Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202031293 nr. 485

31 293 Primair Onderwijs

31 289 Voortgezet Onderwijs

Nr. 485 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BASIS- EN VOORTGEZET ONDERWIJS EN MEDIA

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 oktober 2019

Vandaag hebben ontwikkelteams van leraren en schoolleiders hun voorstellen gepresenteerd voor actualisatie van het curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs, waaraan zij met duizenden andere betrokkenen de afgelopen anderhalf jaar hard hebben gewerkt. Deze ontwikkelfase is vormgegeven en aangestuurd door de Coördinatiegroep (hierna: CG), bestaande uit CNV-Onderwijs, PO-Raad, VO-raad, FvOv, AVS, AOb, LAKS en Ouders & Onderwijs. Hierbij bied ik u deze voorstellen aan, evenals het bijbehorende advies van de CG1.

Met de openbaarmaking van de voorstellen van de ontwikkelteams bereiken we een belangrijke mijlpaal, maar hiermee zijn we er nog niet. De voorstellen zijn nog geen curriculum, en zo moeten ze ook niet worden gelezen. Ze vormen wel het vertrekpunt om na politieke besluitvorming uitgewerkt te worden tot verbeterde onderwijsdoelen, die de komende jaren zorgvuldig in de onderwijspraktijk moeten worden getest alvorens ze kunnen worden vastgelegd. Dit moet leiden tot een curriculum dat goede basis biedt voor leraren om hun lesprogramma vorm te geven, afgestemd op hun leerlingpopulatie en de onderwijsvisie van de school.

Net als uw Kamer zal ik mij de komende weken buigen over het advies en de voorstellen van de teams. In de kabinetsreactie, die u in november ontvangt, kom ik vervolgens met een inhoudelijke weging, waarbij ik eerdere moties en toezeggingen betrek.2 Tevens geef ik dan een nadere toelichting op het benodigde vervolgproces. In de voorliggende brief licht ik de doelstellingen van deze curriculumverbetering toe, evenals de inrichting en het verloop van het ontwikkelproces. Het is goed om met elkaar voor ogen te houden waarom deze curriculumverbetering plaatsvindt, en wat het moet opleveren. Ook schets ik in deze brief de contouren van de stappen die we in de volgende fase moeten zetten.

1. Wat was het probleem?

Het is de verantwoordelijkheid van de overheid om ervoor te zorgen dat het onderwijscurriculum blijft aansluiten bij ontwikkelingen in de samenleving, op de arbeidsmarkt en in het onderwijs zelf. Aanpassingen van het curriculum zijn daarmee van alle tijden. Het gesprek over het curriculum is in het verleden echter meestal erg gefragmenteerd en ad hoc gevoerd: nieuwe onderdelen zijn toegevoegd, met weinig oog voor het geheel aan de bestaande onderwijsdoelen. Dit heeft geleid tot het curriculum dat we nu hebben: versnipperd en verdeeld over vijf verschillende typen curriculumdocumenten op drie verschillende specificatieniveaus. Het curriculum is op onderdelen verouderd, met flinke hiaten en een stapeling aan opdrachten voor het onderwijs.3 Het curriculum wordt daardoor als erg vol ervaren, door zowel leerkrachten als leerlingen, wat ook bijdraagt aan de werkdruk.

Daar komt bij dat de kerndoelen al bijna vijftien jaar nagenoeg ongewijzigd zijn. Ook zijn enkele examenprogramma’s al meer dan twintig jaar niet vernieuwd, met name bij de avo-vakken in het vmbo, zoals wiskunde en aardrijkskunde. Veel scholen werken gelukkig al aan relevante thema’s als digitale vaardigheden en burgerschap, maar ze hebben nog altijd geen plek in het curriculum dat voor alle scholen is vastgelegd, waardoor nog niet alle leerlingen hier een basis in meekrijgen. Hiernaast schiet de doorlopende leerlijn van po naar vo tekort: volgens veel leraren, schoolleiders en besturen is de aansluiting tussen de sectoren onvoldoende, waardoor de vaardigheid van leerlingen bij de start van het vo sterk uiteenloopt en lesstof herhaald moet worden. Daar komt bij dat de kerndoelen onvoldoende duidelijkheid bieden over wat er wél, en wat er dus ook níet tot het curriculum behoort. Hierdoor is het voor leraren lastiger om keuzes in het onderwijsaanbod te maken, en bestaat bovendien het risico dat er een overmatige nadruk ontstaat op lesmethodes.4

2. Wat moet een verbetering van het curriculum opleveren?

Om bovenstaande redenen is in overleg met uw Kamer gestart met het ontwikkelen van een verbeterd onderwijscurriculum.5 Hierbij moeten de volgende doelen worden bereikt:

  • Een toekomstgericht onderwijscurriculum, waarmee leerlingen de juiste basis aan kennis en vaardigheden meekrijgen. Cruciale onderwerpen die in het verplichte curriculum ontbreken, zoals digitale geletterdheid en burgerschap, worden nu opgenomen.

  • Een verbeterde aansluiting van po naar vo door het versterken van de doorlopende leerlijn en het vormen van een gemeenschappelijke taal tussen de sectoren. Ook moet de doorstroom tussen het vmbo, havo en vwo worden verbeterd om een bijdrage te leveren aan kansengelijkheid.

  • Een duidelijke opdracht aan het onderwijs, waardoor scholen beter weten wat er van ze verwacht wordt. De noodzaak hiervoor wordt ook door de Inspectie onderstreept.6

  • Meer focus en samenhang in de onderwijsinhoud, waardoor de overladenheid en versnippering wordt teruggedrongen. Dit draagt op termijn ook bij aan het verminderen van de ervaren werkdruk voor leraren.

  • Meer keuzeruimte voor scholen en leerkrachten om naast de verplichte lesstof naar eigen inzicht (extra) aandacht te besteden aan vakken en thema’s, in lijn met hun onderwijsvisie en de behoeften van hun leerlingen.

Om deze doelstellingen te realiseren is het van belang dat het curriculum integraal wordt bekeken. Dit betekent overigens zeker niet dat de inhoud van het landelijk curriculum volledig moet veranderen. Integendeel: veel van de huidige onderdelen zullen onverminderd relevant blijven. Zo zijn bijvoorbeeld taalbeheersing en rekenvaardigheden elementair om mee te kunnen doen in de samenleving, nu en in de toekomst.

3. Wat is er in de afgelopen periode gebeurd?

Om tot een curriculum te komen dat daadwerkelijk een behulpzaam instrument vormt in de handen van de leraar, is de voorheen gehanteerde aanpak van curriculumontwikkeling herzien. In overleg met uw Kamer is gekozen voor een proces waarbij de ontwikkeling van voorstellen voor het curriculum, veel meer dan in het verleden, vormgegeven is door ervaringsdeskundigen uit het onderwijs: the teacher in the lead. Ontwikkelteams van leraren en schoolleiders uit het primair en voortgezet (speciaal) onderwijs hebben – binnen de kaders die de Kamer vooraf heeft meegegeven – in een open en transparant proces gewerkt aan de vormgeving en verbetering van hun voorstellen, waarbij ze zijn ondersteund door curriculumdeskundigen van het leerplankundig expertisecentrum SLO.7

De ontwikkelteams zijn in hun proces gevoed, gesteund en soms ook bijgestuurd door input uit de onderwijspraktijk. Daarnaast zijn reacties van onder meer vakverenigingen, het vervolgonderwijs, wetenschappers, experts en de inbreng van duizenden anderen meegenomen: leraren, leerlingen, maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigingen. Dit vond plaats in honderden consultatiebijeenkomsten en verschillende (online) feedbackrondes. In het ontwikkelproces zijn daarmee maximale participatiemogelijkheden geboden: voor het eerst kon iedereen die dat wilde bijdragen aan curriculumontwikkeling. Vele leraren, schoolleiders, vakdidactici, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven hebben volop van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De vandaag gepresenteerde voorstellen zijn daarmee in een uniek, gedegen en zorgvuldig proces tot stand gekomen. Alle betrokkenen mogen hier trots op zijn.

Hoewel nog nooit zoveel individuen en partijen betrokken waren in curriculumontwikkeling, zal niet iedereen de uitkomsten ervan omarmen. Er bestaat immers een grote diversiteit aan wensen en soms zelfs tegengestelde opvattingen ten aanzien van de inhoud van het curriculum. Lang niet alle aangedragen wensen hebben daarom een plek kunnen krijgen, en met de noodzaak om de overladenheid terug te dringen waren scherpe keuzes onvermijdelijk. De ontwikkelteams hebben hier, mede op basis van de ontvangen feedback, een zo goed mogelijke afweging in gemaakt.

4. Wat ligt er nu, wat is er nog nodig?

De voorstellen van de ontwikkelteams zijn geen nieuwe kerndoelen of eindtermen. Ook kunnen de opbrengsten geheel niet vergeleken worden met huidige lesmethodes. De voorstellen dienen wel als basis voor de verdere uitwerking naar verbeterde onderwijsdoelen. Dat is de stap die we hierna zullen zetten. Het benodigde vervolgproces voor het po en de onderbouw vo verschilt daarbij van de bovenbouw vo.

Hoe ziet de uitwerking van kerndoelen eruit?

In de ontwikkelfase zijn voor het po en de onderbouw vo over de breedte van het curriculum voorstellen ontwikkeld. Deze voorstellen worden in de volgende fase door teams van leraren, schoolleiders, vakdidactici en wetenschappers uitgewerkt naar (concept-)kerndoelen die op scholen worden uitgeprobeerd. Het teacher in the lead-principe blijft hiermee het uitgangspunt. Bekeken wordt of het beoogde curriculum in de praktijk goed uitvoerbaar is, en leraren in staat stelt om goed onderwijs te geven. De beoogde wijzigingen in de landelijke onderwijsdoelen moeten daarbij aantoonbaar van meerwaarde zijn, voordat sprake kan zijn van (wettelijke) verankering. Dit vervolgproces biedt ruimte om – waar nodig – de inhoud van het curriculum verder aan te scherpen.

Wat is er nodig voor een uitwerking naar eindtermen bovenbouw vo?

Voor de bovenbouw vo is een tussenstap nodig voordat gestart kan worden met de uitwerking van onderwijsdoelen. De reden hiervoor is dat de gemaakte uitwerking voor de bovenbouw op dit moment nog minder vergevorderd is dan voor het po en de onderbouw.8 Concreet betekent dit dat er nog geen bouwstenen zijn ontwikkeld voor de bovenbouw van het vo. De CG heeft aangeboden om dit onder haar verantwoordelijkheid alsnog te doen. In de kabinetsreactie beschrijf ik hoe dit vorm kan krijgen.

Zodra de bouwstenen voor de bovenbouw vo zijn opgeleverd, volgt de fase van verdere uitwerking naar onderwijsdoelen, in dit geval in de vorm van geactualiseerde eindexamenprogramma’s per vak. Ook deze uitwerking van de beoogde eindexamenprogramma’s wordt samen met de praktijk vormgegeven. Hierbij geldt, nog meer dan bij de ontwikkeling van kerndoelen, dat nauwe betrokkenheid van het vervolgonderwijs essentieel is, om een goede aansluiting hiermee te bevorderen.

5. Inhoud kabinetsreactie

In de kabinetsreactie van november geef ik een weging van de voorstellen van de ontwikkelteams die de basis vormen voor verbeterde onderwijsdoelen. Hierbij hanteer ik de eerder genoemde doelstellingen van het ontwikkelproces, evenals de aanvullende richting die uw Kamer hierbij heeft aangegeven, waaronder de motie van de leden Van Meenen en Kwint ter bevordering van de kansengelijkheid van leerlingen.9 Ook licht ik het beoogde vervolgproces nader toe. Deze vervolgaanpak wordt gebaseerd op een analyse van de huidige opbrengsten, de adviezen van vakverenigingen, aandachtspunten vanuit uw Kamer en eerder getrokken lessen.

In de kabinetsreactie werk ik de criteria verder uit waaraan de uiteindelijke onderwijsdoelen moeten voldoen, zodat een duidelijke vervolgopdracht geformuleerd kan worden. Ook ga ik in op de inrichting en aansturing van dit vervolgproces, en de beoogde rol die verschillende partijen, zoals de CG, maar ook de vakinhoudelijke verenigingen en het vervolgonderwijs, hier in vervullen.

In de uitwerking van dit voorstel betrek ik ook mijn voornemen om – in lijn met een advies van de Onderwijsraad – ter ondersteuning van de volgende fase een onafhankelijke adviesraad in te stellen.10 Hiernaast geef ik in de kabinetsreactie een toelichting op het beoogde tijdpad waarin de verbeterde onderwijsdoelen wettelijk worden vastgelegd en vervolgens voor het gehele onderwijs van kracht worden, nadat ze meerdere schooljaren zijn in de praktijk zijn getest.

Net als de ontwikkeling van de voorstellen van de ontwikkelteams komt de uitwerking van de kerndoelen en eindtermen samen met het onderwijsveld tot stand. Hierdoor ontstaat gedurende dit proces ook beter zicht op de ondersteuningsbehoefte die scholen hebben om een verbeterd curriculum in de praktijk te brengen. Dit zal deels gericht zijn op het eigen maken van de nieuwe inhoud, waarbij de impact per school zal verschillen; veel scholen werken immers al aan thema’s die straks een plek krijgen in de onderwijsdoelen. Hiernaast gaat het om het vergroten van het eigenaarschap van het curriculum en curriculumontwikkeling op schoolniveau. Het gaat dan om de keuzes die leraren in het lesprogramma maken, waarbij lesmethodes als hulpmiddel fungeren, en niet als leidraad. Op die manier kan een schoolteam eigen accenten in het onderwijs leggen, passend bij hun omgeving en de behoeften van hun leerlingen. Samen met de CG wil ik deze ontwikkeling in de vervolgfase versterken. In de kabinetsreactie ga ik ook hier nader op in.

6. Tot slot

Voor het eerst stonden leraren en schoolleiders bij een landelijke curriculumontwikkeling aan het roer, in een proces dat door een brede vertegenwoordiging uit het onderwijs is aangestuurd. Ik dank eenieder die de afgelopen anderhalf jaar heeft geparticipeerd in deze stap in het ontwikkelproces, ook zij die het proces kritisch hebben gevolgd, kanttekeningen hebben geplaatst en alle betrokkenen op die manier scherp hebben gehouden. Mijn dank gaat in het bijzonder uit naar de ontwikkelteamleden en -scholen die veel tijd en energie hebben gestoken in de ontwikkeling en verbetering van de voorstellen.

Dit alles moet leiden tot een verbeterd curriculum, dat eraan bijdraagt dat kinderen in het primair en voortgezet onderwijs zo goed mogelijk worden voorbereid op hun verdere leven. Het gespecificeerde tijdpad en de benodigde randvoorwaarden om dit te realiseren licht ik toe in de kabinetsreactie die u naar verwachting in november ontvangt. Vervolgens ga ik graag met uw Kamer in gesprek.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Kamerstuk 31 293, nr. 376.

X Noot
3

1) Kerndoelen po, 2) kerndoelen onderbouw vo, 3) referentieniveaus, 4) examenprogramma’s en 5) syllabi.

X Noot
4

Kamerstukken 31 293 en 31 289, nr. 226, bijlage: «Leerplan voor het funderend onderwijs van de toekomst».

X Noot
5

Kamerstukken 31 293 en 31 289, nr. 376.

X Noot
6

Bijlage bij Kamerstuk 35 000 VIII, nr. 176.

X Noot
7

Kamerstukken 31 289 en 31 293, nr. 390.

X Noot
8

Kamerstukken 31 289 en 31 293, nr. 390.

X Noot
9

Kamerstuk 35 000 VIII, nr. 204.

X Noot
10

Kamerstuk 31 293, nr. 390.