31 066 Belastingdienst

Nr. 625 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 april 2020

Tijdens het algemeen overleg van 4 maart jl. (Kamerstuk 31 066, nr. 622) heeft het lid Omtzigt (CDA) gevraagd of het op dit moment rechtmatig is om ondernemers te vragen om met eHerkenning in te loggen, nu de Wet digitale overheid (Kamerstuk 34 972) nog niet is aangenomen. Daarnaast heeft de heer Omtzigt gevraagd welk beleidsbesluit van de Belastingdienst er is genomen. Op de vragen van de heer Omtzigt wordt in deze brief ingegaan. Op de in het algemeen overleg gedane toezeggingen over eHerkenning met betrekking tot de kosten van het doen van aangifte, de vergelijking met omringende landen en welke alternatieve scenario’s er zijn, zal in separate brieven worden ingegaan.

Organisaties dienen voor het doen van de aangiftes loonheffingen en vennootschapsbelasting via het ondernemersportaal per 1 januari 2020 een inlogmiddel te gebruiken dat ingevolge Verordening (EU) nr. 910/2014 (de zogeheten eIDAS-verordening) voldoet aan het beveiligingsniveau «substantieel» en bij de Europese Commissie is genotificeerd. Momenteel is eHerkenning (niveau 3) het enige inlogmiddel dat hieraan voldoet, waardoor inloggen met eHerkenning vereist is om aangifte te kunnen doen via het ondernemersportaal. Dit is rechtmatig.

Artikel 3a, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) geeft de Minister de bevoegdheid om bij ministeriële regeling te bepalen op welke wijze het elektronisch berichtenverkeer tussen inhoudingsplichtigen en belastingplichtigen en de inspecteur of het bestuur van ’s Rijks belastingen plaatsvindt. Dit is uitgewerkt in de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst (Regeling EBV). Zoals ik in beantwoording van Kamervragen heb aangegeven, is terecht gewezen op de Regeling EBV waarin de vereiste authenticatiemiddelen zijn vermeld.1 Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 is de Regeling EBV in overeenstemming gebracht met de gestelde nadere eis over verplicht gebruik van inlogmiddelen die gelet op de eIDAS-verordening voldoen aan beveiligingsniveau «substantieel» (niveau 3).2 Dit laat onverlet dat de inspecteur op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de algemene bevoegdheid heeft om nadere eisen te stellen aan het gebruik van de elektronische weg, bijvoorbeeld ten aanzien van het digitaal indienen van belastingaangiften. Dit volgt uit artikel 1, derde lid, AWR en artikel 3a, eerste lid, AWR. Ook is in de memorie van toelichting bij artikel 3a AWR opgemerkt dat de bepalingen van afdeling 2.3 Awb – waartoe artikel 2:15 Awb behoort – van toepassing blijven.3

De totstandkoming van de Wet digitale overheid is dus geen noodzakelijke voorwaarde voor de rechtmatigheid van het gebruik van eHerkenning op het ondernemersportaal van de Belastingdienst. Dat neemt niet weg dat de uitkomst van de behandeling van het wetsvoorstel Wet digitale overheid van invloed kan zijn op welke authenticatiemiddelen de Regeling EBV zal vermelden. De gestelde eis van de Belastingdienst is voorafgegaan aan de behandeling van het wetsvoorstel Wet digitale overheid aangezien de Belastingdienst al eerder passende technische beveiligingsmaatregelen moest nemen gelet op artikel 5, eerste lid, letter f, van de Algemene verordening gegevensbescherming. Zoals in de hiervoor genoemde beantwoording van Kamervragen aangegeven, is van tevoren kenbaar gemaakt dat niet meer kan worden ingelogd met een gebruikersnaam en wachtwoord op het nieuwe ondernemersportaal van de Belastingdienst. Dit is kenbaar gemaakt op de website van de Belastingdienst en er zijn brieven verstuurd aan de gebruikers die voor het doen van aangifte gebruik maakten van het inmiddels voor de loonheffingen en vennootschapsbelasting afgesloten oude portaal.

De Staatssecretaris van Financiën, J.A. Vijlbrief


X Noot
1

Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 1682 (herdruk).

X Noot
2

Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 2 maart 2020, nr. 2020–30255 tot wijziging van de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst, Stcrt. 2020, nr. 13459.

X Noot
3

Kamerstuk 34 196, nr. 3, p. 8.

Naar boven