31 497
Passend onderwijs

nr. 14
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 juni 2009

Vorige week heb ik u het advies van de Evaluatie- en adviescommissie Passend onderwijs (ecpo) toegestuurd (kamerstuk 31 700 VIII, nr. 201). Conform de toezegging in de begeleidende brief, stuur ik u hierbij mijn reactie op het advies.

Doel van Passend onderwijs is de kwaliteit en de organisatie van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben te verbeteren. Veel van de adviezen van de ecpo sluiten aan bij de activiteiten die in gang zijn gezet om kwaliteit van het onderwijs te verbeteren of zijn in lijn daarmee. Dat geldt niet voor de adviezen rondom de wetgeving. De commissie adviseert nog niet te starten met wetgeving voor de regionale netwerken maar in plaats daarvan te komen met een proeve van wetgeving om het veld de duidelijkheid te geven waar naar wordt gevraagd.

De ecpo is niet de eerste en de enige partij die vraagt of het veld klaar is voor de invoering van Passend onderwijs in 2011. Onlangs heeft ook de inspectie in het Onderwijsverslag kanttekeningen geplaatst bij de invoering van Passend onderwijs in 2011. Voor de invoering van Passend onderwijs is het van belang dat leraren het onderwijs op hun leerlingen afstemmen en dat de leerlingenzorg van voldoende kwaliteit is. Dat is op dit moment nog onvoldoende het geval.

Het advies van de ecpo en het Onderwijsverslag van de inspectie zijn voor mij aanleiding om het proces van Passend onderwijs zoals dat in gang is gezet te heroverwegen. In het onderwijs aan leerlingen met een beperking doet zich een aantal knelpunten voor op het gebied van kwaliteit, wachtlijsten en thuiszitters. Het is dan ook geen optie om de huidige situatie te handhaven. Wel doet zich de vraag voor of wij de accenten op de goede onderdelen leggen. Er gaat nu veel energie naar de bestuurlijke vormgeving van netwerken in plaats van naar de verbetering van de kwaliteit en het toerusten van leraren.

Al eerder heb ik gewezen op de bestuurlijke drukte die heerst rond de vorming van de regionale netwerken1. Toen heb ik al gewezen op het belang van de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs en zijn veel activiteiten in gang gezet om de kwaliteitsverbetering ook daadwerkelijk te realiseren. In de voortgangsrapportage die ik u op 5 juni jl. heb toegestuurd2 heb ik het belang van het goed toerusten van leraren expliciet genoemd. Zij moeten het onderwijs in de klas immers vormgeven. Uit de rapportages over de ontwikkelingen in het veld blijkt dat leraren nog onvoldoende betrokken zijn bij Passend onderwijs. Daarom heb ik in de brief van 5 juni extra activiteiten aangekondigd om leraren meer te betrekken bij Passend onderwijs en hen beter toe te rusten op het onderwijs aan leerlingen met een beperking.

Tot slot het budgettaire kader. Uit het onderzoek naar de inzet van de zorgmiddelen komt naar voren dat wij geen zicht hebben op de inzet van de zorgmiddelen. Hoewel de middelen rechtmatig worden ingezet, kunnen geen uitspraken worden gedaan over bijvoorbeeld de doelmatigheid van de inzet. Dat is een onwenselijke situatie. Zeker tegen de achtergrond van een groeiend aantal leerlingen met een indicatie voor (voortgezet) speciaal onderwijs en leerling gebonden financiering. Om die reden zou het onverantwoord zijn het huidige budget opnieuw te verhogen.

Concluderend zijn het advies van de ecpo, het Onderwijsverslag van de inspectie en de signalen die ik krijg uit het veld aanleiding voor een heroverweging van het proces Passend onderwijs zoals dat in gang is gezet. De aandacht voor de wetgeving lijkt vooral het bestuurlijke proces in de regio’s aan te wakkeren terwijl het gesprek primair zou moeten gaan over de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs en het voorkomen van wachtlijsten en thuiszitters. De heroverweging van het proces wil ik niet alleen doen, maar in overleg met de sectororganisaties. Met de PO-, VO- en de WEC-Raad heb ik gesproken over de heroverweging. Zij hebben te kennen gegeven dat zij bereid zijn hun verantwoordelijkheid te nemen. Dat sterkt mij in het vertrouwen om een belangrijke inhoudelijke verbetering te realiseren die ervoor zorgt dat het kind weer centraal komt te staan en leraren voldoende toegerust zijn om het onderwijs te verzorgen. De reeds in gang gezette veldinitiatieven en experimenten zullen onverminderd doorgang vinden. Over de resultaten van het overleg met de sectororganisaties over de heroverweging van het proces Passend onderwijs informeer ik u in september, parallel aan de begroting van OCW voor 2010.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

S. A. M. Dijksma


XNoot
1

Kamerstukken 2008/2009, 31 497, nr. 9.

XNoot
2

Kamerstukken 2008/2009, 31 497, nr. 12.

Naar boven