Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201931125 nr. 95

31 125 Defensie Industrie Strategie

Nr. 95 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 15 januari 2019

De vaste commissie voor Defensie heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Defensie over de brief van 15 november 2018 inzake Defensie Industrie Strategie (Kamerstuk 31 125, nr. 92).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 15 januari 2019. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Aukje de Vries

De griffier van de commissie, De Lange

1

Hoe weegt u, in het licht van het ontbreken van een level playing field, bij het gunnen van contracten dat sommige buitenlandse ondernemingen door buitenlandse overheden gesteund worden en/of deels in staatshanden zijn, in tegenstellingen tot de private Nederlandse industrie?

De Europese staatssteunregels zorgen ervoor dat ondernemingen niet zonder meer financieel ondersteund of bevoordeeld kunnen worden door overheden. Daarnaast geldt dat een inschrijver binnen de aanbestedingsregelgeving niet kan worden uitgesloten omdat (een deel van de) aandelen in overheidseigendom is.

Tegelijkertijd is er altijd een risico dat een inschrijving buiten proportioneel laag is. Indien een inschrijving voor een opdracht wordt gedaan die in verhouding tot de te verrichten werken, leveringen of diensten abnormaal laag lijkt, kan de aanbestedende dienst de inschrijver verduidelijkingen over de samenstelling van de desbetreffende inschrijving vragen en daarbij expliciet de ontvangst van staatssteun betrekken. Een inschrijving kan op grond van staatssteun worden afgewezen, indien de inschrijver niet hard kan maken dat de ontvangen staatssteun in overeenstemming is met de EU-regels (zie bijv. artikel 2.107, vierde lid, ADV).

2

Hoe beoordeelt u het in Nederland aanwezige kennisniveau voor het kunnen «refitten» en ombouwen van de Walrus-klasse onderzeeboten, zoals dat thans plaats vindt? Hoe beoordeelt u het Nederlandse kennisdomein over inzet en exploitatie van onderzeeboten? Betreft deze kennis een nationaal veiligheidsbelang?

3

Is de kennis en kunde die ingezet wordt voor de «mid-life-update» van de Walrus-klasse afkomstig vanuit de eigen Nederlandse industrie, MKB en kennisinstituten, of komt deze kennis uit het buitenland. Zo ja, uit welke buitenlanden?

Defensie moet beschikken over voldoende kennis van geavanceerde wapensystemen zoals onderzeeboten om de nationale veiligheidsbelangen te kunnen beschermen. Voor de inzet en instandhouding van de onderzeeboten van de Walrusklasse is in Nederland voldoende kennis beschikbaar. Dat geldt ook voor het project «Instandhouding Walrusklasse onderzeeboten».

De benodigde apparatuur voor dit project is voor een deel afkomstig van leveranciers uit Duitsland, Frankrijk, Noorwegen en de Verenigde Staten. Nederlandse leveranciers van dergelijke apparatuur zijn niet voor elk onderdeel beschikbaar. Defensie heeft voor de ontwerpactiviteiten en de uitvoering van dit project – voor zover deze activiteiten al niet door Defensie zelf zijn uitgevoerd – alleen Nederlandse bedrijven ingeschakeld.

4

Beoordeelt u het behoud van de kennis binnen de Nederlandse defensie-gerelateerde industrie en de «Gouden Driehoek» van Defensie, bedrijfsleven en kennisinstituten als een nationaal veiligheidsbelang?

24

Beoordeelt u het behoud van de kennis binnen de Nederlandse defensiegerelateerde industrie en de «Gouden Driehoek» van Defensie, bedrijfsleven en kennis als een nationaal veiligheidsbelang?

De Nederlandse defensie technologische en industriële basis kan worden versterkt door een intensievere samenwerking tussen overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven in de zogenaamde «gouden driehoek». Door de krachten te bundelen kunnen technologisch geavanceerde producten worden ontwikkeld en een zo hoog mogelijke operationele inzetbaarheid van wapensystemen tegen zo laag mogelijke kosten worden gerealiseerd. De versterking van de samenwerking in de gouden driehoek moet zich vooral concentreren op de in de DIS gepresenteerde industriële capaciteiten en kennis- en technologiegebieden die van belang worden geacht voor het nationaal veiligheidsbelang.

5

Klopt het dat de exploitatiekosten van de Walrus-klasse onderzeeboten gunstig zijn, relatief laag in vergelijking met buitenlandse onderzeeboten? In hoeverre is deze gunstige prestatie geleverd dankzij de Nederlandse kennis op onderzeebootgebied?

Voor het maken van deze vergelijking ontbreken de benodigde gegevens. Nederland heeft onvoldoende inzicht in de exploitatiekosten van de huidige onderzeeboten van buitenlandse marines, omdat beschikbare informatie ontbreekt.

6

Hoe is de levertijd- en budget-betrouwbaarheid geweest van de Nederlandse marinebouwindustrie in de afgelopen twintig jaar?

7

Hoe is de ervaring van Defensie met het projectmanagement van de huidige Nederlandse Marinebouw, met name voor wat betreft planning en budgetbeheersing? Hoe beoordeelt u het presteren hierin van de Nederlandse marinebouwindustrie ten opzichte van de diverse buitenlandse marinebouwindustrieën?

26

Hoe is uw ervaring met het projectmanagement van de huidige Nederlandse marinebouw, met name voor wat betreft planning en budgetbeheersing? Hoe beoordeelt u het presteren hierin van de Nederlandse marinebouwindustrie ten opzichte van de diverse buitenlandse marinebouwindustrieën?

De Nederlandse marinebouwindustrie heeft in de afgelopen twintig jaar hoogwaardige oppervlakteschepen gebouwd voor het Commando Zeestrijdkrachten, waaronder de vier Luchtverdedigings- en Commandofregatten, twee Landing Platform Docks, vier Oceangoing Patrol Vessels en het Joint Support Ship. Defensie heeft bij deze schepen dan ook overwegend goede ervaringen met de samenwerking met de industrie en de kennisinstituten bij de bouw van oppervlakteschepen. Bij deze wijze van samenwerking voeren Defensie, de industrie en de kennisinstituten zowel bij het ontwerp als tijdens de bouw intensief overleg om het ontwerp te vervolmaken en kwesties die tijdens de bouw ontstaan, gezamenlijk op te lossen. In het rapport van TRIARII «Economische effecten marinebouwcluster» (kamerstuk 31 125, nr. 90) is dit nogmaals onderstreept.

Omdat Defensie in de afgelopen decennia geen grote marineschepen in het buitenland heeft laten bouwen, is het niet mogelijk op basis van eigen ervaringen een onderbouwde vergelijking te maken tussen de in Nederland gebruikte werkwijze en die in andere landen.

8

De Defensie Industrie Strategie (DIS) en het Triarii-rapport beschrijven de onderlinge betrokkenheid binnen de Nederlandse marinebouwindustrie, Defensie zelf en de kennisinstellingen («de Gouden Driehoek») als een bepalende succesfactor voor het ontwikkelen en bouwen van geavanceerde marineschepen. Verwacht u, wanneer er voor de bouw van de onderzeeboten wordt gekozen voor een buitenlandse aanbieder, dezelfde manier van samenwerking en kennisuitwisseling zoals we die kennen in de «Gouden Driehoek»?

20

Draagt de ontwikkeling/bouw van onderzeeboten in een Nederlands-Zweedse combinatie bij aan de instandhouding van kennis die vitaal is voor het behoud van nationale veiligheid? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

27

Hoe waarborgt u de instandhouding van Nederlandse kennis bij uitbesteding van grote projecten zoals onderzeeboten aan buitenlandse industrieën?

Voor Nederland is een zelfscheppend marinebouwcluster van strategisch belang. Aangezien Nederland echter niet beschikt over een zelfscheppende onderzeebootindustrie, is voor de vervanging van de Walrusklasse-onderzeeboten internationale samenwerking noodzakelijk. Defensie heeft inmiddels informatie ontvangen van meerdere Europese onderzeebootleveranciers. Bij de uiteindelijke keuze van een leverancier spelen meerdere factoren een rol, waaronder de mogelijkheden voor internationale samenwerking en de mogelijkheden voor inschakeling van de Nederlandse kennisinstituten en industrie, met het oog op het waarborgen van de kennis op het gebied van onderzeeboten ter bescherming van de nationale veiligheidsbelangen.

Zoals eerder toegezegd ontvangt de Kamer in 2019 de B-brief van het project «Vervanging onderzeebootcapaciteit» waarin Defensie nader zal ingaan op deze aspecten.

9

In beantwoording op vraag 3 van de feitelijke vragen over het Materieelprojectenoverzicht (MPO) 2018 (Kamerstuk 27 830, nr. 271) gaf u aan dat mogelijke vertragingen die ontstaan door capaciteitstekorten bij de Defensie Materieel Organisatie (DMO) door samenwerking met het bedrijfsleven en kennisinstituten binnen de gouden Driehoek zal worden beheerst. Hoe wilt u een eventueel capaciteitstekort oplossen wanneer er niet binnen de Nederlandse Gouden Driehoek» wordt aanbesteed?

Allereerst proberen we natuurlijk capaciteitstekorten te voorkomen door gericht te werven voor bijvoorbeeld technische en inkoopfuncties bij de DMO. Zo zijn er bijvoorbeeld onlangs op een groot inkoperscongres actief inkopers geworven, voor dienstverband of om reservist te worden. Daarnaast worden er aanbestedingen op andere manieren gedaan, zoals meer onderzoek door derden of het (technisch) ontwikkelen als onderdeel van de aanbesteding op te nemen.

Door bijvoorbeeld het onderhoud gezamenlijk uit te voeren, wordt meer gebruik gemaakt van elkaar kennis en competenties in de «gouden driehoek». Aan de andere kant is de gouden driehoek daar niet randvoorwaardelijk voor. Deze arrangementen kunnen we ook op individuele basis met bedrijven overeenkomen, omdat er meer aanbieders komen die naast producten ook dienstverlening aanbieden in markten waar dat vroeger niet of minder voor kwam.

10

Hoe kan het beleid rondom een «adaptieve krijgsmacht» bijdragen aan de capaciteit(-stekorten) bij de DMO?

25

Hoe kan het beleid rondom een «adaptieve krijgsmacht» bijdragen aan de capaciteit(-tekorten) dij de DMO?

DMO werkt aan het oplossen van capaciteitstekorten onder andere door het opbouwen van een flexibele schil van personeel. Denk daarbij aan het inzetten van reservisten, werkstudenten, inhuurkrachten etc. Ook het programma GrIT is een voorbeeld van toepassing van het gedachtegoed van de adaptieve krijgsmacht binnen DMO. De insteek van dit programma is dat de marktpartij substantiële inzet levert in het ontwikkelen en beheren van de IT-infrastructuur, waardoor de capaciteit van DMO alternatief kan worden ingezet. Ook voor de ontwikkeling van de nieuwe maritieme projecten worden zowel kennisinstituten als marktpartijen ingezet voor activiteiten die anders door capaciteit van DMO zouden worden uitgevoerd.

DMO maakt ook gebruik van de mogelijkheid om in haar organisatie (veelal tijdelijke) formatie op te nemen die gefinancierd wordt uit een project of programma. Voorts maakt DMO steeds vaker gebruik van raam- en afroepcontracten waar instandhouding in is opgenomen. Hierdoor worden de instandhoudingsketens bij de Defensieonderdelen ontlast. Door het delen van capaciteiten, zowel personeel als materieel, wordt tot slot ook op een adaptieve wijze geprobeerd om capaciteitstekorten op te lossen.

11

Op welke punten verschilt de DIS van 2018 (significant) ten opzichte van de DIS van 2013?

In vergelijking met de DIS van 2013 staan in deze DIS de wezenlijke belangen van nationale veiligheid meer centraal. Op basis van de wezenlijke belangen van nationale veiligheid is bepaald welke essentiële militaire taken de krijgsmacht met een zekere mate van autonomie moet kunnen uitvoeren. Op basis van deze essentiële militaire taken is bepaald welke kennis, technologie en industriële capaciteiten zoveel als mogelijk nationaal moeten worden verankerd om de wezenlijke belangen van nationale veiligheid te kunnen beschermen. De herziene DIS beperkt zich dus niet alleen tot prioritaire technologiegebieden, maar omvat de kennis, technologie en capaciteiten die Nederland in eigen huis nodig heeft om essentiële militaire taken zelfstandig te kunnen uitvoeren. Daarnaast strekt deze DIS zich niet alleen uit tot de ontwikkeling en productie van defensiematerieel, maar ook tot instandhouding en gereedstelling.

Niet alleen is gekeken naar wat nationaal verankerd zou moeten ter bescherming van de wezenlijke belangen van nationale veiligheid, maar ook is gekeken naar de Nederlandse maat en de in Nederland aanwezige kennis en kunde. Aangezien Nederland onderscheidend is op in de DIS geïdentificeerde gebieden zijn deze niet alleen van belang voor het beschermen van de wezenlijke belangen van nationale veiligheid, maar kan Nederland hier ook de Europese Defensiemarkt versterken en een hoogwaardige bijdrage leveren aan de Europese veiligheid. Zo wordt Nederland een partner die wat te bieden heeft aan bondgenoten.

Ten slotte presenteert de herziene DIS niet alleen de gewenste Nederlandse defensie technologische en industriële basis (DTIB), maar ook wordt aangegeven welke instrumenten nodig zijn om deze Nederlandse DTIB te versterken, te beschermen en internationaal te positioneren. De herziene DIS presenteert een instrumentarium met ambitie en focus en geeft betere handvatten voor het bepalen van de verwervingsstrategie en het industrieel participatie beleid van het Ministerie van EZK.

12

Zijn er indicatoren vastgesteld voor de evaluatie van de nieuwe DIS? Zo ja, welke?

Nee, er zijn geen indicatoren vastgesteld voor de evaluatie van de nieuwe DIS.

13

Worden er nog stappen ondernomen om de lijst van wapens, munitie en oorlogsmaterieel, met inbegrip van kernwapens, waarop de bepalingen van artikel 296, lid 1, punt b) van het Verdrag van Rome (het huidige artikel 346 VWEU) van toepassing zijn, aan te passen?

15

De DIS gaat nadrukkelijk in op hedendaagse technologie. Kan dit ook gezegd worden van de lijst van wapens, munitie en oorlogsmaterieel, met inbegrip van kernwapens, waarop de bepalingen van artikel 296, lid 1, punt b) van het Verdrag van Rome (het huidige artikel 346 VWEU) van toepassing zijn? Wanneer wordt deze lijst uit 1958 aangepast?

80

Kunt u de lijst van militair materieel uit 1958 aan de Tweede Kamer toesturen?

De lijst van militaire goederen vastgesteld op 15 april 1958 bepaalt het toepassingsbereik van artikel 346, eerste lid, onderdeel b, VWEU en lijkt op onderdelen gedateerd te zijn. Toch biedt de lijst tot op heden voldoende interpretatieruimte om indien noodzakelijk de wezenlijke belangen van de Nederlandse veiligheid met een beroep op artikel 346 VWEU te beschermen. Bovendien kan Nederland op grond van artikel 346 VWEU voorkomen dat informatie gedeeld wordt, indien de wezenlijke belangen van de Nederlandse veiligheid dreigen te worden aangetast. Deze mogelijkheid is niet beperkt tot de technologie vermeld op de lijst uit 1958. Voor het toepassingsbereik van de ADV en de daarin opgenomen bijzondere mogelijkheden om de nationale veiligheid te borgen geldt ook dat het toepassingsbereik van de ADV ruimer is dan de lijst uit 1958 (zie artikel 2.1 ADV). De ADV is begin 2018 geëvalueerd (Kamerstuk 32 768, nr. 11).Er is geen voornemen bekend van de Europese wetgever tot aanpassing van de lijst uit 1958. De lijst is als bijlage bij beantwoording van deze vragen gevoegd1.

14

De Defensiegerelateerde luchtvaartindustrie werd in het verleden als strategische sector aangemerkt, waarmee flinke hoogwaardige technologische ontwikkelingen zijn gerealiseerd. Mag de luchtvaartsector ervan uit gaan dat ze net als de marinebouw een strategische partner van de Nederlandse overheid blijft, zoals bijvoorbeeld bij het in oprichting zijnde «Future Vertical Lift» programma het geval is?

16

De Defensiegerelateerde luchtvaartindustrie werd in het verleden als strategische sector aangemerkt, waarmee flinke hoogwaardige technologische ontwikkelingen zijn waargemaakt. Mag de luchtvaartsector ervan uit gaan dat ze net als de marine een strategische partner van de Nederlandse overheid blijft, zoals bijvoorbeeld bij het in oprichting zijnde «Future Vertical Lift» programma het geval is?

De luchtvaartsector is en blijft een strategische partner van de Nederlandse overheid.

15

De DIS gaat nadrukkelijk in op hedendaagse technologie. Kan dit ook gezegd worden van de lijst van wapens, munitie en oorlogsmaterieel, met inbegrip van kernwapens, waarop de bepalingen van artikel 296, lid 1, punt b) van het Verdrag van Rome (het huidige artikel 346 VWEU) van toepassing zijn? Wanneer wordt deze lijst uit 1958 aangepast?

Zie het antwoord op vraag 13.

16

De Defensiegerelateerde luchtvaartindustrie werd in het verleden als strategische sector aangemerkt, waarmee flinke hoogwaardige technologische ontwikkelingen zijn waargemaakt. Mag de luchtvaartsector ervan uit gaan dat ze net als de marine een strategische partner van de Nederlandse overheid blijft, zoals bijvoorbeeld bij het in oprichting zijnde «Future Vertical Lift» programma het geval is?

Zie het antwoord op vraag 14.

17

Bij de lidstaten van de EU bestaat verschil over de interpretatie van de criteria voor wapenexport. De DIS geeft aan dat Nederland aandacht gaat vragen voor een strikte toepassing. Hoe wordt het accent op de harmonisering van de interpretatie van het wapenexportbeleid gelegd?

EU-lidstaten zijn zelf verantwoordelijk voor de toetsing van wapenexportaanvragen aan de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Het kabinet respecteert deze soevereine verantwoordelijkheid. Het kabinet blijft wel inzetten op het verminderen van het aantal gevallen waarbij de ene EU-lidstaat een vergunning afwijst, waarna een andere EU-lidstaat een vergelijkbare vergunning alsnog toewijst; het zogenaamde «no undercut» beginsel. Het EU-consultatiemechanisme is erop gericht om dergelijke gevallen te voorkomen. Als een EU-lidstaat een vergelijkbare aanvraag in behandeling heeft welke eerder door een andere lidstaat is afgewezen, moet de behandelende lidstaat de afwijzende lidstaat consulteren. Het kabinet grijpt dergelijke consultaties aan om afwijzingsgronden bij alle EU-partners te benadrukken. Nederland doet dit steevast zeer uitgebreid en transparant, en benadrukt in EU-verband het belang hiervan regelmatig. Op deze wijze draagt Nederland bij aan een zorgvuldige en consequente toepassing van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport.

18

Klopt het dat een rechtsgang door een Nederlands onderneming, die is benadeeld door staatgesteunde buitenlandse concurrentie, niet meer kan leiden tot het alsnog binnen de Nederlandse industrie (her-)plaatsen van de betrokken order?

19

Hoe gaat u waarborgen, voordat de opdrachtverlening plaatsvindt, dat er geen staatsbevoordeling van eigen industrieën is of afdoende wordt gecompenseerd?

Een Nederlandse onderneming die zich benadeeld voelt door buitenlandse concurrentie en daarbij het vermoeden heeft dat de relevante aanbestedingsprocedure en gunning door een EU-lidstaat niet correct is doorlopen, kan een kort geding starten om voorlopige maatregelen te laten nemen om de beweerde inbreuk ongedaan te maken of te voorkomen dat de betrokken belangen verder worden geschaad. Dit kan bijvoorbeeld door de opschorting van de gunningsprocedure voor of van de verdere uitvoering van een opdracht. In een bodemprocedure kan de Nederlandse onderneming inzetten op het laten vernietigen van een gunningsbesluit en het opnieuw laten doen van de aanbestedingsprocedure. Ook kan de Nederlandse onderneming schadevergoeding eisen. Daarnaast kan de Nederlandse onderneming bij de nationale rechter van de desbetreffende lidstaat een procedure aanspannen met de klacht dat er sprake is van ongeoorloofde staatssteun, of een klacht over ongeoorloofde staatssteun indienen bij de Europese Commissie. De Europese Commissie kan vervolgens een onderzoek instellen en volledige terugvordering van de staatssteun gelasten bij de betrokken EU-lidstaat.

De Nederlandse overheid is zelf niet in staat om bevoordeling van ondernemingen door andere landen als zodanig te voorkomen. Wel kan de Nederlandse overheid indien relevante informatie beschikbaar is, dit delen met de Europese Commissie en het betrekken bij de beoordeling van abnormaal lage inschrijvingen. De Europese Commissie is – onder toezicht van het Hof van Justitie – exclusief bevoegd ten aanzien van de toetsing van de verenigbaarheid van staatssteun van EU-lidstaten met de Europese regels. Voor zover het gaat om bevoordeling van ondernemingen door landen die niet tot de EU behoren, kan de Europese Commissie in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek optreden.

20

Draagt de ontwikkeling/bouw van onderzeeboten in een Nederlands-Zweedse combinatie bij aan de instandhouding van kennis die vitaal is voor het behoud van nationale veiligheid? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

Zie het antwoord op vraag 8.

21

Hoe verhoudt het inmiddels aangenomen Europese investeringsfonds EDIDP (EU Defence Industrial Development Programme) voor 2019–2020 zich tot de Nederlandse DIS?

In de DIS wordt weergegeven welke kennis en capaciteiten in Nederland nodig zijn om wezenlijke belangen van nationale veiligheid te beschermen. Omdat niet alles wat Defensie nodig heeft in Nederland geproduceerd kan worden, werken we ook samen met andere landen. Het is daarmee van belang dat niet alleen de Nederlandse, maar de gehele Europese defensie industriële en technologische basis steviger in de schoenen staat. Een van de doelen van het EDIDP en het daaropvolgende Europees Defensiefonds (EDF) is juist om grensoverschrijdende samenwerking te stimuleren. Daarmee kan het fonds bijdragen aan een meer gelijk speelveld in Europa.

Door in Europees verband samen capaciteiten te ontwikkelen kunnen kosten worden bespaard en schaalvoordelen worden gecreëerd en kunnen de Europese lidstaten over capaciteiten en systemen beschikken die op elkaar zijn afgestemd, waardoor meer interoperabiliteit ontstaat. Door het Nederlandse bedrijfsleven en kennisinstellingen goed te positioneren kunnen zij via het EDF ook in aanmerking komen voor onderzoeks- en ontwikkelingsopdrachten over onze eigen landsgrenzen heen. Zie ook het antwoord op vraag 11.

22

Is de bouw/ontwikkeling van een nieuwe onderzeeboot door een Nederlands-Zweedse combinatie te zien als een EU-samenwerking op defensiematerieel gebied? Hoe ziet u deze samenwerking in het licht van de consolidatie van de Europese defensie-industrie?

Zoals toegelicht in het antwoord op de vragen 8 en 20 is Defensie met meerdere Europese leveranciers in gesprek over de vervanging van de Walrusklasse-onderzeeboten. De keuze van een onderzeebootleverancier brengt ook intensieve samenwerking met het land van herkomst met zich mee op defensie- en regeringsniveau. Dit kan uiteraard worden beschouwd als Europese samenwerking, maar het staat los van EU-brede initiatieven zoals de oprichting van het Europees Defensiefonds (EDF).

Op het gebied van marinebouw wordt in Europa steeds meer samengewerkt, maar een verdergaande consolidatie is op dit moment nog onzeker. Landen beschouwen hun marinebouwcapaciteit vaak als een strategisch belang en Nederland vormt daarop geen uitzondering. De mate en het tempo waarin de consolidatie zal doorzetten, is dan ook moeilijk te voorspellen.

23

Blijft de Nederlandse eigen kennis zoals die nu in de Nederlandse industrie, kennisinstellingen en de Koninklijke Marine zelf beschikbaar is ook gegarandeerd op hetzelfde niveau als nu wanneer er uitbesteding plaats vindt aan buitenlandse industrieën die deels staatseigendom zijn?

Uitbesteding van een project aan een buitenlandse industrie kan leiden tot een erosie van het kennisniveau. Wel beoogt de Nederlandse overheid om ook bij dergelijke uitbestedingen zoveel als mogelijk de Nederlandse industrie en kennisinstituten te betrekken door bijvoorbeeld de inzet van industriële participatie.

24

Beoordeelt u het behoud van de kennis binnen de Nederlandse defensiegerelateerde industrie en de «Gouden Driehoek» van Defensie, bedrijfsleven en kennis als een nationaal veiligheidsbelang?

Zie het antwoord op vraag 4.

25

Hoe kan het beleid rondom een «adaptieve krijgsmacht» bijdragen aan de capaciteit(-tekorten) dij de DMO?

Zie het antwoord op vraag 10.

26

Hoe is uw ervaring met het projectmanagement van de huidige Nederlandse marinebouw, met name voor wat betreft planning en budgetbeheersing? Hoe beoordeelt u het presteren hierin van de Nederlandse marinebouwindustrie ten opzichte van de diverse buitenlandse marinebouwindustrieën?

Zie het antwoord op vraag 6.

27

Hoe waarborgt u de instandhouding van Nederlandse kennis bij uitbesteding van grote projecten zoals onderzeeboten aan buitenlandse industrieën?

Zie het antwoord op vraag 8.

28

Op welke wijze wordt de meest passende verwervingsstrategie geoperationaliseerd in het Defensie Materieel Proces (DMP)?

In de behoeftestellingsfase (A-fase) zal op basis van de DIS nadrukkelijker dan voorheen worden gekeken of er sprake is van een wezenlijk belang van nationale veiligheid. Uiterlijk in de onderzoeksfase (B-fase) van het DMP wordt de verwervingsstrategie vastgesteld. Uitgangspunt hierbij zijn de wettelijke eisen en voorwaarden waaraan Defensie als overheidsopdrachtgever is gehouden. Hierbij worden aspecten meegenomen zoals: welke alternatieven er zijn om binnen de financiële kaders in de behoefte te voorzien, de voordelen van nationale en internationale samenwerking, de benutting van de nationale kennisinfrastructuur, de inschakeling van Nederlandse (defensie)bedrijven en overige nationale belangen.

29

Kunt u de infographs op pagina 3 en 5 ook kwantificeren? Wat zijn de cijfermatige verhoudingen?

Nee, de infographics kunnen niet worden gekwantificeerd. De infographics zijn slechts richtinggevend.

30

Is het in technologiegebieden waar Nederland niet sterk (meer) in is de bedoeling bedrijvigheid te gaan ontwikkelen, bijvoorbeeld communicatiesystemen, ICT en munitie?

Daar waar het gaat om technologiegebieden die belangrijk zijn voor een effectieve uitvoering van militaire taken en waarvan de ambitie als «meeontwikkelen» is geoormerkt, kan dat het geval zijn. Dit kan ook gelden voor industriële capaciteiten die van belang zijn voor het beschermen van de wezenlijke belangen van nationale veiligheid. Wel is het zo dat aspecten als schaalvoordelen, reeds ingezette internationale samenwerking op materieel logistiek domein en de volwassenheid van de internationale defensiemarkt een rol spelen in deze afweging.

31

Waarom wordt energiegerelateerde technologie in het kader van de steeds sneller verlopende energietransitie niet genoemd?

In de DIS zijn keuzes gemaakt voor opkomende technologiegebieden, waarbij de focus heeft gelegen op de technologieën die een belangrijke rol zullen spelen in het uitvoeren van essentiële militaire taken ter bescherming van de wezenlijke belangen van nationale veiligheid. Energiegerelateerde technologie is – ondanks het belang dat daar aan wordt gehecht – een ondersteunende technologie, die indirect van invloed is op het uitvoeren van militaire taken.

32

Kunt een overzicht geven van de productieplannen en de chronologische planning op de middellange termijn voor kleine UAV's en satellieten voor inlichtingenfuncties?

Defensie beschikt op dit moment over meerdere typen kleine UAV’s, zowel systemen voor specifiek militair gebruik als systemen voor de commerciële markt. Planmatig wordt rekening gehouden met periodieke vervanging van de militaire systemen. Zo is de reguliere vervanging van de Family of Systems (Raven, Puma, Wasp) op dit moment voorzien in 2023. Omdat de ontwikkelingen in de markt elkaar snel opvolgen, wordt er door Defensie onderzocht hoe er flexibeler op toekomstige ontwikkelingen kan worden ingespeeld.

Wat betreft satellietcapaciteit onderzoekt Defensie de toegevoegde waarde van kleine satellieten voor de ondersteuning van militaire operaties en bij steunverlening in het kader van nationale of internationale veiligheid. Defensie ontwikkelt momenteel een demonstrator om ervaring op te doen met de bouw en het gebruik van kleine satellieten. Hiermee is Defensie in staat om de mogelijkheden, exacte behoefte en kosten van een dergelijke capaciteit goed in kaart te brengen. De ontwikkelingen in de markt gaan net als bij onbemande systemen snel en dit vraagt om een adaptieve houding. Op basis van eerste ervaringen, verdere planvorming en ontwikkelingen in de markt worden de komende jaren verdere stappen gezet. Hoe dit er exact uit gaat zien, kan op dit moment nog niet worden aangegeven, maar op basis van de huidige ontwikkelingen en op basis van ervaring met internationale partners kan al wel gezegd worden dat ruimtevaart van meerwaarde is voor het inlichtingenproces.

33

Wat zijn de criteria bij de kritische beoordeling van buitenlandse overnames in de Nederlandse defensie- en veiligheidsindustrie?

71

Wanneer verwacht u duidelijkheid te hebben over welke mogelijkheden er zijn voor bescherming van Nederlandse bedrijven tegen (vijandige) overnames die een bedreiging kunnen vormen voor de nationale veiligheid en het soeverein kunnen handelen van het Koninkrijk in het veiligheidsdomein?

Zoals in de DIS is aangegeven, kan de defensiesector worden gezien als een «vitale sector». In dat kader zal er in het verlengde van de ex-ante-analyse naar het vitale proces «inzetbaarheid Defensie» ook een ex-ante analyse worden uitgevoerd naar de defensiesector. Deze analyse zal in de eerste helft van 2019 worden uitgevoerd. Aan de hand van de resultaten van deze ex-ante analyse zal worden bezien of, en zo ja, welke, beschermingsmaatregelen tegen ongewenste overnames en investeringen nodig zijn. Vooruitlopend op deze ex-ante analyse is het nog niet mogelijk om criteria te schetsen die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van buitenlandse overnames in de Nederlandse defensie- en veiligheidsindustrie. Dit maakt juist onderdeel uit van deze ex-ante analyse.

34

Wat is uw definitie van launching customer? Hoe verhoudt deze term, die gekoppeld lijkt te zijn aan het betalen van de ontwikkelkosten, gevolgd door het kopen van het product, zich tot de economie, waar een launching customer meestal een klant is waarmee wordt overeengekomen om een nog te ontwikkelen product te kopen als de ontwikkeling voltooid is, wat niet automatisch (en meestal niet) betekent dat deze klant de initiële ontwikkelkosten ook betaalt? Hoe verhoudt zich een en ander tot het innovatiepartnerschap dat in de aanbestedingswet 2016 staat?

Onder launching customership verstaan we dat de Nederlandse overheid de eerste afnemer is van een nieuw product. De praktische uitwerking kan op verschillende manieren worden vormgegeven. Het innovatiepartnerschap is een van de opties, maar ook het huidige CODEMO-instrument van Defensie. Bij CODEMO dragen overheid en bedrijfsleven gezamenlijk de risico’s en delen de ontwikkelingskosten.

35

Defensie werkt in de diverse kennis en innovatie-afdelingen (K&I) intensief samen met de kennis-sector en daagt deze uit om nieuwe ideeën te genereren en uit te werken. Herkent u de steeds terugkerende klacht dat een bedrijf of organisatie dat zo’n idee – vaak op eigen kosten – samen met Defensie heeft uitgewerkt, vervolgens bij de aanbesteding wordt uitgesloten wegens voorkennis of (potentiële) belangenverstrengeling, zowel het grootbedrijf als het MKB? Hoe stelt u zeker dat de bedenkers en uitwerkers van technische- en andere ideeën recht wordt gedaan en dat deze niet worden uitgesloten van betrokkenheid bij ontwikkeling en uitvoering?

Het delen van kennis tussen het bedrijfsleven en Defensie in een pré-commerciële fase vraagt doorlopend aandacht van beide partijen. Zowel de markt als Defensie hebben een verantwoordelijkheid in het waarborgen van een gelijk speelveld. Defensie kan dit bijvoorbeeld realiseren in de vorm van het organiseren van openbare marktconsultaties en door transparant te zijn over het doel van het kennisdelen en hoe de verworven kennis verder wordt gebruikt. Bij CODEMO-projecten speelt dit in mindere mate, omdat CODEMO projecten kunnen worden uitgezonderd van Europese aanbesteding. Zoals in de DIS is gemeld, is het de ambitie dat de CODEMO-regeling wordt doorontwikkeld zodat het ook voor grotere bedrijven en zelfscheppende industrie mogelijk wordt gemaakt gebruik te maken van een dergelijke regeling. Het bedrijfsleven zal richting Defensie ook duidelijk moeten zijn in haar verwachtingen, het omgaan met of gebruik maken van ingebrachte kennis en zich rekenschap moeten geven dat Defensie gebonden is aan aanbestedingsregelgeving.

36

Welke landen hebben een DIS uitgebracht of zullen dat doen? Uit welke van die rapporten blijkt de spanning tussen eigen verantwoordelijkheid voor nationale veiligheid en de noodzaak tot samenwerking? Is er coördinatie geweest tussen Nederland en deze bondgenoten? Zo nee, waarom niet?

Door verschillende landen is een Defensie Industrie Strategie uitgegeven. Voorbeelden zijn Frankrijk, Duitsland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk. Ook de Verenigde Staten hebben onlangs een soortgelijk document uitgebracht. Uit al deze strategieën blijkt de spanning tussen behoud van eigen soevereiniteit en samenwerking met partnerlanden. In het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is aan de lidstaten overgelaten te definiëren wat zij de wezenlijke belangen van nationale veiligheid vinden. Doordat de EU dit expliciet aan de individuele landen overlaat, ligt coördinatie niet voor de hand.

37

Hoe bevordert de Europese Commissie de synergie tussen voor Defensie relevante civiele beleidsterreinen zoals satellietcommunicatie, cyber, luchtvaart en maritieme veiligheid?

De Europese Commissie geeft aan de synergie te willen bevorderen tussen defensieonderzoek en civiel onderzoek, het Europese ruimtevaartprogramma, Europese cyber-initiatieven, de civiel-militaire maritieme veiligheidsagenda en andere relevante programma’s, waaronder het fonds voor Interne Veiligheid (ISF). Dit kan met name worden gedaan door het waarborgen van technische compatibiliteit, adviezen en expertise te delen en samenwerking te faciliteren. Defensieonderzoek valt onder het Meerjarig Financieel kader van de Europese Commissie. Het streven van de Europese Commissie is om zowel in Horizon2020 als ook in de toekomst binnen Horizon Europe synergie te vinden op het gebied van onderzoek en innovatie met andere programma’s zoals het EDF.

38

Wat betekent de Brexit voor defensiematerieelprojecten die uitgevoerd worden door Britse bedrijven?

De gevolgen van Brexit voor defensiematerieelprojecten die worden uitgevoerd door Britse bedrijven, hangen sterk af van de vraag of een terugtrekkingsakkoord tot stand komt en in werking treedt en welke toekomstige samenwerking tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie tot stand komt. De Europese Commissie heeft diverse notices gepubliceerd over de gevolgen van de status van het Verenigd Koninkrijk als derde land. Uit deze notices blijkt dat Britse en Nederlandse bedrijven rekening zullen moeten houden met extra vergunningsprocedures en administratieve formaliteiten voor de in- en uitvoer van materialen en technologie. Ook zullen deze bedrijven rekening moeten houden het wegvallen van de wederzijdse erkenning van veiligheidsverklaringen voor medewerkers die worden ingeschakeld bij de uitvoering van defensiematerieelprojecten.

De bedrijven dienen voorts rekening te houden met het wegvallen van certificaten, conformiteitsbeoordelingen en wederzijdse erkenning van standaarden voor goederen. Tot slot zullen Britse bedrijven rekening moeten houden met gevolgen van de Brexit voor het uitwisselen en detacheren van personeel tussen enerzijds de Britse vestiging en Nederlandse productie- of dienstverleningslocaties.

Naar verwachting zullen de defensiematerieelprojecten wel uitgevoerd kunnen blijven worden door Britse bedrijven, maar bij deze uitvoering kunnen er vertragingen en verhoogde kosten optreden, hetgeen mede afhankelijk is van de vraag of een terugtrekkingsakkoord tot stand komt. Daarbij moet worden opgemerkt dat Verenigd Koninkrijk een NAVO bondgenoot is en blijft en voortgezette samenwerking tussen het VK en Nederland, ook bij defensiematerieelprojecten, mogelijk blijft.

39

Op welke wijze is de input of het werk van de NATO Industrial Advisory Group concreet meegenomen in de DIS?

NATO Industrial Advisory Group heeft geen directe input geleverd voor de DIS.

40

Welke aanvullende maatregelen zijn nodig om een industriële en technologische basis binnen Nederland te behouden? Welke stelt u voor?

In de Defensie Industrie Strategie zijn de maatregelen opgenomen die wij nodig achten om de industriële en technologische basis in Nederland te versterken, te beschermen en internationaal te positioneren.

41

Bent u het ermee eens dat een totaal level playing field in Europa op Defensiegebied niet haalbaar is?

102

In welke mate is volgens het kabinet van een level playing field?

Het beschermen van het veiligheidsbelang blijft een soevereine taak van de overheid. Om deze reden zal een totaal level playing field in Europa op defensiegebied onwaarschijnlijk zijn. Wel zet het kabinet zich in voor het verbeteren van een level playing field in Europa. Een aantal maatregelen die worden genoemd in de DIS, waaronder het Europees Defensiefonds en het industrieel participatiebeleid van het Ministerie van EZK, moet bijdragen tot het realiseren van een beter level playing field. Binnen het EDF worden bedrijven gestimuleerd om over nationale grenzen heen te kijken.

42

Betekent dit dat de Navalgroup inmiddels ook onder de nationale industrie wordt geschaard, omdat het een bedrijf in Nederland heeft geregistreerd?

Naval Group is een multinationale onderneming waarvan de moedermaatschappij een Franse naamloze vennootschap is met een substantieel meerderheidsaandeel door de Franse Staat. Het enkele feit dat deze onderneming een in Nederland gevestigde dochteronderneming heeft geregistreerd, volstaat op zich niet om de gehele Naval Group tot de Nederlandse industrie te rekenen. Voor diverse onderdelen van het Nederlandse beleid geldt niet alleen een formele oprichting en registratie, maar dient er ook sprake te zijn van voldoende economische activiteit in Nederland door middel van een daadwerkelijke en duurzame vestiging en deelname aan het economisch verkeer in Nederland. Pas dan kan de desbetreffende dochteronderneming daadwerkelijk worden gezien als onderdeel van de Nederlandse industrie.

43

Op welke onderdelen zijn Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen toonaangevend op het terrein van biotechnologie die ook op defensiegebied kan worden toegepast?

Nederland heeft een voortrekkersrol op het gebied van biotechnologie, mede door scienceparken in Leiden, Utrecht en Delft, Wageningen University & Research (WUR) en bedrijven als DSM, Crucell, Unilever en de kennisinstituten zoals RIVM en TNO. De onderzoekscentra en bedrijven ontwikkelen producten op het gebied van voedsel, farmacie, en de zogeheten «biologicals» (waaronder vaccins). Biotechnologie biedt voor Defensie zowel dreigingen (tegenstanders kunnen gevaarlijke stoffen ontwikkelen) als kansen (medicijnen om militairen te genezen na besmetting met een gevaarlijke stof).

44

Wat is electro-optische technologieontwikkeling?

63

Waarom is er, gezien de aanwezigheid van Nederlandse kennis op dat gebied, voor gekozen om optische en infraroodsensoren van de plank te kopen? Is overwogen om de productie van sensoren onderdeel te maken van wat de «Nederlandse maat» wordt genoemd?

64

Vermeld wordt dat optische- en infraroodsensoren van de plank worden gekocht. Klopt het dat deze technologie (optische sensoren voor nachtzicht) nationaal ontwikkeld wordt en uniek is binnen Europa? Is deze vermelding schadelijk voor enkele technologiepartners in Nederland? Waarom heeft u de ontwikkeling en productie van hoogtechnologische sensoren voor nachtzicht voor militairen niet aangemerkt als cruciaal onderdeel van de in de DIS genoemde «Nederlandse maat»? Bent u bereid dit te corrigeren?

Met electro-optische technologieontwikkeling wordt de ontwikkeling van sensoren bedoeld in het elektro-optisch domein, bijvoorbeeld infraroodcamera’s. In algemene zin kan gesteld worden dat de kwaliteit van civiele optische- en infraroodsensoren voor waarneming op het land die van militaire sensoren benadert. Hier is een beroep op de markt mogelijk. Door de markt haar werk te laten doen zorgen we ervoor dat we het beste product tegen de beste prijs kunnen kopen. Wanneer het gaat om specifieke optische- en infraroodsensoren voor nachtzicht is de functionele specificatie in de behoeftestelling leidend. De aanbiedingen van Nederlandse bedrijven worden bij een aanbesteding vanzelfsprekend meegenomen in de afweging.

45

Klopt het dat het standpunt dat dochterondernemingen van buitenlandse bedrijven als Nederlands worden beschouwd, afwijkend is van het Europese beleid waarbij dochters van Amerikaanse bedrijven als niet-Europees worden behandeld, waardoor zij onder meer niet mogen meedoen met EDA categorie A en B projecten? In hoeverre past dit in het streven naar strategische autonomie van Europa, waaraan Nederland meewerkt?

46

Waarom wijkt het Nederlandse beleid voor het geven van een «nationale» status aan buitenlandse bedrijven af van het Europese beleid? Hoe stelt u zeker dat door dochterondernemingen van bedrijven van buiten de EU (o.a. VS en binnenkort VK) geen kennis en rechten (IPR) buiten Europa verschuift, waardoor deze onder een niet-Europees export-regime gaan vallen (bijv. ITAR)?

Het Nederlandse beleid voor het geven van «nationale status» aan buitenlandse bedrijven wijkt niet af van het Europees beleid inzake ondernemingen uit derde landen. Dochtermaatschappijen dienen een voldoende mate van daadwerkelijke deelname in het economisch verkeer en voldoende mate van autonomie te hebben om onafhankelijk op de Europese markt te kunnen opereren ten opzichte van het moederbedrijf. De waarborgen die de Europese Unie toepast bij het al dan niet toelaten van dergelijke dochtermaatschappijen tot Europese financiering in het kader van EU-programma’s passen bij de waarborgen die Nederland toepast bij het verstrekken van subsidies, het aangaan van strategische samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling en bij het sluiten van defensieopdrachten.

47

Op welke wijze positioneert u zich als launching customer op ballistische raketverdediging, dat in de DIS als voorbeeld wort aangehaald?

Op dit moment heeft Nederland, zoals aangegeven in paragraaf 2.4 van de DIS, een vooraanstaande positie op het gebied van ballistic missile defence. Hoofdstuk 3 presenteert de ambitie voor de Nederlandse defensie technologische en industriële basis. Daar waar er sprake is van een wezenlijk veiligheidsbelang kan er worden gekozen voor het op nationaal niveau versterken van kennis, technologieën en industriële capaciteiten. Hier ligt het ook in de rede om meer te gaan optreden als launching customer. Per specifiek geval zal altijd een individuele afweging moeten worden gemaakt, waarbij ook de vraag of Defensie launching customer wil en kan zijn, wordt bekeken.

48

Wat zijn de criteria voor militair kritieke functionaliteiten?

De Nederlandse krijgsmacht streeft naar het behoud van technologisch overwicht ten opzichte van (potentiële) tegenstanders. Daarnaast is er – gelet op de analyses van de veiligheidssituatie – een brede kennisbasis nodig. Deze kennisbasis moet een mate van onafhankelijkheid van buitenlandse partijen kennen omdat deze van wezenlijk belang is voor de wijze waarop de Nederlandse krijgsmacht haar taken uitvoert. Dit zijn de militair kritieke functionaliteiten waar op wordt gedoeld.

49

Is DMO thans voldoende toegerust om zich als smart specifier te gedragen?

DMO vult de rol van smart specifier in en versterkt deze met het inrichten van een Expertise Cel ter verbetering van Programma’s van Eisen. Medio 2019 moet deze cel operationeel zijn. Deze cel zal adviseren en trainen in het functioneel specificeren.

Daarnaast wordt bekeken hoe «Concurrent Design» een rol kan speken. Concurrent Design kan bijdragen aan het beter en sneller opstellen van haalbaarheidsstudies, Programma’s van Eisen en reviews van de technische voorstellen. Dat draagt niet alleen bij aan een betere rol van smart buyer/specifier maar ook aan een betere samenwerking in het ecosysteem. Hier is afgelopen jaar een eerste experiment uitgevoerd.

50

Is het betrokkenheids- en kennisniveau «Smart Integrator» vervallen of niet meer nodig? Zo ja, waarom?

De betrokkenheidsniveaus smart integrator en smart specifier kunnen beide worden beschouwd als een betrokkenheidsniveau tussen smart buyer en smart developer. In deze DIS zijn de betrokkenheidsniveaus smart buyer, smart specifier en smart developer gehanteerd.

51

Kunt u aangeven op welke onderdelen het COTS/MOTS beleid wordt losgelaten? Zijn dat de rood gemerkte gebieden op pag. 16 en 17? Hoe wordt dat in de aanbestedingsregelgeving gepast en vooral: hoe wordt het geëffectueerd?

52

Welke consequenties heeft op onderdelen loslaten van het COTS/MOTS beleid voor de DMO en de kennisinstituten?

Bij nieuwe behoeftestellingen zullen industriële capaciteiten en de mate waarin Nederland beschikt over kennis en technologie op dat specifieke gebied in een individuele afweging worden beschouwd. De rood gemerkte gebieden van zowel de kennis- en technologiegebieden (pagina 16 en 17) gecombineerd met de industriële capaciteiten (pagina 23) geven een indicatie of een ontwikkelingstraject in de rede ligt. De aanbestedingsregelgeving geeft hier reeds mogelijkheden voor. Ook andere overwegingen kunnen een rol spelen, zoals schaalvoordelen, reeds ingezette internationale samenwerking op materieel-logistiek domein, leveringszekerheid etcetera. Deze afweging wordt in een gezamenlijk overleg van behoeftestellers, verwervers, inkopers, juristen, financieel specialisten en operationeel specialisten gemaakt. Voor DMO betekent het dat er soms functioneler aan de markt een product of een product idee wordt gevraagd in plaats van een al helemaal technisch uitgedachte oplossing. Alle partijen moeten voor een deel anders en in ieder geval nauwer samenwerken en dit zal voor een deel wennen zijn. Ook betekent het voor DMO en kennisinstituten dat er capaciteit beschikbaar moet zijn voor de (mede-) ontwikkeling van een product. Deze vraag wordt in de afweging meegenomen. Dit laat onverlet dat met functioneel specificeren en toepassing van het COTS/MOTS beleid innovatieve en state of the art producten van de markt kunnen worden betrokken. Ook dit zal in de afweging worden meegenomen.

53

Bent u van mening dat Defensie op kennisgebied op dit moment voldoende in staat is om zelfstandige technologische beleidsvorming te realiseren? Kunt u in het licht van de ervaringen met de fouten bij de watermistinstallaties op de OPV's van de Holland-klasse een evaluatie op hoofdpunten van deze zaak geven in het licht van zelfstandige technologische topkennis?

Ja. De Strategische Kennis- en Innovatieagenda (SKIA) en de Innovatiestrategie onderstrepen het belang van intensieve samenwerking met de strategische kennispartners (TNO, NLR en MARIN). Defensie heeft haar strategische kennisbasis extern belegd. Deze omvat tien kennisgebieden waaraan middelen zijn toegewezen. De kennisbasis voorziet Defensie van de noodzakelijke kennis die niet vrijelijk op de markt beschikbaar is. De kennisbasis wordt periodiek herijkt om te kunnen voldoen aan nieuwe behoeften en capaciteiten. De Defensienota heeft extra investeringen in onderzoek aangekondigd en geeft hiermee een belangrijke impuls aan de ontwikkeling van nieuwe technologieën.

Bij de watermistinstallaties van de Oceangoing Patrol Vessels gaat het niet om hoogtechnologische kennis of apparatuur. De oorzaken van de problemen met de watermistinstallaties waren meer praktisch van aard, zoals fouten bij de montage, het gebruik en het onderhoud, en onvoldoende kwaliteitscontroles en inspecties. De Kamer is met de brief van 26 oktober jl. (Kamerstuk 35 000 X, nr. 16) geïnformeerd over deze oorzaken en de genomen maatregelen.

54

Bij network infrastructure en cyber security kiest u voor smart buyer op de markt. Kiest u hiervoor louter Nederlandse bedrijven? Hoe waarborgt u de veiligheid van de opgeleverde producten als u met buitenlandse bedrijven op dit terrein in zee gaat?

Bij network infrastructure en cyber security wordt onderscheid gemaakt in geïntegreerd netwerkniveau en deelsystemen. Voor de geïntegreerde netwerken is kennis op het niveau van smart developer gewenst. Deelsystemen zijn vaak op civiele leest geschoeid. In die gevallen volstaat smart buyer. Of een deelsysteem vanuit de overwegingen van nationaal veiligheidsbelang door een Nederlands bedrijf moet worden geleverd is afhankelijk van de aard en de gevoeligheid van het betreffende deelsysteem. Afhankelijk van het te beschermen belang worden meer of minder maatregelen getroffen om de risico’s naar aanvaardbare proporties terug te brengen. Een virusscanner kan bijvoorbeeld prima door een buitenlands bedrijf worden geleverd. Daarnaast is het ook mogelijk dat een product niet kan worden ingezet omdat er vragen zijn over de betrouwbaarheid van het product. Een voorbeeld hiervan is het uitbannen van het gebruik van Kaspersky dat aan de Kamer is gemeld (Kamerstuk 30 821, nr. 46).

55

Welke programma’s financiert u op het gebied van artificiële intelligentie en kwantumcomputing?

Defensie onderkent het belang van artificiële intelligentie (AI) en kwantumcomputing en laat onderzoek op deze onderwerpen uitvoeren.

Op het gebied van kunstmatige intelligentie financiert Defensie diverse onderzoeksprogramma’s bij TNO, NLR en MARIN. De programma’s richten zich op studies naar de toekomstige mogelijkheden van AI, waaronder het gebruik van kunstmatige intelligentie in simulatie, de automatisering van de verwerking van data in het inlichtingenproces en explainable AI. Op het gebied van kwantumcomputing financiert Defensie een verkenning over nano- en kwantum sensoren, een haalbaarheidstudie over kwantum algoritmen, en het kwantumbestendig maken van communicatiekanalen.

56

Hoe kijkt u aan tegen biotechnologische ontwikkelingen, die het functioneren van de militairen verbeteren? Welke soort biotechnologische ontwikkelingen zijn dat? Hoe gaat u met de ethische en morele implicaties om van eventuele toepassing op militairen?

Biotechnologie kan tot allerlei nieuwe toepassingen leiden. Een werkgroep binnen Navo onderscheidt verschillende toepassingen die het functioneren van militairen kunnen faciliteren, waaronder nieuwe materialen, verbeteringen in agricultuur en ontwikkeling van batterijen. Zo wordt bijvoorbeeld gewerkt aan algen die energie kunnen opslaan en beschikbaar stellen. De meeste toepassingen zijn nog in een onderzoeksfase en hebben nog niet concrete producten geleid. Ook is het technologisch denkbaar dat het functioneren van de militair zelf wordt verbeterd door toepassing van biotechnologie.

De onderzoekers zijn gehouden aan een Code of Conduct for Life Scientists. Deze code is op initiatief van de KNAW opgesteld en biedt een handelingskader voor wetenschappelijk ethisch gedrag. Binnen de Navo werkgroep is hier ook aandacht voor.

57

Naar wat voor een onderzoek binnen de farmaceutische industrie verwijst u? Op welke toepassingen heeft dit betrekking?

Defensie heeft op het gebied van Chemische, Biologische en Radiologische en Nucleaire middelen (CBRN) haar onderzoek bij TNO belegd. In het onderzoek wordt onder meer gekeken naar de effectiviteit van beschermingsmaatregelen.

58

Deelt u de opvatting dat het nationale belang in strijd kan zijn met de belangen van een Nederlands bedrijf dat vestigingen in het buitenland heeft, zoals bijvoorbeeld Fokker Elmo in Turkije dat daar aan de F-35 werkt? Zo ja, hoe lost u dergelijke dilemma's op?

Het is correct dat de wezenlijke veiligheidsbelangen van Nederland kunnen botsen met de deelbelangen van een Nederlandse onderneming die ook actief is in andere markten. Bij het waarborgen van deze Nederlandse belangen zal de dialoog met de betrokken Nederlandse onderneming worden gezocht en indien nodig gebruik worden gemaakt van bevoegdheden op het gebied van exportcontrole, veiligheidsonderzoeken, etc.

59

Wat bedoelt u met gegarandeerde beschikbaarheid van «transportmogelijkheden» bij het maken van «wellicht andere keuzes» indien de veiligheidssituatie verandert? Kunt dat toelichten?

69

Wat bedoelt u met het willen beschikken over een «eigen basis van transportcapaciteit»? Om welke vormen van transport gaat het daarbij en op welke wijze denkt u «de markt» daarbij in te kunnen schakelen?

Op het moment dat Nederland onverhoopt betrokken raakt in een grootschalig conflict, zullen de transportmogelijkheden op grote schaal snel opgeschaald moeten worden. Dan zal wellicht minder snel een beroep op de markt kunnen worden gedaan, maar zal Defensie meer in eigen hand moeten hebben.

60

Wat bedoelt u met gebruiken maken van «productiecapaciteiten elders» voor de productie van romp en platformbesturing van bijvoorbeeld fregatten? Is dat niet in strijd met het uitgangpunt om nationale belangen te verdedigen? Zo nee, waarom niet?

Veel van de toeleveranciersketens zijn internationaal en tot op zekere hoogte civiel georganiseerd. Zo kan voor de aandrijving, voorstuwing en energiesystemen van schepen, op basis van eigen ontwerp, gebruik worden gemaakt van civiele ontwikkelingen en een beroep op de markt worden gedaan. Systemen die echter bepalend zijn voor de offensieve en defensieve effectiviteit van het platform en het kunnen uitvoeren van essentiële militaire taken moeten zoveel als mogelijk nationaal worden georganiseerd. Hetzelfde geldt voor de integratie van de zogenaamde SEWACO-systemen (zie ook DIS bijlage 4, beschrijving maritiem domein).

61

Wat wordt bedoeld met «consolidatie» in de zin «kan worden gerealiseerd door Europese (industriële) consolidatie»?

Het begrip «consolidatie» wordt in de DIS gebruikt om aan te geven dat op de Europese defensiemarkt sprake is van versterkte grensoverschrijdende integratie en samenwerking van defensieondernemingen, terwijl gelijktijdig ondernemingen die zelfstandig niet meer levensvatbaar zijn worden gesaneerd en overheidsondersteuning van deze bedrijven door de lidstaten wordt teruggedrongen. Door een consolidatie op de Europese defensiemarkt wordt kostbare duplicering van capaciteit beperkt en kunnen investeringsmiddelen door de industrie worden vrijgemaakt met het oog op investeringen in nieuwe technologieën en wapensystemen. Ook wordt door consolidatie de schaalomvang van de Europese defensieondernemingen groter, waardoor de concurrentie op de wereldmarkt beter kan worden aangegaan. Tot slot zorgt consolidatie voor het vergroten van de efficiency, schaalvoordeel en synergie van de Europese industrie waardoor deze competitief kan blijven en ook de kosten voor de overheden bij de inschakeling van de Europese industrie beheersbaar zijn. Zoals in de DIS ook wordt beschreven, is de Nederlandse industriële basis prima in staat om een substantiële bijdrage te leveren aan deze bredere Europese industriële consolidatie gelet op de capaciteiten en kennis van de Nederlandse industrie. Het vergt wel dat er een voldoende gelijk speelveld wordt gerealiseerd en gehandhaafd en dat Nederlandse ondernemingen een eerlijke kans krijgen in dit proces. Wij zetten dan ook actief in op een gebalanceerde consolidatie bij de Europese partners en de EU instellingen. Ook is de DIS juist bedoeld hieraan een bijdrage te leveren.

62

Wat voor soort kleinere UAV’s wilt u kunnen ontwikkelen en produceren? Wat zouden de capaciteiten van deze kleinere UAV’s moeten zijn?

Defensie wil de mogelijkheden van kleine UAV’s voor militaire operaties optimaal benutten, zowel met vastvleugelige toestellen als vertical take off and landing (VTOL) systemen. Behalve het genereren van hoge kwaliteit beelden, kunnen deze systemen o.a. gebruikt worden voor het doorgeven van verbindingen en de sensoren kunnen het inlichtingenproces ondersteunen. Voor het identificeren van de militaire toepasbaarheid van deze systemen heeft Defensie diverse technologieprogramma’s lopen en wordt er marktonderzoek verricht.

63

Waarom is er, gezien de aanwezigheid van Nederlandse kennis op dat gebied, voor gekozen om optische en infraroodsensoren van de plank te kopen? Is overwogen om de productie van sensoren onderdeel te maken van wat de «Nederlandse maat» wordt genoemd?

64

Vermeld wordt dat optische- en infraroodsensoren van de plank worden gekocht. Klopt het dat deze technologie (optische sensoren voor nachtzicht) nationaal ontwikkeld wordt en uniek is binnen Europa? Is deze vermelding schadelijk voor enkele technologiepartners in Nederland? Waarom heeft u de ontwikkeling en productie van hoogtechnologische sensoren voor nachtzicht voor militairen niet aangemerkt als cruciaal onderdeel van de in de DIS genoemde «Nederlandse maat»? Bent u bereid dit te corrigeren?

Zie het antwoord op vraag 44.

65

Wat wordt bedoeld met «lastig nationaal te bereiken», lastig maar niet onmogelijk of onmogelijk? Als het niet onmogelijk is, hoe wilt u het dan realiseren?

Deze passage ziet vooral op kleinere wapensystemen, zoals klein kaliber wapens of kleinere mortieren. In deze systemen is het voor de industrie van belang dat er schaalvoordeel kan worden behaald. Of er in Nederland voldoende schaalvoordeel kan worden behaald, hangt vooral af van de mogelijkheden tot export. De Nederlandse maat is op zichzelf niet zodanig dat deze voldoende schaalvoordelen biedt.

66

Hoe zorgt u ervoor dat delen op componenten van communicatiesystemen die hooggerubriceerd zijn in het project GRIT nationaal georganiseerd zijn?

Voor componenten in de hoog gerubriceerde infrastructuur hanteert Defensie strenge normen voor de daarmee gemoeid zijnde accreditatie. Het consortium waarmee Defensie in dialoog is, betreft een ecosysteem met tientallen leveranciers waarvan een groot aantal Nederlandse bedrijven zijn. Defensie heeft bij de start van dit traject geëist dat de deelnemers voldoen aan de eis dat het Nederlandse rechtspersonen zijn.

67

Welke wapensystemen ter zelfverdediging en slimme munitie wilt u «in eigen hand» houden? Betekent dat u deze munitie zelf gaat ontwikkelen en produceren in Nederland?

Een goed zelfverdedigingssysteem is cruciaal om geen operationele verliezen te lijden. Wanneer wapensystemen onlosmakelijk verbonden zijn met het platform, zal de noodzaak om deze in eigen hand te houden groter zijn. Per individueel geval zal worden bekeken wat de beste aanpak is. Een conclusie kan dan zijn dat Nederland samen met een aantal andere landen een ontwikkelingstraject start, zoals in het kader van luchtdoelraketten voor marineschepen. Nederland participeert in een consortium van landen als het gaat om de productie daarvan (zie ook DIS bijlage 4, beschrijving maritieme domein).

68

Waarom focust u op nationale training en opleiding en volgt Defensie niet de aanbevelingen uit het EDTA/EuroDefense rapport van 2017, waarin wordt betoogd dat juist gezamenlijke basistraining en voortgezette opleiding de Europese integratie op termijn bevordert? Erkent u dat simulatiesystemen steeds realistischer, complexer en ook duurder worden, waardoor Europese samenwerking belangrijke kostenbesparingen kan opleveren?

De manier waarop de krijgsmacht zijn training en opleiding vormgeeft maakt onlosmakelijk deel uit van de zogenaamde Doctrine, Commandovoering, Training en Opleiding, Materieel en Personeel (DCTOMP)-elementen. Deze vormen de kern van het ontwerp van de krijgsmacht. Het bepalen van de aard en opbouw van een krijgsmacht is bij uitstek een nationale keuze. Ook de wijze waarop simulatiesystemen in de opleiding en training worden geïntegreerd is een nationale keuze. Vanzelfsprekend is het op operationeel niveau wel van belang dat er gezamenlijk met andere landen kan worden getraind en geoefend, omdat inzet van de krijgsmacht veelal in internationaal verband plaatsvindt.

69

Wat bedoelt u met het willen beschikken over een «eigen basis van transportcapaciteit»? Om welke vormen van transport gaat het daarbij en op welke wijze denkt u «de markt» daarbij in te kunnen schakelen?

Zie het antwoord op vraag 59.

70

Hoe gaat u in uw nieuwe nota ruimtevaartbeleid rekening houden met de noodzaak tot cyberveiligheid? Hoe gaat Defensie betrokken worden bij de ontwikkeling van de nieuwe nota ruimtevaartbeleid?

Defensie wordt via de Interdepartementale Commissie Ruimtevaart (ICR), voorgezeten door het beleidsverantwoordelijk ministerie (EZK), betrokken bij de ontwikkeling van de nieuwe nota ruimtevaartbeleid. Veiligheid en ook cyberveiligheid van ruimtevaartprogramma’s is daarbij een aandachtspunt.

71

Wanneer verwacht u duidelijkheid te hebben over welke mogelijkheden er zijn voor bescherming van Nederlandse bedrijven tegen (vijandige) overnames die een bedreiging kunnen vormen voor de nationale veiligheid en het soeverein kunnen handelen van het Koninkrijk in het veiligheidsdomein?

Zie het antwoord op vraag 33.

72

Waarom wordt op pagina 24 geen melding gemaakt van offensieve capaciteiten?

Het belang van het cyberdomein wordt in dit hoofdstuk op pagina 24 onderschreven. Op de betreffende pagina staan passages die over offensieve cybercapaciteiten gaan, zoals de passage waarin staat dat digitale middelen doelgericht ingezet moeten kunnen worden om in het kader van militaire operaties het overwicht te verkrijgen en te behouden. Nadrukkelijk wordt gesteld dat Defensie over middelen moet beschikken en deze moet kunnen inzetten om overwicht te verkrijgen en te behouden. In de cyberstrategie van Defensie die 12 november 2018 is verschenen (Kamerstuk 33 321, nr. 9) wordt hier nader op ingegaan.

73

Hoe ziet u de rol en het proces voor het uitoefenen van toezicht over 1) de mogelijkheden om digitale aanvallen te verstoren en 2) het inzetten van digitale middelen in het kader van militaire operaties?

De mogelijkheid om digitale aanvallen te verstoren ligt bij de MIVD. Zoals bij alle inzet van de MIVD wordt hier toezicht op uitgeoefend. Voor de inzet van bijzondere bevoegdheden (zoals het verstoren van een digitale aanval) moet de Minister van Defensie toestemming geven. Vervolgens kijkt de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) of het rechtmatig is dat de Minister van Defensie toestemming heeft gegeven. Pas dan mag de MIVD een bijzondere bevoegdheid inzetten. Achteraf wordt door de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) bekeken of de inzet van de bijzondere bevoegdheden rechtmatig is verlopen. Voor het verstoren van een digitale aanval wordt dus zowel aan de voorkant als aan de achterkant toezicht uitgeoefend.

Offensieve cybercapaciteiten kunnen in een militaire operatie worden ingezet, al dan niet ter ondersteuning van conventionele militaire capaciteiten. De inzet valt onder het desbetreffende missiemandaat en de geldende geweldsinstructies (Rules of Engagement). De juridische kaders zijn niet anders dan die voor de inzet van conventionele middelen. De bestaande volkenrechtelijke regels inzake het gebruik van geweld zijn dus van toepassing op digitale aanvallen. Na een kabinetsbesluit tot inzet van de krijgsmacht, in het kader van de verdediging van het eigen of bondgenootschappelijke grondgebied of de handhaving van de internationale rechtsorde, staan de digitale middelen van de krijgsmacht altijd onder bevel van de CDS. Bij de inzet van de krijgsmacht wordt achteraf door de KMar getoetst of de acties van de krijgsmacht binnen de geldende geweldsinstructies blijven. Dit geldt ook voor digitale middelen die worden ingezet in het kader van militaire operaties.

74

In hoeverre valt (de export van) gesimuleerde-omgevingensoftware onder het reguliere wapenexportregime?

In de Gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen staat vermeld welke goederen onderworpen zijn aan het wapenexportcontroleregime aan de hand van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Gesimuleerde-omgevingensoftware valt onder deze lijst mits de software speciaal ontworpen is voor militair gebruik. Voor een gedetailleerde uiteenzetting van de voorwaarden waar gesimuleerde-omgevingensoftware aan dient te voldoen om als militair goed te worden geclassificeerd, wordt verwezen naar de volledige tekst van categorie ML21 («Programmatuur») van de Gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen. Als de software voldoet aan de voorwaarden binnen ML21 is de export ervan onderworpen aan het wapenexportcontroleregime. Dat betekent dat bedrijven een vergunning moeten aanvragen alvorens zij tot export mogen overgaan. Deze vergunningaanvraag wordt getoetst aan de hand van de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Indien software niet aan de genoemde voorwaarden voldoet en dus niet-vergunningplichtig is bestaat de mogelijkheid tot het opleggen van een ad hoc vergunningplicht (een zogenaamd catch all-besluit) als er een wapenembargo van kracht is op het land van bestemming en er voorafgaan aan de export aanwijzingen zijn dat de software aangewend zal worden voor militair eindgebruik.

75

Wat bedoelt u met prestatiecontracten of nog verdergaande samenwerkingscontracten»? Gaat het daarbij om lease of om andere vormen van samenwerking? Kunt u dat toelichten?

77

Welke verdergaande samenwerkingscontracten zijn er? Wat zijn de voordelen hiervan? Hoe kunnen de risico’s goed over Defensie en het bedrijfsleven gespreid worden?

78

Door gebruik te maken van nieuwe contractvormen en samenwerking met anderen verschuift de focus van het bezit van materieel naar beschikbaarheid van materieel. Kunt u hier enkele voorbeelden van geven in relatie tot kansen voor de Nederlandse industrie?

Prestatiecontracten zijn contracten waar niet de afname van producten centraal staat, maar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een systeem. Verdergaande vormen van samenwerkingscontracten zijn contracten waarbij bijvoorbeeld sprake is van gebruik van elkaars faciliteiten of personeel. Voorbeelden van dergelijke contracten, o.a. met de Nederlandse industrie, zijn opgenomen in de brief aan uw kamer over de Adaptieve Krijgsmacht (Kamerstuk 33 763 nr. 146, blz. 9). Bij het vormgeven van de hierboven bedoelde contracten zal van geval tot geval naar de risicoverdeling moeten worden gekeken om tot een voor beide partijen acceptabele en verantwoorde spreiding te komen.

76

Welke mogelijkheden zijn er om ontwerpcapaciteit bij Defensie te combineren met ontwerpcapaciteit uit het bedrijfsleven om een functioneel ontwerp te maken?

Ontwerpcapaciteit bij Defensie wordt bij veel ontwikkelprojecten al gecombineerd met ontwerpcapaciteit uit het bedrijfsleven om een functioneel ontwerp te maken. De mate waarin het bedrijfsleven wordt betrokken verschilt per project en hangt mede af van de beschikbare kennis, kwaliteit en capaciteit binnen Defensie.

77

Welke verdergaande samenwerkingscontracten zijn er? Wat zijn de voordelen hiervan? Hoe kunnen de risico’s goed over Defensie en het bedrijfsleven gespreid worden?

Zie het antwoord op vraag 75.

78

Door gebruik te maken van nieuwe contractvormen en samenwerking met anderen verschuift de focus van het bezit van materieel naar beschikbaarheid van materieel. Kunt u hier enkele voorbeelden van geven in relatie tot kansen voor de Nederlandse industrie?

Zie het antwoord op vraag 75.

79

Welke van de in het kader van de Gouden Driehoek genoemde samenwerkingsverbanden zijn gebonden aan de NIDV? Waarom horen onder meer de NAG, DAG en DARPAS hier niet bij?

De in de DIS genoemde samenwerkingsverbanden zijn voorbeelden en geenszins uitputtend. De volgende genoemde samenwerkingsverbanden zijn opgezet door de NIDV: Command and Control Technologie Platform (C2TP), Netherlands Industrial F35 Aircraft Platform (NIFARP), Nederlands Marinebouw Cluster (NMC), Dutch Underwater Knowledge Centre (DUKC), Platform Vliegende Systemen, Helikopter-platform (HELI), Platform Veilig Samenwerken (PVS) en Operationele Energie Platform (OEP). Naast de NIDV zijn er nog andere brancheorganisaties, zoals de Netherlands Aerospace Group (NAG), Dutch Aviation Group (DAG) en Dutch Association for Remotely Piloted Aircraft Systems (DARPAS).

80

Kunt u de lijst van militair materieel uit 1958 aan de Tweede Kamer toesturen?

Zie het antwoord op vraag 13.

81

Hoe wordt de motivering van een beroep op artikel 346 VWEU precies getoetst?

Om gebruik te kunnen maken van artikel 346 VWEU moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  • De maatregel is noodzakelijk ter bescherming van de wezenlijke veiligheidsbelangen,

  • Het moet gaan om materieel dat voorkomt op een lijst die in 1958 is vastgesteld,

  • De mededingingsverhoudingen op de markt voor civiele producten mogen niet worden verstoord, en

  • Het inroepen van artikel 346 VWEU moet noodzakelijk en proportioneel zijn in verhouding tot het te beschermen wezenlijk veiligheidsbelang en de mogelijkheden van de aanbestedingsregelgeving bieden onvoldoende waarborgen deze te beschermen.

In de verwervingsstrategie per individueel project wordt uiteengezet hoe aan de criteria wordt tegemoet gekomen.

82

Wat zijn de gemiddelde meerkosten van een marktverkenning?

Marktverkenningen in het algemeen zijn nodig om op de hoogte te blijven van onder meer veranderingen in technologie, verandering in leveranciersmarkten en de (relatieve) kennis en kunde en de capaciteit van marktpartijen. Marktverkenningen helpen ook om de vraag beter te articuleren en de prijs/kwaliteit van aanbieden beter te beoordelen. Afhankelijk van het project dient hier relatief veel tijd en capaciteit aan worden besteed, bijvoorbeeld in geval van het project vervangende onderzeebootcapaciteit. Daar waar de kennis van de markt toereikend is, of zelfs sprake is van een monopolistische markt, kan een marktverkenning achterwege worden gelaten. De meerkosten worden niet afzonderlijk bijgehouden en kunnen niet worden weergegeven.

83

Kunt u uitleggen waarom in de DIS een beperktere formulering wordt gekozen voor de toepassing van artikel 346 VWEU dan in het regeerakkoord? Hoe moet het verschil tussen «in bijzondere gevallen» en «ruimhartig» worden begrepen?

84

Gesteld wordt dat artikel 346 VWEU in bijzondere gevallen kan worden toegepast. Hoe verhoudt zich dit tot het Regeerakkoord en de Defensienota 2018, waarin is gesteld dat bij aanbestedingstrajecten artikel 346 ruimhartig wordt geïnterpreteerd?

86

In de DIS wordt gesteld dat art. 346 VWEU in bijzondere gevallen kan worden toegepast. Dit is een beperking t.o.v. het Regeerakkoord en de Defensienota 2018 waarin is gesteld dat bij aanbestedingstrajecten art. 346 ruimhartig wordt geïnterpreteerd. Hoe verhoudt dit met de DIS?

De stelling dat de DIS beperkend is ten opzichte van het Regeerakkoord en de Defensienota herkennen we niet. Het nationaal veiligheidsbelang is leidend. Als dit geborgd kan worden met toepassing van de Aanbestedingswet 2012 (AW) of Aanbestedingswet op Defensie- en Veiligheidsgebied (ADV) zullen we deze toepassen. Ook onder de ADV is het bijvoorbeeld mogelijk om een opdracht ondershands te gunnen. Als de ADV onvoldoende mogelijkheden biedt om de nationale veiligheidsbelangen te beschermen, dan zal Nederland een beroep doen op artikel 346 VWEU.

85

Hoe vaak heeft Defensie het innovatiepartnerschap al toegepast in het kader van de nieuwe aanbestedingswet? Welke drempelbedragen voor aanbesteding zijn volgens de Europese regelgeving vereist en welke hanteert Defensie? Zijn er daarbij verschillen tussen de Defensie-onderdelen?

93

Hoe wordt de ontwikkelings- en commerciële fase en het innovatieve partnerschap bij elkaar gebracht? Welke inspanning van Defensie is hiervoor nodig in de voorbereidingsfase? Waar ziet dit precies op?

Het innovatieve partnerschap is een Europese aanbestedingsprocedure die onder de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012) is opgenomen en niet onder de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (ADV). De procedure is nog niet door Defensie toegepast. De procedure van het innovatieve partnerschap biedt een aanbestedende dienst de mogelijkheid om de ontwikkelings- en commerciële fase in dezelfde procedure te verenigen. In de voorbereidingsfase zal o.a. aandacht uitgaan naar marktonderzoek en -consultaties, formuleren van doelstellingen en functionele specificaties, risicoanalyses en contractuele aspecten. De drempelwaarden voor het volgen van de Europese aanbestedingsregelgeving bedragen voor leveringen en diensten € 144.000,- exclusief BTW in geval van de Aw 2012 en € 443.000,- exclusief BTW in geval van de ADV. Deze drempelbedragen zijn niet anders voor Defensie.

86

In de DIS wordt gesteld dat art. 346 VWEU in bijzondere gevallen kan worden toegepast. Dit is een beperking t.o.v. het Regeerakkoord en de Defensienota 2018 waarin is gesteld dat bij aanbestedingstrajecten art. 346 ruimhartig wordt geïnterpreteerd. Hoe verhoudt dit met de DIS?

Zie het antwoord op vraag 83.

87

Kunt u aangeven hoe de Small Business Innovation Research regeling functioneert? Hoeveel geld gaat er in om, wat is de output? Hoe en wanneer denkt u deze regeling te kunnen toepassen op «defensie en veiligheid»?

De SBIR-regeling is een van de instrumenten van het missiegedreven innovatiebeleid van EZK, bedoelt om o.a. de concurrentiekracht van het MKB te versterken. De regeling werkt als een gefaseerde innovatiecompetitie, waarbij per fase telkens de ondernemingen met de beste plannen doorgaan. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) of de Netherlands Space Office (NSO) begeleidt de SBIR. Een uitgebreide toelichting op de werking van SBIR is openbaar beschikbaar op www.rvo.nl.

Sinds 2004 is er € 113 mln. omgegaan in SBIR-trajecten, waarvan € 51 mln. is gefinancierd door EZK. Het aantal ingediende en gehonoreerde offertes kende in de periode 2010 tot en met 2017 sterke wisselingen. Dat komt doordat overheidsorganisaties eigenstandig in samenwerking met RVO en/of het NSO het instrument kunnen inzetten, maar niet ieder jaar evenveel gebruiken. Het totale budget van de SBIR-tenders uit 2017 bedroeg € 3,6 miljoen. In 2017 zijn er via de SBIR 95 aanvragen ingediend, waarvan er 38 werden gehonoreerd. In het piekjaar 2010 bedroeg het budget € 31,9 miljoen. Gedetailleerde gegevens voor de periode 2010–2017 zijn openbaar beschikbaar op www.bedrijvenbeleidinbeeld.nl.

Het Ministerie van Defensie heeft in het verleden tweemaal gebruik gemaakt van de SBIR-regeling: in 2006 m.b.t. maritiem opereren onder zware weersomstandigheden, en in 2011 m.b.t. het veiliger maken van landoptreden voor Defensie personeel. Op basis van de ervaringen die daarmee zijn opgedaan alsmede concrete behoeften van het Ministerie van Defensie, zal worden gekeken hoe de SBIR-regeling kan worden toegepast op «defensie en veiligheid». Daarnaast zal bij de doorontwikkeling van het nieuwe topsectorenbeleid – waarin «Veiligheid» één van de maatschappelijke thema’s is – worden bezien in hoeverre het huidige instrumentarium aansluit op de missies die per thema worden opgesteld (zie ook antwoord op vraag 88).

88

Hoeveel geld is er beschikbaar in het thema «Veiligheid» van het topsectorenbeleid?

De middelen die beschikbaar zijn voor de topsectoren zijn niet vooraf onderverdeeld naar maatschappelijke uitdagingen en sleuteltechnologieën. De verdeling van de middelen volgt in het najaar van 2019, na het vaststellen van de missies (voorjaar 2019) en na de vormgeving van de Kennis en Innovatie Agenda’s (zomer 2019), via het daartoe op te stellen Kennis- en Innovatiecontract.

89

In hoeverre kan en gaat Defensie, in het geval van ontwikkeling van specifieke op Defensie (waarbij zij de enkele afnemer is) gerichte technologie, zekerheid bieden aan de maakindustrie? Wordt bijvoorbeeld in sommige gevallen zekerheid van afname gegarandeerd? Zo ja, in welke gevallen?

90

In de DIS wordt gesproken over de inzet van generieke financiële instrumenten voor defensie ontwikkeltrajecten. Dit is anders dan de maakindustrie in het verleden samenwerkte in de Gouden Driehoek met kennisinstellingen en betrokken MKB. Binnen het defensie domein is het namelijk vaak het geval dat een bedrijf (met kennisinstellingen) een bepaalde technologie specifiek voor één klant ontwikkelt. Deze generieke instrumenten vragen veelal een cofinanciering vanuit de industrie. Gaat het ministerie zekerheid geven van afname bij gedeeltelijke financiering van innovatieve projecten?

91

In de DIS wordt gesproken over de inzet van generieke financiële instrumenten voor defensie ontwikkeltrajecten. Dit is anders dan hoe de maakindustrie in het verleden samenwerkte in de Gouden Driehoek met kennisinstellingen en betrokken MKB. Deze generieke instrumenten vragen veelal een cofinanciering vanuit de industrie. Gaat u zekerheid van afname geven bij gedeeltelijke financiering van innovatieve projecten?

In beginsel biedt Defensie geen afnamezekerheid. Bij ontwikkelingstrajecten kunnen – met inachtneming van de aanbestedingsregelgeving – afspraken worden gemaakt over de afname van een product dat is ontwikkeld als dit aan de eisen voldoet. Het hangt daarbij van de stand van de technologie af of het voor Defensie en de industrie verantwoord is een concreet resultaat te contracteren. Zie ook de antwoorden op de vragen 34 en 94.

92

Welke rol kan het BUHA/OS-instrumentarium spelen in het versterken van het concurrentievermogen van de Defensie-industrie?

108

Welke rol kan het BUHA/OS-instrumentarium spelen in specifiek op de Defensie-industrie gerichte handelsbevordering?

Het handelsinstrumentarium dat door RVO wordt uitgevoerd ziet niet zozeer op versterking van het concurrentievermogen van individuele economische sectoren als wel ondersteuning van Nederlandse bedrijven om op buitenlandse markten kansen te benutten, mede door inzet van ons diplomatieke netwerk, zoals ook opgenomen in de Defensie Industrie Strategie.

93

Hoe wordt de ontwikkelings- en commerciële fase en het innovatieve partnerschap bij elkaar gebracht? Welke inspanning van Defensie is hiervoor nodig in de voorbereidingsfase? Waar ziet dit precies op?

Zie het antwoord op vraag 85.

94

Wat bedoelt u in concreto met het «doorontwikkelen» van de CODEMO-regeling? Wat wordt de rol van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en om hoeveel extra geld gaat het indien de regeling is doorontwikkeld?

We bekijken hoe dit instrument kan worden verbeterd en uitgebreid, zowel in toegankelijkheid als in financiële omvang, waarbij wel nadrukkelijk wordt gedacht aan een revolverend fonds (conform de huidige situatie). EZK zou hier een bijdrage aan kunnen leveren. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kunnen dan vervolgens de gewenste en haalbare financiële volumes worden bepaald. Dit onderzoek zal in de eerste helft van 2019 worden uitgevoerd.

95

Wanneer is duidelijkheid of het Defensie Materieel Proces moet worden aangepast in het kader van kortcyclische innovatie?

Zoals in de begrotingsbehandeling Defensie is verwoord wordt het Defensie Materieel Proces in de komende periode bekeken. U wordt hierover in 2019 geïnformeerd.

96

Kunt u een overzicht geven welke buitenlandse partners thans mede gebruik maken van artikel 346 VWEU?

Nee, dat is niet mogelijk. Vanwege het karakter van dergelijke aanbestedingen delen buitenlandse partners deze informatie niet.

97

Wat zijn de criteria voor het toetsingskader industriële participatie?

Het industriële participatiebeleid is essentieel voor het realiseren van de in de DIS geformuleerde doelstellingen. Het industriële participatiebeleid heeft als doel bij te dragen aan de in de DIS geformuleerde doelstellingen door de prioritaire gebieden en dus de Nederlandse technologische en industriële basis in stand te houden en te versterken. Hiermee kan Nederland te allen tijde haar nationale veiligheid borgen en een meer level playing field creëren door Nederlandse best value bedrijven te positioneren binnen veelal gesloten internationale toeleveranciersketens van ontwikkeling, productie en instandhouding van defensiematerieel.

Indien Defensie van plan is een aanbesteding te starten wordt bij opdrachten boven € 5 miljoen per geval door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat beoordeeld of en in hoeverre industriële participatie door een te selecteren partij kan bijdragen aan het borgen van Nederlandse veiligheidsbelangen door de versterking van de kennis, capaciteiten en ervaring van de Nederlandse industrie op prioritaire gebieden van de DIS. Per geval wordt de ambitie bepaald.

98

Welk percentage geldt er voor industriële participatie?

Indien het ambitieniveau voor IP is bepaald, worden in overleg tussen EZK en de potentiële leverancier(s) de mogelijkheden verder uitgewerkt. Dit kan bij wederzijdse overeenstemming resulteren in een zogenoemde IP-overeenkomst tussen de Staat en de leverancier, waarmee de leverancier zich committeert aan het uitvoeren van de gemaakte afspraken. We kunnen geen percentage verschaffen aangezien het bedrijfsvertrouwelijke informatie betreft. Het Ministerie van EZK stuurt één keer in de twee jaar een rapportage over de resultaten van het IP-beleid naar de Tweede Kamer.

99

Hoe zorgt u ervoor dat een bedrijf ook voldoet aan de afgesproken industriële participatie? Wordt er gewerkt met boeteclausules of andere compensatiemechanismen als bedrijven niet voldoen aan de afgesproken industriële participatie?

100

Kunt u per project inzicht geven of een bedrijf heeft voldaan aan de toegezegde industriële participatie?

101

Wanneer komt het nieuwe overzicht van de gerealiseerde industriële participatie?

In de overeengekomen periode waarin de IP-ambitie moet worden gerealiseerd hebben EZK en de leverancier periodiek overleg over de voortgang van de uitvoering van de IP plannen en kansen voor nieuwe opdrachten voor Nederlandse bedrijven. Daarnaast is in de huidige overeenkomsten een clausule opgenomen waarin staat vermeld dat – indien de IP-ambitie niet tijdig wordt gerealiseerd – EZK de mogelijkheid heeft de IP-ambitie te verhogen.

Het Ministerie van EZK stuurt één keer in de twee jaar een rapportage over de resultaten van het IP-beleid naar de Tweede Kamer. In de tweede helft van 2019 wordt de jaarrapportage over het IP beleid van 2017 en 2018 naar de Tweede Kamer gestuurd. Vanwege de commerciële vertrouwelijkheid worden de exacte cijfers van IP per project niet openbaar gemaakt. In de vertrouwelijke bijlagen van de Jaarrapportage over het IP beleid is een overzicht opgenomen van welke Nederlandse partijen het betreft en zijn voorbeelden gegeven van opdrachten van buitenlandse Defensiebedrijven aan Nederlandse bedrijven en kennisinstituten.

102

In welke mate is volgens het kabinet van een level playing field?

Zie het antwoord op vraag 41.

103

Wie houdt toezicht of bedrijven zich ook houden aan de plicht op basis van de ABDO om veranderingen in zeggenschap en bedrijfsstructuur bij de MIVD te melden? Welke consequenties heeft het als een bedrijf bijvoorbeeld in Chinese handen terecht komt?

De afdeling Industrieveiligheid van de MIVD ziet erop toe dat de eisen uit de ABDO worden nageleefd. Indien een bedrijf verzuimt een aankomende overname of wijziging in bedrijfsstructuur te melden, of wanneer een bedrijf bijvoorbeeld in Chinese handen valt, dan zal door de MIVD een onderzoek verricht worden naar de gewijzigde omstandigheden en zal op basis daarvan een besluit genomen worden over of de eerder afgegeven ABDO autorisatie wel of niet wordt ingetrokken.

104

Op welke termijn wilt u dat Nederland bij de top 10 van Europese landen behoren ten aanzien van toegekende middelen uit het EDF?

Het EDF moet nog van start gaan. Nederland wil zo snel mogelijk bij de top 10 horen.

105

Bent u bereid exportvoorwaarden strenger toe te passen, nu u stelt dat exportactiviteiten als «noodzakelijke voorwaarde» worden gezien voor de continuïteit van de bestaande kennisbasis? Bent u bereid deze producten alleen aan NAVO-bondgenoten te verkopen? Zo nee, waarom niet?

Het staat bedrijven vrij te kiezen aan welke partij zij hun goederen, diensten en kennis willen exporteren. Elke vergunningaanvraag voor de export van strategische goederen naar een niet-EU/NAVO-land wordt onderworpen aan een strikte toetsing aan de hand van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Bij de toetsing zijn, naast de aard van het goed, de beoogde inzet en de eindgebruiker van het materieel doorslaggevend. Een zorgvuldige afweging van het mogelijke gevolg van een transactie voor de Nederlandse veiligheidsbelangen, alsmede die van bondgenoten, is een standaardonderdeel van deze toetsing. Dat exportactiviteiten noodzakelijk zijn om de continuïteit van de bestaande kennisbasis te waarborgen zal niet leiden tot een minder zorgvuldige toetsing.

106

Hoe realistisch is de gezamenlijke ontwikkeling van defensiecapaciteiten zolang sprake is van actieve frustratie van een gelijk speelveld door lidstaten?

Het is van belang dat niet alleen de Nederlandse, maar de gehele Europese defensie industriële en technologische basis steviger in de schoenen staat. Het Europees Defensiefonds (EDF) kan hieraan bijdragen. Een van de doelen van het EDF is juist om grensoverschrijdende samenwerking te stimuleren. Daarmee kan het fonds bijdragen aan een meer gelijk speelveld in Europa.

Door samen bepaalde capaciteiten te ontwikkelen kunnen kosten worden bespaard (schaalvoordeel) en kunnen de Europese lidstaten over capaciteiten en systemen beschikken die op elkaar zijn afgestemd: meer interoperabiliteit. Door Nederlandse bedrijfsleven en kennisinstellingen goed te positioneren kunnen zij via het EDF ook in aanmerking komen voor onderzoeks- en ontwikkelingsopdrachten over onze eigen landsgrenzen heen.

Ook moet worden opgemerkt dat het EDF specifiek voor onderzoek en ontwikkeling van capaciteiten is. Wanneer wij materieel willen aanschaffen, waarvan via het EDF de ontwikkeling is gestimuleerd, zullen we kijken hoe Nederlandse bedrijven betrokken kunnen worden bij de productie.

107

In welke mate is de regering in de Europese Raad van plan om te pleiten voor een zgn. «human security» aanpak bij de herziening van de nieuwe Europese exportcontrole regels?

De regering steunt de uitbreiding van de reikwijdte van de EU dual use verordening naar controle op cybersurveillance-technologie in het kader van mensenrechtenschendingen actief en werkt met gelijkgestemde lidstaten aan de acceptatie van deze uitbreiding.

108

Welke rol kan het BUHA/OS-instrumentarium spelen in specifiek op de Defensie-industrie gerichte handelsbevordering?

Zie het antwoord op vraag 92.

109

Voor welke grote projecten zal er sprake zijn van een kabinetsbesluit?

Daar is nog geen eenduidig overzicht van te geven. Per project wordt bekeken of een kabinetsbesluit noodzakelijk is. Dat hangt onder meer af van mogelijke varianten, financiële omvang van het project en risico’s in de uitvoering van het project.

110

Op welke wijze wordt het bedrijfsleven betrokken bij de uitvoering van de DIS? Wordt de betrokkenheid nog op structurele wijze ingevuld?

Deze DIS is tot stand gekomen in nauwe samenspraak met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en kennisinstellingen. De DIS is dus van de overheid, het bedrijfsleven en de kennisinstellingen en het draagvlak is breed.

De uitvoering van de DIS zien we als een gezamenlijke verantwoordelijkheid. In de praktijk wordt dit vormgegeven in het Platform Defensie en Bedrijfsleven (PDB), waarin alle partijen zijn vertegenwoordigd.

111

Bij de lidstaten van de EU bestaat verschil over de interpretatie van de criteria voor wapenexport. De DIS geeft aan dat Nederland aandacht gaat vragen voor een strikte toepassing. Erkent u dat ook op dit punt een level playing field ontbreekt, nu sommige andere landen de criteria veel ruimer interpreteren dan Nederland? Hoe wordt het accent op de harmonisering van de interpretatie van het wapenexportbeleid gelegd?

Indien uiteenlopende zorgvuldigheid van de toepassing van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport ertoe leidt dat de ene EU-lidstaat een vergunningaanvraag toekent welke eerder door een andere EU-lidstaat is afgewezen, heeft dat een negatieve uitwerking op het gelijke speelveld. Het kabinet zet in EU-verband daarom blijvend in op een zorgvuldige en consequente toepassing van het EU Gemeenschappelijk Standpunt. Zie ook het antwoord op vraag 17.

112

Kunt u voorbeelden geven van sluipende processen waardoor een vitaal belang in het geding komt?

Dit gaat met name om bedreigingen van de maatschappelijke en politieke stabiliteit, zoals ondermijning van de solidariteit in de EU en de NAVO door gerichte desinformatie.

113

Wat zijn (semi-)autonome UxVs?

Dit zijn onbemande systemen, die bijvoorbeeld gericht kunnen zijn op het verzamelen van informatie, maar ook op robots die het werk van de explosievenopruimingsdienst veiliger maken.

114

Wat verstaat u onder HPM?

Onder HPM wordt High Power Microwaves verstaan. Hiermee kunnen electromagnetische golven worden geproduceerd.

115

Welke projecten financiert u om beschermingsmiddelen en beschermingsmethoden te ontwikkelen tegen laserwapens?

Defensie financiert momenteel geen projecten op dit gebied.

116

Hoe zorgt u voor voldoende cyberveiligheid als u gebruik maakt van satellieten van andere landen en civiele partijen? Hoe wordt dit onderdeel gemaakt van het ruimtevaartbeleid?

Cyberveiligheid is een belangrijk aandachtspunt bij het gebruik van satellietdata en -signalen. In het Galileo-programma zorgt de Galileo Public Regulated Service (PRS) zelf voor beveiligde navigatiediensten voor geautoriseerde gebruikers en gevoelige toepassingen. Voor het Europese Ruimtevaartagentschap ESA is cybersecurity nadrukkelijk een aandachtsgebied, juist ook met het oog op gebruikers van satellietdata- en signalen. Nederland ondersteunt als lidstaat deze inzet van ESA.

117

Hoe kijkt u aan tegen de privatisering van Intravacc met het oog op de nationale veiligheid en het gevaar van bioterrorisme met nieuwe dodelijke agentia?

Over de privatisering van Intravacc bent u door de Minister voor Medische Zorg en Sport geïnformeerd (Kamerstuk 34 951). Intravacc heeft op dit moment geen rol bij het ontwikkelen van vaccins tegen bioterroristische agentia. Ongeacht de juridische vormgeving kan de rijksoverheid opdrachten aan Intravacc B.V. verstrekken.

118

Gaat u een juridisch en ethisch kader ontwikkelen met het oog op toepassing van human enhancement in het militaire domein in Nederland?

Defensie is gehouden aan de huidige juridische en ethische kaders.


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl