Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201131293 nr. 101

31 293 Primair Onderwijs

Nr. 101 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 2 mei 2011

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 hebben enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, d.d. 16 februari 2011 inzake de aanbieding van het rapport van de Inspectie van het Onderwijs inzake het onderwijs in het schrijven van teksten (Kamerstuk 31 293, nr. 87).

Bij brief van 29 april 2011 heeft de minister deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van Bochove

De adjunct-griffier van de commissie,

Janssen

Inhoudsopgave

Blz.

  

I. Vragen en opmerkingen uit de fracties

2

1. Inleiding

2

2. De kwaliteit van het schrijfonderwijs

2

3. Verklaringen van de inspectie

3

4. Beleid OCW

3

II. Reactie van de minister

4

I. VRAGEN EN OPMERKINGEN UIT DE FRACTIES

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de minister. Hoewel zij schrijft dat er een duidelijke verbetering te constateren is ten opzichte van het inspectieonderzoek uit 1997/1998, laat het schrijfonderwijs anno 2009 volgens het onderzoek nog te wensen over. De leden maken zich zorgen om de basisvaardigheden van leerlingen ten aanzien van het schrijfonderwijs. Wie geen goede brief leert schrijven, zal daar in zijn/haar toekomst last van hebben, zo menen de leden.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het inspectierapport over de kwaliteit van het schrijfonderwijs in het basisonderwijs. Zij achten goed schrijfonderwijs van groot belang voor de kansen van mensen in de samenleving en de bevindingen van de Inspectie van het Onderwijs baren hen daarom zorgen. Huns inziens heeft de voormalige staatssecretaris Dijksma terecht een hoge prioriteit gegeven aan de doorlopende leerlijnen voor rekenen en taal, maar helaas is de kwaliteit van het schrijfonderwijs nog niet overal op het niveau dat nodig is.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de minister en het inspectieonderzoek betreffende het schrijfonderwijs. De afgelopen jaren is er nadrukkelijk extra aandacht gekomen voor de vakken taal en rekenen. Uit het onderzoek blijkt dat binnen het taalonderwijs weinig systematisch aandacht is voor het schrijven van teksten. Deze leden vinden dat een zorgelijke ontwikkeling, omdat het ontwikkelen van taalvaardigheid, naast het lezen van teksten, uiteindelijk ook moet leiden tot het schrijven van teksten ten behoeve van welk medium dan ook.

2. De kwaliteit van het schrijfonderwijs

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat het een ernstig tekort is, dat in de leerjaren vijf tot en met acht de onderwijstijd die besteed wordt aan het schrijfonderwijs aan de krappe kant is, zoals de Inspectie van het Onderwijs constateert. In hoeverre, zo vragen deze leden, wordt in het onderwijs bij andere vakken ook aandacht besteed aan het schrijven van teksten? Is het zo dat er uitsluitend systematisch aandacht wordt besteed aan het stelonderwijs als onderdeel van taal of komt het ook aan de orde bij vakken als aardrijkskunde, geschiedenis en dergelijke?

Uit onderzoek is gebleken dat de leerkracht ertoe doet: niet de methode is bepalend voor de leerresultaten, maar de aanpak van de individuele leerkracht. Het onderzoeksrapport laat zien dat de methodes verbeterd zijn: meer strategieën, een duidelijkere opbouw, gebruik makend van de leerstoflijnen die voortkomen uit de kerndoelen. Echter, deze kerndoelen zijn al jaren beschikbaar voor de leerkracht. Waarom is dit dan niet terug te zien in de leerlijn die de leerkracht vaststelt voor de groep leerlingen die in de groep zitten, zo vragen de leden.

3. Verklaringen van de inspectie

De leden van de VVD-fractie lezen dat de inspectie de tegenvallende kwaliteit van het schrijfonderwijs verklaart op basis van vier factoren: de houvast die leraren (niet) hebben in methoden en lesuitwerkingen, de vakdidactische toerusting van leraren, de tot het minimum beperkte onderwijstijd die aan schrijfonderwijs wordt besteed en de lage prioriteit die schrijfonderwijs krijgt (af te lezen aan deskundigheidsbevordering van docenten). Deze leden zien hierin bevestigd dat flink geïnvesteerd moet worden in het onderwijs aan leraren (pabo of bijscholing). Is de minister bereid om dit rapport en meer specifiek de vier verklarende factoren van de inspectie onder de aandacht te brengen van de staatssecretaris, die het lerarenbeleid in de portefeuille heeft? De referentieniveaus en kerndoelen horen in de ogen van de leden meegenomen te worden bij de ontwikkeling van bijscholing en verhoging van het niveau op de pabo.

De leden van de CDA-fractie lezen dat slechts op een derde van de scholen wordt voldaan aan de didactische component van het stelonderwijs. De leden vragen daarom in hoeverre het stelonderwijs voldoende aandacht krijgt in de lerarenopleiding. De verklaring die door de Inspectie van het Onderwijs wordt gegeven voor de gevonden resultaten zijn voor de hand liggend, maar roepen wel de vraag op, waarom deze na eerdere onderzoeken niet eerder aangepakt zijn. Als zowel de gebruikte methoden, de didactiek, de onderwijstijd achterblijven en het stellen geen prioriteit heeft, dan is er toch moeilijk iets positiefs te verwachten van het stelonderwijs, zo vragen de leden.

Datzelfde constateren deze leden ook ten aanzien van de aanbevelingen van de inspectie. Vanzelfsprekend is het zaak om leerlijnen te ontwikkelen, evaluatiemethoden en uitwisseling van de beste ervaringen in het veld te stimuleren. Maar de cruciale vraag die in de brief van de minister onbeantwoord blijft is: wat wordt er gedaan om morgen het onderwijs in de klas te verbeteren? Op welke wijze worden leraren ondersteund, krijgen scholen ondersteuning of worden scholen aangesproken op de gerealiseerde effecten, zo vragen de leden.

4. Beleid OCW

De leden van de VVD-fractie lezen in de brief van de minister dat leerlingen op scholen die opbrengstgericht werken beter presteren. Dat is dan ook het uitgangspunt van het beleid van het ministerie van OCW. Het inzetten van instrumenten om de voortgang van leerlingen te kunnen volgen en de vaardigheden in kaart te kunnen brengen is volgens de leden van groot belang. Uit de brief van de minister blijkt dat, ondanks het feit dat een apart domein «schrijven» in het referentiekader is opgenomen, de didactische component slechts op ongeveer een derde van de scholen aan alle indicatoren voldoet. De leden van deze fractie zijn van dit gegeven ernstig geschrokken. Kan de minister aangeven of zij voornemens is het begrip leerwinst en de leerlingvolgsystemen per kerndoel/domein uit te werken of geeft dit inspectierapport in haar ogen daar geen aanleiding toe, zo vragen de leden.

De leden van de PvdA-fractie onderkennen dat schriftelijke taalvaardigheid meer omvat dan de spelling. Hoewel ook de spelling van leerlingen op de basisscholen nog vaak te wensen overlaat, mag dat geen excuus vormen om hun stelvaardigheid in de zin van het schrijven van teksten te verwaarlozen. Wat gaat de minister ondernemen om de vakdidactische toerusting van de docenten in de lerarenopleidingen en in de nascholing te verbeteren? De leden vragen wat de minister gaat ondernemen om te bewerkstelligen dat de methoden leraren beter houvast gaan bieden voor het schrijfonderwijs. Welke activiteiten ontplooit het Steunpunt referentieniveaus taal en rekenen PO om docenten die in de alledaagse lespraktijk aan de slag moeten met het schrijfonderwijs te steunen? Hoe wordt voorkómen dat de noodzakelijke lange adem waarover de minister schrijft, blijft steken in een papierwinkel van de leemlagen in het onderwijsveld waar de man of vrouw die voor de klas staat, niets mee opschiet, zo vragen de leden.

De leden van de CDA-fractie stellen dat er momenteel op veel scholen wordt gewerkt aan de invoering van het model voor effectieve/directe instructie. Dit model helpt leerkrachten hun onderwijs op drie niveaus aan de leerlingen aan te bieden, om op deze manier tegemoet te komen aan de individuele belangen van iedere leerling. Voor een vrij grote groep leerkrachten is dit een lastige opgave; niet de methode, maar de leerling is richtinggevend voor de manier waarop hun onderwijs vorm krijgt. Observeren, noteren, anticiperen en structureren zijn de kernwoorden. De leden vragen of de huidige methodes voldoende worden benut als het gaat om de achterliggende didactiek. Al is een methode nog zo goed, als deze onvoldoende wordt gebruikt zal het resultaat onvoldoende zijn. Immers, schrijf-/stelopdrachten die verwerkt zijn in een taalmethode zijn vaak opdrachten die in verhouding erg tijdrovend zijn. Veel leerkrachten kiezen voor de werkwoord- en spellingsoefeningen in de methode (meetbare resultaten) en gebruiken de stelopdrachten als zelfstandig te verwerken opdrachten. Hierdoor werken de kinderen zonder noemenswaardige begeleiding aan het schrijven van teksten, waardoor het aanbieden van strategieën tekort schiet. Klopt deze veronderstelling en op welke wijze zou hiervoor aandacht kunnen zijn, zo vragen de leden.

In de afgelopen jaren is gebleken dat de invoering van een methode die specifieke aandacht biedt aan een leerstofonderdeel direct gevolgen heeft voor de opbrengsten. Denk hierbij aan het voortgezet technisch lezen en het begrijpend lezen; twee onderdelen die in de afgelopen jaren een oppepper hebben gekregen naar aanleiding van tegenvallende resultaten. Is de inzet van het kabinet om voor het schrijfonderwijs een dergelijke ontwikkeling te stimuleren, zo vragen deze leden.

II. REACTIE VAN DE MINISTER

Hartelijk dank voor de reactie van de fracties van VVD, PvdA en CDA op mijn brief van 16 februari jl. (Kamerstuk 31 293, nr. 87). Aanleiding van die brief was het rapport van de Inspectie van het Onderwijs over het onderwijs in het schrijven van teksten (stelonderwijs). Ik wil hier graag reageren op de vragen en opmerkingen over mijn brief. Ik volg daarbij het stramien van het verslag.

1. Inleiding

Net als de fracties hecht ik veel waarde aan goed taalonderwijs. Taal en rekenen zijn onmisbaar om goed te functioneren in onderwijs en maatschappij. In mijn actieplan «Basis voor Presteren», dat ik dit voorjaar zal presenteren, vindt u daarom maatregelen om het onderwijs voor taal en rekenen verder te verbeteren.

De overheid blijft dus investeren in het taalonderwijs. Daarin heeft zij de taak helderheid te bieden over «wat» van scholen wordt verwacht. Besturen en scholen zijn zelf aan zet om invulling te geven «hoe» ze aan de verwachtingen kunnen voldoen. Hoe scholen het stelonderwijs willen inrichten is daarom aan de scholen zelf. Waar mogelijk zal de overheid wel stimulerende activiteiten in de randvoorwaardelijke sfeer oppakken.

2. Vragen en opmerkingen over de kwaliteit van het schrijfonderwijs

De CDA-fractie vraagt of er ook bij andere vakken (geschiedenis, aardrijkskunde) systematisch aandacht is voor onderwijs in het schrijven van teksten.

Specifieke vakkennis en vaardigheden worden niet uitsluitend binnen één vak vergaard. Op welk moment en op welke manier vaardigheden worden aangeleerd is aan de scholen zelf.

In 2009 verscheen een publicatie over de integratie van taalactiviteiten en science2. In deze publicatie wordt aandacht geschonken aan schrijftaken in de context van andere vakken. Om leraren concreet te ondersteunen bij de samenhang tussen vakken, werkt het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling SLO aan curriculaire handreikingen. Dit zijn handreikingen voor leraren, lerarenopleidingen en nascholingsinstanties om goede leerplankundige keuzes te leren maken.

De inspectie heeft niet onderzocht hoeveel tijd en aandacht er bij andere vakken is voor het schrijven van teksten.

Het CDA merkt op dat het inspectierapport aantoont dat methodes zijn verbeterd: meer strategieën, een duidelijkere opbouw, gebruikmakend van de leerstoflijnen. De fractieleden vragen waarom deze verbetering niet terug te zien is in de leerlijnen die de leerkracht vaststelt.

Om het onderwijs bij het uitwerken van leerlijnen houvast te bieden, zijn in 2010 de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen vastgesteld. Daarbij is «schrijven» één van de domeinen. Voor het domein schrijven, waar het leren schrijven van teksten onderdeel vanuit maakt, zijn in 2010 leerstoflijnen beschreven3. De beschreven leerlijnen worden nu verder ingekleurd met concrete voorbeelden en uitwerkingen in het project «Je kunt met ze lezen en schrijven» door de SLO o.a. in samenwerking met de Stichting Taalvorming. De uitgeverijen van methoden zullen deze instrumenten gebruiken als richtlijn om beter inzichtelijk te maken wanneer er aan welke doelen wordt gewerkt. Dit alles helpt scholen in het werken met leerlijnen en tussendoelen.

Daarnaast moet de leraar in de klas het onderwijsaanbod af kunnen stemmen op de behoeften van de leerlingen. Dat vereist beredeneerde keuzes voor de lesstof en het gericht vaststellen van (tussen)doelen.

Daarom wordt geïnvesteerd in de leerplankundige vaardigheden van de leraren. Leraren worden gestimuleerd om de prestaties van leerlingen te volgen en te analyseren en op basis hiervan keuzes te maken voor de inrichting van het onderwijs. Dat opbrengstgerichte werken en de professionalisering van leerkrachten zijn daarom de speerpunten van mijn beleid. De besturen en scholen zijn daarbij zelf aan zet en hebben daarbij een eigen verantwoordelijkheid. De overheid kan en moet dit proces niet tot in de klas willen uitlijnen.

3. Vragen en opmerkingen over de verklaringen van de inspectie

De leden van de VVD-fractie zien de tegenvallende kwaliteit van het schrijfonderwijs als een bevestiging van de noodzaak om flink te investeren in de vakdidactische toerusting van leraren. Zij vragen of de minister bereid is om dit rapport, met de verklarende factoren, onder de aandacht te brengen van de staatssecretaris. Die heeft namelijk het lerarenbeleid in de portefeuille.

De staatssecretaris en ik werken hecht samen om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. U kunt dat nalezen in het actieplan «Basis voor Presteren» en het actieplan professionalisering die op korte termijn worden gepresenteerd.

Er worden vier verklarende factoren aangedragen: de houvast die leraren (niet) hebben in de methoden en lesuitwerkingen, de vakdidactische toerusting van leraren, de beperkte onderwijstijd, en de lage prioriteit die het schrijfonderwijs krijgt, afgelezen aan de deskundigheidbevordering. Besturen en scholen hebben de verantwoordelijkheid om hieraan te werken. De overheid wil samen met de sector op de volgende manieren, in de randvoorwaardelijke sfeer, aandacht besteden aan de genoemde factoren:

  • Leraren krijgen meer houvast doordat de doelen specifieker zijn beschreven met de referentieniveaus en zijn verwerkt in tussendoelen en leerlijnen. De PO-Raad gaat de behoeften van leraren verkennen omtrent de manier waarop de referentieniveaus in methoden zichtbaar moeten worden gemaakt.

  • We bevorderen de professionalisering (deskundigheidsbevordering) van leraren. Daardoor kunnen ze beter doelen stellen en hun onderwijs afstemmen op de behoeften van leerlingen, zowel in lesstof als in onderwijstijd.

  • De vakdidactische kennis van leraren bevorderen we door de kennisbasis in te voeren. (Bij de volgende vraag ga ik daar verder op in.)

Met deze aanpak sluiten we aan op de bevindingen uit het rapport van de inspectie.

De VVD en het CDA hebben vragen over de kwaliteit van de pabo. De VVD vindt dat de referentieniveaus en de kerndoelen moeten worden meegenomen bij bijscholing en verhoging van het niveau op de pabo. Het CDA vraagt zich af of het stelonderwijs wel voldoende aandacht krijgt in de lerarenopleiding, omdat slechts een derde van de scholen voldoet aan de didactische component van het stelonderwijs.

Om het niveau van de pabo te borgen, wordt in het eerste jaar een entreetoets afgenomen, waaronder een taaltoets. Alleen met een voldoende voor de toets mogen studenten na het eerste jaar verder studeren.

Om te garanderen dat alle aandachtsgebieden aan de orde komen en de studenten op voldoende niveau uitstromen, zijn de opleidingen voor leraren basisonderwijs gezamenlijk bezig vast te leggen welke kennis elke afgestudeerde zou moeten beheersen. Het gaat om zowel vakinhoudelijk als vakdidactisch kennis. Dit document heet de kennisbasis. In december 2009 is de kennisbasis voor Nederlandse taal vastgesteld. Studenten die vanaf studiejaar 2011/2012 in de opleiding instromen, worden volgens die kennisbasis opgeleid en getoetst. Het onderdeel «stellen» is een onderdeel van de kennisbasis Nederlandse taal.

De CDA-fractie vindt de verklaringen van de inspectie voor de tegenvallende kwaliteit voor de hand liggend en vraagt de minister waarom zij niet eerder heeft ingegrepen.

In de afgelopen jaren is er al veel gebeurd om taal (en rekenen) te verbeteren. Er zijn taalpilots uitgevoerd, ongeveer 1250 scholen startten taal-/leesverbetertrajecten, de referentieniveaus zijn vastgesteld en scholen zijn aangemoedigd om opbrengstgericht te werken.

De extra aandacht voor taal zal ongetwijfeld een positieve uitwerking hebben op het stelonderwijs, dat immers een onderdeel is van het taalonderwijs. Het rapport van de inspectie is gebaseerd op onderzoek uit 2009. Meetbare resultaten van het ingezette beleid zullen later zichtbaar worden. Het vergt altijd enige tijd voordat aangepast beleid of een onderwijsvernieuwing meetbare vruchten afwerpt.

De leden van de CDA fractie vragen wat er gebeurt om morgen het onderwijs in de klas te verbeteren. Hoe worden leraren ondersteund, krijgen scholen ondersteuning of worden scholen aangesproken op de gerealiseerde effecten?

Binnenkort ontvangt de Kamer mijn actieplan «Basis voor presteren» en het actieplan professionalisering. In deze actieplannen ga ik verder in op de manier waarop leraren, schoolleiders en scholen steun krijgen bij het verbeteren van hun onderwijs. Maar zoals al eerder opgemerkt, ligt de verantwoordelijkheid om het onderwijs in de klas te verbeteren in eerste aanleg bij de scholen en het bestuur zelf.

De inspectie onderzoekt mede op basis van de eindresultaten of er mogelijke risico’s voor de kwaliteit zijn. Als dit het geval is, beoordeelt de inspectie of de resultaten op o.a. Nederlandse taal tijdens en aan het eind van de basisschool op het niveau liggen dat op grond van de kenmerken van de leerlingpopulatie mag worden verwacht. Hierbij wordt het domein «schrijven» niet apart beoordeeld. Om het niveau van de schrijfvaardigheid in Nederland vast te stellen, voert Cito in opdracht van OCW periodiek een peiling uit. Daarbij is ook gekeken naar het onderdeel «stelopdrachten». Cito is bezig met de analyses. Naar verwachting zijn de uitkomsten van dit onderzoek in het najaar bekend.

4. Vragen en opmerkingen over het beleid van OCW

De VVD vindt het belangrijk om de voortgang van leerlingen te volgen met leerlingvolgsystemen. De fractieleden daarom weten of de minister van plan is het begrip leerwinst te definiëren en of ze leerlingvolgsystemen per kerndoel en domein uit wil laten werken.

Ik wil de leerwinst die scholen realiseren beter kunnen vaststellen. Belangrijke hulpmiddelen daarbij zijn de te ontwikkelen begintoetsen, de toetsen uit het leerlingvolgsysteem en de in te voeren centrale eindtoets. Hoe met gebruik van deze gegevens op een goede, eerlijke manier de leerwinst van een school kan worden bepaald, wordt nagegaan in een aantal pilots. Deze pilots over leerwinst starten vanaf komend schooljaar. Aangezien taal en rekenen de basisvaardigheden zijn, wordt de leerwinst van de leerlingen op deze gebieden in ieder geval in beeld gebracht. Middels de pilots wordt mede onderzocht welk detailniveau wenselijk is, op de domeinen van de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Ik heb niet de intentie de leerwinst voor alle domeinen of onderdelen daarvan uit te werken. Daarmee zouden we écht doorschieten.

Het logisch gevolg van de invoering van referentieniveaus en de verplichting voor scholen om te rapporteren over waar leerlingen in groep 8 staan in relatie tot de referentieniveaus, is dat de referentieniveaus verwerkt worden in de verplichte eindtoets. Daarnaast zullen de tussentijdse toetsen uit het eveneens te verplichten leerling- en onderwijsvolgsysteem worden aangepast. Scholen werken aan de hand van de leerlijnen en tussendoelen aan het halen van een zo hoog mogelijk niveau. Leraren zullen tussentijds willen weten of ze met de leerlingen goed op weg zijn om de einddoelen te halen. In overleg met de ontwikkelaars van leerlingvolgsystemen wordt gestimuleerd dat ook de toetsen van het leerling- en onderwijsvolgsysteem de komende tijd aangepast worden aan de referentieniveaus.

De doelen voor het domein schrijven zijn moeilijk objectief te meten. De SLO heeft de instrumenten geïnventariseerd waarmee de vorderingen op het domein schrijven gemeten kunnen worden. In 2011 onderzoekt de SLO of en op welke wijze de vaardigheden op o.a. schrijven toch objectief kunnen worden vastgesteld door zich te oriënteren op internationale praktijken.

De PvdA onderkent het belang van de schriftelijke taalvaardigheid. De fractieleden vragen de minister hoe zij de vakkennis van docenten wil verbeteren in de lerarenopleidingen en in de nascholing. Ze willen ook weten wat de minister onderneemt om ervoor te zorgen dat methoden voor het schrijfonderwijs aan leraren meer houvast bieden. Tot slot wil de PvdA weten hoe het Steunpunt taal en rekenen po, leraren helpt goed schrijfonderwijs te geven. De PvdA wil voorkomen dat goede voornemens verzanden in een papierwinkel waarmee de leraar niets opschiet.

Zoals gezegd, investeer ik in de kwaliteit van de pabo’s en het nascholingsaanbod. Ik heb ook aangegeven op welke manier de overheid werkt aan de verbetering van de instrumenten zoals de methoden, leerlijnen en toetsen, om leraren meer houvast te bieden.

Ook het primair onderwijs zelf werkt hard aan beter taal- en rekenonderwijs. De PO-Raad steunt het primair onderwijs bij de invoering van opbrengstgericht werken en de referentieniveaus voor taal en rekenen. De PO-Raad heeft het steunpunt ingericht, waar scholen en besturen advies kunnen vragen. Het steunpunt heeft bijeenkomsten georganiseerd over de referentieniveaus en de manier waarop die kunnen bijdragen aan beter taal- en rekenonderwijs. Verder is een kwaliteitskaart ontwikkeld met de meest gestelde vragen over de referentieniveaus. Een andere kwaliteitskaart geeft tips om de referentieniveaus te bespreken in een team.

De leden van de CDA-fractie stellen dat veel scholen werken aan de invoering van het model effectieve/directe instructie. Ze vinden dat een goed model, maar vrezen dat het voor leraren een lastige opgave is. Ze vragen de minister of de huidige methodes voldoende worden benut. Zij vragen aan de minister of onderstaande veronderstelling juist is en op welke wijze hiervoor aandacht is. De veronderstelling is: Al is een methode nog zo goed, als deze onvoldoende wordt gebruikt zal het resultaat onvoldoende zijn.

Het beschreven model en het gebruik van een methode zijn middelen en geen doel op zich. Het zijn uitstekende hulpmiddelen om goed onderwijs te bieden. Leraren moeten uit de leerling halen wat erin zit en worden door de methoden ondersteund bij het aanbieden van de kerndoelen. Belangrijk bij het geven van goed onderwijs is dat leraren het onderwijs afstemmen op de leerlingen, door te kijken welke doelen wanneer bereikt kunnen en moeten worden en daar de leerinhouden op afstemmen. De wijze waarop scholen hierbij hun methoden inzetten en benutten is aan de scholen en het bestuur zelf.

De overheid schenkt wel aandacht aan wat de scholen voor lesstof aanbieden. Bijvoorbeeld in het toezicht van de inspectie. De inspectie controleert of de leerinhouden voor Nederlandse taal en voor rekenen en wiskunde aan voldoende leerlingen worden aangeboden tot en met het niveau van leerjaar 8 én gaat na of de aangeboden leerinhouden afgestemd zijn op de verschillen in ontwikkeling tussen de leerlingen. Het gaat er dus niet alleen om of de methode goed is, en van kaft tot kaft wordt doorgewerkt, maar of de stof wordt afgestemd op de behoeften van de leerlingen.

Het CDA stelt dat de invoering van lesboeken voor een specifiek leerstofonderdeel direct resultaat opleveren. De CDA-fractie vraagt daarom of het kabinet de komst van een methode voor schrijfonderwijs gaat stimuleren.

De overheid stelt het «wat» vast. De referentieniveaus geven inzicht in wat leerlingen moeten kennen en kunnen. Hoe scholen dit bereiken, is aan de scholen zelf. Het gaat mij daarom te ver om aanwijzingen te geven aan educatieve uitgeverijen over het maken van methoden. De uitgeverijen worden wel gestimuleerd aandacht te schenken aan de (onderdelen van) de domeinen. Zij kunnen bij het maken van de nieuwe methoden gebruik maken van de uitwerkingen van de referentieniveaus in tussendoelen en leerlijnen. Zoals ik al aan heb gegeven, zijn hiervoor voor het domein schrijven in 2010 leerstoflijnen beschreven.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Ham, B. van der (D66), Bochove, B.J. van (CDA), voorzitter, Haverkamp, M.C. (CDA), Miltenburg, A. van (VVD), Bosma, M. (PVV), Voordewind, J.S. (CU), Dijk, J.J. van (SP), Ouwehand, E. (PvdD), Dibi, T. (GL), Wolbert, A.G. (PvdA), ondervoorzitter, Biskop, J.J.G.M. (CDA), Smits, M. (SP), Elias, T.M.Ch. (VVD), Beertema, H.J. (PVV), Dijkstra, P.A. (D66), Jadnanansing, T.M. (PvdA), Dekken, T.R. van (PvdA), Dijkgraaf, E. (SGP), Çelik, M. (PvdA), Lucas, A.W. (VVD), Klaveren, J.J. van (PVV), Klaver, J.F. (GL) en Liefde, B.C. de (VVD).

Plv. leden: Koşer Kaya, F. (D66), Ferrier, K.G. (CDA), Werf, M.C.I. van der (CDA), Burg, B.I. van der (VVD), Dille, W.R. (PVV), Rouvoet, A. (CU), Kooiman, C.J.E. (SP), Thieme, M.L. (PvdD), Peters, M. (GL), Dam, M.H.P. van (PvdA), Toorenburg, M.M. van (CDA), Wit, J.M.A.M. de (SP), Hennis-Plasschaert, J.A. (VVD), Mos, R. de (PVV), Pechtold, A. (D66), Dijsselbloem, J.R.V.A. (PvdA), Klijnsma, J. (PvdA), Staaij, C.G. van der (SGP), Hamer, M.I. (PvdA), Harbers, M.G.J. (VVD), Gerbrands, K. (PVV), Sap, J.C.M. (GL) en Lodders, W.J.H. (VVD).

X Noot
2

Het weer, integratie van taal en science, SLO april 2009.

X Noot
3

Leerstoflijnen schrijven beschreven, uitwerking van het referentiekader.

Nederlandse taal voor het schrijfonderwijs op de basisschool, SLO en SCO Kohnstamm Instituut, juni 2010.