Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201131288 nr. 192

31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

Nr. 192 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 27 juni 2011

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 hebben enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 18 februari 2011 inzake het inspectieonderzoek naar Stenden Hogeschool (Kamerstuk 31 288, nr. 157).

Bij brief van 24 juni 2011 heeft de staatssecretaris deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van Bochove

De adjunct-griffier van de commissie,

Boeve

I. Vragen en opmerkingen uit de fracties

De leden van de VVD-fractie vinden het in het kader van rechtmatige besteding van publieke middelen van belang om gedegen onderzoek naar de feiten te doen. De leden hebben dan ook begrip voor de brief van de staatssecretaris maar merken wel op dat dit onderzoek inmiddels erg lang duurt.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris. Deze leden hebben hier een aantal vragen over. Deelt de staatssecretaris de visie van deze leden dat het onacceptabel is dat hogescholen publieke middelen inzetten voor dependances in het buitenland die niet voldoen aan Nederlandse accreditatie-eisen? Zo ja, welke stappen is de staatssecretaris bereid te nemen indien de onderwijsinspectie concludeert dat publieke middelen zijn ingezet door Hogeschool Stenden bij het opzetten van dependances in Bali, Bangkok, Qatar, Zuid-Afrika? In het artikel uit de Volkskrant van dinsdag 22 februari2 wordt gesuggereerd dat er wel Nederlands belastinggeld is ingezet om een privé-universiteit in Berlijn op te zetten. Kan de staatssecretaris bevestigen dat hier sprake van is, met welk doel dat is gebeurd en hoeveel belastinggeld daarmee gemoeid is? En zo ja, wat is de bemoeienis geweest van de Raad van Toezicht in deze zaak en hoe heeft de Raad van Toezicht gehandeld in de kwesties Bali, Bangkok, Qatar en Zuid-Afrika? Tevens wordt de staatssecretaris gevraagd een overzicht te geven van de reis- en verblijfkosten van het College van Bestuur en de directies van Stenden over de laatste vijf jaar. Gaat het hier om reisgedrag dat door de staatssecretaris te kenschetsen is als exorbitant? Is de staatssecretaris het met deze leden eens dat het onacceptabel is dat exorbitant reisgedrag van hogeschoolbestuurders wordt afgewenteld op de Nederlandse belastingbetaler? Ten slotte stellen de leden van deze fractie vast dat studenten van Hogeschool Stenden worden geacht een bijdrage te betalen van 560 euro om ondermeer de kosten van hun stagebegeleiders te dekken. De Hogeschool stelt dat het gaat om een vrijwillige bijdrage. Volgens de studenten gaat het om een verplicht bedrag, bovenop het collegegeld. Kan de staatssecretaris uitsluitsel geven door de volgende vraag te beantwoorden: hebben de studenten het niet goed begrepen of heeft de Hogeschool de studenten misleid? Indien de studenten zijn misleid, is de staatssecretaris dan bereid om de hogeschool opdracht te geven de studenten onmiddellijk te compenseren, zo vragen de leden.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris over het inspectieonderzoek naar de Stenden Hogeschool. De leden willen hun teleurstelling uitspreken over de traagheid waarmee het onderzoek naar instellingen in het hoger onderwijs, waaronder Stenden, tot op heden plaatsvindt. De leden merken op dat de staatssecretaris in zijn brief reeds aangeeft dat er vanaf eind 2008 onderzoek wordt gedaan naar activiteiten van instellingen in het buitenland. De leden willen toch nog nadrukkelijk een toelichting bij de achtergronden waarom dit zo lang duurt.

Daarnaast vragen zij of dit de effectiviteit van dergelijke onderzoeken niet ondermijnt, gelet op de duur van onderzoek naar vermeende misstanden of onduidelijkheden bij een onderwijsinstelling. Hoe kan er snel gereageerd worden op signalen of vragen wanneer uitkomsten van onderzoek zo lang zich laten wachten? Voorts wachten de leden met grote interesse het eindrapport van de onderwijsinspectie af wat in mei voorzien is en wensen zij er tegen die tijd inhoudelijk op terug te komen.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris. Zij constateren dat de Inspectie nog onderzoek doet naar Stenden Hogeschool. De leden vragen of al duidelijk is of publieke middelen worden gebruikt om private activiteiten te financieren.

Deze leden zijn van mening dat de staatssecretaris een einde moet maken aan activiteiten van Nederlandse hogescholen waarbij geld wordt verspild aan commerciële opleidingen in het buitenland. Het verbaast deze leden dat Stenden Hogeschool vestigingen heeft in Zuid-Afrika, Thailand en Qatar. Wat de leden betreft, moet onderwijsgeld naar Nederlandse onderwijsinstellingen. De leden vragen of het juist is dat de kwaliteit van de opleidingen op de buitenlandse Stenden-locaties ernstig te wensen overlaat. Dit naar aanleiding van een artikel in de Volkskrant2. Hoe oordeelt de staatssecretaris over de mogelijke corruptie bij Stenden Qatar, «waar de zeer rijke Arabische studenten op grote schaal hulpjes zouden inhuren om hun examens en opdrachten te maken»? De leden vragen zich af in hoeverre publiek geld wordt gebruikt voor de buitenlandse Stenden-locaties? Is het juist dat dit niet is toegestaan volgens de Wet versterking besturing? Zo ja, wat gaat de staatssecretaris doen om hieraan een eind te maken? Deelt de staatssecretaris de mening dat publieke middelen voor het onderwijs daadwerkelijk aan onderwijs besteed moeten worden? Indien dit het geval is, wil staatssecretaris dan een eind maken aan alle activiteiten van onderwijsinstellingen met overheidsmiddelen die niets met onderwijs hebben te maken, zo vragen de leden. Voorts vernemen zij graag of het klopt dat Stenden Hogeschool de bijdrage van 560 euro voor het stagefonds niet verplicht had mogen stellen aan studenten. Indien dit het geval is, wil de staatssecretaris er dan voor zorgen dat studenten die de bijdrage reeds betaald hebben, hun geld terugkrijgen, zo vragen deze leden.

Voorts vragen de leden of de regering bereid is om de declaraties van bestuurders openbaar te maken, zoals ook wordt verzocht in de aangenomen motie Jasper van Dijk/Jadnanansing over openbaarmaking declaraties4. Is staatssecretaris bereid de informatie uit het Volkskrant-artikel te onderzoeken c.q. mee te nemen in het lopende onderzoek van de Inspectie, zo vragen de leden tot slot.

II. Reactie van de staatssecretaris

Hierbij bied ik u de reactie aan op de vragen en opmerkingen in het conceptverslag van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met dossiernummer 31 288. De vragen zijn gesteld naar aanleiding van de brief van 18 februari 2011 aan de Tweede Kamer over het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs bij Stenden Hogeschool (Kamerstuk 31 288, nr. 157).

Net als de leden van de fracties vind ik het van belang dat instellingen verantwoordelijk en transparant met publieke middelen omgaan. Op 27 mei 2011 is het rapport «Onderzoek financiering buitenlandse activiteiten Stenden Hogeschool» door de inspectie opgeleverd. Ik heb dit onderzoek met mijn beleidsreactie op 10 juni 2011 aan uw Kamer gezonden. Hoewel de uitkomsten van dit onderzoek mij geen grote zorgen baren, moet Stenden Hogeschool op korte termijn een aantal maatregelen nemen om financiële risico’s weg te nemen. De Inspectie van het Onderwijs voert in het najaar nog een vervolgonderzoek uit naar de kwaliteit van de vervolgopleidingen.

Ik deel de mening van de leden van de VVD-fractie dat in het kader van rechtmatige besteding van publieke middelen van belang is dat gedegen onderzoek naar de feiten wordt gedaan. Zij hebben begrip voor, het in mijn brief van 18 februari, geschetste verloop van het onderzoek, maar merken op dat het inspectieonderzoek erg lang duurt.

De doorlooptijd van het onderzoek is lang geweest. Dat heeft er mee te maken dat de opzet van het onderzoek gedurende de looptijd is gewijzigd.

De buitenlandse activiteiten van Stenden om in Berlijn privaat onderwijs aan te bieden vormden de aanleiding voor het verzoek aan de inspectie om hiernaar een onderzoek te doen. Dit betrof een zogenoemd «themaonderzoek», bedoeld om meer zicht te krijgen op de wijze waarop de hoger onderwijssector omging met deze activiteiten. Na een eerste verkenning ontstond medio 2009 behoefte aan nadere definiëring van de onderzoeksvraag. Begin 2010 is ervoor gekozen om het onderzoek vooral te richten op de vraag of publieke middelen worden gebruikt om buitenlandse (private) activiteiten te financieren. Tijdens het onderzoek ontving de inspectie eind 2010 signalen over Stenden Hogeschool, die onder meer betrekking hadden op het onderwerp van het lopende onderzoek. De behandeling van de signalen moest vervolgens worden ingepast in het lopende onderzoek om daarmee de toezichtlast voor Stenden niet verder te laten toenemen.

De leden van de PVV-fractie vragen of ik hun visie deel dat het onacceptabel is dat hogescholen publieke middelen inzetten voor dependances in het buitenland die niet voldoen aan Nederlandse accreditatie-eisen en vragen daarbij welke stappen ik bereid ben te nemen indien de onderwijsinspectie concludeert dat door Hogeschool Stenden publieke middelen zijn ingezet bij het opzetten van dependances in Bali, Bangkok, Qatar, Zuid-Afrika?

Publieke middelen moeten aan onderwijs worden besteed. Onder voorwaarden als genoemd in de WHW, de notities Helderheid en de handreiking Publiek/privaat mogen publieke middelen worden ingezet voor private activiteiten die ten goede komen aan het Nederlandse onderwijs. In dit kader worden voor de zogenaamde Grand Tour (studenten aan reguliere opleidingen in Nederland volgen het programma deels in het buitenland) onder meer publieke middelen ingezet. Dat is op zich niet bezwaarlijk omdat het om financiering van onderwijs aan Nederlandse studenten gaat. Stenden moet wel maatregelen nemen om te voorkomen dat door de relatief hoge Grand Tour vergoeding (voor de eigen studenten ten opzichte van de lokale collegegelden) een vermenging van publieke en private middelen optreedt.

Wat betreft de accreditatie merk ik op dat buitenlandse vestigingen op dit moment nog niet kunnen beschikken over een Nederlandse accreditatie omdat de inwerkingtreding van het desbetreffende artikel in het wetsvoorstel Versterking Besturing is uitgesteld. Op dit moment wordt gewerkt aan een Algemene Maatregel van Bestuur.

Op grond van vigerende wet- en regelgeving moeten Nederlandse hoger onderwijsinstellingen te allen tijde voorkomen dat weglek van publieke middelen ontstaat naar het private, al dan niet buitenlandse domein. Inwerkingtreding van het desbetreffende artikel uit Versterking Besturing brengt hierin geen verandering.

Tegen het investeren van private middelen in private activiteiten in binnen- of buitenland betreft, bestaat uiteraard geen bezwaar.

De leden van de PVV geven aan dat in de Volkskrant van dinsdag 22 februari2 wordt gesuggereerd dat er Nederlands belastinggeld is ingezet om een privé-universiteit in Berlijn op te zetten en vragen of ik dat kan bevestigen en met welk doel dat dan is gebeurd. Ze willen weten hoeveel belastinggeld daarmee gemoeid is.

Uit het inspectierapport blijkt dat voor deze activiteit uitsluitend private middelen zijn aangewend. Er is geen sprake van inzet van publieke middelen in Berlijn. Overigens is Stenden inmiddels gestopt met deze activiteit.

De leden van de PVV fractie vragen als sprake is van inzet van publieke middelen wat de bemoeienis geweest is van de Raad van Toezicht en hoe de Raad van Toezicht heeft gehandeld in de kwesties Bali, Bangkok, Qatar en Zuid-Afrika?

Uit het eerder genoemde rapport komt naar voren dat de inspectie gekeken heeft naar de rol van het College van Bestuur. De rol van de Raad van Toezicht is niet in het onderzoek betrokken.

Voorts vragen de leden van de PVV een overzicht van de reis- en verblijfkosten van het College van Bestuur en de directies van Stenden over de laatste vijf jaar en vragen hierbij of het hier om reisgedrag gaat dat ik kenschets als exorbitant.

Het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs heeft zich gericht op het jaar 2009. Het reisgedrag van het College en van de directie was geen apart onderdeel van het onderzoek, maar is vanwege de genoemde signalen wel door de inspectie marginaal getoetst. Bij deze marginale toetsing heeft de inspectie geen aanwijzingen gevonden voor exorbitant reisgedrag.

De leden van de PVV vragen mij of ik het met hen eens ben dat het onacceptabel is dat exorbitant reisgedrag van hogeschoolbestuurders wordt afgewenteld op de Nederlandse belastingbetaler?

Ik deel de mening van de PVV leden dat het onacceptabel is wanneer exorbitant reisgedrag van hogeschoolbestuurders wordt afgewenteld op de Nederlandse belastingbetaler. Dat is hier vooralsnog niet gebleken.

De leden van de PVV-fractie stellen ten slotte vast dat studenten van Hogeschool Stenden worden geacht een bijdrage van 560 euro te betalen euro om ondermeer de kosten van hun stagebegeleiders te dekken. Volgens Stenden gaat het daarbij om een vrijwillige bijdrage; volgens de studenten gaat het echter om een verplicht bedrag, bovenop het collegegeld. De leden willen weten of de studenten het niet goed hebben begrepen of dat de hogeschool de studenten heeft misleid? De leden van de PVV-fractie vragen of ik bereid ben de hogeschool opdracht te geven de studenten onmiddellijk te compenseren, indien de studenten zijn misleid. Ik wil hierop als volgt reageren.

De inspectie geeft mij aan dat haar niet is gebleken dat er sprake is van misleiding van studenten. Stenden heeft de inspectie hierover gemeld dat het ging om een vrijwillige bijdrage. Vanwege de onduidelijkheden hierover heeft Stenden deze bijdrage inmiddels afgeschaft.

De leden van de PvdA-fractie geven aan te hebben kennisgenomen van mijn brief van 18 februari 2011 over het verloop van het inspectieonderzoek naar Stenden en spreken daarbij hun teleurstelling uit over de traagheid waarmee het onderzoek tot op heden plaatsvindt. De leden merken op dat de ik in mijn brief reeds aangeef dat er vanaf eind 2008 onderzoek wordt gedaan naar activiteiten van instellingen in het buitenland. De leden willen toch nog nadrukkelijk een toelichting bij de achtergronden waarom dit zo lang duurt.

De leden van de PvdA-fractie vragen of deze vertraging, de effectiviteit van dergelijke onderzoeken niet ondermijnt, gelet op de duur van onderzoek naar vermeende misstanden of onduidelijkheden bij een onderwijsinstelling.

Wat betreft de vraag over de lange duur van het onderzoek verwijs ik kortheidshalve naar mijn antwoord op de vraag van gelijke strekking van de VVD-fractie.

Op de vraag van de leden van de PvdA of vertraging de effectiviteit van degelijke onderzoeken ondermijnt merk ik het volgende op. De inspectie stelt bij elk signaal eerst de ernst en de waarde van het signaal vast, zo ook in dit geval. Vervolgens moest het signaal worden ingepast in het lopende onderzoek wat extra tijd vergt ten opzichte van een normale behandeling van een signaal. Daarnaast voert de inspectie ook onderzoek uit naar meerdere signalen.

Indien meerdere signalen tegelijkertijd binnenkomen, moet de inspectie daarin ook een prioriteit in aanbrengen. Daardoor kan het voorkomen dat een signaal wel aanleiding geeft tot onderzoek, maar dat dat onderzoek na een initiële beoordeling wat later wordt uitgevoerd.

Betreffende de vraag van de PvdA-leden hoe snel gereageerd kan worden op signalen of vragen wanneer uitkomsten van onderzoek zo lang zich laten wachten, laat de inspectie mij weten dat acute signalen wel altijd leiden tot een snel onderzoek. Ik wijs in dit verband op het onderzoek van de inspectie naar de declaraties bij Inholland.

De leden van de PvdA- fractie wachten met grote interesse het eindrapport van de onderwijsinspectie dat in mei voorzien is af en wensen zij er tegen die tijd inhoudelijk op terug te komen.

Het eindrapport van de inspectie heb ik op 10 juni 2011, vergezeld van mijn beleidsreactie aan uw Kamer voorgelegd. Op 28 juni 2011 is een Algemeen Overleg voorzien waarin onderhavige kwestie met u nader wordt besproken.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris. Zij constateren dat de Inspectie nog onderzoek doet naar Stenden Hogeschool. De leden vragen of al duidelijk is of publieke middelen worden gebruikt om private activiteiten te financieren.

Uit het inspectierapport en mijn beleidsreactie komt naar voren dat Stenden beschikt over de juiste organisatiestructuur om er voor te (kunnen) zorgen dat er geen vermenging optreedt tussen publieke en private middelen. In sommige gevallen bestaat risico van weglek van publieke middelen naar het private domein van Stenden. Stenden moet er voor zorgen dat dit in de toekomst niet meer het geval is. Daartoe moet men maatregelen treffen en mij daarover berichten.

De leden van de SP zijn van mening dat een einde moet worden gemaakt aan activiteiten van Nederlandse hogescholen waarbij geld wordt verspild aan commerciële opleidingen in het buitenland. Zij geven daar bij aan verbaasd te zijn dat Stenden vestigingen heeft in Zuid-Afrika, Thailand en Qatar.

Wat de leden betreft, moet onderwijsgeld naar Nederlandse onderwijsinstellingen.

Hoger onderwijs instellingen willen zich ook buiten de landsgrens kunnen manifesteren om op het internationale speelveld een rol van betekenis te vervullen Met het wetsvoorstel Versterking Besturing heb ik daarvoor ruimte gecreëerd.

Met de leden van de SP-fractie ben ik van mening dat publieke middelen aan onderwijs moeten worden besteed. Zoals ik ook eerder heb aangegeven mogen onder voorwaarden als genoemd in de WHW, de notities Helderheid en de handreiking Publiek/privaat publieke middelen worden ingezet voor private activiteiten die ten goede komen aan het Nederlandse onderwijs. Op grond van vigerende wet- en regelgeving moeten Nederlandse hoger onderwijsinstellingen daarbij te allen tijde voorkomen dat weglek van publieke middelen ontstaat naar het private, al dan niet buitenlandse domein. Inwerkingtreding van het desbetreffende artikel uit Versterking Besturing in werking brengt hierin geen wijziging.

De leden van de SP vragen mij vervolgens naar aanleiding van een artikel in de Volkskrant of het juist is dat de kwaliteit van de opleidingen op de buitenlandse Stenden-locaties ernstig te wensen overlaat.

In mijn beleidsreactie van 10 juni 2011 op het eindrapport van de inspectie heb ik aangegeven dat de kwaliteit van de opleidingen in het buitenland geen onderdeel is geweest van het onlangs gepubliceerde inspectieonderzoek. De inspectie voert in het najaar van 2011 een vervolgonderzoek naar de kwaliteit uit. Eind 2011 zal zij dit rapport opleveren.

De leden van de SP vragen wat mijn oordeel is over mogelijke corruptie bij Stenden Qatar, «waar zeer rijke Arabische studenten op grote schaal hulpjes zouden inhuren om hun examens en opdrachten te maken»?

In het vervolgonderzoek naar de kwaliteit van het buitenlandse onderwijs zal de inspectie ook kijken naar de rol van de examencommissie. Deze is primair verantwoordelijk voor een ordelijk verloop van examens en het afgeven van deugdelijke diploma’s. Uit dat onderzoek moet blijken of er sprake is van onregelmatigheden.

De leden van de SP vragen zich af in hoeverre publiek geld wordt gebruikt voor de buitenlandse Stenden-locaties? Is het juist dat dit niet is toegestaan volgens de Wet versterking besturing? Zo ja, wat gaat de staatssecretaris doen om hieraan een eind te maken?

In mijn beleidsreactie van 10 juni 2011 betreffende het inspectierapport heb ik aangegeven dat de inspectie heeft vastgesteld dat Stenden over de juiste organisatiestructuur beschikt om er voor te kunnen zorgen dat er geen vermenging optreedt tussen publieke en private middelen. Op de punten waar toch risico van weglek van publieke middelen naar het private domein van Stenden bestaat, moet Stenden er voor zorgen dat dit in de toekomst niet meer het geval is.

Zoals ik meermaals heb aangegeven vind ik dat Nederlandse hoger onderwijsinstellingen te allen tijde moeten voorkomen dat weglek van publieke middelen ontstaat naar het private, al dan niet buitenlandse domein. De vraag van de leden van de SP-fractie of het juist is dat investeren van publiek middelen in private activiteiten als Versterking Besturing op dit punt inwerking treedt, ook niet geoorloofd is, kan ik bevestigd beantwoorden.

De leden van de SP vragen mij of ik de mening deel dat publieke middelen voor het onderwijs daadwerkelijk aan onderwijs besteed moeten worden.

Uiteraard deel ik deze mening.

De leden SP vragen mij of ik in dat geval een eind wil maken aan alle activiteiten van onderwijsinstellingen met overheidsmiddelen die niets met onderwijs te maken hebben.

Zoals ik reeds eerder heb aangegeven, moeten publieke middelen aan onderwijs worden besteed. Onder voorwaarden mogen publieke middelen worden ingezet voor private activiteiten die ten goede komen aan het Nederlandse onderwijs. Als het gaat om private activiteiten die geen relatie hebben met het onderwijs, dan mogen publieke middelen niet daarvoor worden ingezet. Als ik daartoe signalen ontvang, zullen deze volgens de gebruikelijke signalenprocedure aan de inspectie worden overgedragen.

De leden van de SP vernemen graag of het klopt dat Stenden Hogeschool de bijdrage van 560 euro voor het stagefonds niet verplicht had mogen stellen aan studenten.

De inspectie heeft van Stenden vernomen dat het ging om een vrijwillige bijdrage. Vanwege de onduidelijkheden hieromtrent heeft Stenden deze bijdrage van de studenten inmiddels afgeschaft.

De leden van de SP vragen of ik bereid ben er dan voor te zorgen dat studenten die de bijdrage reeds betaald hebben, hun geld terugkrijgen.

Omdat Stenden de inspectie ervan heeft kunnen overtuigen dat hierbij er geen sprake was van een verplichte bijdrage, zal ik hierop geen actie ondernemen

Voorts vragen de leden van de SP of de regering bereid is om de declaraties van bestuurders openbaar te maken, zoals ook wordt verzocht in de aangenomen motie Jasper van Dijk/Jadnanansing over openbaarmaking declaraties4.

Deze vraag kan ik bevestigend beantwoorden. Ik vind dat alle instellingen in het hoger onderwijs transparant verantwoording moeten afleggen over vergoedingen aan en declaraties van bestuurders. Ik tref daarom twee maatregelen die voor het gehele hoger onderwijsveld van toepassing zullen worden:

  • Alle hoger onderwijsinstellingen zullen in 2012 inzicht geven in de declaraties in 2011 per bestuurder, op basis van een nog te ontwikkelen standaardformat.

  • Alle hoger onderwijsinstellingen moeten met ingang van 2012 over een reglement beschikken betreffende te declareren vergoedingen. Dit zal onderdeel uitmaken van het controleprotocol en daarmee ook de externe accountantsverklaring.

Ten slotte vragen de leden of ik bereid ben de informatie uit het Volkskrant-artikel te onderzoeken c.q. mee te nemen in het lopende onderzoek van de Inspectie.

De inspectie zal de inhoud van het artikel als achtergrondinformatie meenemen bij het vervolgonderzoek.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Ham, B. van der (D66), Bochove, B.J. van (CDA), voorzitter, Haverkamp, M.C. (CDA), Miltenburg, A. van (VVD), Ortega-Martijn, C.A. (CU), Bosma, M. (PVV), Dijk, J.J. van (SP), Ouwehand, E. (PvdD), Dibi, T. (GL), Wolbert, A.G. (PvdA), ondervoorzitter, Biskop, J.J.G.M. (CDA), Smits, M. (SP), Elias, T.M.Ch. (VVD), Beertema, H.J. (PVV), Dijkstra, P.A. (D66), Jadnanansing, T.M. (PvdA), Dekken, T.R. van (PvdA), Dijkgraaf, E. (SGP), Çelik, M. (PvdA), Lucas, A.W. (VVD), Klaveren, J.J. van (PVV), Klaver, J.F. (GL) en Liefde, B.C. de (VVD).

Plv. leden: Koşer Kaya, F. (D66), Ferrier, K.G. (CDA), Werf, M.C.I. van der (CDA), Burg, B.I. van der (VVD), Schouten, C.J. (CU), Dille, W.R. (PVV), Kooiman, C.J.E. (SP), Thieme, M.L. (PvdD), Peters, M. (GL), Dam, M.H.P. van (PvdA), Toorenburg, M.M. van (CDA), Wit, J.M.A.M. de (SP), Hennis-Plasschaert, J.A. (VVD), Mos, R. de (PVV), Pechtold, A. (D66), Dijsselbloem, J.R.V.A. (PvdA), Klijnsma, J. (PvdA), Staaij, C.G. van der (SGP), Hamer, M.I. (PvdA), Harbers, M.G.J. (VVD), Gerbrands, K. (PVV), Sap, J.C.M. (GL) en Lodders, W.J.H. (VVD).

X Noot
2

Studenten en docenten Stenden: studie in buitenland is «lachertje», Volkskrant d.d. 22 februari 2011.

X Noot
4

Kamerstuk 31 288, nr. 154.