Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201831311 nr. 197

31 311 Zelfstandig ondernemerschap

Nr. 197 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 11 december 2017

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Financiën over de brief van 30 juni 2017 over de Eerste voortgangsrapportage rentederivaten van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) (Kamerstuk 31 311, nr. 193).

De vragen en opmerkingen zijn op 7 september 2017 aan de Minister van Financiën voorgelegd. Bij brief van 8 december 2017 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Anne Mulder

De adjunct-griffier van de commissie, Van Zuilen

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

De leden van de VVD-fractie hebben met enige teleurstelling kennisgenomen van de brief over de eerste voortgangsrapportage rentederivaten van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) vanwege de vertraging in het dossier. Zij hebben daarover nog een aantal vragen en opmerkingen.

De leden van de VVD-fractie willen dat ondernemers met een zorgvuldig proces zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen. In het verleden zijn er door banken derivaten verkocht aan het midden- en kleinbedrijf (mkb), terwijl de producten niet passend waren dan wel dat zij onvoldoende geïnformeerd waren. Mkb'ers wachten al lang op een oplossing en worden nu nogmaals geconfronteerd met vertraging. Dat is natuurlijk heel frustrerend. Deze leden willen daarom dat de Minister blijft aandringen op snelheid bij de banken, externe dossierbeoordelaars en de AFM, zodat de vertraging wordt beperkt.

Deze leden vragen de Minister wat de reden is c.q. de redenen zijn voor de vertraging van de afhandeling van het rentederivatendossier, aangezien eerder is gesteld dat het 1 juli 2017 opgelost zou zijn.

Welke problemen en knelpunten zijn er nu nog, zo vragen de leden van de VVD-fractie aan de Minister. Welke factoren en risico’s kunnen nog zorgen voor verdere vertraging? Welke rol speelt de inrichting van de betreffende systemen bij de banken?

De leden van de VVD-fractie lezen in de brief dat een tweetal banken een deel van de klanten pas in de loop van 2018 een aanbod tot herstel zal doen. Wat wordt exact bedoeld met: «in de loop van 2018»? Om hoeveel klanten gaat het die pas in 2018 een aanbod tot herstel zullen krijgen? Waarom kunnen vier banken wel in 2017 een aanbod doen en de andere twee banken niet? Herkent de Minister het mogelijke probleem dat er ondernemers zijn die zich niet bewust zijn van het risico dat er vorderingen verjaren op 30 september 2017? Hoe wil de Minister voorkomen dat ondernemers hierdoor in de problemen komen? Welke oplossing ziet de Minister hiervoor, bijvoorbeeld in de vorm van het verlengen van de verjaringstermijn? Deze leden zijn van mening dat ondernemers niet de dupe mogen worden van vertraging bij de banken.

Eén van de twee genoemde banken zal uiterlijk eind 2017 een aanbod voor een voorschot van 80% van de coulancevergoeding doen, zo lezen de leden van de VVD-fractie. De AFM verkent of de andere bank dat ook kan doen mits het niet leidt tot een onevenredige vertraging. Waarom is er een verschil tussen die twee banken als het gaat om een voorschot? Is de Minister bereid bij de andere bank aan te dringen dat deze ook uiterlijk eind 2017 een voorschot van 80% van de coulancevergoeding zal geven? Zo nee, waarom niet?

De leden van de VVD-fractie lezen voorts in de brief dat het proces van herbeoordelen en versturen van aanbodbrieven op gang komt en de eerste mkb-klanten een aanbodbrief hebben ontvangen. Hoeveel klanten hebben per 1 september 2017 al een aanbodbrief ontvangen? Hoeveel klanten hebben per 1 september 2017 al te horen gekregen of ze wel of niet onder het Uniform Herstel Kader (UHK) vallen?

In de AFM-rapportage staat dat in april 2017 de AFM aan de banken en de externe dossierbeoordelaars heeft laten weten in de plannen van aanpak geen belemmering te zien tot de uitvoering van het merendeel van de herbeoordelingen over te gaan. «Geen belemmering» is volgens de leden van de VVD-fractie wel een erg zuinige omschrijving. Waarom wordt er niet gewoon gesteld dat ze goedgekeurd zijn? Denkt de AFM dat met de plannen van aanpak de herbeoordelingen op een zorgvuldige, goede en ruimhartige manier tijdig uitgevoerd kunnen worden? Zo nee, waarom niet?

De leden van de VVD-fractie vragen naar de planning van de herbeoordeling van een beperkt aantal dossiers, waarin sprake is van een situatie van een herstructurering van een rentederivaat waarbij het lopende rentederivaat is afgewikkeld en de marktwaarde is verwerkt in het nieuwe afgesloten rentederivaat (blend & extend). Wanneer kan de AFM de plannen van aanpak hiervoor goedkeuren en om hoeveel dossiers gaat het?

Drie banken hebben aangegeven dat zij conform het UHK kwetsbare groepen met voorrang behandelen. De overige banken nemen eveneens de kwetsbare klanten als eerste in behandeling. Wat is het verschil tussen beide: met voorrang behandelen en als eerste in behandeling nemen? Waarom worden er groepen uitgezonderd van het voorschot van minimaal 80% van de coulancevergoeding bij de kwetsbare groepen en waarom deze drie groepen klanten? De leden van de VVD-fractie vragen of gegarandeerd kan worden dat kwetsbare klanten door de vertraging niet extra in de problemen komen. Hoe wordt hiervoor gezorgd?

De leden van de VVD-fractie lezen in de brief dat over vier maanden weer een voortgangsrapportage van de AFM wordt gemaakt. Kan in deze voortgangsrapportage meer cijfermatige informatie worden opgenomen, zoals aantallen brieven voor de toepasbaarheid van het UHK en oplossingen voor het herstel, dossiers, etc.? Kan in de volgende rapportage tevens aandacht worden besteed aan de nog resterende knelpunten en/of problemen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister. Zij hebben hierover nog enkele vragen.

Allereerst spreken de leden van de CDA-fractie hun teleurstelling uit over het gegeven dat de uitvoering van het herstelkader rentederivaten langer op zich laat wachten dan oorspronkelijk gedacht. Deze leden zien, gezien de lange tijd dat het dossier nu loopt, toenemende negatieve gevolgen voor bepaalde ondernemers die én schade ondervinden van het afgesloten product, én lang moeten wachten op een schadevergoeding door de nieuwe vertraging. Deze leden zijn blij met de uitvoering van de motie Ronnes (Kamerstuk 31 311, nr. 189) over het voorrang verlenen aan kwetsbare groepen. Desondanks ontvangen deze leden nog altijd signalen dat niet alle kwetsbare groepen op deze manier worden bereikt. Kan de Minister bij de AFM navragen of er reeds banken door de AFM op de vingers zijn getikt omdat zij bepaalde kwetsbare klanten niet met voorrang hebben behandeld? Hoe kunnen bedrijven die zichzelf als kwetsbaar zien maar niet als zodanig worden behandeld, kenbaar maken dat ook zij versneld in behandeling moeten worden genomen, inclusief de voorschotbetaling?

Voorts vragen deze leden of de Minister kan aangeven wanneer hij verwacht dat het herstelkader zijn werk heeft gedaan en het dossier gesloten kan worden. De Minister schrijft daarover namelijk dat dit «in de loop van 2018» kan zijn, maar dat vinden deze leden te ruim. Kan de Minister dit preciseren? Kan de Minister er tevens zorg voor dragen dat er een heldere en voor alle partijen redelijke deadline komt voor het doen van het laatste herstelaanbod, die vervolgens ook te handhaven is door de AFM?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de eerste voortgangsrapportage rentederivaten van de AFM. Deze leden vinden het belangrijk dat er druk blijft op de sector teneinde het rentederivatendossier zo snel mogelijk af te handelen. Het is zeer onwenselijk dat mensen nog langer in onzekerheid zitten. Deze leden zijn positief over het feit dat een volgende voortgangsrapportage niet na zes, maar al na vier maanden wordt opgesteld en met de Kamer gedeeld zal worden.

De leden van de D66-fractie hebben nog enkele vragen bij de voortgangsrapportage. Er wordt geschetst dat twee banken hebben aangegeven in 2017 nog niet alle klanten een aanbod te kunnen doen. Deze banken verwachten dit in het begin van 2018 te kunnen doen. Is er hier ook een deadline voor bepaald? Wanneer horen ook de klanten van deze banken uiterlijk waar zij aan toe zijn?

Voorts constateren deze leden dat banken hebben besloten om in bepaalde gevallen, voor kwetsbare groepen, over te gaan tot het uitkeren van een voorschot. Voor welke kwetsbare groepen geldt dit? Welke criteria worden er gebruikt teneinde deze groep te identificeren? Zijn er ook criteria die mensen uitsluiten van deze «kwetsbare groep»? Een aantal bijzondere klantgroepen worden uitgesloten als kwetsbare groep: welke bijzondere klantgroepen worden hiermee bedoeld? Klopt het dat deze bijzondere groepen geen voorschot kunnen krijgen? Waarom is hiervoor gekozen?

De leden van de D66-fractie vragen de Minister verder hoe het voorschot wordt bepaald. Het gaat om een percentage van de voorlopige inschatting van de compensatie. Hoe wordt deze voorlopige inschatting gemaakt? Kan het dan ook gebeuren dat een gedeelte toch weer terugbetaald zal moeten worden? Dit kan de onzekerheid extra verhogen. Hoe wordt voorkomen dat kwetsbare groepen niet nog kwetsbaarder worden als de inschatting achteraf verkeerd blijkt te zijn geweest?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister inzake de eerste voortgangsrapportage rentederivaten van de AFM. Deze leden stellen naar aanleiding hiervan enkele vragen aan de Minister.

Allereerst vragen de leden van de SP-fractie of het de Minister bekend is hoeveel derivaten door Nederlandse banken zijn verkocht. Welke soorten derivaten zijn te onderscheiden? Kan per soort derivaat worden aangegeven hoeveel er zijn verkocht? Kan de Minister tevens aangeven welk aandeel van de verkochte rentederivaten is verkocht aan mkb-partijen?

Deze leden vragen de Minister in hoeverre het voor mkb’ers nodig is rentederivaten te kopen. Is het perse noodzakelijk voor mkb’ers zich tegen renteschommelingen te verzekeren? Is het gezien alle problematiek die zich voordoet rondom rentederivaten in het mkb niet beter om rentederivaten niet langer aan te bieden aan het mkb, zo vragen de leden van de SP-fractie. Is de Minister van mening dat de handel in derivaten zou moeten worden ingeperkt? Zo nee, waarom niet?

De leden van de SP-fractie vragen de Minister of rentederivaten ooit door de AFM of een andere partij getoetst zijn op transparantie, de mogelijke risico’s en de maatschappelijke effecten. Zo nee, is de Minister bereid dit alsnog te laten doen? Is de Minister bekend met onderzoeken naar de risico’s en maatschappelijke effecten van rentederivaten? Zo ja, is hij bereid deze met de Kamer te delen?

De leden van de SP-fractie zijn van mening dat alle schade die mkb’ers leiden als gevolg van een rentederivaat, waar zij redelijkerwijs niet van op de hoogte hadden kunnen zijn, vergoed moet worden door de verkopende partij. Deze leden willen van de Minister weten of het UHK hierin voorziet. Kan de Minister het UHK in heldere bewoordingen uitleggen?

De leden van de SP-fractie vragen de Minister aan te geven hoe groot het bedrag is dat banken gezamenlijk zullen compenseren. Kan de Minister daar een inschatting van maken? Hoeveel is reeds gecompenseerd door de banken en welk deel van de schade die mkb’ers door de rentederivaten hebben geleden, wordt gemiddeld vergoed?

Op de website van de AFM staat het volgende te lezen: «De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft strenge eisen gesteld aan de door de banken aangestelde externe beoordelaars, om zo hun onafhankelijkheid en deskundigheid te waarborgen.» De leden van de SP-fractie vragen de Minister hoe het mogelijk is dat banken mogen aanwijzen wie toezicht houdt op de afhandeling van het derivatendossier. Denkt de Minister dat banken ervoor zullen kiezen om degenen aan te wijzen die de bank het meest kritisch volgen? Zo ja, wat is hiervoor zijn argumentatie? Zo nee, waarom wijst de Minister of de AFM deze externe beoordelaars niet aan? Denkt de Minister dat mkb’ers, wanneer zij ontevreden zijn over de afhandeling van hun dossier, veel vertrouwen zullen hebben in een door de bank aangestelde beoordelaar? Waarom mogen de gedupeerde mkb’ers de externe beoordelaars niet aanstellen?

In de voortgangsrapportage van de AFM staat dat banken in bepaalde gevallen ook een voorstel moeten doen voor een ander en beter passend product. De leden van de SP-fractie willen weten of de ondernemers er te allen tijde ook voor kunnen kiezen definitief afscheid te nemen van de bank die hen het betreffende derivaat heeft verkocht. Bestaan hier in bepaalde gevallen belemmeringen voor? Zo ja, welke? Is de Minister bereid deze weg te nemen?

Worden mkb’ers wiens bedrijf vanwege de aankoop van rentederivaten op omvallen staat, allen aangemerkt als kwetsbaar en dus met voorrang behandeld, zo vragen de leden van de SP-fractie. Worden mkb’ers die aangeven in moeilijkheden te verkeren als kwetsbaar aangemerkt?

Volgens de Minister wordt de vertraging in de herbeoordeling van rentederivatendossiers mede veroorzaakt door de complexiteit van het herstelkader. De leden van de SP-fractie vragen de Minister welke andere oorzaken er zijn.

Is het waar dat een groep ondernemers grote risico’s loopt omdat hun vorderingen op 30 september 2017 verjaren, zelfs zonder dat zij zich hiervan bewust zijn? Welke stappen gaat de Minister nemen teneinde deze risico’s weg te nemen en verjaring te voorkomen, vragen de leden van de SP-fractie.

Deze leden vragen voorts hoeveel kwetsbare gevallen door de banken zijn geïdentificeerd. Hoeveel van hen hebben tot op heden een voorschot uitgekeerd gekregen?

In antwoord op Kamervragen van het lid Leijten gaf de Minister aan, dat het verder ontwikkelen van secundaire markten voor non-performing loans onderdeel is van de in juli 2017 overeengekomen raadsconclusies. De handel in non-performing loans wordt dus aangemoedigd, merken de leden van de SP-fractie op. Acht de Minister dit verstandig? Zijn hier risico’s aan verbonden? Zo ja, welke? Acht de Minister het mogelijk dat, wanneer de handel in non-performing loans toeneemt, de kans op besmettingsgevaar bij een situatie van onzekerheid in de financiële sector toeneemt? Kan de Minister zijn antwoord toelichten?

De leden van de SP-fractie zien dat, naast de handel in non-performing loans ook de handel in securitisaties wordt aangemoedigd door de kapitaalmarktunie. Kan de Minister aangeven of hij de handel in rentederivaten ook wil aanmoedigen?

II Reactie van de Minister

Met belangstelling heb ik kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de VVD, het CDA, D66 en de SP over de eerste voortgangsrapportage rentederivaten van de AFM.

Om de vragen gestructureerd te beantwoorden heb ik gekozen voor een thematisch geordende beantwoording volgens de volgende rubricering:

  • 1. Herstelkader

  • 2. Voortgang en verjaring

  • 3. Kwetsbare klanten

  • 4. Overig

1. Herstelkader

De leden van de SP vragen of het herstelkader de schade die mkb’ers leiden als gevolg van een rentederivaat, waar zij redelijkerwijs niet van op de hoogte hadden kunnen zijn, vergoed krijgen. Aanvullend wordt gevraagd om het herstelkader in heldere bewoordingen uit te leggen.

Het herstelkader dat is opgesteld door de onafhankelijke deskundigen bestaat in de kern uit vier stappen. Deze stappen moeten de banken voor ieder rentederivaat doorlopen.

De eerste twee stappen zien op het herstellen van het rentederivaat. In stap 1 van het herstelkader moet de bank een gestructureerd rentederivaat omzetten in een «simpel» rentederivaat (rentecap, rentecollar of een renteswap). In stap 2 moet de bank alle eventuele technische onvolkomenheden van een rentederivaat herstellen. Dit zogeheten technisch herstel dient ertoe om het rentederivaat in overeenstemming te brengen met de onderliggende financiering(en). Ook worden in deze stap, voor zover margin calls in het verleden zijn gemaakt, de gestelde zekerheden (zoals gelden of aanvullend onderpand) vrijgegeven en worden MKB-ondernemingen gecompenseerd die in het verleden aan de bank de marktwaarde hebben betaald uit hoofde van een vervroegde aflossing dan wel een bedrijfsbeëindiging.

De laatste twee stappen zien op het aanbieden van een coulancevergoeding en het met terugwerkende kracht terugdraaien van eventuele verhogingen van de renteopslag. De hoogte van de coulancevergoeding in stap 3 bedraagt maximaal € 100.000 en wordt aangeboden aan MKB-ondernemingen met een renteswap of rentecollar. In stap vier wordt de MKB-ondernemer door de bank vergoed voor eventuele toegepaste verhogingen van de renteopslag op een variabelrentende lening in combinatie met een renteswap. Om dubbeltellingen tussen stap 3 en 4 te voorkomen wordt er bij stap 4 rekening gehouden met de coulancevergoeding die is ontvangen op grond van stap 3.

Na het doorlopen van de stappen in het herstelkader zal het product voor zover dat nodig was hersteld zijn en beter aansluiten bij de doelen van de klant. Omdat het in individuele gevallen moeilijk na te gaan is of, en zo ja, in welke mate ontoereikende informatievoorziening aan een MKB-ondernemer een schending van de zorgplicht van een bank oplevert, ontvangt de MKB-ondernemer in stap 3 een coulancevergoeding als compensatie voor mogelijke onzorgvuldige dienstverlening van de bank bij het afsluiten van het rentederivaat. Mocht een klant zich niet kunnen vinden in het door de bank voorgestelde herstel dan kan de klant zich tot de bank richten. Als de klant en de bank er gezamenlijk niet uitkomen dan staat de gang naar het tijdelijk Kifid-loket rentederivaten of de rechter nog steeds open.

De NVB heeft mij laten weten dat zij, in overleg met MKB Nederland, overeen is gekomen dat het tijdelijk Kifid-loket rentederivaten langer open zal blijven staan. De termijn om een klacht bij het tijdelijk loket in te dienen wordt verlengd tot en met 31 december 2018. Het nieuwe reglement, waarin deze wijziging is verwerkt, is door mij goedgekeurd.

De leden van de SP fractie vragen om een inschatting van het totaalbedrag dat de banken zullen compenseren, het bedrag dat inmiddels gecompenseerd is en het percentage van de schade dat daarmee gemiddeld vergoed wordt.

Uit de tweede rapportage van de AFM volgt dat de banken tot 31 oktober 2017 voor € 407 miljoen aan voorschotten hebben aangeboden aan bijna 10.000 MKB-ondernemingen. In totaal hebben de banken € 252 miljoen uitgekeerd in de vorm van compensatie of een voorschot aan 5.759 MKB-ondernemingen. Omdat met het herstelkader niet de individuele schade wordt bepaald is het niet mogelijk om de gemiddeld vergoede schade te berekenen.

Het is op dit moment niet mogelijk om een accurate inschatting te maken van het totaalbedrag dat de banken op grond van het herstelkader moeten gaan compenseren. De banken hebben voorzieningen getroffen voor de compensatie op grond van het herstelkader. Het totale bedrag aan compensatie zal blijken uit de afsluitende rapportage van de AFM, nadat alle herbeoordelingen door banken zijn afgerond.

De leden van de SP fractie vragen hoeveel rentederivaten Nederlandse banken hebben verkocht, welk aandeel van de verkochte rentederivaten is verkocht aan mkb-partijen en welke derivaten er te onderscheiden zijn?

Uit de tweede voortgangsrapportage van de AFM blijkt dat er in totaal, inclusief opt-in klanten, 18.854 MKB-ondernemingen met 26.321 rentederivatencontracten in aanmerking komen voor compensatie onder het herstelkader. Deze derivaten zijn veelal in de periode 2005–2008 verstrekt. Sinds enige jaren zijn banken terughoudender met het verstrekken van rentederivaten aan MKB-ondernemingen, waarbij sommige banken rentederivaten helemaal niet meer aan MKB-ondernemingen aanbieden.

Er zijn geen gegevens van alle historische derivatentransacties. Sinds 2014 zijn banken verplicht hun derivatentransacties te melden‎ bij de AFM en DNB. Daaruit blijkt dat er op dit moment circa 110.000 rentederivaten uitstaan tussen de drie grootbanken en niet-financiële partijen. Niet-financiële partijen zijn partijen anders dan financiële instellingen zoals banken en verzekeraars.

Er bestaan verschillende typen rentederivaten. In het herstelkader wordt onder rentederivaat verstaan: rentecap, rentecollar, renteswap en een gestructureerd rentederivaat. Onder dit laatste wordt verstaan elk rentederivaat niet zijnde een rentecollar, rentecap of renteswap. In het herstelkader worden deze gestructureerde rentederivaten beschreven en wordt bepaald welk herstel plaatsvindt op deze gestructureerde rentederivaten.

De leden van de VVD fractie vragen waarom de AFM de plannen van aanpak van de externe dossierbeoordelaars niet goedkeurt, maar slechts aangeeft bij deze plannen «geen belemmering te zien»? Voorts vragen de leden van de VVD of de AFM van mening is dat met de plannen van aanpak de herbeoordelingen op een zorgvuldige, goede en ruimhartige manier tijdig uitgevoerd kunnen worden?

De banken zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het herstelkader. In dat kader heeft elke bank een plan van aanpak opgesteld waarin op hoofdlijnen uiteen wordt gezet hoe de herbeoordeling wordt uitgevoerd in overeenstemming met de vereisten van het herstelkader. Omdat in het plan van aanpak niet volledig, tot in detail, is beschreven hoe de uitvoering plaatsvindt, kan de AFM alleen aangeven of zij in het plan van aanpak belemmeringen ziet voor de uitvoering en is geen goedkeuring van de AFM nodig. De AFM heeft hierin geen belemmeringen gezien voor de uitvoering van het herstelkader.

In de plannen van aanpak wordt op hoofdlijnen uiteengezet hoe de herbeoordeling door de banken wordt uitgevoerd in overeenstemming met de vereisten van het herstelkader. De externe dossierbeoordelaar houdt toezicht op de correcte uitvoering van het plan van aanpak. Zoals aangegeven in de tweede voortgangsrapportage van de AFM is de uitvoering van het herstelkader door de banken vertraagd.

De leden van de VVD-fractie vragen wanneer de AFM de plannen van aanpak met betrekking tot blend en extent contracten kan goedkeuren en om hoeveel dossiers het gaat?

In september 2017 heeft de AFM aan de banken laten weten dat zij geen belemmeringen ziet voor de herbeoordeling van dit type dossiers. Het is op dit moment niet bekend om hoeveel dossiers het precies gaat; dat kan pas aan het einde van het herbeoordelingsproces, wanneer alle banken gereed zijn, worden vastgesteld.

De leden van de SP-fractie vragen waarom banken zelf een partij als externe beoordelaar mogen aanwijzen en niet de AFM, de Minister van Financiën of de gedupeerde MKB’ers en wat dit betekent voor de onafhankelijkheid van de externe beoordelaars?

Externe beoordelaars controleren of de banken het herstelkader goed uitvoeren. De controles worden uitgevoerd door teams van onder meer accountants. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft strenge eisen gesteld aan de door de banken aangestelde externe beoordelaars, om zo hun onafhankelijkheid en deskundigheid te waarborgen. De externe beoordelaar geven over hun controles een zogeheten Assurance-rapport of verklaring af (COS3000). Hiermee wordt geborgd dat de bank het aanbod op een juiste wijze heeft berekend.

Om als externe beoordelaar goedkeuring van de AFM te krijgen zijn bepaalde selectiecriteria gesteld, zoals:

  • de rol van de externe beoordelaars mag niet worden ingevuld door een partij die dezelfde bank eerder heeft bijgestaan bij de herbeoordeling van individuele rentederivatencontracten;

  • de rol van de externe beoordelaars mag niet worden ingevuld door een partij die vanaf 1 januari 2012 heeft geopereerd als huisaccountant van de bank; en

  • de externe beoordelaar dient economisch onafhankelijk te zijn van de opdrachtgevende bank.

Deze selectiecriteria waarborgen dat de onafhankelijkheid van de externe beoordelaars niet in het geding is. Daarnaast dienen de externe beoordelaars over voldoende expertise te beschikken. De externe beoordelaars rapporteren aan de AFM over de voortgang van de herbeoordelingen en het herstel door banken.

2. Voortgang en verjaring

De leden van de VVD, D66, SP en het CDA hebben vragen met betrekking tot de oorzaken van de vertraging van de uitvoering van het herstelkader, en de verwachte datum waarop alle MKB-klanten hun aanbod tot herstel hebben ontvangen.

In de voortgangsrapportage van 29 juni 2017 heeft de AFM aangegeven dat de praktische uitwerking van het herstelkader de nodige tijd in beslag heeft genomen. Na de publicatie van het herstelkader op 19 december 2016 hebben de onafhankelijke deskundigen ruim 200 vragen van banken, externe dossierbeoordelaars en belangenorganisaties beantwoord en gepubliceerd als Questions and Answers (Q&A’s) op hun website. De banken en de externe dossierbeoordelaars hebben op basis van het herstelkader en de Q&A’s de afgelopen periode hun processen en systemen verder ingericht. Zij hebben plannen van aanpak opgesteld die moeten voldoen aan de eisen van de AFM. In de afgelopen periode is gebleken dat een aantal banken knelpunten is tegengekomen bij de (gedeeltelijke) automatisering van het proces van herbeoordeling. Deze knelpunten hangen onder meer samen met de grote variëteit aan klantdossiers. Daarnaast is gebleken dat de kwaliteit van de data van banken niet in alle gevallen voldoende is om efficiënt de compensatie te kunnen berekenen en controleren. Hierdoor is het tijdrovend en complex om de juiste data te identificeren om de benodigde historische reconstructies te maken, waardoor MKB-ondernemingen helaas langer in onzekerheid verkeren. De knelpunten ten aanzien van automatisering en data blijven richting verdere afronding een uitdaging vormen. Om de gevolgen van de vertraging voor MKB-ondernemingen te beperken bieden banken, op aandringen van de AFM, aan zowel kwetsbare als aan niet-kwetsbare klanten voorschotten aan.

De leden van de VVD en de CDA fractie lezen in de brief dat een tweetal banken een deel van de klanten pas in de loop van 2018 een aanbod tot herstel zal doen en vragen wat wordt bedoeld met: «in de loop van 2018»? Voorts vragen de leden van de VVD fractie hoeveel klanten pas in 2018 een aanbod tot herstel zullen krijgen?

Zoals is aangegeven in de voortgangsrapportage van de AFM, heeft een aantal banken de planningen stevig moeten herzien in de afgelopen periode. Twee van de zes banken zullen zoals door hen gepland alle aanbodbrieven voor eind 2017 aan MKB-ondernemingen hebben verstuurd. Van de overige vier banken verwacht één bank uiterlijk medio 2018 alle aanbodbrieven te hebben verstuurd. Drie banken verwachten eind 2018 alle aanbodbrieven te hebben verstuurd. Gelet op de huidige voortgang, wordt verwacht dat veruit de meeste MKB-ondernemingen pas in 2018 een aanbodbrief ontvangen. Hoeveel MKB-ondernemingen dit precies zijn, is afhankelijk van de realisatie van de planning van de banken.

De VVD-fractie vragen of gegarandeerd kan worden dat kwetsbare klanten door de vertraging niet extra in de problemen komen?

Drie van de zes banken hebben al hun kwetsbare klanten een aanbodbrief gestuurd. De drie overige banken hebben vrijwel al hun kwetsbare klanten een voorschot ter hoogte van de coulancevergoeding aangeboden. Als deze drie banken niet in staat zijn om de kwetsbare klanten eind 2017 een aanbodbrief te sturen, zullen zij in beginsel voor eind 2017 een aanvulling op het voorschot aanbieden ter hoogte van een inschatting van de resterende stappen 1, 2 en 4 van het herstelkader. Eén van deze drie banken heeft aangegeven niet in staat te zijn om voor eind 2017 een aanvullend voorschot aan kwetsbare klanten aan te bieden. Deze bank heeft aangegeven dit uiterlijk eind maart 2018 te doen. Mede vanwege de hierboven genoemde oorzaken voor de vertraging is onzeker of alle banken vóór eind 2017 een inschatting kunnen maken van stap 2 van het herstelkader. De AFM dringt er bij deze banken op aan om in een dergelijk geval op een andere wijze het aanvullende voorschot te bepalen, zodanig dat hiermee een voorschot wordt aangeboden dat in grote lijnen overeenkomt met het aanbod. Daarnaast hebben banken (spoed)procedures om ervoor te zorgen dat kwetsbare klanten niet in de knel komen als gevolg van vertraging van het aanbod. De maatregelen op grond van deze procedures bestaan onder andere uit het verstrekken van voorschotten of het opschorten van aflossingen. Zo heeft Rabobank inmiddels in totaal 69 voorschotten voor een bedrag van ruim 5 miljoen euro toegekend in deze spoedprocedure.

De leden van het CDA en D66 vragen wanneer herstelkader zijn werk heeft gedaan en klanten uiterlijk weten van de banken waar zij aan toe zijn?

Het herstelkader waarborgt dat MKB-ondernemingen die hiervoor in aanmerking komen, worden gecompenseerd op uniforme en controleerbare wijze. De banken zijn verantwoordelijk voor de voortgang in de uitvoering van het herstelkader en communiceren hierover vrij gedetailleerd op hun website. Zoals hierboven is weergegeven verwacht de laatste bank eind 2018 alle aanbodbrieven te hebben verstuurd.

Mede vanwege de knelpunten met betrekking tot automatisering en dataproblemen die banken hebben, blijkt de uitvoering van het herstelkader in de praktijk complexer dan was voorzien. Dit betekent ook dat de door banken afgegeven planningen onzeker zijn. De betrokken MKB-ondernemingen en de Tweede Kamer verwachten dat de banken dit traject zo snel als mogelijk afronden. Zoals ik heb toegezegd tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen zal ik daar, uiteraard ook met oog voor de zorgvuldigheid, druk op houden.

De leden van de SP en VVD fractie hebben vragen gesteld over de mogelijke verjaring van de vorderingen van MKB-klanten met een rentederivaat en vragen welke stappen gezet worden om dit te voorkomen?

Het herstelkader kent een verjaringstermijn met betrekking tot de rentederivaten die binnen de reikwijdte van het herstelkader vallen en een opt-in termijn.

De verjaringstermijn is van belang voor MKB-ondernemingen die in het verleden een klacht bij hun bank hebben ingediend ten aanzien van hun rentederivaat. Zij willen mogelijk alsnog een juridische procedure aanhangig maken, afhankelijk van het aanbod dat zij op grond van het herstelkader gaan ontvangen. Voor het instellen van vorderingen in rechte gelden verjaringstermijnen. Indien de bank een beroep doet op de verjaringstermijn kan dit tot gevolg hebben dat een MKB-onderneming geen juridische procedure aanhangig kan maken. Met het oog daarop zijn in het herstelkader regels vastgesteld voor verjaring van vorderingen van MKB-ondernemingen. Concreet betekent dit dat vorderingen van MKB-ondernemingen die binnen het toepassingsbereik van het herstelkader vallen en na 1 maart 2016 eigenlijk zouden verjaren, op 19 december 2017 daadwerkelijk verjaren.

Omdat door de vertraging veel MKB-ondernemingen nog geen aanbodbrief hebben ontvangen is het wenselijk om deze afspraak over verjaring aan te passen. Om die reden hebben de onafhankelijke deskundigen in overleg met de banken besloten om de verjaringstermijn te verlengen.1 Voor vorderingen van MKB-ondernemingen die binnen het toepassingsbereik van het herstelkader vallen maar waarvan de vordering verjaart gedurende de uitvoering van het herstelkader, geldt dat de verjaringstermijn (tenminste) wordt verlengd tot 12 weken na dagtekening van de betreffende aanbodbrief.

Voor MKB-ondernemingen die buiten het toepassingsbereik van het herstelkader vallen, geldt in principe dat zij geen beroep kunnen doen op het herstelkader. Indien zij van hun bank echter een brief hebben ontvangen voor 1 juni 2017 over de voortgang van het herstelkader en daarna per brief door de bank zijn geïnformeerd dat zij buiten het toepassingsbereik van het herstelkader vallen, zullen banken zich niet op verjaring beroepen tot 12 weken na de betreffende brief. Ik verwacht dat banken ruimhartig met deze verjaringstermijn om zullen gaan.

Daarnaast bestaat onder het herstelkader een zogenaamde opt-in termijn. In het herstelkader is bepaald dat de deze opt-in termijn loopt tot 30 september 2017. Deze termijn wordt door banken ruimhartig toegepast. Opt-in geldt enkel voor rentederivaten die na 1 januari 2005 zijn afgesloten en die zouden lopen tot na 1 april 2011 maar al voor die datum zijn beëindigd. Deze rentederivaten hoeven op grond van het herstelkader niet actief door de bank te worden beoordeeld. Een MKB-onderneming moet hiervoor zelf contact opnemen met zijn bank. In totaal hebben 50 MKB-ondernemingen gebruik gemaakt van de opt-in mogelijkheid.

De leden van de VVD fractie vragen of in de tweede voortgangsrapportage meer cijfermatige informatie kan worden opgenomen, zoals aantallen brieven voor de toepasbaarheid van het UHK en oplossingen voor het herstel, dossiers, etc.?

In de bijlage bij de voortgangsrapportage geeft de AFM op geaggregeerd niveau cijfermatig inzicht over de voortgang van de herbeoordeling. Ik verwijs daar naar. Voor de meer bankspecifieke voortgang verwijs ik naar de desbetreffende websites van de zes banken.

3. Kwetsbare klanten

De leden van de fracties van D66, de SP, de VVD en het CDA vragen hoe wordt omgegaan met de kwetsbare klanten bij de uitvoering van het herstelkader en hoe deze groep wordt gedefinieerd.

Bij de aanstelling van de onafhankelijke deskundigen heb ik hen gevraagd om in het herstelkader op te nemen hoe banken bij de herbeoordeling van rentederivatencontracten om moeten gaan met «kwetsbare groepen». De term «kwetsbare groepen» is door de onafhankelijke deskundigen niet tot in detail uitgewerkt. Wel is in het herstelkader opgenomen in welke gevallen een klant als kwetsbaar kan en moet worden aangemerkt. Van klanten die onder bijzonder beheer vallen is aangegeven dat deze klanten als kwetsbaar moeten worden aangemerkt. Rentederivatencontracten van «kwetsbare groepen» moeten conform het herstelkader met voorrang worden beoordeeld.

MKB-ondernemingen van wie het bedrijf op omvallen staat, zullen in de meeste gevallen onder bijzonder beheer vallen. Zij worden derhalve met voorrang behandeld. Voor zover MKB-ondernemingen in de knel komen als gevolg van de vertraging, kunnen zij dat bij hun bank aangeven en kunnen banken aanvullende maatregelen treffen, zoals bevoorschotting of het opschorten van aflossingen.

De leden van de VVD fractie vragen wat het verschil tussen «met voorrang behandelen» en «als eerste in behandeling nemen»?

Rentederivatencontracten van «kwetsbare groepen» moeten conform het herstelkader met voorrang worden beoordeeld. In de voortgangsrapportage en de Kamerbrief worden de termen «met voorrang behandelen» en «als eerste in behandeling nemen» door elkaar gebruikt. Met beide termen wordt echter hetzelfde bedoeld.

Banken starten met de behandeling van dossiers van kwetsbare klanten en behandelen tegelijkertijd ook eenvoudige dossiers van niet-kwetsbare MKB-klanten zonder dat dit ten koste gaat van de inspanning voor de kwetsbare MKB-klanten. Het voorgaande brengt met zich mee dat niet alle kwetsbare MKB-klanten ook als eerste een aanbodbrief zullen ontvangen.

Voorts vragen de leden van de VVD en D66 fractie of, en zoja, waarom er bepaalde kwetsbare groepen worden uitgezonderd van het voorschot?

Uit de tweede voortgangsrapportage van de AFM blijkt dat een aantal klantgroepen door de banken is uitgezonderd van het krijgen van een voorschot. Het gaat onder meer om i) klanten die in staat van faillissement verkeren en (ii) klanten die in een lopende juridische procedure met de bank zijn verwikkeld. Ten aanzien van failliete klanten geldt dat een voorschot niet meer kan bijdragen aan het handhaven van de continuïteit van de MKB-onderneming terwijl er in deze situatie een verhoogde kans is dat de bank nog een te verrekenen vordering heeft op de failliete klant. Klanten die in een lopende juridische procedure met de bank zijn verwikkeld zijn eveneens uitgezonderd. Hierbij is van belang dat zij in beginsel met voorrang zullen worden behandeld op grond van het herstelkader. Eén bank biedt niet automatisch voorschotten aan klanten aan met wie de relatie is geëindigd. Klanten van deze bank kunnen zich via de spoedprocedure van de bank melden om aanspraak te maken op een voorschot op de coulancevergoeding (stap 3 van het herstelkader).

De leden van de D66-fractie vragen verder hoe het voorschot wordt bepaald en of het dat een gedeelte van het voorschot toch weer terugbetaald zal moeten worden?

Banken die verwachten niet in 2017 alle kwetsbare klanten een aanbod te kunnen sturen, zullen deze klanten uiterlijk eind 2017 een aanvulling op het voorschot aanbieden. Het gaat dan om een inschatting van de resterende stappen 1, 2 en 4 van het herstelkader.

De inschatting wordt in beginsel gemaakt op basis van een voorschotberekening. Het is evenwel onzeker of alle banken die het betreft eind 2017 in staat zijn om van stap 2 een voorschotberekening te maken omdat het automatiseringsproces mogelijk nog niet gereed is of de hiervoor benodigde data nog niet voorhanden zijn. Eén van deze drie banken heeft aangegeven niet in staat te zijn om voor eind 2017 een aanvullend voorschot aan kwetsbare klanten aan te bieden. Deze bank heeft aangegeven dit uiterlijk eind maart 2018 te doen.

In beginsel dienen MKB-ondernemingen die besluiten het aanbod niet te accepteren het voorschot terug te betalen. Indien blijkt dat het voorschot hoger is dan het uiteindelijke aanbod vorderen sommige banken dit niet terug. Banken communiceren op hun eigen website hoe zij hiermee omgaan. Ik roep banken op om hier ruimhartig mee om te gaan.

De leden van de CDA fractie vragen of ik bij de AFM kan navragen of er reeds banken door de AFM op de vingers zijn getikt omdat zij bepaalde kwetsbare klanten niet met voorrang hebben behandeld?

De AFM heeft mij laten weten dat er geen banken op de vingers zijn getikt hiervoor.

Deze leden van de SP fractie vragen voorts hoeveel kwetsbare gevallen door de banken zijn geïdentificeerd.

Uit de tweede voortgangsrapportage van de AFM blijkt dat de banken in totaal 2.941 kwetsbare klanten hebben geïdentificeerd.

4. Overig

De leden van de SP fractie vragen of de handel in non-performing loans of de handel in rentederivaten wordt aangemoedigd en of dit verstandig is? (63, 64, 65)

In eerdere brieven is uitgebreid ingegaan op het verder ontwikkelen van secundaire markten voor Non Performing Loans, NPL’s (Aanhangsel Handelingen II 2016/17, nr. 2565). Uiteraard zijn er, net als bij alle leningen, risico’s verbonden aan het bezit

van NPLs. Deze risico’s moeten bekend zijn en goed worden ingeschat en eventuele kopers moeten voldoende kennis hebben van NPLs. Het ligt om deze reden voor de hand dat NPLs alleen door professionele partijen worden overgenomen. Indien bankbalansen worden ontlast van NPLs, die terecht komen bij partijen die de risico’s kunnen dragen, vergroot dit mijn inziens niet het besmettingsgevaar in de financiële sector.

Ik heb geen intentie om de handel in (verpakte) rentederivaten, indien er al een markt voor deze producten bestaat, aan te moedigen.

Tevens vragen de leden van de SP of het noodzakelijk is voor mkb’ers om zich tegen renteschommelingen te verzekeren en of het gezien alle problematiek die zich voordoet rondom rentederivaten niet beter is om rentederivaten niet langer aan te bieden aan het mkb? Tot slot vragen de leden of ik bekend ben met onderzoeken naar de risico’s en maatschappelijke effecten van rentederivaten.

Een rentederivaat kan een passend product zijn indien het derivaat aansluit bij de onderliggende financiering en beantwoordt aan het eventueel door een MKB-ondernemer beoogde doel van afdekken van renterisico. Voorts is het van belang dat de MKB-ondernemer voldoende is geïnformeerd over de eigenschappen en kenmerken van het rentederivaat.

Zoals eerder aangegeven in de reactie op het schriftelijk overleg rentederivaten van 2 september 2016 (Kamerstuk 31 311, nr. 175), verkopen sommige banken geen rentederivaten meer aan het MKB. Andere banken zijn terughoudend bij de verkoop aan het niet-professionele MKB. Banken geven aan dat rentederivaten evenals voorheen passende en nuttige producten kunnen zijn om het renterisico af te dekken. Of een rentederivaat wordt aangeboden hangt af van de klantsituatie en is mede afhankelijk van de omvang van de financiering en de mate waarin de klant het renterisico wil en kan dragen.

Ik ben niet bekend met onderzoeken naar de risico’s en maatschappelijke effecten van rentederivaten.

Tot slot vragen de leden van de SP-fractie MKB’ers er te allen tijde voor kunnen kiezen definitief afscheid te nemen van de bank die hen het betreffende derivaat heeft verkocht?

Het staat een MKB-ondernemer vrij om bij een andere bank te gaan bankieren. De klant kan daarbij gebruikmaken van de overstapservice voor bedrijven.

Wanneer de klant ook andere dienstverlening van de bank, zoals kredietverlening, onder wil brengen bij een andere bank, is het mogelijk dat hiervoor een opzegtermijn geldt en/of kosten in rekening worden gebracht. Welke rechten en verplichtingen er gelden tussen een klant en zijn bank, is contractueel vastgelegd.