31 293 Primair Onderwijs

31 289 Voortgezet Onderwijs

Nr. 408 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 juli 2018

Met deze brief informeer ik u over hoe gevolg is gegeven aan diverse moties en toezeggingen voor het primair en voortgezet onderwijs. Daarnaast informeer ik u over de stand van zaken van diverse onderwerpen op deze thema’s.

Leerlingvolgsystemen en privacy

Tijdens het verslag algemeen overleg ICT in het onderwijs en leermiddelen 13 februari jl. (Handelingen II 2017/18, nr. 51, item 22) heb ik aan het Kamerlid Van Meenen (D66) toegezegd in gesprek te gaan met het veld om te bekijken hoe de huidige praktijk met leerlingvolgsystemen zich verhoudt tot de regelgeving op het gebied van privacy. Hierbij informeer ik u over de uitkomsten van de gesprekken met Ouders & Onderwijs, de PO-Raad, de VO-raad en het LAKS.

De digitalisering van het onderwijs brengt zowel nieuwe mogelijkheden als risico’s met zich mee. Enerzijds is het ouderportaal van het leerlingvolgsysteem een waardevol middel om de ouderbetrokkenheid te vergroten. Via het ouderportaal kan de school de ouders/verzorgers informeren over nieuws, activiteiten en de voortgang van hun kind. Het kan daarmee een waardevolle aanvulling zijn op persoonlijk contact. Face-to-face gesprekken kunnen hierdoor inhoudelijker worden. Anderzijds kan de privacy van het kind onnodig worden beperkt, bijvoorbeeld wanneer er informatie gedeeld wordt die niet direct relevant is voor de ondersteuning van het kind.

Het is daarom belangrijk dat de scholen en ouders zorgvuldig gebruik maken van deze systemen. Het delen van informatie en het gesprek van ouders met hun kinderen over hun privacy staan ten dienste van het leerproces van de leerling. Scholen zijn (wettelijk) verplicht om ouders te informeren over de vorderingen van een minderjarig kind. Deze informatieverplichting geldt tot 18 jaar. Ouders moeten hun kind kunnen begeleiden en moeten de hiervoor noodzakelijke informatie van de school ontvangen. Tegelijkertijd heeft een kind recht op privacy, ook ten opzichte van zijn of haar ouders. Scholen zijn op grond van onderwijswetgeving niet verplicht om alles wat zij over het kind weten op te nemen in het leerlingvolgsysteem en zijn dus ook niet verplicht om alles actief te delen met de ouders. Het uitgangspunt in de privacywetgeving is «dataminimalisatie»: scholen doen er goed aan om alleen persoonsgegevens op te nemen die noodzakelijk zijn voor het leerproces.

Scholen moeten een beslissing nemen over de informatie die zij opnemen in het leerlingvolgsysteem en de informatie die zij delen met de ouders/verzorgers van een leerling via het ouderportaal. Het belang van het kind staat centraal. De specifieke (onderwijs)behoeften, de leeftijd en de mening van het kind spelen hierbij een rol. Scholen maken een afweging tussen hun plicht om ouders te informeren over de vorderingen en het recht op privacy van het kind.

De wet geeft geen definitie van «vorderingen» en geeft ook niet aan hoe de informatie gedeeld moet worden of hoe vaak dit moet zijn. PO-Raad, VO-raad, Ouders & Onderwijs en het LAKS zijn van mening dat scholen, ouders en leerlingen goed in staat zijn om, binnen de wettelijke kaders, afspraken te maken over de concrete invulling hiervan in de specifieke schoolcontext. De rol van de medezeggenschapsraad is hier relevant. De medezeggenschapsraad kan – samen met leraren, ouders én leerlingen in den brede – met de schoolleiding afspraken maken in de vorm van een protocol of reglement. Ouders en leerlingen (in het voortgezet onderwijs) kunnen via de medezeggenschapsraad meepraten over de vaststelling of wijziging van regelingen ten aanzien van het verwerken/beschermen van persoonsgegevens van leerlingen. Leerlingen zouden hierbij actiever betrokken kunnen worden.

Ten slotte lijkt het de PO-Raad, de VO-raad, Ouders & Onderwijs en het LAKS goed dat het bestaande wettelijke kader goed onder de aandacht van scholen, ouders en leerlingen wordt gebracht. Met name ten aanzien van het recht op inzage en de informatieplicht van de school blijkt behoefte te bestaan aan informatie. Ook kunnen medezeggenschapsraden worden aangespoord om hun rol te nemen rond leerlingvolgsystemen en apps. Ik heb daarom met bovenstaande veldpartijen afgesproken dat we de komende periode hieraan gezamenlijk aandacht besteden via onze nieuwsbrieven en websites.

Convenant VNG-Sectoren leerlingenvervoer

Bij de plenaire behandeling (4 oktober jl.) van het wetsvoorstel pseudonimiseren in de Tweede Kamer heeft Kamerlid Becker (VVD) een motie ingediend om de beveiliging van leerling-gegevens bij de gemeentelijke aanbestedingen van leerlingenvervoer te verzekeren.1 Dit naar aanleiding van incidenten bij een aantal gemeenten waarin bij de aanbestedingen van leerlingenvervoer verschillende gegevens van leerlingen ten onrechte openbaar zijn gemaakt. In de motie wordt de regering verzocht een convenant af te sluiten tussen sectororganisaties en de VNG, om een veilige omgang met leerling-gegevens te verzekeren. Mijn ambtsvoorganger heeft de motie overgenomen, onder de toezegging zich hier met het Ministerie van BZK in te zullen verdiepen en op basis daarvan te bezien of een convenant tussen sectorraden en VNG het meest geëigende middel hiervoor is.

Uit de verkenning die met het Ministerie van BZK, de VNG en de sectororganisaties is uitgevoerd, blijkt dat scholen geen rol hebben in de informatievoorziening aan gemeenten ten behoeve van de aanbestedingen van leerlingenvervoer. Gemeenten krijgen voor de beoordeling van de aanvraag voor leerlingenvervoer de benodigde informatie van ouders. Dit is opgenomen in de modelverordening leerlingenvervoer die de VNG heeft opgesteld.

De gemeente is daarmee de verwerkingsverantwoordelijke die moet voorzien in een zorgvuldige omgang met leerling-gegevens, zoals voorgeschreven door de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG, voorheen de Wet bescherming persoonsgegevens). De Autoriteit Persoonsgegevens heeft naar aanleiding van de incidenten bij de VNG aandacht gevraagd voor de privacy van leerlingen bij aanbestedingen.2 De informatiebeveiligingsdienst van de VNG heeft direct na de signalen de contactpersonen van alle gemeenten voorzien van een advies voor zowel afgeronde aanbestedingen als aankomende aanbestedingen waarbij persoonsgegevens voor het doen van een aanbieding noodzakelijk zijn. Daarnaast heeft de VNG hier een nieuwsbericht over uitgebracht, waarin zij haar advies onder de aandacht van gemeenten brengt.3 Verder verzamelt de VNG goede voorbeelden van publicaties van aanbestedingen en brengt die onder aandacht van gemeenten.

TenderNed is de aanbestedingswebsite waar de leerling-gegevens op worden ontsloten. Op TenderNed kunnen onder andere gemeenten hun aanbestedingen plaatsen. Deze website wordt beheerd door PIANOo, het Expertisecentrum Aanbesteden van het Ministerie van Economische Zaken. PIANOo heeft een waarschuwing in TenderNed opgenomen om gemeenten er op te wijzen dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud bij hen ligt. Gemeenten dienen ervoor te zorgen dat er op TenderNed niet meer gegevens worden gepubliceerd dan strikt noodzakelijk.

Gelet op het feit dat scholen geen rol hebben in de informatievoorziening ten behoeve van de aanbestedingen voor leerlingenvervoer, is een convenant niet het geëigende middel om de veiligheid van leerling-gegevens hiervoor te vergroten. Het bestaande kader voorziet voldoende in de nodige waarborgen en het is van belang dat de verantwoordelijke gemeenten hier invulling aan geven. Ik heb er vertrouwen in dat de ingezette acties de veiligheid van leerling-gegevens bij aanbestedingen voor leerlingenvervoer zullen vergroten. Het is aan de verantwoordelijke gemeenten om nu en in de toekomst zorgvuldig om te gaan met leerling-gegevens.

Monitor burgerschap

Tijdens het dertigledendebat burgerschapsonderwijs en maatschappijleer op 29 maart jl. is toegezegd om uw Kamer nader te informeren over een nieuwe opzet voor een monitor burgerschap. De afgelopen jaren hebben we voor het meten van burgerschapsvaardigheden van leerlingen deelgenomen aan internationaal vergelijkend onderzoek, te weten de International Civic & Citizenship education Study. Tijdens dit debat heb ik aangegeven dat deze meting naar burgerschapsvaardigheden, één keer per zes jaar en alleen onder veertienjarigen, wat mij betreft niet voldoende is. Daarom gaan we een brede landelijke stelselmonitor op het gebied van burgerschap ontwikkelen. Ik heb aangegeven uw Kamer hierover te informeren bij indiening van het wetsvoorstel Verduidelijking burgerschapsopdracht voor het funderend onderwijs in het eerste kwartaal van 2019.

Voor de ontwikkeling van een landelijke monitor burgerschap vinden gesprekken plaats met verschillende partijen, waaronder de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie). De monitor zou in ieder geval inzicht moeten geven in de kennis, vaardigheden en houding van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs op het gebied van burgerschap. Daarnaast zou de monitor in beeld moeten brengen wat scholen in de praktijk doen op het gebied van burgerschapsonderwijs. Daarbij hecht ik eraan dat dit instrument de deelnemende scholen inzicht geeft in de effecten van hun eigen onderwijs. Conform de toezegging wordt uw Kamer nader geïnformeerd over de monitoring bij de indiening van het wetsvoorstel.

Werkdruk onder scholieren

Het welzijn van scholieren, en daarbij ook het thema werkdruk, is een zaak die onze voortdurende aandacht verdient. Ook vanuit uw Kamer is het afgelopen half jaar een aantal keer aandacht gevraagd voor de werk- en prestatiedruk onder scholieren. Er is daarbij ook verzocht onderzoek naar de aard en oorzaken te doen. In het algemeen overleg (AO) Examens van 7 februari jl. (Kamerstuk 31 289, nr. 361)(en het verslag daarvan op 13 februari jl. (Handelingen II 2017/18, nr. 51, item 23) heb ik lid Westerveld (GL) toegezegd4 dat ik het NRO zou vragen om de examenstress in zijn onderzoek mee te nemen. Daarnaast verwees ik naar een tweetal onderzoeken die in de loop van 2018 zullen plaatsvinden. Ik heb toegezegd dat ik de uitkomsten van deze onderzoeken zal koppelen aan die van het NRO.

Hoewel er signalen zijn dat er behoorlijk veel vo-leerlingen zijn die een grote prestatiedruk ervaren is niet bekend in hoeverre dit werkelijk op grote schaal ernstig en daarmee problematisch is. Zoals tijdens het overleg in februari kort is aangegeven zal de Kinderombudsman in het najaar, in vervolg op de uitkomsten van de Kinderrechtentour van 2016, een verdiepend onderzoek (in de vorm van een gespreksronde) doen naar de werkdruk onder scholieren. Zelf heb ik opdracht gegeven tot een review van onderzoeken die zijn gedaan naar het thema toetsing/examinering door de NRO. Eventuele stress onder scholieren, die is gerelateerd aan de toetsing en examinering in het vo is daarvan een onderdeel. Daarnaast verwacht ik ook dat het onderwerp naar voren komt bij het onderzoek naar de motivatie van vo-leerlingen dat de inspectie dit jaar zal doen. De uitkomsten van deze onderzoeken zijn eind 2018 beschikbaar. Op basis daarvan bezie ik of verder onderzoek nodig is. Ik zal uw Kamer hierover te zijner tijd informeren.

Motie Westerveld over ICT en werkdruk

In het verslag van een AO over ICT in het onderwijs en Leermiddelen (13 februari jl.) is de motie van de leden Westerveld en Kwint (Kamerstuk 31 289, nr. 369) aangenomen om met het onderwijsveld te kijken hoe ICT kan helpen om de werkdruk te verminderen. Kennisnet en de PO-Raad hebben het afgelopen jaar onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om met ICT de werkdruk te verminderen. Ook uit dit onderzoek blijkt dat de oorzaken en bijbehorende oplossingen voor werkdruk op scholen divers zijn. De inzet van ICT is één van de mogelijke oplossingen. De ervaringen van de scholen die deelnamen aan het onderzoek zijn voor alle scholen beschikbaar gemaakt in een publicatie.5 Deze ervaringen kunnen scholen gebruiken in hun eigen gesprek over werkdruk en bij het kiezen van passende oplossingen.

Wijziging wetsvoorstel Onderwijs op Andere Locatie dan de School

Het vorige Kabinet heeft het wetsvoorstel Onderwijs op een Andere Locatie dan de School (OOAL) opgesteld. Dit wetsvoorstel is eind 2016 opengesteld voor internetconsultatie. Het wetsvoorstel bevat vier separate onderdelen, die als gemene deler hebben dat het onderwijs aan kinderen op een andere locatie dan de school wordt verzorgd. Het gelijktijdig regelen van de vier onderdelen in één wetsvoorstel maakt het traject echter ingewikkeld en langdurig. Daarom heb ik besloten de verschillende onderdelen van het wetsvoorstel Onderwijs op een Andere Locatie dan de School (OOAL) apart van elkaar uit te werken.

Het mogelijk maken van thuisonderwijs met de daarbij behorende eisen aan de kwaliteit en het toezicht betreft een grote wijziging ten opzichte van het huidige stelsel. Door het onderwerp thuisonderwijs uit te werken in een aparte wet, geef ik uitvoering aan de maatregel in het regeerakkoord.6 Over de wetswijziging die de mogelijkheid regelt om tijdelijk en in bijzondere gevallen met rijksmiddelen onderwijs te volgen bij een niet-bekostigde school heb ik uw Kamer in de voortgangsrapportage Passend Onderwijs reeds geïnformeerd.7

Beleidsreactie op de herhaalde aanbieding van het Onderwijsraadadvies Vluchtelingen en onderwijs

Onlangs heeft de Onderwijsraad op eigen initiatief het advies Vluchtelingen en Onderwijs. Naar een efficiëntere organisatie, betere toegankelijkheid en hogere kwaliteit opnieuw onder onze aandacht gebracht. De Onderwijsraad constateert dat sinds de publicatie van het rapport in februari 2017 veel vooruitgang is geboekt, maar stelt dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om een volgende instroom van vluchtelingen het hoofd te kunnen bieden. Toen de Onderwijsraad dit advies in februari 2017 aanbood heeft het Ministerie van OCW op dit advies gereageerd.8

Het Kabinet beziet de opvang van vluchtelingenkinderen in het Nederlandse onderwijs als een onderdeel van het bredere migratievraagstuk. Eind maart 2018 heeft het Kabinet zijn migratieagenda voor de komende jaren naar de Tweede Kamer gestuurd.9 Met behulp van de maatregelen van het bredere migratievraagstuk, zoals bijvoorbeeld een flexibeler en duidelijker asielsysteem en het bevorderen van legale migratieroutes, is het Kabinet in staat om nu en in de toekomst te anticiperen op migratiestromen.

Sinds het verschijnen van de Tweede voortgangsrapportage onderwijs aan asielzoekers in het voorjaar van 2017 heeft het Ministerie bovendien maatregelen getroffen, activiteiten geïntensiveerd en aanvullende activiteiten ontplooid om het asielzoekersonderwijs verder te versterken. In het primair onderwijs adviseren en begeleiden de PO-Raad en LOWAN-PO reguliere scholen die voor het voor eerst onderwijs aan nieuwkomers geven. OCW, de PO-Raad en LOWAN-PO zetten in op versteviging van de regionale netwerken zodat kennisdeling wordt gecontinueerd en in samenwerking met organisaties wordt een aantal methoden (door)ontwikkeld waaronder mondelinge taal en begrijpend lezen.

In het voortgezet onderwijs is het bekostigingsbesluit W.V.O. aangepast om de kwartaal bekostiging te verankeren. Daarnaast ontwikkelen de VO-raad en Schoolinfo een leerlijn alfabetisering voor analfabete nieuwkomers en zet LOWAN-VO zich samen met de VO-raad en de MBO Raad in voor de doorstroming vanuit de internationale schakelklassen (isk) naar het mbo. LOWAN-VO heeft samen met ITTA een praktische handreiking In gesprek over doorstroom van isk naar mbo ontwikkeld met aanknopingspunten en voorbeelden voor vo-scholen en mbo-instellingen om een doorlopende taalleerlijn op te zetten. De Minister van OCW werkt samen met haar collega van SZW de komende maanden uit hoe we ervoor kunnen zorgen dat inburgeraars met de juiste taalondersteuning op het juiste niveau instromen in het onderwijs.

De begeleiding van asielzoekerskinderen naar het reguliere onderwijs en de arbeidsmarkt stelt ons voor nieuwe vraagstukken en uitdagingen. De Minister van OCW en ik zullen ons samen met de PO-Raad, de VO-raad, de MBO Raad, LOWAN-PO en LOWAN-VO blijvend inzetten voor deze jongeren. Met de in gang gezette maatregelen is sinds het uitkomen van het onderwijsraadadvies in 2017 een adequate kennisinfrastructuur in het veld verder uitgebouwd.

Beleidsreactie IBO Onderwijsachterstanden: Een duwtje in de rug?

In april 2017 heeft de interdepartementale IBO-werkgroep verslag gedaan van het IBO-onderzoek naar onderwijsachterstanden in het rapport «Onderwijsachterstanden: een duwtje in de rug?». In het AO van 17 mei jl. heb ik al naar het IBO verwezen als een waardevolle analyse van het onderwijsachterstandenbeleid. Het IBO schetst verschillende beleidsvarianten en een zestal no-regret maatregelen. Graag geef ik hier een overzicht hoe de aanbevelingen van het IBO zijn opgepakt.

Onderwijsachterstanden voorkomen en bestrijden

Scholen en gemeenten krijgen geld om onderwijsachterstanden van kinderen te voorkomen en te bestrijden. Ieder kind in Nederland moet ongeacht in welke omgeving hij of zij opgroeit de kans krijgen zich goed in het onderwijs te ontwikkelen. Een ongunstige thuisomgeving mag nooit een belemmering zijn voor een kind om zijn of haar talenten te kunnen ontplooien. Daarom ontvangen scholen en gemeenten geld om de onderwijskansen voor deze kinderen te vergroten. Dit is de doelstelling van het onderwijsachterstandenbeleid, zoals ik deze namens het Kabinet ook in mijn brief van 31 januari jl. over het onderwijsachterstandenbeleid heb geformuleerd. Deze doelstelling staat centraal in de communicatie over het onderwijsachterstandenbeleid (no-regret maatregel 1). De middelen voor basisscholen en gemeenten worden verdeeld op basis van de actuele achterstandenproblematiek: een nieuwe CBS-indicator brengt de risico’s van kinderen op achterstanden beter in beeld. Het CBS heeft onderzocht welke kenmerken een verwachte onderwijsachterstand voorspellen. De doelgroep kan op basis van deze CBS-indicator op een betere, meer verfijnde manier worden gedefinieerd. De opgaven verschillen echter per gemeente en school, maatwerk is nodig. Het staat scholen en gemeenten vrij om de middelen die zij ontvangen zo goed mogelijk in te zetten.

Investering in voorschoolse educatie

Ieder kind moet al vanaf jonge leeftijd de kans krijgen zich goed te ontwikkelen, onafhankelijk van zijn of haar omgeving. Dit kabinet kiest er voor om gericht in te zetten op het tegengaan van de risico’s van jonge kinderen op een onderwijsachterstand en investeert structureel 170 miljoen in het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. Met deze investering kan het aanbod van voorschoolse educatie uitgebreid worden naar 16 uur per week en de kwaliteit van voorschoolse educatie verbeterd worden. Het Kabinet ziet daarmee af van verschuivingen van het achterstandenbudget tussen onderwijssectoren zoals in verschillende IBO-varianten wordt voorgesteld.

Betere verdeling van de onderwijsachterstandsmiddelen basisscholen en gemeenten

Een belangrijke aanbeveling van het IBO is om de middelen voor onderwijsachterstanden te verdelen op basis van eenzelfde indicator die zo goed mogelijk het risico op onderwijsachterstanden voorspeld. Onlangs heeft uw Kamer ingestemd met een voorstel van het Kabinet om de middelen voor de bestrijding van onderwijsachterstanden vanaf 1 januari 2019 voor gemeenten en vanaf schooljaar 2019–2020 voor basisscholen beter te verdelen op basis van een nieuwe en meer genuanceerde indicator. Hiermee heb ik uitvoering gegeven aan een centrale aanbeveling van het IBO (aanbeveling nul variant).

Ook de middelen van het leerplusarrangement in het voortgezet onderwijs wil ik op termijn op basis van een nieuwe indicator verdelen. Op dit moment ben ik in gesprek met het CBS om te bekijken of het mogelijk is om een nieuwe indicator te ontwikkelen voor de leerplusmiddelen. Samen met CBS zal ik onderzoeken of de indicator die in het basisonderwijs ontwikkeld is, ook de risico’s op achterstanden in het voortgezet onderwijs goed kan voorspellen en dus als basis kan dienen voor een nieuwe indicator.

Monitoring, bewustwording en kennisdeling

Het IBO schetst niet alleen verschillende beleidsvarianten maar noemt ook een aantal no-regret maatregelen. Om de kwaliteit van voorschoolse educatie te borgen en kwaliteitsverhoging verder te stimuleren, ga ik de effectiviteit van de investeringen in voorschoolse educatie uitgebreid monitoren en evalueren (no-regret maatregel 2). Ook de stand van zaken van de nieuwe bekostigingssystematiek van gemeenten en scholen zal ik nauwkeurig volgen. Over de uitwerking van deze monitor zal ik uw Kamer in het najaar nader informeren.

Daarnaast zal er de komende jaren praktijkgericht onderzoek worden uitgevoerd naar effectieve interventies in het basisonderwijs om onderwijsachterstanden te bestrijden. Ik onderzoek de mogelijkheden om hier een ondersteuningsprogramma voor basisscholen aan te koppelen, waarmee ik de kennis over effectieve interventies beter onder basisscholen wil verspreiden en meer bewustwording onder de betrokken professionals wil stimuleren (no-regret maatregel 3 en 4). Over de uitwerking van dit onderzoek zal ik uw Kamer in het najaar nader informeren.

Ook op stelselniveau is het belangrijk om de ontwikkeling van gelijke kansen in het onderwijs te volgen. Hiervoor heb ik de Gelijke Kansen monitor ontwikkeld. Het uitgangspunt van de monitor is dat leerlingen met vergelijkbare potentie maar met een verschillende achtergrond worden gevolgd in hun hele onderwijsloopbaan over de tijd. De monitor bevat een groot aantal indicatoren in de onderwijsloopbanen van leerlingen. De Gelijke Kansen monitor zal voor de zomer gepubliceerd worden.

Ook via de Gelijke Kansen Alliantie (GKA) wil ik de kennisdeling over effectieve aanpakken bevorderen. Dit krijgt onder andere vorm door onderzoek in opdracht van de lokale netwerken te verbinden met het onderzoek dat landelijk onder regie van NRO en de Nationale Wetenschapsagenda wordt uitgevoerd. Zo ontstaat een samenhangend kennisprogramma dat bijdraagt aan de opbouw van een landelijke database met effectieve aanpakken die via het GKA-platform geraadpleegd kan worden.

Verantwoording en toezicht

Het IBO stelt dat er meer verantwoording over het onderwijsachterstandenbeleid zou moeten plaatsvinden door gemeenten en scholen en dat er beter toezicht op de pedagogische en educatieve kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie moet komen (no-regret maatregel 5). Het ligt voor de hand dat gemeenten en scholen doelen stellen voor hun onderwijsachterstandenbeleid, die onderdeel zijn van hun visie. Gemeenten leggen vervolgens middels de jaarrekening verantwoording af over de besteding van de middelen. Zij zullen moeten aantonen dat de uitkering is besteed aan het doel waarvoor hij is verstrekt: voorschoolse educatie, activiteiten voor basisschoolleerlingen met een grote achterstand in de Nederlandse taal en afspraken over voor- en vroegschoolse educatie. Ook voor schoolbesturen vind ik het van belang dat zij bewust inzetten op de bestrijding van risico’s op onderwijsachterstanden. Tegelijkertijd wil ik ervoor waken de administratieve lasten van basisscholen te vergroten.

De inspectie onderzoekt op dit moment of de inrichting van het toezicht op voorschoolse educatie aanpassing nodig is. Daarnaast onderzoekt de inspectie of in het toezicht op basisscholen een nieuwe maat voor de zwaarte van de leerlingpopulatie op basis van de CBS-indicator geschikt is (no-regret maatregel 6). Over de mogelijke aanpassing van de inspectiesystematiek vindt op dit moment nog overleg plaats, hierover zal ik uw Kamer in het najaar nader informeren.

Soepele overgangen en ouderbetrokkenheid

Het IBO beveelt aan in te zetten op soepele overgangen in het onderwijs voor kinderen met een risico op onderwijsachterstanden (aanbeveling nulvariant). In het kader van gelijke kansen worden voor deze doelgroep doorstroomprogramma’s ontwikkeld. We investeren extra in de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs, waar vooral kansarme leerlingen niet altijd op de juiste plek in het voortgezet onderwijs terecht komen. Dit doen we door het verhogen van de budgetten van de doorstroomprogramma’s po-vo (€ 5 mln. extra van 2019). Daarnaast verhogen we het budget voor de overgangen vmbo-mbo-havo (€ 8.5 mln. extra vanaf 2019). Ook gaan we initiatieven voor het starten van 10–14-onderwijs de ruimte geven. In het schooljaar 2017–2018 is een pilot gestart met zes initiatieven van 10–14 scholen. Per 1 augustus 2018 is het mogelijk gemaakt dat een tweede lichting van scholen meedoet aan de pilot en het onderzoek.

Ten slotte vraagt het IBO aandacht voor het versterken van de ouderbetrokkenheid (aanbeveling nulvariant). Omdat kinderen in een achterstandssituatie vaak opgroeien in een minder stimulerende omgeving thuis is het juist voor deze kinderen van groot belang dat de samenwerking tussen ouders en school goed is. In de praktijk is de afstand met school vaak groot, terwijl veel onderzoek laat zien dat een goede relatie van ouders met de school een positieve invloed heeft op het welbevinden en de leerprestaties op school van kinderen. Binnen de Gelijke Kansen Alliantie wordt daarom in veel regio’s ingezet op het versterken van de ouderbetrokkenheid om kansen van kinderen te vergroten. Binnen de voorschoolse educatie is er ook extra aandacht voor ouderbetrokkenheid. Door wijzigingen in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie is met ingang van 1 juli 2018 tevens verplicht dat instellingen die voorschoolse educatie aanbieden in het pedagogisch beleidsplan opschrijven hoe ouders worden betrokken bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen.

Reddingsplan kleine scholen

Ik ga in op het verzoek van de commissie OCW om een schriftelijke reactie op het Reddingsplan kleine scholen van de SGP.10 In dit plan benoemt de SGP een aantal regels waar kleine scholen onevenredige of zelfs onnodige werkdruk door zouden ondervinden. Allereest wil ik de SGP bedanken voor hun inspanningen om de positie van kleine scholen onder de aandacht te brengen.

De SGP waarschuwt voor de druk die ontstaat door verplichte toetsen. Ik deel de mening dat onnodige regeldruk altijd voorkomen moeten worden, ongeacht de grootte van een school. In de brochure «Ruimte in Regels» die alle basisscholen eind 2017 hebben ontvangen, is overzichtelijk beschreven waartoe scholen zijn verplicht, maar vooral ook waar zij de ruimte hebben om zelf invulling te geven aan de wettelijke eisen. Zo mogen scholen bijvoorbeeld zelf bepalen welke toetsen uit een leervolgsysteem zij afnemen en hoe vaak.

Ook schrijft de SGP zich zorgen te maken over de regels omtrent topinkomens. Scholen waren verplicht om topinkomens te verantwoorden, ook wanneer het bestuur uit vrijwilligers bestaat. Deze terechte zorg is inmiddels weggenomen; voor onbezoldigde bestuurders geldt geen verantwoordingsplicht meer.

Daarnaast wil de SGP graag uitzonderingen zien voor kleine scholen op de verplichtingen voor het benoemen van een functionaris gegevensbescherming, de verplichting voor een Verklaring Omtrent het Gedrag voor overblijfmedewerkers en een ICT-systeem voor de monitoring van veiligheid. Dat is echter niet wenselijk. Deze maatregelen dragen bij aan de privacy en veiligheid van leerlingen en daar moeten alle scholen zich voor inspannen. Ook op het gebied van energiebesparende maatregelen in het kader van duurzaamheid, waar ik net als de SGP veel waarde aan hecht, is het van belang dat elke school daaraan bijdraagt. Voor wat betreft de uitwerking van de Code goed bestuur, is het aan de sectoren zelf om deze vorm te geven.

De SGP is bang dat de normen voor de jaarverslaggeving kunnen leiden tot dubbel papierwerk. Dit kan ook een aandachtspunt zijn voor grote scholen.

De normen voor de jaarverslaggeving komen voort uit wet- en regelgeving zoals het Burgerlijk wetboek, maar wat het onderwijs betreft heeft dit mijn aandacht. Eind juni 2018 is er een verbeterslag geleverd door de regeling structurele gegevenslevering WPO/WEC op te schonen en te transformeren in de regeling informatievoorziening WPO/WEC. Deze opschoning betekent een verlichting van de administratieve lasten.

Toereikend aanbod (brede) brugklassen

In het Regeerakkoord is afgesproken dat middelbare scholen de opdracht krijgen om op regionaal niveau een zo dekkend mogelijk aanbod van verschillende typen brugklassen aan te bieden. Sommige kinderen gedijen het beste in een brede of verlengde brugklas waar de uiteindelijke selectie nog even wordt uitgesteld, andere zijn meer op hun plek in een categorale brugklas. Daarom wil het kabinet dat er voor alle ouders en leerlingen wat te kiezen valt.

Ten behoeve hiervan heeft DUO in 2018 voor de tweede maal (de eerste keer was begin 2017) het feitelijk aanbod van verschillende soorten brugklassen in kaart gebracht. Op basis van deze informatie kan op macroniveau geconstateerd worden dat in bijna heel Nederland leerlingen ook kunnen instromen in een voor hen geschikte brede brugklas «op fietsafstand» van huis. Ten opzichte van de vorige meting is de situatie in het grootste deel van Nederland min of meer stabiel. Wel lijkt in enkele regio’s het aanbod van brede brugklassen relatief «dun» te zijn. Hoe de situatie in schooljaar 2018/2019 is, welke brugklassen een specifieke school dan aanbiedt en of het feitelijke aanbod een bewuste keuze is op basis van professionele, onderwijskundige inzichten, of is ingegeven door de regionale situatie (bijvoorbeeld leerlingendaling), kan op basis van deze informatie niet worden vastgesteld.

De door DUO verzamelde informatie is dan ook primair bedoeld en geschikt om op regionaal niveau het gesprek aan te gaan over het aanbod van (brede) brugklassen. De gedetailleerde DUO-informatie zal vanaf komende september aan scholen beschikbaar gesteld worden met daarbij het appel om in de regio met elkaar in gesprek te gaan over het aanbod van (brede) brugklassen. Zo kan er op regionaal niveau voor gezorgd worden dat er op basis van bewuste keuzes een toereikend aanbod wordt gerealiseerd van verschillende soorten brugklassen.

Impactanalyse doorstroomrecht havo-vwo

In reactie op Kamervragen van het lid Kwint (SP) over doorstroom van havo naar vwo11 heeft mijn ambtsvoorganger aangekondigd een onderzoek te laten uitvoeren naar welke aanvullende toelatingseisen daarbij door vwo-scholen gehanteerd worden, en of dit aanleiding is om een doorstroomrecht van havo naar vwo te introduceren. Afgelopen jaar heeft onderzoeksbureau Oberon in opdracht van het Ministerie van OCW een impactanalyse uitgevoerd naar de (on)wenselijkheid van zo’n doorstroomrecht havo-vwo. Ik zal Uw Kamer deze impactanalyse na het zomerreces, met een beleidsreactie daarop, doen toekomen.

Ouderbetrokkenheid

Op 9 februari jl. heb ik u de Evaluatie Ouders en Onderwijs van onderzoeksbureau Oberon gestuurd, met daarbij aankondiging van mijn beleidsreactie dit voorjaar.12 Ik zal in mijn beleidsreactie ook aangeven hoe ik uitvoering geef aan de in het Regeerakkoord opgenomen ambitie om de samenwerking tussen school en ouders te versterken. Door raadpleging met het veld vergt de voorbereiding meer tijd. U ontvangt mijn beleidsreactie in het derde kwartaal van 2018.

Kamerbrief nieuw rekenbeleid in het vo en mbo

Op 7 maart jl. heb ik u het Nieuwe perspectief voor rekenen in het voortgezet onderwijs van de Nederlandse Vereniging van Wiskundeleraren gestuurd, met daarbij de aankondiging dat de uitwerking van een plan ter versterking van het rekenonderwijs in het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs voor de zomer naar uw Kamer werd verstuurd. De uitwerking van de vervolgstappen en de afstemming daarover met relevante experts en belanghebbenden vergt meer tijd dan verwacht. Ik stuur u daarom na de zomer het aangekondigde plan.

Verlenging pilot tweetalig primair onderwijs (tpo)

Sinds het schooljaar 2014/15 experimenteren 19 po-scholen binnen de vijfjarige pilot tweetalig primair onderwijs met het aanbieden van dertig tot vijftig procent van de onderwijstijd in een vreemde voertaal (allen Engels). Hiermee wordt bekeken of deze onderwijsvorm breder voor scholen toegankelijk zou moeten zijn.

In tegenstelling tot eerdere verwachtingen zijn alle 19 pilotscholen begonnen met tpo in groep 1: na vijf jaar zijn dus resultaten bekend tot en met groep 5. Voordat een besluit over eventuele openstelling wordt genomen is het van belang om een goed beeld te hebben van de effecten van tweetalig onderwijs in de bovenbouw van het po, evenals de aansluiting op het vo voor deze leerlingen. Om die reden wordt de pilot tpo met vier jaar verlengd, tot en met schooljaar 2022/2023. Dit is ook in lijn met de aanbevelingen uit de tussenmeting van het flankerend onderzoek naar de pilot.13 In de eerste helft van 2023 kan naar verwachting een voorstel aan de Kamer worden voorgelegd om deze onderwijsvorm al dan niet toegankelijk te maken voor alle scholen.

Namens de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
1

Kamerstuk 34 741, nr. 8.

X Noot
4

Kamerstuk 31 289, nr. 361.

X Noot
6

In het regeerakkoord (Kamerstuk 34 700, nr. 34) staat de volgende passage: «Thuisonderwijs dient te voldoen aan de daarop toegesneden eisen voor kwaliteit, bekwaamheid, burgerschap en veiligheid. Hierop wordt toegezien door een gespecialiseerd onderdeel van de Inspectie van het Onderwijs.»

X Noot
7

Kamerstuk 31 497, nr. 262.

X Noot
8

Kamerstuk 34 334, nr. 25.

X Noot
9

Kamerstuk 19 637, nr. 2375.

X Noot
10

(Handelingen II 2017/18, nr. 31, item 7, blz. 12)

X Noot
11

Handelingen II 2017/18, nr. 2319.

X Noot
12

Kamerstuk 34 775 VIII, nr. 123.

Naar boven