31 239 Stimulering duurzame energieproductie

Nr. 289 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 juni 2018

Bijgaand stuur ik u, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), de jaarlijkse rapportage over de lopende energieprojecten onder het energieakkoord. Dit projectenboek geeft alle lopende en afgeronde projecten onder de Rijkscoördinatieregeling (RCR) in 2017 weer. Vanwege de maatschappelijke wens voor betrokkenheid bij projecten met impact op de leefomgeving pas ik omgevingsmanagement toe. In deze brief ga ik in op die maatschappelijke context, de toepassing van omgevingsmanagement en de toekomstige samenwerking met medeoverheden bij RCR-projecten.

De energietransitie doet een beroep op schaarse ruimte

De energietransitie is een enorme opgave. Onderdeel van die opgave is het vinden van voldoende ruimte om nieuwe vormen van opwek, transport en opslag te realiseren. Naarmate de energietransitie vordert zal het ruimtebeslag dat nodig is voor energie-infrastructuur toenemen. Dat betekent dat de komende jaren een groter beroep gedaan zal worden op onze toch al schaarse ruimte. Dat betekent ook dat energie voor veel mensen letterlijk steeds dichterbij komt. Naarmate energie dichterbij komt, neemt vaak ook de weerstand toe.

Daarom pas ik bij de inpassing van energieprojecten omgevingsmanagement toe. De vijf beginselen van de visie op omgevingsmanagement die mijn ambtsvoorganger in 2016 heeft uiteengezet in de brief Samen energieprojecten realiseren, visie op omgevingsmanagement (Kamerstuk 31 239, nr. 211) dienen daarbij als basis voor de vormgeving van besluitvormingsprocessen rond energieprojecten. Deze vijf beginselen zijn:

  • Zoek gemeenschappelijke belangen en geef vanuit die belangen vorm aan projecten;

  • Betrek de omgeving zo vroeg mogelijk;

  • Vergroot de transparantie en het vertrouwen;

  • Omgevingsmanagement is een gezamenlijke verantwoordelijkheid (van bevoegd gezag en initiatiefnemer);

  • Lever maatwerk per project.

Toepassing omgevingsmanagement bij de Rijkscoördinatieregeling

Een zorgvuldig, toegankelijk proces en een herkenbare belangenafweging vergroot het vertrouwen in de besluitvorming over een project. Maar dat niet alleen: een gedegen proces en transparante besluitvorming vergroot ook het vertrouwen in toekomstige projecten. Hiermee kan het effect van goed omgevingsmanagement verder reiken dan een enkel project of besluit.

Onder de RCR ben ik samen met de Minister van BZK het bevoegd gezag voor de ruimtelijke planvorming en coördineer ik de vergunningverlening voor energieprojecten van nationaal belang. Het doel van de RCR is het proces rondom energieprojecten samen met de belanghebbenden ordentelijk, gestroomlijnd en overzichtelijk te laten lopen. De projecten van nationaal belang waarop de RCR van toepassing is, zijn nu grofweg in te delen in 3 categorieën:

  • 1. grootschalige duurzame en conventionele opwek van elektriciteit;

  • 2. hoofdtransportnetwerken voor de distributie van elektriciteit en gas (inclusief nieuwe stikstoffabriek), zowel op land als op zee;

  • 3. mijnbouwactiviteiten onder Natura 2000-gebieden.

In projecten die sinds 2016 gestart zijn is de visie op omgevingsmanagement richtinggevend in het vormgeven van de besluitvormingsprocedure. Hiervoor is in elk van de drie bovenstaande categorieën een pilot aangewezen. In deze pilots worden, samen met de omgeving, decentrale overheden en de initiatiefnemer, leerervaringen opgedaan en nieuwe werkwijzen toegepast om de omgeving beter te betrekken bij de besluitvorming. Twee van deze pilots (Zeewolde en Hollandse Kust Zuid) zijn inmiddels afgerond en geëvalueerd. In het projectenboek wordt hier specifieker op ingegaan.

De huidige RCR wordt in 2021 in de Omgevingswet vervangen door het projectbesluit. In het projectbesluit worden procesparticipatie, een participatieplan en een verkenning vooraf verplichte onderdelen van de wettelijke besluitvormingsprocedure. Bij de praktische invulling van omgevingsmanagement werk ik zo veel mogelijk in de geest van de Omgevingswet door een aantal elementen die in het toekomstige projectbesluit zitten, nu al toe te passen.

Lessen en borging

Vorig jaar is er een evaluatie geweest van de RCR. Hierover heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer geïnformeerd (Kamerstuk 31 239, nr. 254). Conform de aanbevelingen van onderzoeksbureau Andersson Elffers Felix (AEF) bekijk ik per project welk bestuursniveau het meest geschikt is om een project in te passen.1 Deze benadering past goed in de verantwoordelijkheidsverdeling die – onder regie van de Minister van BZK – in het Interbestuurlijk Programma (IBP) is vastgelegd (Kamerstuk 29 362, nr. 266).

Uitgangspunt daarbij is dat toekomstige bevoegdheden voor ruimtelijke inpassing en het bijbehorende omgevingsmanagement de uitkomst zijn van interbestuurlijke afspraken over het meest geschikte bestuursniveau dat een energieproject kan inpassen. Een aparte vraag hierbij is of, als onderdeel van het handhaven van afspraken uit het Klimaatakkoord, het Rijk in voorkomende gevallen de bevoegdheid over moet kunnen nemen van de andere overheden.

Voor het Rijk is in ieder geval een rol weggelegd bij de ruimtelijke inpassing van distributienetwerken op land en op zee en voor een deel van de mijnbouwactiviteiten, zoals gaswinning en de opslag van CO2. Met name bij duurzame opwekprojecten zal per situatie beoordeeld moeten worden welk bestuursniveau het meest geschikt is om deze projecten in te passen.

Ook zijn er in het kader van omgevingsmanagement bij drie projecten (Windparken Fryslân, Drentse Monden/Oostermoer en N33) gebiedscoördinatoren actief geweest, met wisselend succes. Dit heeft er toe geleid dat de rol van gebiedscoördinator nu anders wordt ingevuld: in plaats van een gebiedscoördinator wordt nu een omgevingsmanager vanuit het Rijk aangewezen. Het is zijn of haar taak de gevoeligheden, belangen en verhoudingen in het gebied in kaart te brengen en waar nodig partijen en processen te begeleiden.

Het Projectenboek

Het Projectenboek 2017, dat u bijgaand treft2, biedt een overzicht van alle afgeronde en lopende RCR-projecten. Hoewel het overzicht procedurele eenduidigheid uitstraalt, is het belangrijk te beseffen dat de daadwerkelijke invulling van de verschillende fasen in de procedure van een project uiteindelijk mensenwerk en maatwerk zijn. Niettemin is het leerzaam om hierbij wel de ervaringen uit eerdere projecten mee te nemen. Op die manier ontwikkel ik samen met verschillende initiatiefnemers in de energiesector een pallet aan maatwerkopties voor de inrichting van besluitvormingsprocessen.

Het Projectenboek 2017 bevat een serie interviews met belanghebbenden bij (pilot)projecten. Uit de interviews blijkt dat het leveren van maatwerk en het vergroten van transparantie voor, en vertrouwen bij de betrokkenen, cruciale elementen voor goed omgevingsmanagement zijn. Daarnaast blijkt het belangrijk dat er een duidelijke rolinvulling is en dat onderlinge verwachtingen benoemd worden. Tijd blijkt ook een belangrijke factor. Vooral aan het begin van het proces moet er genoeg tijd uitgetrokken worden om belanghebbenden rond een project goed te betrekken.

De interviews met belanghebbenden laten het leerproces dat we hebben doorgemaakt goed zien. Het ging vaak met vallen en opstaan, want de praktijk van het inpassen van projecten is weerbarstig en zal ook in de toekomst een leerproces blijven. Ik ben er echter van overtuigd dat alle partijen die betrokken zijn bij de inpassing van energieprojecten een duidelijke leercurve laten zien.

Met het oog op de opgave in 2050 is het van belang dat we geleerde lessen zo snel mogelijk in praktijk toepassen.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes


X Noot
1

In de huidige praktijk betekent deze aanpak dat grootschalige zon-PV-projecten door provincies worden ingepast. In 2017 zijn bijvoorbeeld zonnepark Vlagtwedde B.V. en zonnepark Energiepark Duurkenakker buiten de RCR geplaatst.

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

Naar boven