Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201631288 nr. 498

31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

Nr. 498 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 december 2015

In februari 2013 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de bestuurlijke afspraken die ik met de Vereniging Hogescholen – toen nog de HBO-raad – heb gemaakt over de uitwerking van het advies «Vreemde ogen dwingen» van de commissie Bruijn.1 In dit advies doet de commissie Bruijn aanbevelingen over versterken van de externe validering van de examens in het hbo. In genoemde brief heb ik toegezegd u de komende jaren op de hoogte te houden van de voortgang van de gemaakte bestuurlijke afspraken. Met deze brief kom ik tegemoet aan mijn toezegging. Ik informeer uw Kamer over de stand van zaken ten aanzien van de uitwerking van de bestuurlijke afspraken. Alvorens dat te doen bespreek ik als eerste (kort) de commissie Bruijn en de bestuurlijke afspraken.

1. Commissie Bruijn

De Commissie Externe Validering Examenkwaliteit Hoger Beroepsonderwijs, onder leiding van prof. dr. J.A. Bruijn (Commissie Bruijn) heeft in opdracht van de Vereniging Hogescholen een advies uitgebracht over externe validering in het hbo. De commissie adviseert onder meer om te kiezen voor instellingsoverstijgende toetsing op alle plaatsen waar dat mogelijk is en anders te werken met «vreemde ogen» en deze toe te passen in de vorm van tweede beoordelaars of externe deskundigen. Daarnaast wordt voorgesteld om te werken aan het bottom-up opstellen van een gezamenlijk protocol voor eindscripties en het verder professionaliseren van examinatoren door middel van een basis- en seniorkwalificatie examinering.

2. Bestuurlijke afspraken

Met de Vereniging Hogescholen heb ik als doelstelling afgesproken dat aan het einde van deze kabinetsperiode bij alle opleidingen in het hbo sprake is van versterking van externe validering van de toetsing en examinering.2 Elke hogeschool zet zich breed in voor externe validering zodat op termijn bij alle opleidingen – waar dat mogelijk is – sprake is van een vorm van gezamenlijk toetsen en anders gewerkt wordt met «vreemde ogen». Conform het advies van de commissie werken de hogescholen de komende jaren aan externe validering van toetsing (middels gezamenlijke toetsing), externe validering van eindwerkstukken (gezamenlijk protocol) en externe validering via certificering van examinatoren en opleidingen van docenten (bevorderen van toetsdeskundigheid docenten).

Om deze doelstelling te realiseren hebben de hogescholen een plan van aanpak opgesteld waarin zij beschrijven hoe zij uitwerking geven aan het advies van de commissie Bruijn.* Uitgangspunt bij dit plan van aanpak is dat hogescholen het ieder voor zich, maar ook gezamenlijk, tot hun verantwoordelijkheid rekenen om een einde te maken aan de onzekerheid die bestond over de diplomakwaliteit in het hbo. Alle hogescholen willen toewerken naar een sterk verbeterde kwaliteit van toetsing.

Het plan van aanpak, dat ik u heb toegestuurd, bestaat uit vier uitvoeringslijnen, te weten:

  • 1. Gezamenlijk toetsen

  • 2. Deskundigheidsbevordering examinatoren

  • 3. Gezamenlijk protocol beoordeling eindwerkstukken

  • 4. Uitvoeringslijn kennisdeling en communicatie

3. Stand van zaken bestuurlijke afspraken

Met de Vereniging Hogescholen heb ik afgesproken om in 2014 een midterm review uit te voeren met als doel inzichtelijk te maken in hoeverre externe validering binnen de hogescholen is verankerd. De Vereniging Hogescholen heeft mij laten weten dat een midterm review in 2014 te vroeg zou zijn geweest; een aantal uitvoeringslijnen heeft vertraging opgelopen omdat doelstellingen te ambitieus waren geformuleerd. Bijvoorbeeld het opstellen van een gezamenlijk protocol voor de beoordeling van eindwerkstukken heeft meer tijd gekost dan aanvankelijk voorzien.

Op mijn verzoek heeft de Vereniging Hogescholen daarom medio 2015 een tussenrapportage opgeleverd waarin zij mij informeert over de stand van zaken per uitvoeringslijn. Hieronder informeer ik u daarover.

Gezamenlijk toetsen

Afgesproken is dat iedere hogeschool participeert met twee andere hogescholen in tenminste één pilot op het gebied van gezamenlijk toetsen. Sinds het studiejaar 2013/2014 zijn 15 van dergelijke hogeschoolpilots gestart. Iedere hogeschool neemt deel aan één pilot, sommige hogescholen zelfs aan twee of meer pilots. De hogescholen kiezen voor verschillende vormen van externe validering. Er zijn hogescholen die met elkaar samenwerken aan instellingsoverstijgende voortgangstoetsen. Andere hogescholen geven juist weer de voorkeur aan het gezamenlijk beoordelen van praktische vaardigheden, terwijl andere projecten gericht zijn op het uitwisselen van examinatoren en tweede beoordelaars. De theateropleidingen van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten (AHK), ArtEZ en de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht (HKU) zijn daar een goed voorbeeld van; deze opleidingen wisselen examinatoren uit. Bij de Hogeschool van Amsterdam zie ik dat er samen met de Hanzehogeschool Groningen, Avans en Fontys wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een gezamenlijke toets staatsrecht op propedeuseniveau.

Naast deze hogeschoolpilots zijn er per 2014 ook vijf landelijke pilots van start gegaan. In iedere pilot werken de hogescholen (landelijk) samen die een bepaalde opleiding verzorgen. Op die wijze worden binnen de volgende opleidingen landelijke brede gezamenlijke toetsen ontwikkeld:

  • verpleegkunde: pilot met landelijke toets verpleegkundig rekenen voor de bacheloropleidingen verpleegkunde.

  • Verloskunde: pilot met landelijke curriculumonafhankelijke voortgangstoets verloskunde.

  • Maritiem officier: pilot met ontwerp en inrichting gezamenlijke toetsenbank gebaseerd op het integrale curriculum van de maritieme leerlijn.

  • SPH: pilot met landelijke afname van twee kennistoetsen als onderdeel van de (gezamenlijke) «body of knowledge» van de opleidingen.

  • Facility management: pilot met instellingsoverstijgende curriculumonafhankelijke toets.

In het voorjaar van 2015 heeft de Vereniging Hogescholen een bijeenkomst georganiseerd over de stand van zaken van bovengenoemde landelijke pilots. Daaruit kwam naar voren dat deze pilots hebben bijgedragen aan het vergroten van de toetsdeskundigheid door het uitwisselen van informatie over toetsing, door het delen van ervaring en kennis over studenten en curricula. Ook bleek dat examinatoren en docenten zich beter bewust zijn van mogelijke valkuilen bij toetsing. Hoewel de ervaringen met de landelijke pilots als positief worden ervaren, geven examinatoren en docenten aan dat er wel moet worden geïnvesteerd in de samenwerking; met name de organisatorische processen die gepaard gaan met gezamenlijk toetsen kosten tijd en energie bij de verschillende hogescholen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het vastleggen van verantwoordelijkheden, het werkend krijgen van digitale technieken etc.

Zowel de opbrengsten van de hogeschoolpilots als de opbrengsten van de landelijke pilots zullen de basis vormen voor een «Handreiking gezamenlijk toetsen» die in 2017 gereed zal zijn. Vooruitlopend daarop zullen er verschillende bijeenkomsten worden georganiseerd waar ervaringen en kennis worden uitgewisseld over gezamenlijk toetsen. De opbrengsten van deze bijeenkomsten zullen worden meegenomen in de Handreiking.

Deskundigheidsbevordering examinatoren

Examinatoren hebben een cruciale rol in het examen- en toetsproces. De expertgroep Protocol beoordeling eindwerkstukken concludeerde in haar advies dat de kwaliteit van beoordeling voor het grootste deel afhankelijk is van de kwaliteit van de examinator; beoordelen is immers mensenwerk. Voor het vertrouwen in de kwaliteit van het hbo is het daarom van essentieel belang dat examinatoren voldoende geëquipeerd zijn om deze taak naar behoren te kunnen vervullen. Dat vraagt dus om inzet op deskundigheidsbevordering van examinatoren, waar de commissie Bruijn op wijst. Om deskundigheidsbevordering bij examinatoren te realiseren heeft een expertgroep in opdracht van de Vereniging Hogescholen een advies uitgebracht over de ontwikkeling van een basis- resp. seniorkwalificatie examinering (BKE/SKE). Daarbij gaat het om de ontwikkeling van een programma van eisen waaraan scholing zou moeten voldoen. In december 2013 heeft de expertgroep haar rapport opgeleverd en aangeboden aan de Vereniging Hogescholen. De expertgroep stelt vast dat toetsdeskundigheid niet moet worden gezien als een op zichzelf staande doelstelling, maar moet worden beschouwd als een onderdeel van een breder palet aan vaardigheden waarover een examinator moet beschikken. De expertgroep formuleert een aantal leeruitkomsten en indicatoren die kunnen worden gerealiseerd via een «module BKE» en een «module SKE» als onderdeel van een breder deskundigheidsbevorderingsprogramma. De Vereniging Hogescholen heeft besloten deze modules te beschouwen als invulling van de module toetsbekwaamheid van het eerder door haar vastgestelde protocol Basiskwalificatie Didactische Bekwaamheid (BDB). Alle hogescholen hebben zich hieraan gecommitteerd en daarmee ook aan de adviezen die de expertgroep doet met betrekking tot deskundigheidsbevordering van examinatoren.

De hogescholen zijn aan de slag gegaan met het aanbieden van de modules BKE en SKE. Een aantal hogescholen is daar voortvarender in dan andere; sommige hebben de adviezen al geïmplementeerd terwijl andere zich nog in een beginfase bevinden. De Vereniging Hogescholen laat mij weten dat alle hogescholen het belang van het verbeteren van deskundigheidsverbetering van examinatoren onderschrijven en dat er veel belangstelling is om kennis te delen en ervaringen uit te wisselen over hoe deskundigheidsbevordering bij docenten het beste kan worden gerealiseerd.

Inmiddels hebben 28 hogescholen een netwerk gevormd waarin kennis en ervaring over dit onderwerp wordt uitgewisseld. Een onderzoeksteam – als follow-up van de expertgroep – buigt zich over praktijkvraagstukken rond de implementatie van de BKE en SKE. De uitkomsten van dit onderzoek zullen ook gedeeld worden met de hogescholen die (nog) niet deelnemen aan het netwerk.

Protocol beoordeling eindwerkstukken

De Vereniging Hogescholen heeft eind 2012 een tweede expertgroep ingesteld; de Expertgroep protocol beoordeling eindwerkstukken. Deze expertgroep had de opdracht om te onderzoeken of het mogelijk en wenselijk is om eindwerkstukken in het hbo te beoordelen op basis van één, hbo-breed, protocol. Daarnaast is de expertgroep gevraagd om een advies uit te brengen over de wijze waarop dit protocol tot stand dient te komen en aan welke kwaliteitseisen dit dient te voldoen.

In het voorjaar van 2014 heeft de expertgroep haar advies uitgebracht. De expertgroep heeft daarin een aantal kenmerken en uitgangspunten geformuleerd waar een dergelijk protocol aan moet voldoen. Tegelijkertijd concludeert de werkgroep echter, dat één protocol ter beoordeling van alle (eind)werkstukken niet mogelijk én niet wenselijk is omdat de verschillen binnen het hbo te groot zijn; een eindwerkstuk kan een scriptie zijn maar kan net zo goed een proeve van praktische bekwaamheden of handelingsvaardigheden zijn, of een ontwerp. Eén gestandaardiseerd hbo-breed protocol komt daarom naar het oordeel van de expertgroep niet tegemoet aan de verscheidenheid van (eind)werkstukken in het hbo. Daarom adviseerde de expertgroep om pilots te starten met zeven typen eindwerkstukken (per hbo- sector één pilot). Het doel van de pilots is om de algemene kenmerken en uitgangpunten door te ontwikkelen tot een protocol ter verbetering en verantwoording van de specifieke typen eindwerkstukken die in het hbo kunnen worden onderscheiden. Het protocol biedt opleidingen in het hbo handvatten om op valide, betrouwbare en transparante wijze inzichtelijk te maken hoe beoogde eindkwalificaties worden beoordeeld. Een groot aantal opleidingen heeft een aanvraag ingediend voor een pilot. Een beoordelingscommissie heeft deze aanvragen beoordeeld op kwaliteit, relevantie, regionale spreiding en spreiding over de hbo-sectoren. Op basis van deze beoordeling zijn zeven hogescholen gestart met de pilots. Het gaat om Hanzehogeschool Groningen (Logopedie en Werktuigbouwkunde), Hogeschool Rotterdam (Autonome Beeldende Kunst), Hogeschool van Amsterdam (MWD/SPH), Hogeschool Inholland (Facility Management), Saxion Hogescholen (Bedrijfseconomie) en Zuyd Hogeschool (Hogere Juridische Opleiding).

Deze zeven opleidingen werken samen in een «binnenring», die intensief wordt begeleid door deskundigen. Nog eens ongeveer 10 opleidingen nemen deel aan een «buitenring». De resultaten die worden bereikt in de binnenring worden gedeeld met de buitenring.

Kennisdeling en communicatie

Een belangrijke uitvoeringslijn van de bestuurlijke afspraken is kennisdeling en communicatie. Aanleiding voor de bestuurlijke afspraken was onder andere dat er nog weinig ervaring is opgedaan met gezamenlijk toetsen in het hbo. De bestuurlijke afspraken hebben hier een impuls aangegeven. Van belang is dat kennis hierover wordt gedeeld. De Vereniging Hogescholen heeft dat de afgelopen tijd ook gedaan; ik gaf al eerder aan dat er een aantal bijeenkomsten wordt georganiseerd in het kader van de pilots: over gezamenlijk toetsen, de implementatie van BKE/SKE en de ontwikkeling van het protocol voor de beoordeling van eindwerkstukken. Tegelijkertijd laat de Vereniging Hogescholen mij weten dat nog niet alle voorgenomen activiteiten met betrekking tot kennisdeling van start hebben kunnen gaan, vanwege de ontstane vertraging op een aantal uitvoeringslijnen.

4. Vervolg

Ik constateer dat de Vereniging Hogescholen en de hogescholen diverse stappen hebben genomen om uitvoering te geven aan het advies van de commissie Bruijn. Ik merk op dat hogescholen intensief samenwerken bij de ontwikkeling van gezamenlijk toetsen en andere vormen van externe validering. Ook zie ik dat er vanuit de Inspectie van het Onderwijs aandacht is voor de kwaliteit van toetsing in het hoger onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs zal begin volgend jaar een notitie uitbrengen over de ontwikkelingen die zij rond toetsing ziet. Deskundigheidsbevordering heeft door de bestuurlijke afspraken ook aan aandacht gewonnen bij hogescholen; het staat (weer) op de agenda van hogescholen. Dat stemt mij tot tevredenheid. Tegelijkertijd constateer ik ook dat nog niet alle bestuurlijke afspraken met betrekking tot de aanbevelingen van de commissie Bruijn volledig zijn gerealiseerd; de handreiking gezamenlijk toetsen is nog niet gereed en nog niet alle hogescholen hebben de adviezen van de expertgroepen volledig geïmplementeerd. Ik heb er vertrouwen in dat hogescholen dit de komende tijd zullen doen. In 2017 vindt de evaluatie van de bestuurlijke afspraken plaats waarin onder andere zal worden onderzocht in hoeverre hogescholen na de bestuurlijke afspraken vormgeven aan externe validering. Ik zal u daarover te zijner tijd informeren.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

Kamerstuk 31 288, nr. 325

X Noot
2
XNoot
*

Kamerstuk 31 288, nr. 325