Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201031362 nr. 11

31 362 Voorstel van wet van het lid Vendrik tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met het beperken van de emissies van broeikasgassen door kolengestookte elektriciteitscentrales (beperking emissies kolencentrales)

Nr. 11 AMENDEMENT VAN HET LID VAN GENT C.S.

Ontvangen 20 mei 2010

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

I

In de beweegreden wordt na «wijzigen» ingevoegd: , alsmede in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de verplichting tot het voorschrijven van een emissiegrenswaarde voor de directe emissie van broeikasgassen door elektriciteitscentrales op te nemen.

II

Na artikel I worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IA

Na artikel 2.22 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.22a

  • 1. Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, wordt, indien het een inrichting voor het opwekken van elektriciteit betreft waarop tevens de in artikel 16.5, eerste lid, van de Wet milieubeheer vervatte verboden betrekking hebben, een voorschrift verbonden, inhoudende een emissiegrenswaarde voor de directe emissie in de lucht van broeikasgassen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer waarop ingevolge artikel 16.1, tweede lid, van die wet titel 16.2 van die wet van toepassing is. De hoogte van de emissiegrenswaarde wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld.

  • 2. Op inrichtingen waarvoor voor 1 januari 2013 vergunning is verleend, is het eerste lid van toepassing met ingang van 1 januari 2025.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de naleving van een krachtens het eerste lid aan een omgevingsvergunning verbonden voorschrift.

ARTIKEL IB

De Wet belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:

1.Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:

a. De puntkomma aan het slot van onderdeel m wordt vervangen door een punt.

b. De onderdelen n en o vervallen.

2. In artikel 43 vervallen het tweede tot en met vierde lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

3.Artikel 44 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het derde lid vervalt.

b. Het vierde tot en met zesde lid worden vernummerd tot derde tot en met vijfde lid.

c. In het vierde lid (nieuw) wordt «het eerste, tweede en vierde lid, worden verleend en worden nadere regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het derde lid» vervangen door: het eerste tot en met derde lid, worden verleend.

4.Artikel 45 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «eerste, tweede en vierde lid» vervangen door: eerste tot en met derde lid.

b. Het tweede lid vervalt.

c. Het derde tot en met vijfde lid worden vernummerd tot tweede tot en met vierde lid.

d. In het derde lid (nieuw) wordt «het verzoek,» vervangen door «het verzoek en». Voorts wordt «wordt voldaan en de uitvoering van het tweede lid» vervangen door: wordt voldaan.

5. In artikel 91, eerste lid, wordt «30, eerste lid, 43, tweede lid» vervangen door: 30, eerste lid.

III

Artikel III wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot vierde en vijfde lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. Artikel IA van deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.

  • 3. Artikel IB van deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2025.

2. In het (bestaande) tweede lid wordt «Artikel I van deze wet vervalt» vervangen door: De artikelen I en IB van deze wet vervallen.

Toelichting

Met dit amendement wordt het wetsvoorstel aangevuld met een verplichte CO2-norm voor elektriciteitscentrales. Het in artikel IA voorgestelde artikel 2.22a houdt in dat aan een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor een elektriciteitscentrale een voorschrift moet worden verbonden, inhoudende een emissiegrenswaarde voor de directe emissie van broeikasgassen. De precieze hoogte van deze CO2-norm wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Daarbij is het streven om een zo scherp mogelijke norm vast te stellen, die aansluit bij de best beschikbare technieken.

Voor nieuwe elektriciteitscentrales gaat de CO2-norm vanaf 1 januari 2013 gelden. Nieuwe elektriciteitscentrales (elektriciteitscentrales waarvoor op of na 1 januari 2013 vergunning is verleend) die niet aan deze norm kunnen voldoen, krijgen geen omgevingsvergunning. Voor bestaande gevallen (als zodanig worden aangemerkt elektriciteitscentrales waarvoor voor 1 januari 2013 vergunning is verleend) is een overgangstermijn opgenomen en gaat de CO2-norm gelden met ingang van 1 januari 2025.

De in het wetsvoorstel opgenomen emissiedrempel voor de vrijstelling van de kolenbelasting bedraagt 550 gram CO2 per geleverde kWh. In verband met de invoering van eerdergenoemde CO2-norm zal op termijn ook bezien moeten worden of de emissiedrempel voor de vrijstelling verlaagd moeten worden. Per 1 januari 2025 kan de drempel voor de vrijstelling van de kolenbelasting komen te vervallen, aangezien vanaf die datum de CO2-norm (een emissiegrenswaarde voor de directe emissie van broeikasgassen) voor alle elektriciteitscentrales geldt. Hiertoe strekt het in onderdeel II opgenomen artikel IB.

Onderdeel III wijzigt artikel III van het wetsvoorstel (de inwerkingtredingsbepaling). Evenals artikel I zal artikel IB uitsluitend in werking treden indien blijkens het in artikel II, derde lid, bedoelde koninklijk besluit de gemiddelde marktprijs van een broeikasgasemissierecht in 2011 lager was dan € 50. Blijkt dat de gemiddelde marktprijs in 2011 tenminste € 50 was, dan vervallen de artikelen I en IB op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In het nieuwe tweede lid van artikel III is vastgelegd dat invoering van de CO2-norm (artikel IA) plaatsvindt op 1 januari 2013, ongeacht de gemiddelde marktprijs van een broeikasgasemissierecht in 2011.

De ingevolge dit wetsvoorstel noodzakelijke emissiereductie kan onder meer worden gerealiseerd door het bijstoken van biomassa (memorie van toelichting, blz. 12–13). Voorkomen moet worden dat de inzet van biomassa als brandstof in elektriciteitscentrales ongewenste bijeffecten heeft op bijvoorbeeld biodiversiteit, voedselprijzen of de beschikbaarheid van water. Verder moet zijn verzekerd dat per saldo een broeikasgasreductie optreedt (rekening houdend met de productie van biomassa). Daarom wordt het kabinet verzocht op lager niveau regels te stellen met betrekking tot de wijze waarop rekening wordt gehouden met de duurzaamheid van biomassa die wordt ingezet als brandstof in elektriciteitscentrales. Artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer biedt hiervoor een basis.

Indien dit amendement wordt aangenomen wordt in het opschrift na «Wet belastingen op milieugrondslag» ingevoegd: en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Van Gent

Samsom

Wiegman-Van Meppelen Scheppink