaarde voor dit plan moet zijn dat het wordt gedragen door ouders, leerlingen en leraren. Ga naar ze toe! Dat moet niet om draagvlak te creëren, maar om te luisteren. Aan de hand van de bevindingen kan zij na de zomer een mooi alternatief presenteren dat wel kan rekenen op draagvlak in de scholen. De afbraak van het speciaal onderwijs hoort daar wat de SP-fractie betreft niet bij. Wij zullen haar op de voet volgen.

De heer Bosma (PVV): Voorzitter. Ik begrijp dat ik zeven minuten heb, maar ik realiseerde mij dat ik het eigenlijk in twee woorden kan zeggen, namelijk: wat nu?

De voorzitter: Dank u voor uw bijdrage.

De heer Bosma (PVV): Daar was ik al bang voor. Omdat ik mijn tijd toch moet volmaken, lees ik mijn bijdrage maar even voor. Het was de afwezigen vergeven – zij hadden het allemaal erg druk – maar het was jammer dat zo weinigen aanwezig waren vorige week bij de technische briefing van mevrouw Lambrechts, een oud-collega van ons die nu aan het hoofd staat van de ECPO.

De heer Dibi (GroenLinks): Er waren andere Kamerdebatten. Daardoor kon ik niet aanwezig zijn.

De heer Bosma (PVV): Het is iedereen vergeven. Ik zag menig collega een deur verderop zweten. Ik bedoelde het niet als kritiek. Het was jammer dat er weinigen waren, want mevrouw Lambrechts vertelde het allemaal heel netjes en zij schreef het heel netjes op in een boekje van 21 bladzijden, waar je in een half uurtje doorheen bent. Wie echter even door het beleids-Esperanto heenkijkt, ziet iets angstaanjagends. Toen ik het las, dacht ik: dat ken ik, dat is het reisschema van de Titanic.

Ooit studeerde ik bestuurskunde en ging ik jaren door beleidsstukken heen om te bekijken wat goed en slecht is gegaan. In de commissie-Dijsselbloem was die kennis enigszins van nut. In die commissie zag ik hoe allerlei onderwijsbeleid, vaak goed bedoeld, ten onder ging vanwege allerlei basale fouten. Het boekje van mevrouw Lambrechts laat zich dan ook lezen als een opsomming van klassieke fouten die worden gemaakt bij de start van een nieuw beleid. Wat zijn bijvoorbeeld de beoogde effecten ervan? Dat is een cruciale vraag waar eigenlijk nog steeds geen helder antwoord op is gegeven. Als je niet weet waar je naartoe gaat, welke kant ga je dan op?

Er wordt in dit dossier geëxcelleerd in allerlei open deuren die worden opgetuigd met gemeenplaatsen die klinken alsof er met de vuist op tafel wordt geslagen, maar vaak overkomen als holle vaten. Het kind moet centraal staan. Dat is prima. Alle leerlingen moeten zich optimaal ontplooien. Kijk eens aan. Geen kind moet tussen de wal en het schip komen. Dat is helemaal geweldig. Mevrouw Lambrechts zegt: kom met streefcijfers, duidelijk meetbare effecten. Zij komt met zeven heldere aanbevelingen voor dergelijke streefcijfers.

De rol van de actoren is onduidelijk, zoals die van Bureau Jeugdzorg, passend onderwijs en Centra voor Jeugd en Gezin. Wie doet wat, hoe en waarom? Niemand lijkt dat uiteindelijk echt te weten. Er is contante verwarring, zo stelt de commissie, die stelt dat het nogal moeilijk is om 50 tot 80 besturen op één lijn te krijgen. Wij krijgen dan ook de netwerken nog. Die zijn slecht uitgewerkt, zegt mevrouw Lambrechts. Is het netwerk straks de baas over de schoolbesturen of moeten de gezamenlijke schoolbesturen tot overeenstemming komen en vervolgens iets afspreken? Dit byzantijnse bestuursmodel is in Hilversum ook al geen groot succes, dus laten wij het niet kopiëren in het onderwijs.

Hoe zit het met het budget? Hoe zit het met medezeggenschap? Op welk niveau zit die? Ik citeer mevrouw Lambrechts nog meer even: nu is niemand verantwoordelijk en dat is pas gevaarlijk. Een leuke trouvaille van de commissie is dat zij iets heeft gedaan wat Neerlandici «close reading» noemen. Haar is iets opgevallen waar iedereen overheen had gelezen, ik in elk geval wel, namelijk dat het woord «zorgplicht» niet wordt genoemd in de brief van de staatssecretaris van 5 juni jongstleden. Het kan zijn dat ik spoken zie, maar ik vind het opvallen. De term «zorgplicht» was immers toch een beetje the magic bullet waarmee alles goed zou komen. De term was nooit echt helder gedefinieerd: wat betekent zorgplicht nu eigenlijk in de praktijk? Nu lijkt die echter helemaal weggezakt. De commissie stelt dat de zorgplicht zich heeft verplaatst van het individuele schoolbestuur naar het vage regionale netwerk.

Mijn fractie mist de rol van de ouder, maar die is eigenlijk traditioneel afwezig als speler in het onderwijsdebat, en de leraar drukt ook al geen stempel op het passend onderwijs. De leraar zal inderdaad aantoonbaar baat moeten hebben bij het passend onderwijs wil hij of zij gewonnen worden voor dit enorme project. Nu is de leraar slechts marginaal in beeld.

Ook een mooie is het gebruik van het woord «experimenten». Wetenschappelijk is het volstrekt onjuist hoe het ministerie dit begrip invult. Als je een groep binnenhaalt tegen beloning voor het doen van experimenten, vervuilt dat je waarneming. Van representativiteit is immers dan geen sprake meer. Er is sprake van een selectieve onderzoekspopulatie. Dat moet niet gebeuren in een veld waarin het begrip «evidence based» de afgelopen jaren opgang heeft gemaakt.

De commissie stelt dat een van de risico’s is dat passend onderwijs kan uitmonden in een onoverzichtelijke lappendeken van doelstellingen, middelen en effecten. Als ik alle stukken lees en alles op een rijtje zet, zie ik niet dat het op deze manier anders kan lopen. Wie is de counterveiling power die deze lappendeken kan voorkomen? Met die lappendeken zijn alle factoren in stelling gebracht voor het mislukken van een project. Dat zou een kleine ramp zijn, want het gaat tenslotte om een zeer kwetsbare groep die een zeer diverse aanpak nodig heeft en die in omvang snel toeneemt.

Dit rapport moet als een mokerslag zijn aangekomen, klaarblijkelijk ook bij de staatssecretaris. Wij ontvingen een brief van haar waarin zij rept over «heroverwegen», een woord dat nog veel zal vallen vandaag. Dat is politiek gezien nogal een dramatische term. Ik lees: het is geen optie de huidige situatie te handhaven. Ook daar is geen woord Spaans bij. De brief roept tal van vragen op, waaronder de vraag ik net al stelde «wat nu?» en ook «wat dan wel?». Is dit een volledige pas op de plaats, wordt de zaak teruggedraaid? Heeft de staatssecretaris een alternatief? De brief is twee dagen oud, dus dat zou mij verbazen. Bestaat de zorgplicht nog en, zo ja, wat betekent die? Gaat de staatssecretaris in dit dossier de regie nemen? Komt zij met een plan en komt zij met een verbetertraject of gaat alles op de helling en terug naar af? Daar krijg ik graag een reactie op.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): U hebt terecht een aantal vragen gesteld, mijnheer Bosma. Hebt u ook een antwoord op de door u zelf gestelde vragen? Zijn er elementen in het traject waarvan u denkt dat die een voorwaarde zijn om te komen goed passend onderwijsaanbod voor kinderen? Zijn er dingen waarvan u zegt dat wij daar best mee kunnen doorgaan, misschien met wat aanvullende voorwaarden, zodat wij geen pas op de plaats maken? Ik proef namelijk een beetje uit uw woorden dat u het er niet bij wilt laten zitten.

De heer Bosma (PVV): Nee, natuurlijk heb ik geen antwoord op de vragen die ik heb gesteld. Ik ben namelijk geen staatssecretaris. Ik vraag haar wat zij nu gaat doen als lid van het kabinet. Het zou raar zijn als een lid van de oppositie daar een antwoord op zou hebben. Een pas op de plaats is wat moet gebeuren. Ik was het op een aantal punten eens met uw bijdrage. Er zijn best zaken verbeterd op het gebied van passend onderwijs. Als je dit boekje leest – ik schrok daar echt van – kan je niet anders dan vaststellen dat de hele operatie de verkeerde kant opgaat. De commissie heeft er goed en uitgebreid naar gekeken en komt tot een zeer negatief oordeel. Het is netjes opgeschreven, maar als je alles op een rijtje zet, is het beeld desastreus. Ik ben het met u eens dat het goede moet worden behouden. Als deze commissie echter dergelijke dramatische dingen opschrijft, kan je die niet zomaar naast je neerleggen.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Ik vond het wel een verrassende uitspraak dat u oppositie voeren ziet als alleen maar vragen stellen aan de staatssecretaris die vervolgens met antwoorden moet komen. Het lijkt mij toch ook dat een politieke partij zelf ook wel eens met antwoorden op vragen moet komen.

De heer Bosma (PVV): Als ik vragen stel aan de staatssecretaris, spreek ik haar aan als kabinetslid. Dat heb ik gedaan. De essentie van mijn vraag was: wat gaat er nu gebeuren? Daar kan ik als lid van de oppositie geen antwoord op geven, nogal wiedes. Ik begrijp natuurlijk wel een beetje wat er onder uw opmerking ligt. Ik wil wel een paar dingen zeggen. De PVV-fractie zet zich in voor het behoud van het speciaal onderwijs, mits het geen zwakke scholen zijn. Wij zijn voor het tegengaan van bestuurlijke drukte. De leraar moet in beeld zijn. Ouders moeten de mogelijkheid hebben om voor alternatieven te kiezen. Schotten moeten worden weggehaald. Als je dat op individueel niveau bekijkt, is dat maatwerk.

De heer Dibi (GroenLinks): Wij hebben allebei in de commissie-Dijsselbloem gezeten, mijnheer Bosma. Wij hebben ook Kamerleden en oud-Kamerleden gehoord en zelfs de staatssecretaris in haar hoedanigheid als oud-Kamerlid van de PvdA. Wij hebben geconcludeerd dat de rol die Kamerleden en politieke partijen spelen in het controleren van het kabinet waar het gaat om de invoering van grootschalige onderwijsvernieuwingen ontzettend belangrijk is. Wij hebben ze kritisch aan de tand gevoeld omdat zij vaak dingen hebben laten liggen of soms juist terecht dingen hebben aangekaart, maar er niet op door zijn gegaan. De PVV is virtueel op dit moment een van de grootste partijen. Ik ben benieuwd welke randvoorwaarden de PVV stelt aan de invoering van passend onderwijs. Hoe moet het er volgens haar uitzien en wanneer zegt zij dat het maar moet worden afgeblazen?

Mevrouw Ferrier (CDA): Ik spreek nu voor het eerst over passend onderwijs in de aanwezigheid van virtueel de grootste partij, de PVV. Ik wil aan de vraag van de heer Dibi toevoegen: hoe gaat u dat doen?

De heer Bosma (PVV): Hoe gaat ik wat doen?

Mevrouw Ferrier (CDA): Ik doel op de doelstellingen die u net hebt voorgelezen. Wat wilt u bereiken? Wat wilt u laten bestaan? Hoe wilt u ouders en docenten betrekken? Hoe gaat de PVV dat doen?

De heer Bosma (PVV): Door ervoor te zorgen dat aan al dat soort voorwaarden wordt voldaan, dus dat ouders worden betrokken bij de ontwikkeling van het passend onderwijs, dat het speciaal onderwijs blijft bestaan en dat er geen zwakke scholen in dat dossier zijn. Er moet voor worden gezorgd dat leraren erbij worden betrokken. Die zijn heel vaak buiten beeld, zo ook in dit dossier. De commissie schrijft daarover. Er moet voor worden gezorgd dat die zaken in balans worden ontwikkeld.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik vind dit een vrij nietszeggend antwoord, mijnheer Bosma. Ik denk dat u wel meer in uw mars hebt. Wat vindt de PVV dat er goed gaat wat betreft passend onderwijs en hoe kan het beter? Wat gaat er slecht en wat wilt u daaraan veranderen?

De heer Bosma (PVV): Ik heb volgens mij net al een lijstje opgenoemd, maar ik kan nog een paar elementen noemen. Misschien dat u «stop» kunt zeggen als u voldoende hebt gehoord. De eenloketfunctie is heel belangrijk. Over het oormerken van zorgmiddelen hebben wij een mooie motie aangenomen, want geld verdwijnt nu op de grote hoop en verdampt. Wij zien – u hebt dat ook in de commissie-Dijsselbloem meegemaakt – dat al het geld dat de afgelopen twintig jaar extra naar onderwijs is gegaan overal naartoe is gegaan, behalve naar het primaire proces. Verder zijn wij voor het tegengaan van bestuurlijke drukte en van schotten et cetera.

Mevrouw Ferrier (CDA): Ik concludeer uit de woorden van de PVV-fractie dat zij hetzelfde wil als wij, maar dat zij niet weet hoe. Ik begin nu aan mijn inbreng.

De voorzitter: Precies. Dat lijkt mij een mooie opmaat voor de inbreng van mevrouw Ferrier van de CDA-fractie.

Mevrouw Ferrier (CDA): Voorzitter. Ik was voornemens om, naast de kritiek die ik natuurlijk ook heb, mijn inbreng voor dit overleg te beginnen met de complimenten aan de staatssecretaris. Ik had iets willen zeggen over het beteren van de kwaliteit van het speciaal basisonderwijs en het invoeren van de kerndoelen voor de Wet op de expertisecentra (WEC). Ik wilde zeggen dat er meer oog is de positie van ouders en docenten, dat er veel is nagedacht over het toeleiden naar de arbeidsmarkt en dat er meer wordt uitgegaan van wat kinderen wel kunnen dan van wat zij niet kunnen.

Na de brief van dinsdagavond heb ik echter mijn inbreng moeten wijzigen. Deze brief roept namelijk heel veel vragen op. De eerste en meest prangende vraag is hoe ik de opmerking moet duiden dat de staatssecretaris het proces van passend onderwijs zoals in gang gezet, wil heroverwegen. Moet ik hieruit concluderen dat zij de stekker uit het passend onderwijs trekt? In een volgende zin stelt zij dat het geen optie is om de huidige situatie te handhaven. Welke huidige situatie? Doelt zij op de weg die wij nu zijn gegaan, dat proces van onderop met veldinitiatieven en experimenten die, zo blijkt uit het rapport van de ECPO, net op gang lijken te komen? Of bedoelt zij de uitgangssituatie, waar iedereen ontevreden over was, waarin de kwaliteit niet voldeed en veel te veel kinderen thuis zaten? Hoe verhoudt de brief van dinsdagavond zich tot de derde voortgangsrapportage?

Laat ik duidelijk zijn: mijn fractie wil dat wat goed gaat behouden blijft. Daarom wil ik een aantal zaken weten. Wat gaat de staatssecretaris wel overwegen en wat niet? Waar wil zij nu uitkomen in 2011? Zoals uit de rest van mijn inbreng zal blijken, moet wat mijn fractie betreft de tijdsdruk eraf. Het gaat ons om de kwaliteit. Welke doelen stelt de staatssecretaris zichzelf nu, voor deze kabinetsperiode? Straks is het 2011 en hebben wij niets bereikt.

De CDA-fractie is er geen voorstander van om de stekker eruit te trekken. Als dat is wat de staatssecretaris bedoelt, heeft zij heel wat uit te leggen. Dat neemt niet weg dat ook mijn fractie zeer kritisch is. Het geheel overziend van alle stukken en rapporten die wij hebben ontvangen, vragen wij ons af of wij met zijn allen nog werkelijk voor ogen hebben wat wij willen. Zijn wij niet veel te veel bezig met structuren en verliezen wij daardoor het kind en diens directe omgeving, ouders en docenten, niet veel te veel uit het oog? Vorige keer sprak ik over Edward die thuis zit. Wat betekenen de tot nu toe gemaakte vorderingen voor zijn concrete situatie?

Mijn fractie heeft altijd het traject van onderop voor de wetsaanpassingen volmondig gesteund en dat zal zij blijven doen. Daarom is het zaak dat wij zicht hebben op wat werkt en wat niet. Het is dus van belang dat er voldoende veldinitiatieven en experimenten starten. De ECPO maakt in haar verslag bekend dat er nog maar drie experimenten en zes veldinitiatieven zijn en er komen er veel meer aan. De resultaten ervan hebben wij echter nog niet en het is nog niet duidelijk wanneer wij die krijgen. Daarom is de CDA-fractie tot de conclusie gekomen dat wij het tot nu toe gehanteerde tijdpad van een «go/no go»-moment in het najaar van dit jaar en de invoering van de wet in 2011 los moeten laten. De kwaliteit gaat voor ons boven de tijdpaden.

Dit betekent niet dat wij negatief staan tegenover het voorstel van de ECPO om nu vast te leggen wat wij in de wet kunnen vastleggen, zoals dat ene loket. Ik hoor tot mijn vreugde dat collega’s daar ook erg aan hechten. Met het eerste deel van de invoering van de wet die de staatssecretaris voorstelt, kan mijn fractie grofweg akkoord gaan. Wij zijn ingenomen met de voorstellen ten aanzien van uitstroomprofielen en de bereidheid – zo interpreteren wij dat, ten minste – om scholen meer ruimte bieden voor examinering. Dat moet uiteraard volgens duidelijke normen gebeuren, maar met meer ruimte voor scholen om het eindexamen naar eigen inzicht in te richten, zodanig dat zo veel mogelijk kinderen ook in het passend onderwijs met een startkwalificatie de school verlaten. Zeker gezien de groei van het aantal leerlingen in het passend onderwijs en het speciaal onderwijs op havo/vwo-niveau in cluster 4 is dat zeer wenselijk. Ik hoor hier graag een reactie op.

De CDA-fractie heeft er moeite mee om nu al te bepalen dat de netwerken per 2013 absoluut in de nieuwe vorm moeten gaan functioneren. Wij hebben er ook moeite mee om nu al vast te leggen dat wij akkoord gaan met de invoering van de budgetfinanciering per 2013. Ik hoor graag van de staatssecretaris hoe ik dat moet zien in het licht van de brief van dinsdagavond.

In dit licht heeft mijn fractie ook moeite met de voorstellen van de staatssecretaris in de voortgangsbrief op pagina 5 om de groei van het aantal geïndiceerde leerlingen, zowel in het voortgezet speciaal onderwijs (vso) als met leerlinggebonden financiering, te beperken door gebudgetteerde financiering voor speciale-leerlingenzorg om overschrijding in de toekomst te voorkomen. Groei van het aantal geïndiceerde leerlingen voorkom je niet door budgetten in te perken. Het gaat om een maatschappelijk probleem dat zich niet door financieringstechnieken laat oplossen. Er zijn nu al te veel kinderen voor wie geen plek is. Er zijn duidelijke criteria geformuleerd voor beoordeling van de leerlingen en ik ga er dus vanuit dat er geen kinderen onterecht aanspraak maken op ondersteuning.

De voorzitter: Ik wil u aan de tijd herinneren, mevrouw Ferrier.

Mevrouw Ferrier (CDA): Dit brengt mij op het punt van de besteding van de zorgmiddelen. Het is natuurlijk ontluisterend dat niemand precies kan aangeven hoe het geld is besteed en wat voor effect die besteding op de ontwikkeling van het kind heeft gehad. Mijn fractie vindt dat wij daar eerst op moeten inzetten. Wij moeten zicht krijgen op de wijze waarop dat geld wordt uitgegeven. Wij hebben een behandelingsplan dat wordt afgestemd met de ouders en daar staat een budget tegenover. Hoe kan het zijn dat wij dat budget niet kunnen volgen? Waar blijft dat geld? Mijn fractie wil daar zicht op hebben.

De ECPO zegt het nodige over de netwerken. Ik heb al gezegd dat wij niet zomaar akkoord gaan met het opgaan in nieuwe netwerken van nu bestaande netwerken en samenwerkingsverbanden die goed functioneren.

Mevrouw Smits (SP): Ik deel de zorg over het geld. Het is heel slechte zaak dat wij geen inzicht hebben in waar het blijft. Denkt de CDA-fractie dat die problemen er niet meer zullen zijn als er budgetfinanciering komt, wellicht op netwerkniveau?

Mevrouw Ferrier (CDA): Nee, dan hebt u mij niet goed begrepen. Ik zeg juist dat ik niet aan budgetfinanciering wil beginnen als ik niet zeker weet – daarvoor hebben wij de veldinitiatieven en experimenten nodig – hoe die in de praktijk uitpakt. Mijn fractie vindt het onacceptabel als een kind dat is geïndiceerd voor speciaal onderwijs of de nodige ondersteuning in het reguliere onderwijs dat niet zou kunnen krijgen. Ik heb gezegd dat ik hoop dat het voorstel voor budgetfinanciering dat in de brief van de staatssecretaris staat snel van tafel gaat, vooral ook omdat wij helemaal geen zicht hebben op de wijze waarop de zorgmiddelen worden ingezet. Zo lang wij dat niet weten, gaan wij zeker niet aan budgetfinanciering beginnen.

De voorzitter: U moet nu echt gaan afronden, mevrouw Ferrier.

Mevrouw Ferrier (CDA): Dat wordt lastig, maar ik ga het proberen. Ik weet dat er samenwerkingsverbanden zijn waarin ouders zich gekend weten, dicht bij de ouder en dicht bij het kind. Laat die nu niet opgaan in grote regionale netwerken. Ik wil een toezegging van de staatssecretaris dat zij daar flexibel mee omgaat.

Het heeft mij verbaasd dat in de brief van dinsdagavond staat dat wordt gesproken met de raden, maar niet met ouders. Ik kan mij toch niet voorstellen dat als wij in september de resultaten van die gesprekken krijgen, wij zien dat niet is meegenomen hoe ouders en docenten ertegenover staan. Hoe staat het met betrekken van allochtone ouders bij dit proces? Wanneer komt het rapport van Forum uit?

Ten slotte heb ik nog een paar belangrijke vragen. Voor het vso wordt eenzelfde constructie voorzien als voor het voortgezet onderwijs (vo). Hoe is de wettelijke verankering daarvan voorzien? In de notitie naar aanleiding van de motie-Biskop staat een prachtige analyse. Het plan van aanpak is vervolgens doorspekt van het volgen van ontwikkelingen, verkenningen die moeten worden uitgevoerd, goede bedoelingen en bereidheid tot leren. Wij vinden het prachtig, maar wat gaan wij nu doen? Waar is de daadkracht? Wanneer gaat het didactisch expertisecentrum van start?

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. Op papier, zwart op wit, zien de doelstellingen van het passend onderwijs er allemaal bijzonder lovenswaardig uit. Alle kinderen, dus ook kinderen met leer- en ontwikkelingsproblemen en kinderen met een handicap, stoornis of ziekte, hebben recht op passend onderwijs. Kinderen mogen niet langer thuiszitten of op wachtlijsten staan en niet langer slachtoffer zijn van bureaucratie rond de indicatiestelling en slechte samenwerking. Volgens mij zal elke fractie hier aanwezig dat beamen.

Vervolgens kom je in de bittere en harde werkelijkheid van alledag en verdwijnen deze mooie woorden als sneeuw voor de zon. Je ziet bijvoorbeeld een meedogenloze moeder als een leeuwin vechten om ervoor te zorgen dat het kind koste wat het kost in het regulier onderwijs een plek krijgt in plaats van in het speciaal onderwijs. Dan zie je een schoolbestuurder die koelbloedig beweert dat de klassen vol zijn, omdat te veel zorgleerlingen zijn concurrentiepositie ten opzichte van andere scholen zal verminderen. Je ziet ook een ietwat ongemakkelijke docent die diep in zijn hart het kind wel een plek in zijn klas wil geven, maar nu al te veel kinderen onder zijn hoede heeft. Hier hebben wij het over als wij spreken over passend onderwijs.

De vraag die de fractie van GroenLinks zich vandaag dit debat stelt, is hoe wij ervoor kunnen zorgen dat kinderen tot hun recht komen, of dit nu in het speciaal onderwijs is of in het regulier onderwijs. Mijn fractie spreekt in elk geval geen waardeoordeel uit over het speciaal onderwijs als zij het heeft over het bieden van een plekje aan kinderen in het reguliere onderwijs. Regulier onderwijs zal nooit een alternatief zijn voor het speciaal onderwijs, maar het kan ook niet zo zijn dat elk kind met een vlekje automatisch in het speciaal onderwijs terechtkomt.

Eén ding is duidelijk: wij zitten nu niet op de goede weg. De commissie-Lambrechts, de inspectie en vele anderen kraken kritische noten over de voortgang van het passend onderwijs. Het traject is te veel gericht op bestuurlijke inrichting en te weinig op het verbeteren van de kwaliteit. Leraren en ouders zijn nog amper betrokken. Waar heb ik dat eerder gehoord? Dat was bij de invoering van het competentiegericht onderwijs, bij de invoering van het vmbo, bij de invoering van de tweede fase en bij de invoering van de basisvorming. Het is een soort trend dat wij, als het gaat om de invoering van grootschalige onderwijsvernieuwingen, de mensen om wie het het meest gaat te laat of helemaal niet betrekken. Of wij betrekken ze wel, maar dan voor de sier in allerlei gezellige netwerkbijeenkomsten. Ondertussen laat de kwaliteit van de regionale expertisecentra en van het speciaal onderwijs veel te veel te wensen over.

Het is heel positief te noemen dat de staatssecretaris laat zien dat zij over lerend vermogen beschikt en ook luistert naar deze signalen, maar al eerder is gezegd dat haar strategisch getimede brief veel meer vragen oproept dan mijn fractie van te voren had over dit traject. Ik sluit mij voor het gemak aan bij een aantal vragen dat al eerder is gesteld. De staatssecretaris gaat heroverwegen. Wat betekent dat precies? Wat gaat zij precies heroverwegen? Het kan immers niet zo zijn dat wij alles op de lange baan schuiven. Daar bedoel ik mee dat de kwaliteitsslag geen vertraging mag oplopen. De commissie-Lambrechts adviseert om op dit moment alleen wetgeving te maken voor de kwaliteitsaspecten van het speciaal onderwijs. De fractie van GroenLinks sluit zich daar van harte bij aan. Graag horen wij van de staatssecretaris hoe zij dit nu voor zich ziet. Komt zij snel met wetgeving die de kwaliteitseisen voor het vso wettelijk te verankeren? Het is namelijk onverteerbaar dat het speciaal onderwijs kinderen in veel gevallen opleidt voor de Wajong en dat van de kinderen met psychische en gedragsproblemen slechts 5% een diploma haalt. Hoe gaan wij ervoor zorgen dat dit gaat veranderen? Ik hoor graag concrete en afrekenbare doelstellingen.

Ik wil ook op een ander punt graag aansluiten bij de commissie-Lambrechts, namelijk wat betreft de positie van de ouders. Het toverwoord, de zorgplicht, zou ertoe leiden dat wij duidelijkheid zouden krijgen. Wij moeten niet dezelfde onduidelijkheid krijgen als wij bijvoorbeeld bij de buitenschoolse opvang zien, waar onduidelijkheid bestaat over de verantwoordelijkheid rond het aanbieden: de school wijst naar de kinderopvang, de kinderopvang naar de gemeente en de gemeente naar de school. Dat soort rare fratsen moeten wij niet krijgen bij de zorgplicht. In welke mate kunnen ouders bepalen naar welke school hun kind gaat, wie heeft het laatste woord daarover en wat kunnen wij doen als er onenigheid over bestaat?

Er zijn genoeg docenten die met alle liefde een zorgleerling in het regulier onderwijs willen opnemen. Zij zeggen echter wel allemaal dat hier strikte voorwaarden voor moeten gelden. Zij noemen allemaal – dat vind ik opvallend – meer handjes in de klas. Op dat punt missen opnieuw de concrete en afrekenbare doelstellingen. Hoe gaan wij daarvoor zorgen? Een oplossing zou kunnen zijn om voor elke drie kinderen met een indicatie een maatwerkbegeleider aan te stellen die meedraait. In Italië is er bijvoorbeeld voor elk gehandicapt kind één fulltime assistent beschikbaar. Kan de staatssecretaris inhoudelijk op dit soort voorstellen ingaan?

Ik maak nu een bruggetje naar de financiën. Ik praat een beetje snel omdat ik zeven minuten echt veel te kort vindt om mijn verhaal te vertellen, maar ik zal het er toch in proppen. Waar ik heel erg ben geschrokken, is dat geen enkele commissie voor de indicatiestelling voldoet en handelt overeenkomstig de wettelijke voorschriften. Dan vraag ik mij af waar wij in godsnaam mee bezig zijn. Er zijn sowieso heel veel zorgen over de indicatiestelling. Plakken wij niet veel te veel indicaties op kinderen, is er niet een perverse prikkel die leidt tot extra geld en, zo ja, waar gaat het geld vervolgens naartoe? Kan de staatssecretaris aangeven wat zij hieraan gaat doen? Wat gaat zij met de commissies voor indicatiestelling doen, nu uit het jaarverslag van de inspectie is gebleken dat het zo slecht gaat?

Klopt het dat de wet wel op de lange baan wordt geschoven, maar de budgetfinanciering niet? Dat vraag ik mij af. Een overschrijding van 70 mln. in 2014 is natuurlijk schrikken, zeker voor de staatssecretaris. Voordat wij rigoureus overstappen op een dekselfinanciering, wil ik weten wat de oorzaken van de overschrijding zijn, waar te veel geld naartoe gaat en waar juist te weinig. Juist aan dat inzicht ontbreekt het. De staatssecretaris moet ervoor zorgen dat zij haar zaakjes op orde heeft voordat zij een deksel op de financiering doet.

Passend onderwijs is nu vooral nog een zaak van beleidsmakers, bestuurders, managers en externe adviseurs. Ik krijg ook van schoolleiders te horen dat die externe adviseurs ze wel eens gek maken. Dan komen zij weer een weekje langs, hebben zij weer een nieuw plannetje, moet iedereen zich daaraan aanpassen en vervolgens zijn zij verdwenen voordat het hele plannetje geïmplementeerd is. Zij nemen daar ook totaal geen verantwoordelijkheid voor. Ik denk dan: wie is hier nu de professional, wie moet aan wie dienstbaar zijn? Ik krijg toch heel vaak de indruk dat de docenten vooral dienstbaar moeten zijn aan iedereen die de school binnenkomt en niet omgekeerd. Dat zou ik een verkeerde zaak vinden. Hoe gaan wij zorgen voor voldoende deskundigheid in het regulier onderwijs? Bij de invoering van het vmbo hebben wij gezien dat heel veel deskundigheid die bij de vso- en lomscholen aanwezig was, is verdwenen toen de samenvoeging plaatsvond. Dat mag niet gebeuren als het gaat om passend onderwijs.

Nog een schok: bij de koplopers is de betrokkenheid van docenten nergens gerealiseerd, nergens. Dat zijn dus de koplopers. De staatssecretaris heeft dat ook opgemerkt en neemt het mee in haar overleg. Ik vind dat een wat te procedureel antwoord. Wat bedoelt zij daar precies mee? Gaat zij eisen stellen op dat gebied?

Een verantwoorde stelselherziening begint met een heldere visie en een gedegen probleemanalyse: wat is het probleem en waar willen wij naartoe? Daar ontbreekt het nu aan, maar heeft het eigenlijk altijd aan ontbroken bij de invoering van passend onderwijs. Het is voor iedereen duidelijk dat er veel mis is, maar niet waar wij naartoe werken. De staatssecretaris komt met mooie kreten – desiderata, zegt mevrouw Lambrechts chic – zoals «het kind centraal», maar het ontbreekt aan concrete doelstellingen. De concrete doelstellingen die ik voor ogen heb, betreft de vragen: hoeveel kinderen kunnen beter lezen en schrijven en hoeveel leerlingen halen een diploma en verwerven een plek op de arbeidsmarkt, dus zitten niet meer thuis. Daar draait het om. Ik overweeg een initiatief te nemen op dit punt als de staatssecretaris niet zelf heel duidelijk met doelstellingen komt.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Voorzitter. De grootste zorg in het onderwijs op dit moment is het speciaal onderwijs. Dat is over de schutting gekieperd. Laat het veld het maar uitzoeken. Weet de staatssecretaris wel waar zij het veld mee heeft opgezadeld, de mensen die keihard werken en hun handen vol hebben om ervoor te zorgen dat de kinderen goed terechtkomen? Wij zijn eigenlijk al een jaar aan het waarschuwen. Het is nu echt duidelijk: het Dijsselbloemspook waart rond. Voor degenen die de kreet «Dijsselbloemspook» nog niet eerder van mij hoorden: daarmee bedoel ik niets anders te zeggen dan dat het rapport-Dijsselbloem ons duidelijk maakte dat veranderingen van onderop moeten komen en niet van bovenaf moeten worden opgelegd. De tegenhanger daarvan en de angst die wij hadden bij dit wetstraject is het Dijsselbloemspook, namelijk dat alles over de schutting wordt gekieperd en dat het veld met maar moet uitzoeken terwijl men daar de mogelijkheden niet heeft. Het is niet zo gek dat het veld weinig doet. Dat is het gevolg van alle onduidelijkheid. De budgetfinanciering is niet duidelijk, de zorgplicht is niet duidelijk en de rechten van ouders zijn helemaal niet duidelijk. Direct betrokkenen weten vaak niet eens wat passend onderwijs is. En dan heb ik het nog niet over de onduidelijkheid tussen het passend onderwijs en de Centra voor Jeugd en Gezin en de Zorg- en adviesteams. Daarnaast komt er een nieuwe wet zorg en onderwijs.

Wat het veld en wij willen is gewoon duidelijkheid. Weet de staatssecretaris eigenlijk zelf wel wat zij met passend onderwijs wil? Wat is nu het doel? Wat gaat passend onderwijs doen aan de groeiende groep leerlingen die het speciaal onderwijs instroomt? Hoe worden die grote problemen in de praktijk aangepakt? Ik heb sterk de indruk dat de staatssecretaris in haar eigen bestuurlijke realiteit leeft. Zij heeft het steeds over bestuurlijke drukte, terwijl mensen in het speciaal onderwijs het pas echt druk hebben. Zij worden er echter in veel regio’s voorlopig niet eens bij betrokken. Hoe worden de docenten en de ouders geïnformeerd en hoe worden zij betrokken? Wat heeft uitstellen voor zin zolang de staatssecretaris geen duidelijkheid wil geven? De vraag is of wij vandaag antwoord krijgen op deze belangrijke vragen. Of trekken wij de stekker eruit en geven wij het geld niet langer aan bestuurlijke netwerken – er zijn al enkele tientallen miljoenen in die babbelboxen verdwenen – en geven wij het geld aan de scholen zodat zij daarmee de voor hen broodnodige zorg en begeleiding kunnen inkopen? Dat lijkt mij veel belangrijker. Wat kan de staatssecretaris beloven en waar kunnen wij haar op afrekenen in september?

De VVD-fractie is er eerlijk gezegd klaar mee. Zo gaat het niet langer.

Mevrouw Ferrier (CDA): Ik ben heel benieuwd wat u nu gaat zeggen, mevrouw Dezentjé, want nu komt de visie van de VVD. Ik hoor u zeggen dat het geld niet naar de babbelboxen moet, zoals u de netwerken noemt, maar direct naar de scholen. Begrijp ik dat goed?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik meen dat u de vorige debatten ook hebt meegemaakt, mevrouw Ferrier. Ook daarin heb ik er iedere keer een punt van gemaakt dat op dit moment al ruim 57 mln. is vertimmerd in de invoering van passend onderwijs. En kijk nu eens waar wij nu zijn? Dat noem ik verspilling hoor, sorry. Ik weet niet hoe u dat noemt, maar ik noem het verspilling.

Mevrouw Ferrier (CDA): Ik vroeg wat anders. Mag ik uit uw woorden opmaken dat u vindt dat het geld voor passend onderwijs niet naar de netwerken moet, maar naar de scholen?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik had gewild dat die 57 mln. daar waren terechtgekomen om de leerlingen te helpen. Hoe is op dit moment even niet van belang. Ik maak er een punt van dat op dit moment 70 mln. is verspild naar mijn idee, zeker als ik zie waar wij nu staan. Ik had het liever op een andere manier willen spelen, maar u misschien niet. Ik kijk nu ook naar de toekomst. Ik stel dit vast. Hoe ik het liever had gewild, weet u nu. Ik kan er echter niets meer aan veranderen en u ook niet.

Mevrouw Ferrier (CDA): Ik weet niet hoe u het liever had gewild. U zegt dat u het op een andere manier had gedaan, maar welke manier is dat dan? Daar bent u niet duidelijk over, mevrouw Dezentjé.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Volgens mij ben ik daar heel duidelijk over.

De voorzitter: Ik stel voor dat mevrouw Dezentjé haar betoog vervolgt, want zij zou gaan uitleggen wat zij precies wil volgens mij.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik had dus veel liever gewild dat de kinderen daar direct mee waren geholpen.

Mevrouw Ferrier (CDA): Op de school dus?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Nou ja, daar waar het geld hoort om die kinderen te helpen. Hoe, dat vind ik allemaal prima.

Mevrouw Ferrier (CDA): Is dat de school of niet?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Meestal wel, ja.

Mevrouw Ferrier (CDA): Dus de school?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ja.

Ik wil de staatssecretaris echt oproepen om nu regie te nemen, om haar verantwoordelijkheid te nemen en visie te tonen. Ik roep haar echt op om voor 1 januari 2010 met een concept-wettelijk kader te komen waarin staat hoe het er eigenlijk allemaal uit moet gaan zien en dat met het veld en met de Kamer te bespreken. Zij moet niet meer wachten. Het is allemaal veel te complex geworden. Er moet hier nu een streep onder worden gezet. Dat wettelijk kader moet er komen, want anders zitten wij voortdurend in een kip-en-eisituatie. Dan kijkt de staatssecretaris naar het veld, kijkt het veld naar de staatssecretaris en intussen komen wij niet verder. Dat blijkt ook. Ik vind heroverwegen allemaal prachtig, maar stuur ons nu gewoon een concepttekst waarin staat hoe de staatssecretaris de wet ziet en wat haar visie is op passend onderwijs. Dan kunnen wij daarmee aan de slag. Laten wij daar niet mee wachten.

De heer Dibi (GroenLinks): Een van de belangrijkste conclusies is nu juist dat de druk om wetgeving te maken ertoe heeft geleid dat er weinig tijd is geweest om lessen te trekken uit alle experimenten die er nu zijn. Als je de druk dus verder gaat opvoeren, wordt het probleem alleen maar groter en wordt er alleen maar meer geld verspild. Dat wil de VVD-fractie toch niet? Bent u niet bang dat als u de druk nog meer gaat opvoeren en al per 1 januari 2010 met wetgeving wilt komen, het nog gortiger wordt?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Gortiger dan dit kan volgens mij niet. Ik wil gewoon dat de staatssecretaris regie neemt. Die is er nu niet. Ik vind dat zij die onmiddellijk moet nemen. Zij moet een concepttekst opstellen zodat wij daar met het veld over kunnen gaan praten. Het heeft gewoon veel te lang geduurd. Zo komen wij nergens. Wij praten nu almaar in rondjes. Ik heb de verslagen van alle vorige debatten bij mij. Wij zijn helemaal geen millimeter verder gekomen. Wij zitten nu op een punt dat de staatssecretaris zegt dat wij wil heroverwegen en er in september een keer op terug wil komen. Dat kan toch zo niet langer? Daar ben ik dus klaar mee. Er moet nu echt iets gebeuren zodat wij duidelijkheid hebben. De staatssecretaris moet duidelijkheid geven aan het veld en aan ons over hoe zij nu precies dat passend onderwijs wil invullen. Wij kunnen daar dan op voortborduren. Dat lijkt mij belangrijk.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): U schermt heel vaak met het rapport-Dijsselbloem, mevrouw Dezentjé. Andere collega’s hebben daar ook iets over gezegd. Wij hebben juist voor de lerende aanpak gekozen omdat wij het veld de kans willen geven om zelf met zaken te komen, zodat wij kunnen zien wat werkt en wat niet. Ik ben het ermee eens dat er een proeve van wet moet komen om te bezien welke stappen wij daarna moeten nemen. Zegt u nu: Dijsselbloemproof is nu voorbij, kom maar met die wet, die gaan wij invoeren en dan gaat het veld eraan werken? Of hebt u nog steeds ook voor ogen dat wij zoveel mogelijk in slimme stappen de dingen kunnen doen die al mogelijk zijn en de dingen die nog niet mogelijk zijn nog eventjes wat meer tijd moeten geven? Vindt u dat wij de lerende aanpak nog steeds een beetje in stand moeten houden, hoe lastig het ook is doordat die niet altijd goed op gang komt?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik ben zo ontzettend bang dat wij met die lerende aanpak in die kip-en-eisituatie terechtkomen. Op dit moment zijn hele regio’s er nog buiten gelaten, zijn docenten erbuiten gelaten en zijn ouders erbuiten gelaten. Dan kun je wel leuk willen leren en stapjes zetten, maar volgens mij komen wij er zo niet. 2011 is al helemaal onhaalbaar, maar zelfs 2012 is dat. Zo komen wij niet verder. Ik vind dat nu de staatssecretaris aan zet is. Het is haar verantwoordelijkheid. Kom maar op en zeg maar eens hoe het moet. Misschien kunnen dan wel stappen worden gezet, samen met docenten en ouders. Als zij weten wat de bedoeling is, kan daarop worden voortgeborduurd en kunnen daar experimenten op worden losgelaten. Eigenlijk vind ik dat wij in een stadium zijn gekomen dat wij dat voorbij zijn. Wij kunnen nu niet alles bij het veld laten liggen terwijl ouders en docenten er nog niet bij zijn betrokken en, sterker nog, docenten vaak niet eens weten wat passend onderwijs is. Zo kan je dus niet verder met leren.

Mevrouw Ferrier (CDA): Kan ik hieruit opmaken dat de VVD-fractie wat passend onderwijs betreft niets voelt voor een proces van onderop? Kan ik hieruit opmaken dat de VVD-fractie denkt dat je op het moment dat je met een wetsvoorstel gaat werken docenten en ouders wel bij een proces betrekt? Als dat het geval is, zou ik graag weten waar u dat op baseert.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik baseer het op de situatie waarin wij nu zitten, namelijk dat er totale onduidelijkheid is. Ik heb het net genoemd. Het staat trouwens ook in de aanbevelingen van de commissie. Daarin worden allemaal vragen gesteld. Er moet duidelijkheid worden geschapen over wie het nu moet doen. Het veld? Dat lijkt mij niet, want anders was het al gebeurd. Die heeft juist die duidelijkheid nodig. Ik heb daar ook behoefte aan en u waarschijnlijk ook. Dan is het toch de taak van de staatssecretaris om de regie te pakken in het belang van de kinderen in het speciaal onderwijs?

Mevrouw Ferrier (CDA): Ik heb uit de conclusies van de ECPO begrepen dat er nog niet genoeg ervaringen zijn uit het veld – er zijn drie experimenten en zes veldinitiatieven – om je op te baseren, maar daarmee niet kunt zeggen dat hetgeen er al bereikt is en wat al zichtbaar is geworden op basis daarvan waardeloos zou zijn. U denkt daar kennelijk anders over.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik zeg helemaal niet dat het waardeloos is. Ik wil alleen het veld helpen omdat ik denk dat wij zo niet verder komen. Hoeveel experimenten hebt u dan eigenlijk nodig om verder te komen? Ik zou het niet weten. Ik vind – ik verval in herhaling – dat de staatssecretaris nu echt aan zet is. Het Dijsselbloemspook moet tussen die zorgleerlingen vandaan. Wij moeten nu gewoon allemaal weten waar wij aan toe zijn en duidelijkheid krijgen.

De voorzitter: Vervolgt u uw betoog, mevrouw Dezentjé.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik was klaar.

De voorzitter: Ik dank de woordvoerders voor hun inbreng. De staatssecretaris heeft enkele minuten nodig om haar beantwoording voor te bereiden.

Staatssecretaris Dijksma: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor haar inbreng. Ik zal zo meteen terugkomen op een aantal zaken die de individuele leden hebben gezegd. Maar misschien moet ik beginnen met zeggen dat dit toch een bijzonder overleg is, niet in de laatste plaats door mijn eigen handelen. Ik heb de Kamer deze week een brief gestuurd met een aantal opmerkingen over het heroverwegen van het proces rondom passend onderwijs. Ik denk dat de heer Bosma terecht heeft gevraagd: wat nu? Die brief vraagt om een nadere toelichting en die zal ik de Kamer graag geven.

Ik zal eerst iets duiden van waarom ik tot het schrijven van die brief ben gekomen, want ik merk dat de Kamer daar behoefte aan heeft. Wij zijn al sinds de zomer van 2007 met elkaar in deze samenstelling in gesprek over passend onderwijs. Mijn voorganger is al een aantal jaren daarvoor met dit onderwerp in de weer geweest. Ik heb vanaf het begin, zo mag ik aannemen, geen onduidelijkheid laten bestaan over de belangrijkste doelstelling van passend onderwijs: onderwijs aan kinderen op maat. Regulier waar het kan, speciaal waar het moet. Daarbij moet ook de bureaucratie worden doorbroken die op dit moment door velen wordt gevoeld, zeker rondom de indicatiestelling. Wat betreft de kwaliteit van de indicatiestelling valt er inderdaad nog een hoop te verbeteren.

De kwaliteit van het onderwijs moet sowieso worden verbeterd zodat kinderen in staat worden gesteld om het maximale uit zichzelf te halen. Dat betekent concreet dat bijvoorbeeld het niveau van lezen omhoog moet. Daar zijn wij in het speciaal onderwijs ook mee begonnen. Dat is cruciaal voor kinderen om ervoor te zorgen dat zij betere onderwijsprestaties gaan boeken. Wij zien ook dat er ook in het speciaal onderwijs een omslag in denken nodig is, waarbij wij niet alleen kijken naar zorg en het verlenen van zorg. Dat doet men overigens vaak fantastisch. Er is echter ook een noodzaak om het onderwijs beter op orde te krijgen. Uiteindelijk hebben immers alle kinderen recht op onderwijs, zeker kinderen die extra zorg krijgen.

Wij zien op dit moment dat er nog heel veel kinderen op een wachtlijst staan of thuiszitten. Daar moet een einde aan komen. Wij willen dat de wachtlijsten slinken en dat er geen kinderen meer thuiszitten zonder onderwijs. Op basis van het rapport van de commissie-Dijsselbloem is gezegd dat bij veranderingen in het stelsel ruimte voor inbreng van onderop van groot belang is, dus dat je voor een soort lerende aanpak moet kiezen. Dat wringt nog wel eens met een andere roep in het veld, namelijk een verzoek aan mij om duidelijkheid. Aan de ene kant biedt je dus ruimte, wat belangrijk is, maar aan de andere kant vraagt het veld ook vaak om helder te maken wat de aanpak precies moet betekenen. Wij hebben gekozen voor een regionale aanpak op basis van de bestaande structuren. Wij hebben het veld gevraagd om met elkaar in de weer te gaan om één loket te organiseren en daarbinnen de positie van de leraren en de ouders te versterken. Er is in de afgelopen twee jaar steeds een soort zoektocht geweest naar een evenwicht waarbij aan de ene kant recht wordt gedaan aan die duidelijkheid en je in de weer bent met wetgeving, maar je aan de andere kant wilt leren van de praktijk.

De afgelopen tijd hebben wij gezien – dat heb ik al verschillende keren in mijn brieven aan de Kamer geschreven -dat er heel veel bestuurlijke drukte is. Dat is niet alleen maar slecht, zeg ik er meteen bij. Ik heb zelf met heel veel mensen van de netwerken gesproken. Je vraagt van schoolbesturen en allerlei organisaties die zich inzetten voor het welzijn van kinderen met elkaar tot een gezamenlijke aanpak te komen. Daar is veel energie in gestoken. Ik heb heel veel waardering voor alle mensen die daarmee in de weer zijn geweest en daar heel veel energie in hebben gestoken. Onderliggend is er echter voortdurend discussie over de vraag wie er straks beslist over het geld. Met name de budgetfinanciering en de dreiging daarvan, hebben natuurlijk lange tijd – dat dachten wij althans – het gesprek binnen de netwerken af en toe doen verstommen. Toen een tijd geleden met de Kamer is afgesproken om die budgetfinanciering wat naar achteren te plaatsen, hadden wij de hoop dat daarmee het gesprek over het inrichten van het loket en de vraag wie welke verantwoordelijkheid neemt sneller op gang zou komen. Het is niet zo gemakkelijk.

Toen minister Van der Hoeven met het idee van de zorgplicht kwam, was de gedachte dat die inderdaad zou worden belegd bij de individuele schoolbesturen. Toen is er vanuit met name het speciaal onderwijs een geslaagde actie op gang gekomen om er, overigens volgens mij terecht, op te wijzen dat wij ermee moeten oppassen dat wij met zo’n invulling van het begrip «zorgplicht» het kind niet met het badwater weggooien. Er kan immers, daar zijn al voorbeelden van gegeven van eerdere operaties, bijvoorbeeld expertise weglekken. Om die reden is bij mijn aantreden gezegd dat het misschien niet verstandig was om de zorgplicht en de wijze waarop die toen werd gepoogd op gang te brengen zomaar rücksichtslos door te zetten. Daar heb ik naar geluisterd.

De vraag is vervolgens wie op welk moment waar verantwoordelijkheid voor neemt. De gedachte is steeds geweest dat als een netwerk gezamenlijk verantwoordelijkheid neemt en schoolbesturen een afvaardiging naar een netwerk laten gaan zodat er een gemeenschappelijke leiding is, kan worden voorkomen dat er voortdurend onderling gedoe is over wie de middelen krijgt. Ik moet constateren dat ook dit heel ingewikkeld is. Die weerbarstige praktijk van de heer Dibi, daar loop ik echt elke dag tegenaan. Ik begrijp wel waardoor dat gebeurt. De bedoeling is dat wij met maatwerk in de weer gaan en dat wij soms vormen van speciaal onderwijs in het regulier onderwijs trekken, bijvoorbeeld autistenklassen in het havo of het vwo. Dan moet je natuurlijk flexibiliteit hebben in de wijze waarop je dat organiseert. Dat kan niet op grond van de huidige wet- en regelgeving, want de overheid heeft dat om alles beheersbaar te houden heel strak ingeperkt met indicatiestelling, verantwoording en heel veel regelgeving eromheen.

Wij willen de toenemende druk op middelen – er wordt erg veel geïndiceerd – een beetje temperen. Dat willen wij niet alleen om budgettaire redenen, maar ook om kwaliteitsredenen. Wij zien dat het bij mensen die moeten werken met kinderen met een extra zorgvraag soms over de schoenen loopt. Wij moeten dus voortdurend aan een paar knoppen draaien waarmee het systeem kan worden beïnvloed. Wij hebben er binnen dit systeem tot nu toe voor gekozen om iets aan de indicatie te doen. Dat werkt natuurlijk niet, want uiteindelijk vindt men altijd wel weer zijn weg. Als het makkelijker is om een psychotherapeut aan te trekken die de goede dingen opschrijft, komt het ook wel weer goed. Het lastige is dat dit niet werkt. Iedereen uit het veld die je vraagt waar hij last van heeft, zal zeggen dat dit regels rondom de indicatiestelling zijn. Als je bereid bent om die regels weg te halen, bijvoorbeeld in een experiment, en zegt dat de mensen het moeten doen met de middelen die zij hebben en dat zij er met elkaar uit moeten komen hoe die worden ingezet op een manier die verantwoord is, zie je dat er ongelooflijk veel aarzeling is. Dat vraagt immers om een zekere onbaatzuchtigheid van degenen die met elkaar aan tafel zitten. Daar is ons systeem niet op ingericht.

Wij zijn hier bezig met aanbodfinanciering. Iedereen zet zijn eigen aanbod neer en vervolgens moet men met elkaar bespreken hoe kinderen daar het beste hun weg in kunnen vinden. Ouders verdwalen vaak hopeloos in dat systeem. Heel veel mensen zijn er ongelukkig mee. Onze doelstellingen zijn dat het onderwijs inhoudelijk een beter aanbod krijgt, dat er meer wordt samengewerkt en dat er meer mengvormen moeten komen tussen speciaal en regulier onderwijs. Er moet worden voorkomen dat elk kind met een extra zorgvraag onmiddellijk doorstroomt naar het speciaal onderwijs en ook dat het speciaal onderwijs niet de nek wordt omgedraaid. Al die doelstellingen tegelijk vragen om een aanpak waarbij misschien inderdaad meer regie nodig is dan er tot nu toe is geweest. Dat is de reden dat ik op basis van ik wat nu aantref tot de gedachte ben gekomen dat wij op dit moment niet langer kunnen wachten.

Politiek is een kwestie van timing, wij zijn halverwege deze kabinetsperiode. Als wij deze zaak nog op stee willen hebben, als wij willen regelen dat de kwaliteit van het onderwijs echt verbetert, dat de wachtlijsten gaan slinken en dat wij ook echt een stap zetten in de goede richting, moeten wij niet langer wachten. In het Onderwijsverslag is al een belangrijk signaal gegeven. Daar bovenop kwam het advies van de ECPO, waarin een ander netjes en duidelijk opgeschreven. Op basis daarvan heb ik besloten dat wij moeten handelen. Ik handel op deze wijze omdat ik niet over tien jaar voor een commissie van de Kamer wil zitten die zegt dat ik erg veel signalen heb gehad dat er een aantal dingen niet goed zat en mij vraagt waarom ik toen niet heb geluisterd en niet heb gehandeld. Om die reden heb ik de brief geschreven.

Ik stel voor dat ik nu vertel wat ik vind dat er nu moet gebeuren. Daar is terecht naar gevraagd en ik wil daar graag een aantal dingen over zeggen. Wat er volgens mij moet gebeuren is dat wij deze zomer gebruiken om een concreet plan van aanpak te maken dat in september bij de begrotingspresentatie bij de Kamer ligt. Dat plan moet worden opgesteld in overleg met betrokkenen, niet alleen de sectorraden. Ik wil nog wel iets opmerken. Als je nu eens niet in brief wordt genoemd, denk dan niet gelijk dat je niet meedoet. Uiteraard zullen ook de ouderorganisaties en de vakbonden onder mijn regie aan tafel zitten. Wij zijn in gesprek over een aantal zaken dat moet gebeuren.

Wij moeten gewoon doorgaan met de wetgeving op het terrein van de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Er ligt al het een en ander voor bij de Kamer in een voorhangprocedure. Dergelijke zaken hebben wij heel hard nodig. Mijn vriendelijke verzoek aan de Kamer is om er voor te zorgen dat wij verder gaan met die kerndoelen in bijvoorbeeld het vso. Wat mij betreft gaan wij ook gewoon door met de experimenten en de veldinitiatieven. Daar is positieve energie in gestoken. Het is waar dat wij ook op dat terrein moeten kijken naar betrokkenheid van bijvoorbeeld leraren en ouders. Daar zal ik zo nog uitgebreider iets over zeggen. Wij gaan natuurlijk niet mensen die heel veel energie hebben gestoken in samenwerking en het dichter bij elkaar komen nu de boodschap geven dat dit niet meer aan de orde is. Zij gaan gewoon door. Dat is in mijn aanpak voor de komende jaren van groot belang. Er moet dus in de regio worden gecoördineerd om elk kind een plek te geven. Ik kan nog aan de hand van een casus laten zien wat ik daarbij voor ogen heb.

Wij moeten ook inzichtelijk maken waar wij wat betreft het geld mee bezig zijn. Ik las, ik meen in het Onderwijsblad, dat de titel van het rapport Zicht op zorggelden beter had kunnen zijn Geen zicht op zorggelden. Daar ben ik het wel mee eens, maar ik ga niet over de titels. Dat stemt echter tot nadenken. Op dit moment staat er ruim 2 mld. op de lat voor kinderen met een zorgvraag in het onderwijs, ongeveer 200 000 kinderen. Voor de reguliere bekostiging hebben wij alleen al in het basisonderwijs ongeveer 9 mld. Er kan worden gezegd dat daar ook wel wat bij kan. Ik zal nooit nee zeggen. Als je die getallen even op je laat inwerken, is het toch wel curieus om te zien wat er aan de hand is. Ik verbaas mij soms ook over wat ik hoor. Ik heb met een aantal leraressen gesproken die een actie zijn gestart onder de titel: wie vertelt het de juf of de meester. Zij zeggen dat zij kinderen met rugzakken hebben, maar geen extra handen in de klas. Mijn stelling is dat dit geld is bedoeld om in de klas, in de groepen, ingezet te worden om leraren te ondersteunen. Daar moeten wij zicht op krijgen.

De voorzitter: Ik zie dat er een aantal meldingen is voor interrupties. Ik stel voor dat de staatssecretaris haar inleiding even afmaakt. Daarna geef ik ruimte voor interrupties.

Staatssecretaris Dijksma: Wij moeten daar dus zicht op krijgen. De vraag is of het oormerken van die gelden voldoende is. Je ziet namelijk nu ook al dat bijvoorbeeld rugzakken geoormerkt geld zijn. Daarmee hebben wij echter niet inhoudelijk zicht op wat ermee gebeurt. Ik wel bezien of wij niet via de route van de inhoud kunnen zien wat er met die middelen gebeurt. De commissie-Lambrechts stelt voor om op basis van een aantal gegevens, zoals verbetering van de kwaliteit van het lezen en andere basisvaardigheden, te bezien hoe kan worden voorkomen dat kinderen onterecht uitvallen en hoe wij de uitstroom kunnen verbeteren. Wij moeten ook kijken wat het arbeidsmarktperspectief is. Dat zijn de typen verantwoordingsmechanismen waaraan je uiteindelijk misschien wel het beste kunt zien of het geld doelmatig wordt besteed. Het zou heel interessant kunnen zijn om afspraken te maken met de organisaties over dat soort lijnen om zo gezamenlijk verantwoordelijkheid te nemen voor dat plan van aanpak.

De heer Bosma (PVV): Dat zijn hartstikke goede woorden van de staatssecretaris. De brief kon natuurlijk geen ander vervolg krijgen dan een plan. Dat plan komt in september. Dat is allemaal hartstikke goed, wij zien er met belangstelling naar uit. Het wordt een korte vakantie in huize Dijksma, vrees ik. De staatssecretaris verzoekt om een beetje ruimte te krijgen en de wetgeving te laten doorgaan. Kunnen wij ervan op aan dat de staatssecretaris ondertussen geen onomkeerbare stappen zet?

Staatssecretaris Dijksma: De wetgeving waar ik op doelde, is de wetgeving die de kwaliteit van het onderwijs betreft. Ik geloof niet dat wij daar echt discussie over hebben. Dat is een onomkeerbare stap die wij echt snel moeten zetten. Het genoemde plan zal hier natuurlijk worden voorgelegd en zal met de Kamer worden besproken.

Mevrouw Smits (SP): De staatssecretaris zegt meer regie te willen nemen. Laat zij nu het invoeringsplan Passend onderwijs los? Wil zij stoppen met de lerende aanpak en gaat zij zaken toch meer opleggen?

Staatssecretaris Dijksma: Ik zou niet willen zeggen dat wij stoppen met een lerende aanpak, maar ik denk wel dat wij helderder moeten maken naar welk resultaat we toewerken en wie wat op welk moment gaat doen. Het kan van belang zijn om minder energie te steken in het voorbereiden van wetgeving rondom de structuur en meer in één onderdeel van een plan. Er moet natuurlijk ook een investering gedaan worden. Als wij op de huidige manier doorgaan, wordt die investering besteed aan het opplussen van middelen voor indicaties. Dat was ik eigenlijk niet van plan. Ik ga dat ook niet doen. Het zou mooi zijn als het zou lukken om het beschikbare geld voor passend onderwijs voor een belangrijk deel in te zetten waar het voor nodig is, namelijk het versterken van docenten. Daar moeten we het over hebben. Ik zeg er wel bij dat het veld zelf ook aan zet is. De indicaties nemen toe, de kwaliteit verbetert niet en er wordt te weinig samengewerkt. Als we zo doorgaan, komen we er niet uit. We kunnen een paar goede stappen zetten, ook als we beter zicht hebben op wat er met de middelen gebeurt, maar dan moet iedereen meedoen. Ik ben nog geen mensen tegenkomen die denken dat het verstandiger is om achterover te leunen, zeg ik tegen mevrouw Kraneveldt, maar dat zou inderdaad niet werken. Het is hands-on.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Ik heb een vraag gesteld over de zorgplicht, maar ik neem aan dat de staatssecretaris daar apart op terugkomt.

Staatssecretaris Dijksma: Ik heb net geprobeerd om uit te leggen dat dat nu precies het grootste probleem is. Hoe definieer je die en hoe voorkom je dat er expertise weglekt of dat je die zo abstract definieert dat niemand meer verantwoordelijk is? Dat is onderdeel van het gesprek dat we deze zomer voeren.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Ik ben het met u eens dat de zorgplicht en de vraag waar het geld naartoe gaat, zo nauw met elkaar verweven zijn dat het voor veel stolling zorgt. Bent u het met mij eens dat veel ouders willen meedenken over passend onderwijs, maar zich vooral zorgen maken over wat hun kind straks krijgt? Ouders moeten in een gesprek met de school over wat het kind nodig heeft, weten waar ze minimaal recht op hebben. Als er conflicten ontstaan, dan moeten ze, als ze naar een geschillen- of klachtencommissie stappen, iets hebben op basis waarvan ze het gesprek kunnen aangaan. Als je alleen op het niveau van een samenwerkingsvorm een zorgplicht instelt en niet in wetgeving definieert wat de minimale taak van een school is, dan houd je die vreselijke conflicten waarover we zo vaak e-mails en brieven ontvangen. Er moet een zorgplicht komen op het niveau van de school en, complementair daaraan, op het niveau van de samenwerkingsvorm.

Staatssecretaris Dijksma: Ik begrijp uw opmerkingen. Het is belangrijk dat we ouders niet alleen de zekerheid bieden dat zij inspraak hebben op het onderwijsaanbod voor hun kind, maar ook een gevoel van comfort. Tegelijkertijd is dit nu juist een van de dingen die ik liever niet vastleg. Het is uw mening, je kunt er veel over zeggen, maar ik stel voor om het deze zomer te bespreken, ook met de ouders zelf. Het systeem is nu zo ingericht, dat het voor ouders wiens kind een rugzak heeft, heel moeizaam onderhandelen is over de vraag hoe hun kind de juiste zorg en het juiste onderwijs krijgt. Ouders moeten vaak noodgedwongen onderhandelen tot op het laatste uur ambulante begeleiding waar ze recht op hebben. We moeten juist het gesprek op gang brengen tussen onderwijs en ouders. Wat heeft het kind nodig? Hoe zorgen we ervoor dat het perspectief krijgt op de arbeidsmarkt? Welk type scholing hoort daarbij? Is dat in het speciaal onderwijs of in het regulier onderwijs en waarom? Er moet een kanteling komen in de discussie, die nu vaak gaat over geld en begeleiding, naar de inhoud. Wat is er voor dit kind nodig en waarom? Daarover moet enigheid bestaan, in plaats van dat mensen zich van het kastje naar de muur gestuurd voelen.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Dan geef ik de staatssecretaris voor haar planvorming mee dat wat zij zojuist heeft gezegd, en wat ik herken, niet ophoudt als je niet, zoals de ECPO terecht zegt in haar aanbevelingen, iets op het niveau van de rechten van individuele ouders en kinderen formuleert, want dan ben je als ouder afhankelijk van wat het netwerk je aanbiedt. Als je het daar niet mee eens bent en naar een hogere instantie gaat om een conflict uit te vechten, en dat gaat gebeuren, dan moet je een titel hebben waarop een uitspraak kan worden gedaan over wat echt een goed aanbod voor een kind is.

Staatssecretaris Dijksma: Dat lijkt mij terecht. Zoals gezegd, de uitgangspunten van de ECPO zijn onderdeel van de besprekingen deze zomer. Daar kunt u op rekenen.

Mevrouw Ferrier (CDA): Ik ben blij te horen dat de staatssecretaris gaat zorgen voor meer duidelijkheid. Zij spreekt over meer regie. Kan ik daaruit afleiden dat het tijdpad, de invoering per 2011, echt van de baan is? Ik ben verder benieuwd hoe de staatssecretaris inzichtelijk gaat maken wat er met het geld gebeurt. Ik hoor iets over een behandelplan. Ik kan mij voorstellen dat je zegt «dat kind heeft dat nodig» en dan kijkt welke weg het geld volgt.

Staatssecretaris Dijksma: Het lastige van de eerste vraag van mevrouw Ferrier is dat die te algemeen gesteld is. Een aantal dingen is helemaal niet van de baan. Sterker nog, die gaan we met grote en vereende kracht nu juist doen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van het onderwijs verbeterd.

Mevrouw Ferrier (CDA): Is het tijdpad van de baan?

Staatssecretaris Dijksma: Ik wil het tijdpad voor de wetgevingstructuur voor de inrichting van de regionale netwerken heroverwegen, omdat ik denk dat wij het op deze wijze niet halen. Wij moeten bezien hoe we het wel kunnen halen. Daar wil ik deze zomer voor gebruiken. Als we op de huidige manier doorgaan, dan lopen we van de rails.

Mevrouw Ferrier (CDA): Hoe gaat u uitzoeken waar het geld blijft?

Staatssecretaris Dijksma: Dat wil ik bespreken met de mensen die dat geld in handen hebben. U hebt het rapport gelezen. Daarin staat terecht dat wij besturen niet om een inhoudelijke verantwoording vragen over wat zij doen met de zorgmiddelen. We hebben geprobeerd om op schoolniveau vast te stellen wat er werkelijk gebeurt, maar dat blijkt heel lastig. We moeten zicht op de besteding krijgen en daarover een verantwoording organiseren. Als je, zoals de Kamer wil, simpelweg ervoor kiest om de zorgmiddelen te oormerken, dan doe je jezelf tekort. Een deel van de zorgmiddelen is allang geoormerkt en nóg is onduidelijk wat ermee gebeurt. Net als de Kamer wil ik zicht op het geld krijgen en vind ik dat er verantwoording afgelegd moet worden, maar ik ben zoekende naar het juiste instrument om die verantwoording te krijgen. Dat gaat om vragen als: zorgen we er inderdaad voor dat het niveau van het onderwijs omhoog gaat, is het uitstroompercentage echt verbeterd en kun je daar afspraken over maken met de verantwoordelijken?

De heer Dibi (GroenLinks): Als het van nog meer besprekingen van de staatssecretaris afhankelijk is, wat er uiteindelijk gaat gebeuren, dan voel ik iets opkomen dat begint met «de Kamer, gehoord de beraadslaging» en eindigt met «en gaat over tot de orde van de dag». Ik wil in september niet voor verrassingen komen te staan. Wat GroenLinks betreft, wordt de zorgplicht wettelijk verankerd. Die hangt al zo lang boven de markt. Volgens mij hoeven we daar niet nog veel langer over te praten. Ouders moeten het recht hebben om te weten waar ze aan toe zijn, evenals scholen en schoolbesturen. Gaat de staatssecretaris in haar plan concreet in op de zorgplicht? Dan is er het gesjoemel met indicaties en geld. Wij willen een onderzoek naar waar dat geld blijft. Staatssecretaris, u kunt bespreken wat u wil, maar laat het alstublieft doorlichten, want wij willen weten waar het blijft en waarom het niet in de klas terechtkomt. Mevrouw Dezentjé had het over de Algemene Rekenkamer, maar het maakt mij niet uit wie het doet. Als u zegt dat de rugzakjes worden meegegeven en er vervolgens in de klassen geen extra handjes zijn, dan is het onze verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat die handjes er wel komen.

Staatssecretaris Dijksma: Ik merk dat de toonhoogte wat oploopt. Ik hoop u ervan te kunnen overtuigen dat dit onterecht is. Dat Algemene Rekenkamerrapport ligt er al, al een paar jaar zelfs. Er ligt nu ook een accountantsrapport Zicht op zorggelden. Eigenlijk zegt men tegen mij dat het heel onverstandig is om op deze wijze nog extra onderzoek te doen, want daaruit blijkt niet of het geld doelmatig besteed is. Die vraag is tot nu toe eigenlijk nog nooit gesteld. Daarom doet men een aantal aanbevelingen in mijn richting om desnoods met een wettelijk instrumentarium de verantwoording van de zorggelden te regelen. De vraag is niet of er een verantwoording moet komen, maar hoe we zo’n verantwoording zo effectief mogelijk organiseren. We moeten daarbij voorkomen dat het onderwijsveld aan de papierschrijverij gaat, want daar is iedereen altijd heel goed in. Wij ook, zeg ik erbij. De Kamer zegt dat we moeten verantwoorden en voor je het weet zitten we met docenten die alleen maar meters papier verzamelen. Ik wil dat voorkomen. We voeren nu een aantal reconstructies uit, ook op individueel schoolniveau, om te kijken hoe het met feitelijke besteding van de middelen zit. Dat onderzoek verwacht ik half juli. Op basis daarvan wil ik afspraken maken om te voorkomen dat middelen ondoelmatig besteed worden. Vanzelfsprekend leg ik de Kamer die afspraken voor. Daar gaat zij dus zelf over. Als de Kamer vindt dat ik niet de goede weg bewandel, dan dient zij een alternatief voorstel in, maar laat mij in ieder geval dat voorstel doen. De aanbevelingen liggen er natuurlijk voor een deel ook al.

De heer Dibi (GroenLinks): U hebt mijn zorg voor een deel weg kunnen nemen. Er komt half juli een rapport. Kan ik ervan uitgaan dat in september in uw plan ook staat hoe u het onderzoek precies gaat doen? Ik heb ook nog een vraag gesteld over de zorgplicht.

Staatssecretaris Dijksma: Een van de zaken die de zorgplicht behelsde was de wetgeving rondom de structuur. Daarvan heeft de ECPO gezegd: ga dat nu niet allemaal uitpluizen, want daardoor lekt te veel energie weg. Dat wilt u ook niet. We moeten helder maken waar we naartoe willen. Verschillende leden hebben gezegd dat we, conform het voorstel van de commissie-Lambrechts, via een proeve van wetgeving kunnen laten zien wat de zorgplicht in de toekomst kan betekenen. Dat wil ik wel doen, maar ik weet niet of dat voor 1 januari 2010 lukt, omdat ik eerst een aantal dingen op orde wil brengen, zoals de kwaliteit van het onderwijs, de aanpak van wachtlijsten en thuiszitters, en het plan van aanpak. Ik ben echter bereid om de Kamer zo’n proeve te sturen, zodat zij kan zien op welke wijze wij in de toekomst de zorgplicht belegd willen hebben en de positie van ouders regelen. De Kamer kan dan in alle rijkheid zien wat zo’n concept kan betekenen.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik stel nog een vraag over de rechtspositie van de ouders. Kunnen ouders straks nog wel kiezen? Je moet niet willen dat er iedere keer een conflict komt, maar ook niet dat vanuit de regio gezegd wordt: dit is het en punt uit. Is de staatssecretaris van plan om ook de acceptatieplicht voor scholen te regelen? Dat is één.

De voorzitter: Dit begint te lijken op een tweede termijn, mevrouw Dezentjé.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Oh. Dan nog even over die rugzakken.

De voorzitter: Nou, vooruit, een kort vraagje dan.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VV): Het begint ermee dat docenten weten wie ze in de klas hebben en welke zorg nodig is. Mij bereiken steeds meer geluiden dat docenten vaak helemaal niet weten dat ze leerlingen met een rugzakje in de klas hebben. Wat gaat de staatssecretaris daaraan doen?

Staatssecretaris Dijksma: Dat laatste voorbeeld is nu precies waar we iets aan moeten doen. Dat is een van de problemen waarvan ik vind dat die niet langer mogen bestaan. Uw eerste vraag betrof de keuzevrijheid. Die staat. Er is bovendien een grondwettelijk recht op keuzevrijheid. Daar verander ik niets aan. Een acceptatieplicht voor scholen is een ander thema. Wij voeren daarover al twee jaar een debat, waarin ik u elke keer zeg dat we dat niet gaan regelen en u nog steeds vindt dat het moet. Dat blijft zo, denk ik.

Over het onderwerp kwaliteit is mij een aantal specifiekere vragen gesteld.

Ik heb de heer Dibi al gezegd dat we doorgaan met het wetsvoorstel inzake de kwaliteit van het vso. Als hij mijn voorhangprocedure niet stuit, dan komt dat goed.

Kunnen we meetbare doelstellingen afspreken, bijvoorbeeld hoeveel leerlingen goed kunnen lezen en schrijven of hoeveel kinderen er met een diploma uit gaan? Ik ben het met die ambitie eens. We moeten onderzoeken op welke wijze we kwantitatieve gegevens kunnen organiseren, zodat we dat kunnen regelen. We nemen een aantal maatregelen, bijvoorbeeld een nulmeting voor taal- en rekenvaardigheden voor kinderen die in de categorie zorgleerlingen vallen. Die wordt begin 2010 uitgevoerd. Wij starten dit najaar al met een aantal pilots waarbij we kinderen monitoren. We proberen het onderwijsnummer in het speciaal onderwijs in te voeren. De WEC-raad is bezig met de ontwikkeling van een uitstroommonitor en een benchmark, zodat we beter zicht krijgen op wat er met kinderen gebeurt wanneer zij de school verlaten.

Mevrouw Ferrier heeft gevraagd of er meer ruimte komt voor scholen om te examineren. Ik ben daar in de wetgevingsnotitie al op ingegaan. Het is en blijft mijn doel om uiteindelijk alle kinderen die daartoe in staat zijn, een regulier vo-diploma te laten halen. Er zijn nu twee mogelijkheden om dat te doen, namelijk via een staatsexamen en via reguliere scholen, waarbij men wordt aangemeld als extraneus. Vso-scholen kunnen zelf examens afnemen, als ze voldoen aan de inrichtingsvoorschriften en exameneisen. Ik denk dat een fiks aantal vso-scholen daartoe in staat is en dat graag wil, niet in de laatste plaats omdat een staatsexamen soms weer voor heel andere praktische problemen zorgt, zo heb ik mij laten vertellen.

Mevrouw Kraneveldt heeft gevraagd naar de participatie van vo en mbo en hoe we hen betrekken bij de netwerken. We hebben daar in de derde voortgangsrapportage apart aandacht aan besteed. We hebben gezegd dat er een verbeterde symbioseregeling moet komen. Dat is een rotwoord, maar het betekent gewoon dat men meer met elkaar moet samenwerken om ervoor te zorgen dat er doorstroom komt. We moeten daar meer nadruk op leggen en dat gaan we ook doen. Deze leerlingen moeten dan onder verantwoordelijkheid van het mbo een kwalificatie mbo halen, terwijl ze bij het vso zijn ingeschreven. We gaan niet alle mbo’s bij de regionale netwerken betrekken. De term «bestuurlijke drukte» viel al. Als je er nu weer een partner bij haalt, dan wordt het wel heel druk. We willen natuurlijk wel dat ene loket. In Zoetermeer is men daar nu al mee bezig. Ik was daar vorige week. Het is een fantastisch initiatief. Ouders hebben één loket waar ze met vragen over onderwijs en jeugdzorg terechtkunnen. Achter de schermen wordt gewerkt met alle instellingen en instellingen worden ook breed erbij betrokken. Het is van belang dat er goede samenwerking is tussen vo en vso. Zo gaan vso-leerlingen voor een groot deel eindexamenvakken op vo-scholen doen. De vo-raad doet volledig mee met de gesprekken die wij deze zomer voeren. Dat is belangrijk en ik ben de raad daar zeer erkentelijk voor.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Je kunt samenwerking heel lang vrijwillig laten en hopen dat iedereen meewerkt. Veel scholen doen dat ook, hoe moeilijk het soms ook is door de vele besturen in een regio. Ik ben echter wel degelijk besturen tegenkomen die zeiden: we denken dat het zelf wel kunnen. Hoe maakt de staatssecretaris prestatieafspraken met het veld over de manier waarop het zijn achterban ertoe gaat brengen dat iedereen participeert in die vormen van samenwerking, hoe die er uiteindelijk ook uit komen te zien? We hebben er ook in het wetgevingsoverleg over gesproken. De raden zijn bestuursorganisaties, maar ze hebben niet altijd, zeker als het gaat om kwaliteit, hun achterban op één lijn.

Staatssecretaris Dijksma: Ik ben het met u eens dat we daar naartoe moeten werken, maar dan moeten we elkaar echt overtuigen. Dat kun je niet alleen maar doen door dingen af te dwingen. Soms moet je het gesprek met elkaar aangaan. Er is een hoop gedoe. Als geld een issue is, dan is het soms lastig, ook voor individuele schoolbesturen. Tegelijkertijd blijf ik iedereen erop aanspreken dat het onze gezamenlijke doelstelling is dat we onze kinderen helpen aan goed onderwijs. Daar mogen we elkaar op aanspreken en u mag erop rekenen dat ik dat doe. In het vo zijn er veel goede initiatieven en Ons Middelbaar Onderwijs heeft zich ook gemeld. Ik ben daar blij mee, want je merkt dat langzamerhand dat de vraag «wat kunnen wij betekenen voor kinderen met een extra zorgvraag?» vaker op een positieve manier wordt opgepakt.

Ik kom te spreken over de bekostiging en de groei. In de afgelopen tijd is er een toename zichtbaar van het aantal indicaties. Die betreft vooral kinderen met een gedragsprobleem. Met cluster 1 hebben we allang budgetfinanciering afgesproken. Ik weet niet of men het helemaal met mij eens is, maar volgens mij gaat dat meestal tot grote tevredenheid. Toen men bij ons meldde dat misschien wat meer nodig zou zijn, hebben wij ook geleverd. Het zal altijd meer hebben gekund, denk ik, althans, men; ik vind van niet. We zijn daar in ieder geval goed uitgekomen. De groei zit dus vooral in het aantal kinderen met een gedragsprobleem. Daar is veel onderzoek naar gedaan. Er is geen eenduidige oorzaak. Er spelen een heleboel factoren tegelijk. De samenleving is snel en ingewikkeld. Voor sommige groepen kinderen, zeker die met een gedragsstoornis, is dat een probleem. We hebben gelukkig ook steeds hogere verwachtingen van kinderen; we schrijven mensen niet af. Dat betekent dat pogingen om kinderen met een goed resultaat in het onderwijs te houden, steeds steviger zijn. Er is dus ook meer ondersteuning nodig. Er vindt ook medicalisering plaats. En er zitten perverse prikkels in het systeem, want een indicatie krijgen loont. Daar moeten we eerlijk over zijn.

De heer Bosma zei dat wij nogal wat open deuren hadden. Met alle respect, ik hoorde hem er ook een paar noemen. Open deuren, overigens, waar ik het van harte mee eens ben. Meer maatwerk, natuurlijk, maar de grote vraag is hoe. Eigenlijk zou je alle regels willen loslaten, maar dan kan je niet anders dan kiezen voor budgetfinanciering. Dat is het dilemma. Ik heb liever gisteren dan morgen maatwerk in het onderwijs, maar daarvoor moet er in het onderwijsveld wel een vertrouwen zijn tussen de verschillende partners om met die budgetfinanciering aan de slag te gaan. Er zijn nu een paar experimenten gaande. Die zijn ongelooflijk belangrijk, want op basis daarvan zie je waar het soms nog misgaat en waarom. Die lessen kunnen we gebruiken om op steeds meer plekken in het land de bureaucratie die er nu is, los te laten als men bijvoorbeeld bereid is om in een experiment te werken.

Mevrouw Ferrier (CDA): Ik heb in mijn eerste termijn gezegd dat mijn fractie vindt dat je een maatschappelijk probleem niet kunt oplossen met financiële constructies. Als je niet weet waar de zorggelden blijven, is het raar om budgetfinanciering op te leggen. Kan de staatssecretaris mijn zorg wegnemen dat een kind dat geïndiceerd is, niet de zorg kan krijgen, hetzij in speciaal onderwijs, hetzij in regulier onderwijs, waar het recht op heeft?

Staatssecretaris Dijksma: Ja. Als kinderen zorg nodig hebben, dan moet niet ter discussie staan of zij die zorg krijgen. Ik ben het echter ook met de heer Dibi eens, die zegt dat soms geïndiceerd wordt op een manier waarvan je je kunt afvragen of die altijd nodig is. Andersom krijgen sommige kinderen geen indicatie, terwijl ze die misschien wel nodig hebben. Dat komt omdat wij met ons aanbodsysteem een prikkel inbouwen. We hebben één bedrag met één totaal vastgelegde vorm van indicatie, terwijl in de praktijk veel meer mengvormen wenselijk zijn. Mevrouw Ferrier kan zeggen dat we niet moeten overgaan tot budgetfinanciering, maar misschien is het feit dat al die regels zo strak in elkaar steken, juist een van de oorzaken dat kinderen niet de zorg krijgen die ze verdienen. Er zijn experimenten. Mevrouw Ferrier zegt dat ze daar voorstander van is. Daar speelt de budgetfinanciering. We moeten die ruimte nemen.

Mevrouw Smits zei zojuist dat bezuiniging de trend is. Dat is feitelijk onjuist. Er is nog nooit zo veel geld aan speciale zorg uitgegeven. Het budget is de afgelopen jaren enorm gegroeid. Dat blijkt alleen al uit de staatjes van 2004 tot nu voor de uitgaven aan de rugzakken. In 2007, bij mijn aantreden, is structureel 140 mln. extra naar deze vorm van zorg gegaan. Ik heb ook nog geld gekregen om te investeren in het systeem. Ondertussen zijn de wachtlijsten niet weggewerkt, is de kwaliteit van het onderwijs niet zodanig verbeterd als we zouden willen en zitten kinderen nog steeds thuis. De gedachte dat het wel goed komt als we er gewoon weer een schep geld bij doen, klopt dus niet. Dat is de afgelopen periode bewezen. Ik ben het wel met mevrouw Ferrier eens als zij zegt: laten we eerst ervoor zorgen dat we zicht krijgen op de wijze waarop de middelen worden besteed. Ik denk dat op dat gebied veel winst te boeken is.

Mevrouw Smits (SP): De staatssecretaris zegt dat niet wordt bezuinigd en dat meer en meer wordt geïnvesteerd. Dat klopt. Er zijn ook meer en meer kinderen die extra zorg nodig hebben. Met budgetfinanciering zeg je, ongeacht of het aantal kinderen groeit: dit is het geld en doe het er maar voor. Ik begrijp de redenering van de staatssecretaris niet. Ze zegt dat er steeds meer geld in is gepompt, dat we niet weten waar het terechtkomt, dat de kwaliteit niet is verbeterd en dat de zorg niet is verbeterd. Dat klopt en dat is een groot probleem! Volgens mij heeft deze staatssecretaris daar ook een enorm probleem mee! Kennelijk werkt de manier waarop het tot nu toe is gedaan, niet. Dan vraag ik me af hoe je er in vredesnaam toe komt – «je» in zijn algemeenheid; ik zou de staatssecretaris nooit zo aanspreken – dat als je alle afspraken loslaat en die samenwerkingclubs of die netwerken een zak geld geeft, het dan wel bij de meester of juf en de kinderen in de klas terechtkomt. Volgens mij heeft de staatssecretaris er geen enkele aanleiding toe om ervan uit te gaan dat het dan wel goed komt.

Staatssecretaris Dijksma: Dat is dus ook niet het enige wat ik ga doen. Zoals ik al tegen mevrouw Ferrier heb gezegd, lijkt het mij van het allergrootste belang om zicht op de zorggelden te krijgen en ervoor te zorgen dat daar verantwoording over wordt afgelegd. Dat moet een inhoudelijke verantwoording zijn, die tegemoet komt aan de doelstellingen die we willen realiseren. Ik ben het eens met de constatering van mevrouw Smits dat het zo niet werkt. Daarom heb ik de brief gestuurd, waar zij aan het begin van dit overleg nog heel blij mee was. We moeten er nu eerst voor zorgen dat we zicht krijgen op wat wordt uitgegeven, waaraan dat wordt uitgegeven en of dat terechtkomt waar het terecht moet komen.

Mevrouw Ferrier (CDA): Mijn fractie zegt niet «nooit budgetfinanciering». Ik heb hier altijd duidelijk gemaakt dat wij zeker de voordelen zien, ook wat betreft de indicaties enzovoorts, maar dat wij daar pas toe over willen gaan als wij op basis van die experimenten weten hoe het werkt en dat het werkt. De staatssecretaris zegt duidelijk dat zij eerst zicht wil hebben op hoe het zit met de zorggelden en met de indicaties, zodat we weten waar het geld blijft, want dat is uiteindelijk de grote vraag. Ik begrijp dat zolang dat niet duidelijk is, wij datgene wat op pagina 5 van de voortgangsrapportage staat – het invoeren van budgetfinanciering – niet gebeurt.

Staatssecretaris Dijksma: Volgens mij hebben we in een vorig overleg allang afgesproken dat we de invoering van budgetfinanciering naar achteren schuiven, nog los van alle brieven die ik de Kamer nu al gestuurd heb. Overigens was toen vanuit de Kamer nog de vraag of dat verstandig was, maar dat is gezegd. Het is nu van het allergrootste belang dat we onderzoeken wat er met het geld gebeurt, hoe het wordt besteed en of het goed terechtkomt, en dat we een aantal kwalitatieve afspraken maken om ervoor te zorgen dat daar op een inhoudelijk goede manier verantwoording over wordt afgelegd.

Er zijn vragen gesteld over de AWBZ. Ik wil daar best iets over zeggen, maar ik begrijp dat mevrouw Smits mij ook heeft uitgenodigd voor een overleg volgende week daarover. Als wij kunnen afspreken dat ik haar vraag nu beantwoord en niet nog een keer volgende week?

Mevrouw Smits (SP): Het kan toch nu én volgende week?

Staatssecretaris Dijksma: Dat lijkt mij niet.

Mevrouw Smits (SP): Voorzitter, mag ik dan even reageren?

De voorzitter: De staatssecretaris heeft u een vraag gesteld. Die mag u beantwoorden.

Mevrouw Smits (SP): Ik heb helemaal geen moeilijke vraag gesteld. Ik heb gevraagd of de staatssecretaris kan garanderen dat er geen kinderen zijn die door de bezuiniging op de AWBZ niet meer naar school kunnen na de zomer. Dat hoeft geen kwartier te duren. Ze kan gewoon ja zeggen. Als zij mij dat nu garandeert, dan kunnen we daar volgende week uitgebreid over spreken.

Staatssecretaris Dijksma: Dat vind ik een merkwaardige manier van handelen. Ik zal u het antwoord geven, maar we gaan debatten niet keer op keer overdoen. Er spelen natuurlijk ook nog wel een paar andere dingen. We kunnen het debat nu voeren, maar ik zie niet de toegevoegde waarde van het voortdurend voeren van het debat.

De voorzitter: Wij hoeven die discussie hier niet te voeren. De vraag is u nu gesteld.

Staatssecretaris Dijksma: Ik zal ook antwoord geven. Mijn verwachting is dat de kinderen na de zomer gewoon naar school kunnen. Waarom? Binnen de AWBZ zijn pakketmaatregelen gerealiseerd om de AWBZ tot zijn oorspronkelijke vorm terug te brengen. Dat betekent zware zorg voor de meest kwetsbaren in de samenleving. Die maatregelen hadden een onbedoeld effect, namelijk dat kinderen met een zware handicap in het onderwijs in de problemen kwamen. Op basis daarvan heb ik met mijn collega Bussemaker overlegd. We hebben gezegd: de beleidsmaatregel die op 1 januari 2009 is ingegaan, wordt aangepast. Dat betekent dat de zorgzwaarte voor functiebegeleiding voor deze leerlingen wordt verhoogd van 2 naar 3. Die wijziging treedt op 1 juli aanstaande in. Wij hopen dat daarmee het probleem, waar de Kamer eerder terecht aandacht heeft gevraagd, is opgelost. Voor leerlingen met lichtere zorgvragen, die niet langer in aanmerking komen voor het persoonsgebonden budget, hebben wij van de staatssecretaris van VWS extra geld gekregen, namelijk 10 mln., om daarmee voor deze groep ook verantwoordelijkheid te gaan dragen. We bezien in overleg met de ouderorganisaties op welke wijze we die middelen het beste kunnen inzetten. Ik denk, en ik hoop van harte, dat ik de terechte zorg van mevrouw Smits heb weggenomen.

Dan de vraag over de motie-Biskop: wanneer gaat het didactisch expertisecentrum van start? Op korte termijn verwacht ik van Viziris een plan van aanpak voor de inrichting. We kijken serieus naar de voorstellen, maar ik kan geen termijn noemen.

In dezelfde motie is gevraagd naar verkenningen van hulpmiddelen en wanneer we daadwerkelijk iets gaan doen. Er is al veel gedaan voor deze doelgroep. We hebben een analyse laten maken, en in de acht pagina’s heeft men kunnen lezen dat veel van de bestaande knelpunten met aankomend beleid gaan aanpakken. De eigen bijdrage van ouders voor aangepaste schoolboeken schaffen we bijvoorbeeld af. Ook die worden dus gratis. Sommige mensen zijn daar niet blij mee, maar ik wel. Er is ook geld vrijgemaakt om schoolboeken toegankelijk te maken voor dyslectiesoftware. We gaan ook nog een paar slimme oplossingen uit andere landen onderzoeken.

Mevrouw Ferrier (CDA): Ik begrijp dat de staatssecretaris geen precieze datum kan noemen voor het didactisch expertisecentrum, maar kan zij een indicatie geven van de termijn waar we aan moeten denken?

Staatssecretaris Dijksma: Ik moet die vraag in tweede termijn beantwoorden, want dat zou ik nu niet durven zeggen.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Ik heb de motie van de heer Biskop over de hulpmiddelen voor dyslectische kinderen meeondertekend. U hebt geschreven dat sommige middelen uit het reguliere zorgpakket van de school moeten worden betaald, maar soms komen die hulpmiddelen helemaal niet beschikbaar in de klas. Hoe kunnen wij scholen erop aanspreken dat ze de hulpmiddelen daadwerkelijk leveren aan de kinderen? Ik hoor van veel ouders dat die middelen gewoon niet loskomen.

Staatssecretaris Dijksma: Dit is voor mij onhelder. Wat zou u precies willen?

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Ik lees in uw brief dat bepaalde hulpmiddelen uit het reguliere zorgbudget van de school betaald moet worden, omdat ze daarin verwerkt zijn. Het probleem is dat ze soms niet loskomen. Er wordt dan niets aan de dyslexie van het kind gedaan.

Staatssecretaris Dijksma: Voor dit soort kwesties op schoolniveau staat ouders een wettelijke route ter beschikking om hun recht te halen. Dat begint met de medezeggenschapsraad. Als men er niet uitkomt, zijn er weer andere procedures. Maar het is belangrijk dat ouders het gesprek op schoolniveau aangaan en deze kwesties via hun vertegenwoordiging in de medezeggenschapsraad agenderen, want het schoolbestuur moet aan de raad verantwoording afleggen over het beleid.

Ik heb nog twee punten. De heer Dibi heeft vragen gesteld over de indicatiestelling. Wat doen we eraan dat er niet altijd gehandeld wordt volgens wet- en regelgeving? We hebben intensief toezicht ingesteld. Daarom weten we dit ook. Dat zetten we voort. Er gaat nog veel niet goed, maar er is een sterke verbetering zichtbaar. Dat neemt niet weg dat in het huidige indicatiesysteem veel negatieve prikkels zitten. Dat gaat vooral uit van wat een kind niet meer kan, in plaats van wat het wel kan. We willen die hefboom, zoals dat zo mooi heet, organiseren in plaats van een slagboomdiagnostiek. Het wordt interessant om te zien of men in de regio’s waar men experimenteert en niet meer met die stringente regels van de indicatiestelling werkt, een beter onderwijsaanbod realiseert. Daarom monitoren we dat ook.

Mevrouw Ferrier vraagt of het Forumonderzoek snel komt. Dit betreft de allochtone leerlingen in het speciaal onderwijs. De Kamer krijgt in de voortgangsrapportage, die wij voorzien in december, de resultaten.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik probeer met de staatssecretaris mee te denken. Er is onlangs vergelijkend onderzoek gedaan naar de wijze waarop verschillende Europese landen indiceren. Daaruit bleek dat Nederland al veel criteria in de wet heeft opgenomen. Zou niet iemand moeten onderzoeken hoe we dat gaan wijzigen, ook in de wet? Zouden we niet naar een ander systeem toe moeten en, zo ja, hoe ziet u dat voor zich?

Staatssecretaris Dijksma: De oorspronkelijke gedachte was dat door de invoering van budgetfinanciering de indicatiesystematiek van de rijksoverheid niet meer nodig zou zijn. Zo zou meer maatwerk kunnen worden georganiseerd. Ik denk dat het verstandig is om naar de systematiek te kijken, omdat er te veel verkeerde prikkels inzitten. Het lijkt me goed om daar in september ook iets over te zeggen.

Mevrouw Ferrier (CDA): De Kamer heeft destijds de motie-Ferrier aangenomen. Daarin werd gevraagd om één loket voor indicatie. Ik was blij toen ik in de voortgangsrapportage las dat dat er komt. Vervolgens las ik dat al die verschillende structuren, vanuit VWS, vanuit OCW, met zijn allen achter dat ene loket zitten. Waar het mij vooral om gaat, is tijdwinst, dat kinderen niet zo lang hoeven te wachten op de juiste plek. Wordt dat probleem nu ook getackeld met dan ene loket?

Staatssecretaris Dijksma: We proberen daar echt het een en ander aan te doen via integrale indicatie. Zo voorkom je de verschillende mallemolens. Het is een fantastisch uitgangspunt om alle schotten tussen de instellingen weg te halen, maar dat levert ook een hoop bestuurlijke drukte op. U weet dat de wereld van de zorg wellicht nog weerbarstiger is dan die van het onderwijs. Dat is helaas wel iets waar wij in de dagelijkse praktijk tegenaan lopen. Op dit punt is geweldige winst te boeken. Ik beschouw de motie dan ook als een aansporing om op dit punt druk te blijven uitoefenen.

Mevrouw Smits (SP): De staatssecretaris gaat zich bezinnen. Wil zij ons toezeggen dat onder leraren en ouders wel draagvlak is voor haar nieuwe voorstel? Ik was blij met de brief van dinsdag. Ik dacht dat de staatssecretaris ging heroverwegen, ging kijken of we wel bezig zijn met goede dingen. Dat is niet het geval. Klopt het dat de koers, de richting en de manier van werken vaststaan, of zit er nog een soort koerswijziging in?

Staatssecretaris Dijksma: Wat de koers betreft, zou ik zeggen: we moeten het over een andere boeg gooien. Daar bedoel ik mee dat we nu eerst de dingen gaan doen die het hardst nodig zijn, zoals werken aan het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs, aan het verminderen van de wachtlijsten en het aantal kinderen dat thuiszit. De commissie-Lambrechts heeft een aantal goede indicaties gegeven op basis waarvan we afspraken kunnen maken met de verschillende organisaties en daarmee met het veld in zijn totaliteit. We gaan dus niet niets doen. Tegen iedereen die de champagnefles al ontkurkt had met de gedachte dat we zouden gaan stilzitten, zou ik zeggen: doe de dop er weer op en zet ’m in de kast. Meer dan ooit is er actie nodig. Er staat dan ook veel te gebeuren. Het is belangrijk dat met name de kwetsbaarheid in het proces, namelijk dat leraren en ouders zich onvoldoende betrokken voelen, wordt weggenomen. We moeten hen bij het gesprek betrekken en zorgen dat er draagvlak ontstaat. Ik ga daar geen percentages over afspreken. De Kamer moet mij daarop afrekenen. Dat draagvlak is er wanneer ik denk dat er vertrouwen is in het proces om het op een bepaalde manier te doen. Daar ben ik ook voor aangesteld, dat heet regeren. Dat gaan we gewoon doen.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb erop gewezen dat zelfs bij de koplopers leraren niet betrokken waren. U kunt nu wel zeggen dat u ze meer gaat betrekken bij het gesprek, maar daar kan ik niet zo veel mee. Kunt u mij precies uitleggen wat u met die docenten gaat doen en wat die nieuwe koers is? Ik heb nog niet het gevoel dat echt sprake is van een grote koerswijziging.

Staatssecretaris Dijksma: Dat zal de tijd moeten leren. Een van de dingen die ik belangrijk vind om uit te werken, is een onderdeel van ons investeringsplan. Hoe kun je concreet ervoor zorgen dat leraren in het regulier onderwijs zich vertrouwder voelen met het omgaan met kinderen met gedragsproblemen? Ik denk dat op dat gebied veel winst te boeken is. We moeten nadenken over de vraag hoe we scholen en docenten kunnen helpen om ervoor te zorgen dat het probleem van de handelingsverlegenheid niet steeds opnieuw boven tafel komt. Dat is een concreet voorstel, waarvan ik hoop dat dit het vertrouwen van leraren wekt.

De voorzitter: Ik dank de staatssecretaris voor haar antwoorden in eerste termijn.

We gaan verder met de tweede termijn van de Kamer. Ik herinner de leden eraan dat zij drie minuten spreektijd per persoon hebben, willen we op tijd klaar zijn.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Voorzitter, we hebben nog een uur gepland. Dan vind ik drie minuten een beetje weinig.

De voorzitter: Ja, maar ik ken mijn collega’s. Tijdens de beantwoording van de staatssecretaris stelt u allen ook nog vragen.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Voorzitter. Over een andere boeg, prima, maar waar het mij om gaat, is dat we bij het doel terechtkomen. Voor mij is dat een onderwijsveld waar kinderen op de juiste plek zitten, niet thuiszitten en niet ongelukkig worden, hetzij in het reguliere onderwijs, omdat ze te lang moeten doormodderen en eigenlijk in het speciaal onderwijs horen, hetzij in het speciaal onderwijs, omdat ze daar niet horen en het in het reguliere onderwijs met wat extra hulp en ondersteuning ook hadden gered. Ik vind het niet zo erg dat we af en toe de koers wijzigen en er wat langer over doen, als het doel maar helder wordt.

Ik stel nog een paar vragen die ik in eerste termijn niet heb gesteld. In de brief staat dat de inspectie voor een nieuw toezichtskader zal zorgen. Reguliere scholen moeten niet worden afgerekend op hun zorgtrajecten. Ik krijg vaak te horen dat men geen zorgleerlingen wil, omdat men daarop wordt afgerekend door de inspectie. Dat is de wereld op zijn kop. We hebben het er ook afgelopen maandag over gehad. Ik wil dat de staatssecretaris met het veld bespreekt hoe we zorgen voor een goed zorgbeleid, waar een school zich op kan laten voorstaan, hoe we recht doen aan die scholen en hoe we aan de buitenwereld duidelijk maken dat ze goed werk verrichten. Het zou goed zijn als we in de wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht die eraan komt, wettelijk verankeren dat er criteria zijn waarop scholen kunnen worden gewaardeerd op hun zorgbeleid.

Terecht worden nieuwe dingen scherper gedefinieerd voor het vso. Zijn vso-scholen hiervoor voldoende bekostigd?

Het is prima dat de referentieniveaus worden ingevoerd; we staan daar volledig achter. Hoe moeten scholen zich voor deze leerlingen verantwoorden, zonder dat er weer een papiermolen komt die van leraren boekhouders maakt?

Stoppen met de ambities van passend onderwijs is geen vooruitgang maar achteruitgang. Dezelfde koers naar hetzelfde doel over een andere boeg, is prima. Wat mij betreft, gaan we door met passend onderwijs – wat dat dan ook is, want daar kun je heel verschillend over denken en je kunt op een heel verschillend resultaat uitkomen – maar in een passend tempo. Ik ben blij dat de staatssecretaris de stekker niet eruit trekt. Op een aantal punten heeft ze mij gerustgesteld. Ik wacht af waar zij met komt. Ik vind september overigens best ambitieus, want er zit een zomervakantie tussen. Ik hoop niet dat ze het overhaast doet. Ik heb straks liever een proeve van wet die echt wat voorstelt en echt passend onderwijs garandeert, dan een slap aftreksel waar we nog niet veel mee opschieten. Ik heb liever dat de staatssecretaris de tijd neemt om met een goed traject te komen, dan dat we het allemaal snel voor 5 september binnen hebben en moeten constateren dat geen sprake is van een verbetering.

In de proeve van wetgeving is de zorgplicht voor ons een belangrijk punt. Als we de zorgplicht niet regelen op het niveau van de school en de samenwerkingsvorm waar de school inzit, dan houden we ouders die met de school in conflict raken en discussies over wat een passende plek is. Daar schieten de ouders niets mee op.

Mevrouw Smits (SP): Voorzitter. Mijn enthousiasme is wat getemperd. Mevrouw Kraneveldt is daar blij mee. Dat snap ik. Ik denk dat veel leraren en ouders daar wat minder blij mee zijn.

Deze plannen vormen een bestuurlijke moloch. Er is geen draagvlak onder leraren en ouders en de staatssecretaris garandeert niet dat dit er wel komt. Dat snap ik, want het is een slecht plan en je kunt niet garanderen dat er over twee maanden wel draagvlak is voor een slecht plan. Dan moet je met een beter plan komen. Uit de woorden van de staatssecretaris blijkt dat dat niet bedoeling is. We gaan door op de ingezette koers, met hier en daar wat verschillende accenten. We doen het een wat eerder en het ander wat later, maar de koers wijzigt niet. De strijd om het speciaal onderwijs wat in te dammen, blijft. De staatssecretaris gaat in de zomer weer met de raden en de clubs om tafel om te overleggen over hoe we dezelfde koers anders gaan doen. Kortom, deze heroverweging heeft tot weinig goeds geleid; eigenlijk alleen tot meer regie van de staatssecretaris. Dat is een deprimerende conclusie, een jaar na het rapport van de commissie-Dijsselbloem.

De heer Bosma (PVV): Voorzitter. Ik heb iets meer stof dan in eerste termijn. Toen had ik aan twee woorden genoeg. Nu kom ik tot vijf woorden: wat wordt er nu heroverwogen? De wetgeving voor de regionale netwerken wordt naar voren geschoven. Dat is juridisch gezien de crux van het hele verhaal. Er komt een onderzoek naar geld. Dat is hartstikke goed natuurlijk, want waar dat geld blijft, is de vraag der vragen. Maar wat wordt er nu eigenlijk heroverwogen? Ik sprak in mijn eerste termijn over de Titanic. In dat verband is het wat raar om te horen: dezelfde koers, maar over een andere boeg. Ik ben onvoldoende nautisch onderlegd om dat te kunnen duiden, maar als die ijsberg... Nou ja, maak het verder zelf af en kleur de plaatjes.

De staatssecretaris verdient een groot compliment, omdat zij niet doof is voor het kei- en keiharde rapport van de ECPO. Compliment ook voor mevrouw Lambrechts voor het werk dat zij gedaan heeft. Het was een snoeihard en duidelijk rapport. Compliment dus voor de staatssecretaris, maar ik vraag me toch iets af. We hebben te maken met een verbaal zeer sterke staatssecretaris. Ik weet nog steeds niet of ons hetzelfde verhaal met nieuwe gordijnen wordt gepresenteerd of dat er echt iets nieuws is. Er komen hier en daar wat veranderingen, er komt een onderzoek, iets wordt uitgesteld et cetera. Kortom, daarom mijn vijf woorden: wat wordt er nu heroverwogen?

Mevrouw Ferrier (CDA): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor haar beantwoording tot zover.

Ik concludeer dat de stekker er niet uit gaat en dat het proces over een andere boeg gegooid gaat worden. We worden nog nader geïnformeerd over wat dat betekent. Tot mijn vreugde heb ik geconstateerd dat er in ieder geval meer duidelijkheid komt. Ik hoop dat er niet meer bureaucratie komt.

Ik ben bereid om te wachten tot september. Ik sluit mij aan bij de woorden van mevrouw Kraneveldt. Het gaat ons om de kwaliteit. Dan maar iets later, maar wel een gedegen stuk op basis waarvan we echt kunnen kijken hoe die andere boeg wordt.

Ik stel een aantal vragen waarop ik graag nu antwoord krijg. De eerste vraag is dezelfde die ik in eerste termijn stelde en die de heer Bosma zojuist stelde: wat gaan we nu precies heroverwegen? Dat is mij nog niet duidelijk. Mijn tweede vraag, ook al in eerste termijn gesteld: waar wil de staatssecretaris in 2011 wel uitkomen?

Half juli weten we meer over de reconstructie om te achterhalen waar het zorggeld heengaat. Dit is voor mijn fractie een belangrijk punt. Kan de staatssecretaris daar iets meer over zeggen? Om hoeveel reconstructies gaat het? Dat is voor mij nog niet duidelijk.

Kan ik concluderen dat er ruimte zal zijn voor examinering, zodat zo veel mogelijk kinderen met een startkwalificatie, ook havo en vwo, het speciaal onderwijs kunnen afsluiten? Betekent dit dat scholen ruimte krijgen om ook de termijn van examinering eerder te beginnen?

Ik neem aan dat de proeve van wet die wij krijgen, iets anders is dan de informatie van september. Of vergis ik mij daarin?

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. Ik dank de inderdaad verbaal sterke staatssecretaris. Ze is altijd handig in het gebruik van geruststellende woorden. Dat neemt niet weg dat ik, om maar in haar eigen beeldspraak te blijken, niet het gevoel heb dat ik een champagnefles moet ontkurken om te vieren dat sprake is van een enorme koerswijziging. Zo heb ik dit debat niet ervaren. Ik twijfel of ik mijn eigen verantwoordelijkheid moet nemen door zelf de richting aan te geven in een aantal moties. Ik zou het op prijs stellen als de staatssecretaris waardeert dat de Kamer meedenkt en toezeggingen wil doen. Het gaan om twee punten. Ik heb gesproken over de concrete en afrekenbare doelstellingen. Ik wil het volgende weten. Hoeveel docenten zijn omgeschoold voordat de staatssecretaris overgaat tot passend onderwijs? Hoeveel expertise komt er in het regulier onderwijs, met andere woorden: hoeveel handjes in de klas, hoeveel klassenassistenten? Hoeveel leerlingen presteren beter op het gebied van taal en rekenen? Hoeveel leerlingen bereiken een volwaardige plek op de arbeidsmarkt? Zijn er afspraken met werkgevers gemaakt over functies die ze kunnen gaan vervullen? Dat soort vragen zou ik terug willen zien in het plan van de staatssecretaris. Het tweede punt is het geld dat wij naar allerlei, bijna op mesoniveau georganiseerde structuren sturen. Het geld moet zo dicht mogelijk bij het kind komen. De GroenLinks-fractie wil eigenlijk dat het geld naar scholen gaat. Wil de staatssecretaris daar in haar plan op ingaan?

Tot slot corrigeer ik een uitspraak die ik in eerste termijn deed, met dank aan de nieuwe media. Een externe adviseur heeft mij een e-mail gestuurd. Ik zei dat basisscholen wel eens gek worden van externe adviseurs die binnenkomen en vervolgens weer weggaan. Het klopt dat externe adviseurs vaak ook gewoon een logisch gevolg zijn van een politieke opdracht en dat ze nodig zijn. Het is hetzelfde als met managers. Het zijn niet altijd vijanden, ze zijn ook hartstikke nodig om bepaalde vernieuwingen in goede banen te leiden. Volgens mij sprak een zeer betrokken adviseur mij aan. Dat neem niet weg dat er ook slechte externe adviseurs zijn.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Voorzitter. De staatssecretaris maakt het de oppositie niet gemakkelijk vandaag. Er wordt van alles toegezegd. Ik vraag om regie en zij zegt die toe. Ik wil doorgaan met een proeve van wetgeving en zij zegt die toe. Het enige wat ik nu nog kan zeggen, is: had die regie nou eerder genomen. De verwachtingen voor wat we in september mogen verwachten, zijn hooggespannen. Ik ben tevreden met de toezeggingen van de staatssecretaris op dit punt.

Voor dit debat had ik een gesprek met het Nederlands Jeugdinstituut. Dat wist mij te vertellen dat binnen vijf jaar tijd het aantal zorgleerlingen zal zijn verdubbeld. Dat is iets om je over achter de oren te krabbelen. Ik neem aan dat deze cijfers bij de staatssecretaris bekend zijn en dat dit soort zaken wordt meegenomen in het plan van aanpak.

We kunnen ons absoluut geen onduidelijkheden veroorloven over dit ontzettend belangrijke maatschappelijke probleem. Ik verwacht dan ook veel van de gesprekken die de staatssecretaris voor september gaat voeren met de bonden, de leraren, de ouders en de raden. Ik zal haar tot september de ruimte geven om tot een stevig plan van aanpak te komen, zodat we er hier een stevig debat over kunnen voeren.

Staatssecretaris Dijksma: Voorzitter. Ik dank de leden voor hun complimenten, hoewel ik niet helemaal zeker weet of dat altijd zo kan opvatten. Ik hoor een soort ondertoon van «ze kan het mooi vertellen, maar ...», maar wat ik zeg, dat meen ik.

De heer Bosma vraagt mij wat ik precies wil heroverwegen. Dat is wat mevrouw Lambrechts mij vraagt. Ik ga de beoogde wetgeving voor de netwerken en de structuur van passend onderwijs, die zou ingaan in 2011, heroverwegen, omdat de commissie-Lambrechts duidelijk heeft gemaakt dat we veel energie verspillen aan met elkaar bespreken hoe het allemaal precies moet. Zo verliezen we het grotere doel uit het oog, namelijk ervoor zorgen dat de kwaliteit van het onderwijs verbetert, de wachtlijsten verdwijnen et cetera. Ik voer dus alle aanbevelingen uit. Ondertussen moeten we met elkaar vaststellen wat nodig is om ervoor te zorgen dat het proces op orde blijft. De kwaliteitswetgeving moet dus doorgaan. Daarover zijn wij het allen eens. De Kamer wil een proeve van wetgeving. Ik vraag de Kamer om die niet nog dit jaar te verlangen, maar om mij daarvoor iets meer tijd te geven. Het is nu eerst nodig om de impuls verder uit te werken op het terrein van de investeringen en om daar dingen in gang te zetten. Vervolgens kijken we naar het eindplaatje. Ik probeer zo duidelijk mogelijk te zijn. De aanbevelingen voeren wij dus uit.

De heer Bosma (PVV): Alle 21 bladzijden?

Staatssecretaris Dijksma: Ja, alleen de proeve van wetgeving wil ik niet dit jaar al, maar volgend jaar bij de Kamer indienen.

De heer Dibi wil afrekenbare doelstellingen. Die worden gesuggereerd en bieden een goede houvast. Hoe zorgen we ervoor dat meer leerlingen een hoger niveau halen voor de basisvaardigheden? Hoe zorgen we ervoor dat meer kinderen een diploma of een certificaat halen? Hoe stellen we meer kinderen in staat om binnen een bepaalde periode nadat ze van school zijn, werk te krijgen? Hoe zorgen we ervoor dat kinderen niet meer thuiszitten? Hoe zorgen we ervoor dat er geen kinderen zijn die een traject volgen en vervolgens in de Wajong belanden?

Het advies, zeg ik tegen mevrouw Smits, is dat we moeten voorkomen dat kinderen te snel worden doorverwezen naar speciaal onderwijs. Als zij dat geen goede doelstelling vindt, dan zijn het daar inderdaad over oneens. Maar dat is echt iets totaal anders dan destijds met Weer Samen Naar School werd beoogd. Bij die operatie was de gedachte dat alle kinderen altijd in het regulier onderwijs zouden moeten zitten. Ik neem daar nadrukkelijk afstand van, want dat kan niet. Het is onwenselijk dat er in dit land geen toekomst voor speciaal onderwijs is. Dat is iets anders dan kinderen alleen op basis van kijken naar wat ze niet meer kunnen, te snel doorgeleiden. Sterker nog, ik wil bevorderen dat er meer mengvormen ontstaan, waarbij de expertise van het speciaal onderwijs ook het regulier onderwijs wordt binnengetrokken en je bijvoorbeeld voor sommige kinderen aparte groepen organiseert, omdat dat nu eenmaal heel effectief kan zijn.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik ben, voor de verandering, ook geschrokken van de inbreng van de SP. Het is geen inclusief onderwijs. Mevrouw Smits doet geen recht aan de ouders die dag in, dag uit bezig zijn met vechten om hun kind een plekje te geven, ook in het regulier onderwijs. Ik stel de staatssecretaris een vraag over de toezeggingen die ik heb gevraagd. Zij heeft het niet gehad over de klassenassistenten, de handjes in de klas en de omscholing van docenten. Ook op dat punt wil ik concrete doelstellingen.

Staatssecretaris Dijksma: Daar heb ik dus deze zomer voor nodig. Ik wil door zicht op de zorggelden te krijgen, een effectiever inzet van middelen bewerkstelligen, zodat er bijvoorbeeld meer handen in de klas zijn. Ik denk dat dit kan. U wilt dat het geld naar de scholen gaat. Hoe we dat organiseren, moet onderwerp van gesprek zijn. Misschien kan dat op een flexibeler manier dan nu. Er is veel discussie over de inzet van middelen voor ambulante begeleiding. We moeten die discussie op een verstandige manier oppakken, maar wel voorkomen dat de expertise van het speciaal onderwijs te zeer onder druk komt te staan. Dat is een broos evenwicht. Iedereen schuift al heel lang om de hete aardappel heen. We moeten die nu maar eens schillen.

De heer Dibi (GroenLinks): De staatssecretaris zegt toe dat ze op de punten die ik heb genoemd, terugkomt in het plan van september. In dat geval kan ik al zeggen dat ik niet de behoefte heb om moties in te dienen.

Staatssecretaris Dijksma: Als u het in september niet goed genoeg vindt, dan komen die moties waarschijnlijk alsnog. Ik doe mijn best.

Mevrouw Smits (SP): Een van de doelstellingen van passend onderwijs is het beperken van de groei van het speciaal onderwijs. Daar hoeven we niet moeilijk over te doen. Geen inclusief onderwijs, dat heb ik nooit gezegd. Het doet geen recht aan de situatie die nu in veel klassen ontstaat, namelijk dat leraren het zat zijn, dat ze niet weten hoe ze met de klas moeten omgaan en dat ouders zien dat hun kind in het regulier onderwijs niet de aandacht krijgt die het verdient.

De voorzitter: En uw puntige vraag is?

Mevrouw Smits (SP): Dit was een puntige opmerking.

De voorzitter: Dan laten we het daarbij.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik wil iets corrigeren. Het is een mythe dat het regulier onderwijs vol zit met kinderen met indicaties. Volgens mij zijn er gemiddeld drie zorgleerlingen per basisschool. We moeten de dingen niet groter maken dan dat ze zijn.

De voorzitter: Misschien moet u beiden dit debat op een andere plek voeren.

Mevrouw Dezentjé heeft nog een vraag aan de staatssecretaris.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik kom terug op de opmerking van de staatssecretaris dat we volgend jaar de proeve van wetgeving kunnen verwachten. Ik wil wel een indicatie waar dat op uit zal draaien, want het jaar is nog lang. Daarnaast wil ik een toezegging dat in het plan van aanpak van september duidelijkheid komt over de eenloketgedachte achter passend onderwijs, met name in relatie tot de Centra voor Jeugd en Gezin, de Zorg- en adviesteams en de nieuwe wet zorg en onderwijs.

Staatssecretaris Dijksma: Ik denk dat de proeve van wetgeving in het late voorjaar klaar is. Over de samenhang met Centra voor Jeugd en Gezin en Zorg- en adviesteams betreft, staat al het een en ander te lezen in de brief van minister Rouvoet aan de Kamer. We moeten niet op allerlei niveaus dingen dubbel doen. Er lijkt niet zo veel overlap te zijn tussen kinderen die op de een of andere manier in een speciaalonderwijstraject zitten en kinderen in de jeugdzorg. Belangrijk is dat we geen systeemoverlap organiseren – dat is denk ik uw boodschap – en van alle kanten tegelijk met kinderen bezig zijn, zonder dat iemand van de ander weet wat er gedaan wordt.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Dat zeker, maar ik wijs ook op het belang van vroegsignalering en vroege interventie om te voorkomen dat kinderen in een systeem terechtkomen, terwijl dat te voorkomen zou zijn geweest.

Staatssecretaris Dijksma: Dat ben ik met u eens. Wat ik daar sinds korte tijd bij ben gaan denken, is dat we moeten voorkomen dat we kinderen te vroeg labelen. Er zou veel winst te behalen zijn als we in het regulier onderwijs eerder zien dat er lichte vormen van problemen zijn en daar adequaat op reageren, maar als dat betekent dat we kinderen nog jonger een etiket opplakken en met kinderen gaan schuiven, dan is dat niet de goede doelstelling. U schudt gelukkig nee.

Het is belangrijk om de kwaliteitszorg in de school, en dan kom ik bij de vraag van mevrouw Kraneveldt, beter op orde te hebben. Scholen met veel kinderen met een extra zorgvraag, moeten daar niet negatief op worden afgerekend door de inspectie. Sterker nog, het is van groot belang is om juist te kijken naar het beleid van een school ten aanzien van individuele kinderen met een zorgvraag. Als zij kunnen laten zien welk plan ze voor kinderen voor ogen hebben en wat hun toegevoegde waarde is, dan worden ze niet zozeer beoordeeld op het resultaat dat een kind boekt, maar op de winst die gemaakt wordt en het feit dat er met verstand gehandeld wordt. In ons basisonderwijs gebeurt veel goeds, maar we kunnen nog enorme winst boeken op het gebied van het beleid maken op inhoud. Dat betekent dat we kijken naar kinderen en nadenken over wat individuele kinderen nodig hebben. Dat is lastig. Daar komt bij dat als er meer kinderen zijn met een bepaalde vraag, je ook meer handen in de klas wilt. Sommige scholen organiseren dat ook al hartstikke goed, andere nog niet. De vraag is wat we ervan kunnen leren en hoe we kunnen helpen, ook met de middelen voor de invoering van passend onderwijs.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Ik stel een vraag over de inspectie en over de toegevoegde waarde van de scholen als het gaat om zorgleerlingen. Ik sprak gisteren een directeur van een school voor speciaal onderwijs in Amsterdam. Die zei: ik vertel ook iedere keer dat verhaal aan de inspecteur, maar die heeft gewoon geen indicatoren om vast te stellen wat voor goed werk ik doe. Hij is dus in gesprek, maar wordt er uiteindelijk toch weer op afgerekend. Daarom vroeg ik ook naar de Wet op het onderwijstoezicht. Wil de staatssecretaris nog eens met de inspectie bezien of we de waarde van het zorgbeleid echt in indicatoren kunnen vastleggen, zodat scholen dat verhaal ook naar buiten kunnen brengen en echt kunnen laten zien dat ze goed beleid voeren?

Staatssecretaris Dijksma: Ik ben met de inspectie in gesprek over dit vraagstuk. Dit komt bij de referentieniveaus ook terug. Het is de vraag of dat per se in de Wet op het onderwijstoezicht moet of gewoon in een toezichtskader, want dat is het praktische handvat voor de inspecteur die de basisschooldirecteur tegenkomt. Je moet op dat niveau zorgen voor de juiste indicatoren. Dat is misschien geruststellender dan in de wet vastleggen dat het allemaal goed moet komen. Als je het niet concreet maakt, heeft zo’n inspecteur er nog niets aan. We zijn er dus mee in de weer. Dat is overigens niet eenvoudig.

Is de bekostiging van het vso toereikend? Die is drie keer hoger dan de bekostiging voor de reguliere vo-leerling. Samen met de WEC-raad gaan we bezien hoe we het geld zo effectief mogelijk kunnen inzetten. Arbeidstoeleiding is een apart punt van aandacht. We zoeken samen met het ministerie van SZW naar versterking. Eerder heeft de Kamer ervoor gezorgd dat we met jobcoaches aan de slag kunnen. Er zijn verschillende ESF-projecten (Europees Sociaal Fonds) op dat terrein. We gaan dus kijken hoe we samen op dat gebied veel meer kunnen bereiken.

Dan de verantwoording ten aanzien van de referentieniveaus en kunnen we dat binnen de perken houden? Ja, dat moeten we echt proberen. Er is wel een balans nodig. Je ziet dat het maken van een handelingsplan gezien wordt als bureaucratie. Het punt is nu juist dat het de basis voor je aanpak kan zijn. Als dat goed in elkaar zit en je hebt daar goed over nagedacht, dan kan dat veel winst betekenen, ook voor het beleid van een school. Je moet een balans vinden tussen niet te veel papier schrijven – ik ken die klachten en ben het daarmee eens – en het vastleggen van een individuele leerlijn, wat toch de core business van het onderwijs is. Dat is een ingewikkeld gesprek. Daar zitten we middenin. We moeten blijven stellen dat dit soort dingen gebeuren, maar op een manier die past bij het karakter van ons onderwijs en die niet te veel voor negatieve energie zorgt.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Ik ben het geheel eens met wat de staatssecretaris zei over dat plan, maar het gaat mij vooral om de verantwoordingslast. Je moet natuurlijk dat plan laten zien, maar als we daar nog veel extra eisen aan stellen, dan wordt het wel heel erg veel.

Staatssecretaris Dijksma: Met een verstandige inzet van het leerlingvolgsysteem kun je ver komen. Daar is het systeem ook voor. Dat wordt op scholen op individueel niveau goed gebruikt, maar op groep- of schoolniveau wat minder. Met onze kwaliteitsagenda zorgen we ervoor dat scholen het zogenaamde opbrengstgericht werken wat gemakkelijker in de vingers krijgen. Ze leren daarbij overigens ook van elkaar. Ik heb het idee dat dat heel goed gaat en ook steeds beter.

Mevrouw Ferrier vraagt hoeveel reconstructies er komen om zicht op zorgmiddelen te krijgen. In elk geval nog vier basisscholen, twee scholen voor speciaal basisonderwijs en twee vso-scholen. Zo proberen we een gemêleerd beeld te krijgen.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Hoe zijn de reconstructies verdeeld over de clusters?

Staatssecretaris Dijksma: Ik hoor van mijn ambtenaren dat het om vier regio’s gaat.

Mevrouw Ferrier had het over de kwaliteit van examinering en een flexibeler examentermijn. Vso-scholen hebben leerlingen tot 20 jaar en soms zelfs tot 23 jaar. In het staatsexamensysteem is een flexibele afname van vo-examens altijd mogelijk. Als je met reguliere examens gaat werken, dan ben je gebonden aan de centrale examens. Dan kun je niet zeggen: dat doen we ergens op een door ons te bepalen moment in het jaar.

Wanneer komt het didactisch expertisecentrum precies? Wij wachten op het plan van Viziris, maar onze inzet is dat het in 2010 van start gaat.

Toezeggingen

– In het late voorjaar van 2010 ontvangt de Kamer een proeve van wet passend onderwijs.

– In september 2009 ontvangt de Kamer een beleidsreactie op het onderzoek naar wat er feitelijk met de besteding van de zorgmiddelen gebeurt.

– In september 2009 ontvangt de Kamer een plan van aanpak passend onderwijs, waarover intensief overleg met vak- en ouderorganisaties en sectorraden wordt gevoerd.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Depla (PvdA), Remkes (VVD), Van Bochove (CDA), voorzitter, Joldersma (CDA), Jan de Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Leerdam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk), Van Leeuwen (SP), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Langkamp (SP), Jasper van Dijk (SP), Besselink (PvdA), Ouwehand (PvdD), Dibi (GroenLinks), Anker (ChristenUnie) en Smits (SP).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Gill’ard (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Atsma (CDA), Ferrier (CDA), Sterk (CDA), Vietsch (CDA), Schinkelshoek (CDA), Jacobi (PvdA), Elias (VVD), Timmer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg (VVD), Gesthuizen (SP), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Ten Broeke (VVD), Van Bommel (SP), Leijten (SP), Bouchibti (PvdA), Thieme (PvdD), Peters (GroenLinks), Ortega-Martijn (ChristenUnie) en Gerkens (SP).

Naar boven