Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201131209 nr. 135

31 209 Schoon en zuinig

Nr. 135 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 september 2010

Tijdens het Algemeen Overleg op 15 september 2010 over de voortgang van de inwerkingtreding van de AMvB windturbines (wijziging Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en het Besluit Omgevingsrecht), is een aantal vragen met een technisch karakter gesteld. Ik heb toegezegd deze vragen schriftelijk te beantwoorden. Hierbij doe ik u mijn antwoorden op de gestelde vragen toekomen.

Van Veldhoven (D66):

Hoe verhoudt het beschermingsniveau van de voorgestelde normstelling van 47 dB Lden en 41 dB Lnight zich tot die van de normstelling voor andere brontypen? Wat is de rechtvaardiging voor deze verschillen?

Zoals mevrouw van Veldhoven stelt, is het inderdaad zo dat er normverschillen zijn. De voorgestelde normering voor windturbines biedt een grotere mate van bescherming tegen het optreden van hinder dan de maximaal toelaatbare waarden voor de aanleg van andere typen infrastructuur.

De Nederlandse geluidregelgeving kent een uitgebreid normstelsel voor wegverkeer, railverkeer, luchtvaart en industrie. In onderstaande tabel is weergegeven welk percentage ernstig gehinderden correspondeert met bestaande geluidnormen (nieuwe situatie) en de voorgestelde normering voor windturbines:

 

Snelwegen

Spoorwegen

Industrieterrein

Luchtvaart

Windturbines

Voorkeurswaarde

4%

4%

2%

30%

--

Maximaal toelaatbare waarde

14%

16%

9%

54%

9%

Uit oogpunt van bescherming tegen hinder verdient het de voorkeur om normen op een zo streng mogelijk niveau vast te stellen. Het maatschappelijk belang dat gediend wordt met de aanleg van infrastructuur heeft echter tot gevolg dat het in de praktijk noodzakelijk is om een bepaalde mate van hinder te accepteren. De mate waarin dit het geval is, verschilt per type infrastructuur. Bij de normering voor windturbines in het kader van het activiteitenbesluit is er alleen sprake van een maximale waarde. In de praktijk is het bij andere brontypen veelal niet mogelijk om aan de voorkeurswaarden te voldoen, de maximaal toelaatbare waarden geven de minimale bescherming aan.

Hoe verhoudt de voorgestelde normstelling van 47 dB Lden en 41 dB Lnight zich tot de internationale normen van de WHO? Verandert de nachtnorm van 41 dB Lden iets aan de huidige situatie?

Het door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) geadviseerde niveau is 40 dB Lnight (Night noise guidelines for Europe; WHO 2009). Er zijn verder geen specifieke internationale advieswaarden voor windturbinegeluid vastgesteld. In het geval van windturbinegeluid komt een norm van 47 dB Lden in de praktijk overeen met 41 dB Lnight. Deze nachtnorm biedt evenveel bescherming als de huidige nachtnorm in het activiteitenbesluit van 40 dB(A).

De norm van 47 dB is strenger dan de huidige vergunningenpraktijk in de kustprovincies. Gaan er zo geen goede mogelijkheden voor windturbineparken verloren in de kustgebieden?

Uitgangspunt bij de totstandkoming van de norm van 47 dB Lden was het zo normneutraal mogelijk omzetten van de bestaande normering naar de dosismaat Lden. Bij de nieuwe normering hoort tevens een verbeterde berekeningsmethodiek, die rekening houdt met het lokale windprofiel (KNMI-gegevens). Dit heeft tot gevolg dat er situaties kunnen zijn, zoals in kustprovincies, waar de nieuwe methodiek meer beperkend is dan de oude normering en berekeningsmethode. Een minder strenge norm is ongewenst, omdat die ook zou gelden voor de rest van Nederland. Door het gunstige windklimaat resteren er echter voldoende mogelijkheden om te komen tot rendabele projecten, met name in gebieden met weinig woningen, zoals grote wateren, waterstaatswerken, grootschalige polders en droogmakerijen.

Dijkgraaf (SGP):

Erkent de minister dat de Europese richtlijn omgevingslawaai en de daarin voorgeschreven Lden-maat, met name gericht is op het in kaart brengen van de totale structurele geluidsbelasting in verschillende gebieden en het op termijn terugdringen van deze geluidsbelasting? Waarom wordt deze Europese regelgeving dan aangevoerd ter verdediging van de nieuwe geluidsregelgeving voor windturbines?

De Lden is in Nederland ingevoerd in 1998. Dit gebeurde op basis van een advies van de Gezondheidsraad (nr. 23 van 1997). Daarin staat dat de tot dan toe gebruikte geluidmaten in Nederland (Letmaal, Kosten-eenheid, L95, Lmax, LA,rt) niet geschikt zijn voor het voorspellen van de belangrijkste effecten van geluid op de mens. Dit advies heeft er toe geleid dat geleidelijk alle geluidmaten in Nederland op deze leest worden geschoeid. Het eerst met luchtvaartlawaai, daarna weg- en railverkeer in 2003.

Intussen is er, met de richtlijn omgevingslawaai, ook op Europees niveau gekozen om de dosismaat Lden te hanteren,

Hoe waardeert de minister het feit dat het MER voor het windmolenpark in de Noordoostpolder uitgaat van de voorgestelde nieuwe regelgeving voor geluid (circulaire en ontwerpbesluit), terwijl het MER werd gepubliceerd voordat de ontwerpcirculaire en het ontwerpbesluit naar buiten werden gebracht?

Het MER over de windmolenparken in de Noordoostpolder heeft vanaf 12 november 2009 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Op dat moment waren het ontwerpbesluit wijziging milieuregels windturbines en de ontwerpcirculaire al openbaar gemaakt. Kanttekening is nog dat het MER niet «uitgaat» van deze nieuwe ontwerp-regels, doch dat het deze beschrijft naast de bestaande regels voor geluid van windturbines.

Jansen (SP), Dijkgraaf (SGP) en Van Veldhoven (D66):

Waarom is in het ontwerpbesluit niet langer sprake van gebiedsgerichte differentiatie in de normstelling? In de toelichting op het vigerende Activiteitenbesluit staat toch dat juist voor het landelijk gebied overwogen wordt een nachtnorm van 35 dB(A) op te nemen?

De gedifferentieerde normstelling waar naar verwezen wordt heeft betrekking op de normering voor kleinschalige bedrijvigheid dichtbij woningen in landelijk gebied. De windparken zoals die nu in ontwikkeling zijn, zijn vergelijkbaar met nationale infrastructuur, zoals het hoofdwegennet en spoorlijnen. Daarvoor gelden andere regels en daarom is er geen gebiedsdifferentiatie. Voor een nadere toelichting verwijs ik graag naar de antwoorden op de vragen 5 en 27 in het verslag van het schriftelijk overleg (Kamerstukken II, 2009–2010, 31 209, nr. 110).

Jansen (SP):

Voldoen de windturbines langs de A12 bij Moordecht aan de norm voor het plaatsgebonden risico van 10-6/jr?

De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van 10-6/jr. geldt niet voor wegen.

Het beleid voor de ten opzichte van transportassen aan te houden afstanden is neergelegd in de «Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken» (Ministerie van VenW, 2002) en in de beleidsvisie «Windturbines langs auto-, spoor- en vaarwegen; beoordeling van veiligheidsrisico’s» (Rijkswaterstaat en NS Railinfrabeheer, 1999). De hierin neergelegde uitgangspunten worden in het kader van de vergunningverlening gehanteerd. Het gaat hierbij in de praktijk, bijzondere gevallen daargelaten, meestal om afstanden van 30–50 meter. De vier windturbines op bedrijfsterrein Distripark bij Waddinxveen naast de A12 voldoen aan deze beleidsregel.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. C. Huizinga-Heringa