Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201131209 nr. 150

31 209 Schoon en zuinig

Nr. 150 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 juni 2011

In het wetgevingsoverleg met uw Kamer was 26 januari 2011 het wetsvoorstel ter implementatie van de Europese richtlijnen nr. 2009/28/EG (energie uit hernieuwbare bronnen), nr. 2009/30/EG (brandstofkwaliteit) en nr. 2009/33/EG (schone en energiezuinige wegvoertuigen) aan de orde. In reactie op de motie van de heer Jansen c.s.1 heb ik toegezegd u binnen zes maanden te informeren over het handhavingskader waarbinnen de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) toezicht en handhaving zal vorm geven. Hierbij treft u dat handhavingskader aan2.

Zoals ik u in een eerdere brief3 al aankondigde zal in 2011 en 2012 de registratie van gegevens plaats vinden met behulp van een tijdelijk systeem. Gezien de complexiteit van de Europese regelgeving en het feit dat nog niet alle benodigde instrumenten beschikbaar zijn, zoals voldoende Europees geaccepteerde certificeringschema’s, zal daarbij het accent liggen op het in gezamenlijkheid met het bedrijfsleven goed inregelen van de implementatiemaatregelen.

In de afgelopen maanden is bij dit inregelen gebleken dat de implementatiemaatregelen onbedoeld meer bedrijven onder de reikwijdte van de regelgeving hebben gebracht dan beoogd werd. Ik wil dat zo spoedig mogelijk corrigeren, zodat de lasten voor het bedrijfsleven in lijn blijven met de berekeningen die zijn weergegeven in de nota van toelichting bij het Besluit hernieuwbare energie vervoer4. De NEa kan het werk dan focussen op die bedrijven waar het overgrote deel (ruim 99%) van de biobrandstoffen wordt geblend en/of op de Nederlandse markt gebracht.

Met name van de zeer kleine bedrijven (bedrijven die minder dan 5 000 liter per jaar op de markt brengen) en van de bedrijven in de tussenhandel die niet blenden, geen hoge blends biobrandstoffen verhandelen en ook niet zelf brandstoffen op de markt brengen, wil ik geen onnodige registratie eisen. Voor zover deze laatste bedrijven vrijwillig in het systeem willen meedoen, laat ik die mogelijkheid open.

Ik onderzoek of en hoe het daarvoor noodzakelijk is genoemd besluit te wijzigen. Ik zal uw Kamer daartoe, zoals door mij toegezegd in bovenvermeld wetgevingsoverleg, het ontwerpbesluit voorleggen. Voor de jaren 2011 en 2012 vraag ik de NEa in lijn met bovenstaande toezicht en handhaving te concentreren op de categorie bedrijven die verantwoordelijk is voor het blenden en/of op de Nederlandse markt brengen van ruim 99% van de biobrandstoffen en niet te handhaven op de categorieën van bedrijven die zullen worden uitgezonderd.

Voor de bedrijven die van de in genoemd besluit geboden «opt in» voor biogas of elektriciteit gebruik maken en voor de bedrijven die niet onder de verplichting van het Besluit hernieuwbare energie vallen maar wel onder het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging5 (ter implementatie van de Richtlijn brandstofkwaliteit) verwijs ik naar bijgevoegd handhavingskader.

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

J. J. Atsma


X Noot
1

Kamerstukken II, 2010/11, 32 357, nr. 15.

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
3

Kamerstukken II, 2009/10, 31 209, nr. 144.

X Noot
4

Stb. 2011, 197.

X Noot
5

Stb. 2011, 192.