Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201731066 nr. 321

31 066 Belastingdienst

Nr. 321 HERDRUK1 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 13 december 2016

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën over de brief van 4 november 2016 inzake de 18e Halfjaarsrapportage Belastingdienst (HJR) (Kamerstuk 31 066, nr. 318).

De Staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 13 december 2016. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Duisenberg

De adjunct-griffier van de commissie, Van den Eeden

1. Wanneer is of wordt begonnen met de werving van nieuwe belastingdeurwaarders?

2. Wanneer kunnen de nog te werven of reeds geworven belastingdeurwaarders aanvangen met hun werkzaamheden?

3. Wanneer de volgende vier stappen zijn gezet: het digitaliseren van deurwaarderprocessen, het ontwikkelingen van een deurwaardersapp en een verbeterde centrale regie op de beslagopdrachten en de uitbesteding van verkoopprocessen van inbeslaggenomen goederen, kan de deurwaarderij volgens Oliver Wyman met 144 fte minder af. Wanneer zijn deze stappen voltooid? Zijn deze voltooid alvorens de deurwaarders via de vertrekregeling de dienst verlaten?

In mijn brief van 9 november 2016 (Kamerstuk 31 066, nr. 316), heb ik aangegeven dat in de maanden november en december met alle dienstonderdelen de prestatieafspraken voor 2017 worden gemaakt. In de rapportage van januari 2017 zal ik uitgebreider ingaan op de in- en uitstroom van de deurwaarderij. In de visie Deurwaarderij wordt een vernieuwingsperiode tot en met 2020 beschreven. Momenteel wordt een plan van aanpak uitgewerkt waarin de verbeteringen in de tijd worden weggezet.

4. Hoeveel gaat het procederen van de Belastingdienst tegen de Belastingdienst kosten en hoe wordt deze uitgave gedekt?

Een procedure zal niet worden gevoerd. Het Ministerie van Financiën heeft met de inspecteur afgesproken dat er zal worden aangesloten bij de lopende procedure van een andere werkgever die een aanslag RVU-heffing opgelegd heeft gekregen. De Belastingdienst sluit hiermee aan bij de laatste jurisprudentie.

5. Hoe worden belastingbetalers geïnformeerd over de verdeling van het belastinggeld qua uitgaven? Welke goede voorbeelden zijn hiervan in andere landen, bijvoorbeeld Frankrijk?

Burgers en bedrijven worden op diverse manieren en momenten actief geïnformeerd over de uitgaven van de Rijksbegroting. Rond Prinsjesdag informeert het Ministerie van Financiën burgers en andere doelgroepen over de inkomsten en uitgaven van Nederland. Met Verantwoordingsdag wordt ieder jaar teruggekeken op de inkomsten en uitgaven. Aan leerlingen van het basisonderwijs (groep 7 en 8) en van het voortgezet onderwijs (alle niveaus en klassen) wordt ieder jaar lesmateriaal gestuurd over de inkomsten en uitgaven van de overheid. Een voorbeeld van het lesmateriaal is de – interactieve – Miljoenennotaposter (https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/prinsjesdag/inhoud/lesmateriaal/miljoenennotaposter/). Hierop staat een overzicht van de verdeling van de verwachte inkomsten en de geplande uitgaven voor het komende jaar.

De ontwikkelingen op dit vlak gaan snel als gevolg van de toenemende beschikbaarheid van data, zie bijvoorbeeld ook de site wheredoesmymoneygo.org. Om de positie van de Belastingdienst als uitvoeringsorganisatie duidelijk af te bakenen, communiceert de Belastingdienst hier bewust niet over.

6. Wat is de uitkomst van het onderzoek van het Ministerie van BZK voor de aanvraag van DigiD via grensgemeenten, de balie op Schiphol en ambassades in het buitenland? Wat is de uitkomst van de evaluatie van de pilot van de Belastingdienst met het gebruik van veilige inlogmiddelen van banken voor het doen van de aangifte inkomstenbelasting?

Het is al enkele jaren mogelijk voor Nederlanders die in het buitenland wonen om een DigiD aan te vragen bij speciale DigiD-balies bij grensgemeenten, ambassades en op Schiphol. Op dit moment onderzoekt het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op welke manier de mogelijkheden om burgers in het buitenland van een DigiD te voorzien, kunnen worden uitgebreid. Naar verwachting worden de resultaten van dit onderzoek medio 2017 opgeleverd.

In maart 2016 heeft de Belastingdienst de mogelijkheid opengesteld om met een inlogmiddel van een bank de aangifte inkomstenbelasting in te dienen. Inmiddels zijn de zeven grootste banken aangesloten. Aan de pilot hebben tot nu toe ongeveer 2.000 burgers deelgenomen. Een commissie onder een onafhankelijke voorzitter heeft alle eID-pilots – waarvan de bankenpilot onderdeel uitmaakte – geëvalueerd. De commissie stelt dat de pilots zowel op het vlak van het gebruiksgemak als wat betreft aspecten als technische degelijkheid, privacybescherming en ervaringen van de aanbieders van middelen, dienstaanbieders en gemeenten, acceptabele tot gunstige uitkomsten te zien geven.2

7. De politieke partij DENK betichtte de politie al van etnisch profileren, maar breidt de definitie nu uit. Ook overheidsinstanties als de Belastingdienst en de arbeidsinspectie zouden allochtone Nederlanders anders behandelen en moeten strenger worden gecontroleerd. Kunt u hier op een reactie geven?

Ik verwijs naar het antwoord van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat hij op 14 september 2016 op de vragen van het lid Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk) over mogelijk etnisch profileren van ondernemers aan de Kamer heeft gezonden.3 Hierin staat dat overheidsorganisaties als Inspectie SZW, NVWA, FIOD en Belastingdienst in hun risicoaanpak geen onderscheid maken naar etniciteit.

8. Een tijd gelden kwam het incassokantoor Cannock Chase met een persverklaring dat er bij de invordering van belastingen door haar in België onregelmatigheden ware geconstateerd. Deze onregelmatigheden hebben er toe geleid dat Cannock Chase onrechtmatig verkregen gelden gaat terugstorten aan de belastingschuldigen? Cannock Chase heeft ook een pilot gedaan bij de (Rijks) Belastingdienst. Betreffen die terugbetalingen ook rijksbelastingen? Wat zijn die begane onregelmatigheden?

Bij de invorderingspilot die Cannock Chase voor de Belastingdienst in Nederland heeft gedaan, zijn geen terugbetalingen van rijksbelastingen aan belastingplichtigen aan de orde geweest.

9. Klopt het dat de werkzaamheden van de CLO en FIOD elkaar deels overlappen bij de informatie uitwisseling van gegevens over de indirecte belastingen? Waarom houden twee instanties zich met hetzelfde bezig?

13. Waarom zijn er voor Wederzijdse Bijstand op het gebied van de btw twee landelijke dienstonderdelen aangewezen: namelijk CLO Almelo en FIOD. Zorgt dat juist niet voor verwarring en onduidelijkheid voor het proces Wederzijdse Bijstand?

15. Heeft de FIOD hier niet een dubbel rol en zou de FIOD zijn tijd niet beter kunnen besteden aan strafrechtelijke onderzoeken?

Binnen de FIOD houdt het Coördinatiepunt BTW-fraude zich onder andere bezig met het detecteren en opwerken van mogelijke nieuwe signalen van BTW-carrouselfraude. Een van de werkzaamheden van het Coördinatiepunt in dit verband is het uitvoeren van gegevensuitwisseling op basis van de Verordening EU/904/2010 inzake wederzijdse bijstand, echter voor zover dat een relatie heeft met carrousel-fraude en andere BTW-gerelateerde fraudepatronen. De CLO is op basis van genoemde verordening belast met de reguliere inlichtingenuitwisseling, die niet direct is ingegeven door fraude, maar juist door onduidelijkheden over een of meerdere transacties tussen ondernemers in verschillende EU-lidstaten. Op het gestandaardiseerde formulier voor gegevensuitwisseling moet ook worden aangekruist of het een regulier verzoek om gegevensuitwisseling of een verzoek voor BTW-fraude is. Van overlap van werkzaamheden respectievelijk verwarring en onduidelijkheid is derhalve geen sprake.

Er is geen sprake van een dubbelrol. Naast het FIOD-Coördinatiepunt BTW-fraude ontplooien de belastingregio’s en de broedkamer activiteiten om intracommunautaire btw-fraude te detecteren en te bestrijden. De gerichte werkzaamheden van het FIOD-Coördinatiepunt maken aldus onderdeel uit van de integrale handhavingsketen. Naar mijn mening wordt op deze wijze hard en goed gewerkt aan de bestrijding van btw-carousselfraude. Ook de Algemene Rekenkamer heeft in zijn rapport over de btw-carousselfraude geen opmerkingen gemaakt over deze wijze van inrichting van het werk en hier ook geen aanbevelingen op gedaan.

10. De vraag kan gesteld worden of en wat de overplaatsing van het Wederzijdse Bijstand-proces in 2010 naar de CLO Almelo nou voor verbeteringen van het proces heeft opgeleverd.

In 2009 is besloten een aantal wijzigingen aan te brengen in de toedeling van werkzaamheden aan de verschillende bevoegde autoriteiten binnen de Belastingdienst, die zijn belast met het verlenen van wederzijdse bijstand (WB). Een belangrijke doelstelling was de WB dichter bij het toezichtsproces te positioneren. Deze wijziging hield in dat het WB-proces op het terrein van de directe belastingen en de invorderingsbijstand werd overgeheveld van de FIOD naar de CLO op het belastingkantoor in Almelo. De CLO was al de bevoegde autoriteit voor een deel van het verlenen van bijstand op het terrein van de BTW. De concentratie van deze werkzaamheden draagt bij aan de kwaliteit, effectiviteit en efficiëntie van het werk. Er zijn nu nog twee verschillende landelijke dienstonderdelen actief op het gebied van de WB. Het Centraal Punt BTW-fraude van de FIOD voor de verzoeken op het terrein van de grensoverschrijdende BTW-fraude en de CLO voor de overige bijstandsverzoeken.

11. Welke lokale Belastingdiensten zijn gemandateerd om direct uit te wisselen, waarvan wordt uitgegaan dat grote kantoren als Amsterdam en Rotterdam zijn gemandateerd.

12. Door directe contacten tussen werknemers, die goed op de hoogte zijn van fiscale wet- en regelgeving en betreffende belastingdossiers, zal namelijk de effectiviteit en efficiency sterk toenemen, zoals de EU dat ongetwijfeld al jaren geleden niet voor niets in die verordeningen heeft opgenomen. Waarom wordt deze werkwijze niet meer gevolgd?

De bevoegde autoriteit van de Belastingdienst,CLO te Almelo,heeft aan een aantal medewerkers, die werkzaam zijn in belastingkantoren in het grensgebied van België en Duitsland ondermandaat verleend om direct inlichtingen uit te wisselen met gemandateerden van belastingkantoren aan de andere zijde van de landsgrens. Deze ondermandaatverlening vloeit voort uit de met België en Duitsland gemaakte afspraken over de directe, grensoverschrijdende samenwerking op het terrein van de BTW en voor België ook voor de directe belastingen en invorderingsbijstand. Deze werkwijze en samenwerking met beide buurlanden wordt als zeer positief ervaren en draagt zeker bij aan meer effectiviteit en efficiency. Aan Duitsland is verzocht de directe grensoverschrijdende samenwerking uit te breiden naar de directe belastingen. Er is dus geen sprake van het niet meer volgen van deze werkwijze. Integendeel, Nederland streeft naar uitbreiding daarvan.

Daarnaast neemt Nederland deel aan een pilot op grond waarvan inspecteurs in bepaalde gevallen direct contact met elkaar hebben. Het gaat hierbij om de zogenoemde «cross border ruling pilot» waarbij een belastingplichtige die voornemens is een (complexe) activiteit met een grensoverschrijdend element te gaan ondernemen, de casus kan voorleggen aan zijn eigen Belastingdienst met het verzoek om een ruling. De inspecteur van de Belastingdienst neemt dan contact op met de Belastingdienst(en) van de andere betrokken lidstaat/lidstaten om te beoordelen of tot een gezamenlijke duiding van de btw-gevolgen kan worden gekomen.

14. Zou voormelde scheiding niet mede de oorzaak kunnen zijn dat de carrouselfraude nog steeds zo veel schade voor de maatschappij oplevert?

Dat is niet het geval. Deze werkwijze draagt juist bij aan een betere en effectievere (Europese) bestrijding van BTW-carrouselfraude, omdat het Coördinatiepunt BTW-fraude van de FIOD gespecialiseerd is in preventieve en strafrechtelijke aanpak van grensoverschrijdende BTW-fraude en het signaleren van nieuwe trends ten aanzien van deze vormen van fraude. De verzoeken om informatie in het kader van BTW-carrouselfraude komen bij dat organisatieonderdeel binnen waar de opvolging daarvan in brede zin het meest effectief is en waar de benodigde kennis en expertise aanwezig is. Het Coördinatiepunt van de FIOD werkt overigens nauw samen met andere onderdelen van de Belastingdienst, zoals Data & Analytics waar door middel van het IT-tool Transaction Network Analysis (TNA) risicoanalyse en detectie van BTW-carousselfraude plaatsvindt.

16. Voor wat invordering betreft is er binnen de Belastingdienst een landelijk vaktechnisch coördinator invordering. Indien die nog niet gemandateerd is voor het WB-proces zou het dan gezien het feit dat dit proces nog niet geweldig plaatsvindt dit alsnog te doen?

De twee landelijk vaktechnisch coördinatoren invordering die de Belastingdienst telt, zijn reeds gemandateerd als ontvanger, daarmee ook voor ontvangershandelingen die voortvloeien uit de Wederzijdse Bijstand.

17. In uw begeleidende brief staat dat «Binnen de klantbehandeling van het midden- en kleinbedrijf, de focus is verlegd naar posten met een groter fiscaal belang en een hoger fiscaal risico. Het correctiepercentage is hierdoor gestegen en de gemiddelde correctieopbrengst per aangifte Vpb ligt dertig procent hoger dan de norm». Bevestigt de Staatssecretaris hiermee het standpunt dat er de afgelopen jaren te eenzijdig is ingezet op een op vertrouwen gebaseerd horizontaal toezichtmodel?

De handhavingsstrategie van de Belastingdienst is ongewijzigd. De verlegging in focus is het gevolg van een verbetering van het risicoselectieproces van aangiften. Als gevolg hiervan is het correctiepercentage is gestegen.

18. Wanneer is de analyse naar de interne beheersing van fiscale processen binnen de Belastingdienst gestart?

De toenmalige Raad van Bestuur van de Belastingdienst heeft eind 2015 opdracht gegeven tot deze analyse.

19. Op welke punten was de interne fiscale beheersing van de Belastingdienst onvoldoende? Wat heeft ertoe geleid dat de interne fiscale beheersing onvoldoende op orde is?

20. Kunt u de analyse naar de interne beheersing van fiscale processen door de Belastingdienst (vertrouwelijk) aan de Kamer doen toekomen?

99. Kunt u eens aangeven waarom het bij een organisatie als de Belastingdienst, wiens «core-business» fiscale handhaving is, nu juist mis kan gaan op het gebeid van de fiscal control?

105. Kunt u toelichten op welke punten de interne fiscale beheersing een onvoldoende scoort? Op basis waarvan is dit beoordeeld? Kan u uitgebreider toelichten welke stappen worden ondernomen om op deze punten wel een voldoende te scoren? En wanneer verwacht u dat deze punten wel voldoende zijn?

Eerder heb ik u geïnformeerd over de hoofdconclusie van een interne analyse van de Belastingdienst over de interne fiscale processen. Deze analyse is daarna eind november door de Belastingdienst vastgesteld. Nu de analyse beschikbaar is, roept deze bij mij, maar ook bij de ADR, nog vragen op die aanvullend beantwoord moeten worden. Ook verschillende beweringen door geïnterviewden uit de analyse moeten geverifieerd worden. Daarom heb ik de ADR gevraagd om een reactie te geven op de analyse, zodat ik op basis van de analyse en de ADR-reactie, de Kamer volledig kan informeren. Ik streef ernaar de analyse met mijn reactie tijdig voor het Algemeen overleg van 2 februari 2017 naar de Kamer te sturen.

21. Is het de Belastingdienst in de rol van partij bij het convenant, niet in de rol van inhoudings- en belastingplichtige, bekend dat de interne fiscale beheersing onvoldoende op orde is?

De Belastingdienst in de rol van partij (toezichthouder) bij het convenant is inderdaad bekend dat de interne fiscale beheersing onvoldoende op orde is. De mate waarin de interne fiscale beheersing op orde is maakt onderdeel uit van de periodieke gesprekken die worden gevoerd in het kader van het afgesloten convenant.

22. Heeft de Belastingdienst in diezelfde rol van partij bij het convenant gedreigd om het convenant op te zeggen?

De Belastingdienst als toezichthouder heeft niet gedreigd om het convenant op te zeggen, maar de Belastingdienst als toezichthouder heeft zich een jaar geleden kritisch uitgesproken over de voorgang van de fiscale beheersing binnen de Belastingdienst als aangifteplichtige. Er is echter geen sprake geweest van het opzeggen van het HT convenant.

23. Wat is de stand van zaken bij het opstellen van de (zwarte) lijst van jurisdicties die niet voldoen aan eisen van goed bestuur in belastingzaken? Hoe wordt de lijst samen gesteld? Hoe wordt voorkomen dat het hier niet om een politieke lijst gaat?

25. Wat wordt verstaan onder de eisen van goed bestuur in belastingzaken?

Het uitgangspunt van goed bestuur in belastingzaken is dat ook derde landen de wereldwijde standaard op het gebied van belastingzaken overnemen. Goed bestuur op belastinggebied is niet alleen van wezenlijk belang om grensoverschrijdende belastingfraude en -ontduiking te bestrijden, maar werkt ook versterkend in de strijd tegen het witwassen van geld, corruptie en de financiering van terrorisme. De lidstaten van de EU hebben in mei 2016 besloten om, naar aanleiding van de Panama papers, een lijst samen te stellen van niet coöperatieve jurisdicties. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de volgende risico criteria: de mate van fiscale transparantie, schadelijke belastingconcurrentie en de participatie van deze jurisdicties aan het internationale proces om grondslaguitholling en winstverschuiving tegen te gaan. Deze criteria zijn objectief opgesteld om zo een gelijke behandeling van de jurisdicties te verzekeren en omdat op deze manier aan de jurisdicties duidelijk kan worden uitgelegd wat deze moeten doen om van de lijst af te komen.

Deze criteria hebben geleid tot een lijst van risicojurisdicties die nader zullen worden onderzocht. Begin 2017 zal de Commissie een dialoog met deze jurisdicties opstarten om extra informatie te verkrijgen en, waar nodig, hen te bewegen tot aanpassing van hun belastingsystemen. Afhankelijk van de uitkomst beoordelen de lidstaten eind 2017 welke jurisdicties uiteindelijk op de lijst van niet-coöperatieve jurisdicties worden gezet.

24. Klopt het dat het doel van de fiscale gegevens uitwisseling is dat er zoveel mogelijk bestand open gesteld worden? Wordt dit gecentraliseerd aan gepakt of gedecentraliseerd aan gepakt de gegevensuitwisseling? Wat heeft de voorkeur van u?

Het doel van de fiscale inlichtingenuitwisseling is uiteindelijk ertoe bij te dragen dat belastingplichtigen de belasting betalen in de landen die daar recht op hebben, dus het voorkomen en bestrijden van belastingontduiking. Inlichtingenuitwisseling en het openstellen van bestanden is uiteraard geen doel op zich. Zoals uit de antwoorden op de vragen 9 t/m 11 blijkt, is bij de Belastingdienst van zowel een gecentraliseerde als gedecentraliseerde aanpak sprake. Dit is afhankelijk van wat het meest effectief en efficiënt is en dat lijkt mij een goed uitgangspunt.

26. Kunt u beknopt een schets geven van het toekomstig btw-systeem en het verschil met het huidige?

De huidige sinds 1993 bestaande tijdelijke regeling bepaalt grosso modo dat een goed dat in het kader van een levering tussen ondernemers wordt vervoerd van de ene naar de andere lidstaat vrij van btw (0%) plaatsvindt en dat de verwerving van dat goed in de lidstaat van aankomst wordt belast naar het daar geldende btw tarief. De Europese Commissie heeft in haar btw-actieplan (COM(2016) 148 final van 7 april 2016) ondermeer een voorstel in 2017 aangekondigd voor een eerste stap naar een definitieve regeling voor deze grensoverschrijdende leveringen. In plaats van een levering en een verwerving wil de Commissie alleen nog de levering als belastbaar feit handhaven en deze belasten naar het in het land van aankomst geldende btw tarief. De leverancier draagt die btw dan in eigen land af door hiervan aangifte te doen via de zogenaamde one-stop-shop methode. De eigen lidstaat moet de geïnde btw-bedragen vervolgens doorbetalen aan de betreffende lidstaat waar die btw verschuldigd is.

In de Ecofin Raad van mei 2016 is – onder Nederlands voorzitterschap – over dit voorstel geconcludeerd dat kennis is genomen van dit voorstel dat voortbouwt op de in de Raadsconclusies van mei 2012 besloten voortzetting van het bestemmingslandbeginsel. De Raad verwelkomt het diepgaande technische werk van de Commissie tot nu toe, alsmede het initiatief voor een brede dialoog met de lidstaten om in detail de verschillende mogelijkheden te bestuderen die het best bij het bestemmingsland beginsel passen. Dit werk dient volgens de Raad nog te worden gecontinueerd om de lidstaten een goede basis te bieden om een politieke keus voor een definitief systeem te kunnen maken. Daarbij kan de verlegging van btw als alternatief voor de voorgestelde heffing van btw bij grensoverschrijdende transacties geanalyseerd worden. De Raad onderstreept dat het debat wordt voortgezet om de Commissie politieke sturing te geven voor verdere analyse van deze werkzaamheden teneinde de Raad in staat te stellen om de impact van mogelijke technische oplossingen goed te kunnen evalueren en oplossingen te kiezen die het best passen bij de gezamenlijke EU doelen. Nederland wacht de voorstellen voor een efficiënt en fraudebestendig btw-systeem, zoals aangekondigd in het btw actieplan, af en zal deze goed bestuderen. Het standpunt zal gebaseerd worden op de gevolgen van de concrete maatregelen die voorgesteld worden.

27. Hoe beoordeeld u de vigerende richtlijnen op het gebeid van gegevens uitwisseling bij de heffing en invordering van belastingen? Zijn deze niet veel te omslachtig als het gaat om de feitelijk werking er van?

De vigerende EU-verordeningen en -richtlijnen werken in de praktijk doorgaans naar tevredenheid en zijn niet te omslachtig. Het bestaande instrumentarium biedt veel mogelijkheden. Dit wil uiteraard niet zeggen dat in de toekomst geen verbeteringen nodig zullen zijn. Een verbetering is bijvoorbeeld wenselijk op het gebied van de informatie-uitwisseling bij de invordering van parkeerbelastingen (zie ook het antwoord op vraag 28). In EU-verband worden knelpunten in de praktijk besproken en zo nodig opgelost. Soms leidt dat tot een voorstel tot wijziging van verordeningen en richtlijnen.

28. Hebben lokale overheden nu al geautomatiseerde toegang tot kentekengegevens in EU-landen, doordat zij toegang hebben tot die bestand of moet dit individueel met een verzoek worden gedaan?

Gemeenten in de EU kunnen voor de invordering van parkeerbelasting gebruik maken van de Europese Invorderingsrichtlijn (Richtlijn 2010/24 EU). In de praktijk bestaat er vooral behoefte aan de naam- en adresgegevens bij het kenteken. Deze gegevens kunnen met een verzoek om inlichtingen via een daartoe bestemd digitaal formulier aan een andere lidstaat worden gevraagd. Het betreft altijd een individueel verzoek en bulkuitvraag is niet mogelijk. In het Europese Invorderingscomité staat betere ontsluiting van kentekengegevens voor invorderingsdoeleinden op de agenda.

29. In vergelijking met andere landen neemt Nederland volgens u geen opvallende positie aan; wat is het aantal unieke, nieuwe links met andere landen in de database van de Panama Papers? Welke vijf landen hebben de grootste hoeveelheid links in de database? Hoe verhouden zich het aantal links tot het inwonersaantal van verschillende landen? Als het aantal inwoners wordt meegenomen, neemt Nederland dan nog altijd geen bijzondere positie aan?

Het databestand gepubliceerd door het ICIJ bestaat uit de Panama Papers en de Offshore leaks. In dit bestand werden 986 links met Nederland gevonden. Zonder de Offshore leaks zijn er 709 links met Nederland in de Panama Papers. Worden de dubbelingen verwijderd, dan zijn er 683 unieke, nieuwe links met Nederland.

Voor andere landen kunnen de dubbelingen niet gemakkelijk worden verwijderd. Een vergelijking met andere landen kan worden gemaakt op het niveau van de Panama Papers database, inclusief eventuele dubbelingen. Nederland heeft dan 709 links. In totaal zijn er 462.096 records in de Panama Papers database, verdeeld over 203 genoemde landen. Dit betekent dat een land gemiddeld 2276 links in de Panama Papers heeft. Daar blijft Nederland ruim onder.

Het land met de meeste links is Hong Kong. Hieronder de top 5 van landen met de meeste links in de Panama Papers en een percentage van het aantal links ten opzichte van hun inwoneraantal. Ter vergelijking is Nederland onderaan toegevoegd.

 

Land

Aantal links

Inwoners (miljoen)

Links per inwoner

% van de inwoners met link in PP

1

Hong Kong

62.622

7,2

0,0087

0,8698%

2

China

48.368

1.300

0,000037

0,0037%

3

Zwitserland

46.224

8,1

0,0057

0,5707%

4

Jersey

24.075

0,097

0,25

24,8196%

5

Panama

23.940

3,6

0,0067

0,6650%

           

Ter vergelijking:

61

Nederland

709

16,8

0,000042

0,0042%

De positie van Nederland in de Panama Papers is daarom niet bijzonder te noemen.

30. Er worden memoranda afgesloten voor de gegevensuitwisseling, kunt u dit nader toelichten?

Op basis van het multilaterale OESO/Raad van Europaverdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (WABB-verdrag), een bilateraal belastingverdrag of de EU-Richtlijn administratieve samenwerking belastingen (2011/16/EU) heeft Nederland met een aantal landen memoranda of understanding gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over vooral automatische inlichtingenuitwisseling en geïntensiveerd spontane uitwisseling. Het gaat daarbij om een nadere modificatie van de informatie-uitwisselingsbepalingen in eerstgenoemde verdragen. Deze bepalingen zijn immers primair gericht op inlichtingenuitwisseling op verzoek.

31. Nu er een WABB is, waarom worden er nog individuele belasting verdragen afgesloten op het gebied van gegevensuitwisseling? Wat is de reden hier van?

De individuele belastingverdragen hebben als primaire doel dubbele belastingheffing tussen landen en het ontgaan van belasting te voorkomen. In deze verdragen is ook een inlichtingenbepaling opgenomen, o.a. ter ondersteuning van het correct kunnen vaststellen van de heffingsrechten. Het WABB-verdrag heeft een andere doelstelling, namelijk het bieden van diverse mogelijkheden van wederzijdse bijstand aan de participerende landen, waaronder inlichtingenuitwisseling.

32. Per 1 oktober 2016 zijn 298 belastingplichtigen in de Panama Papers geïdentificeerd. 51% daarvan betreffen mkb-ers. Zijn dit DGA's die hun persoonlijke belasting vermijden? Of bederft het ondernemingen die belasting vermijden? Betreft het voornamelijk inkomstenbelasting of vpb?

De MKB-ers die zijn gevonden kunnen betrekking hebben op Nederlandse geïdentificeerde DGA’s, vennootschappen en ondernemingen. Omdat het onderzoek nog loopt, is nog niet duidelijk of er belastingen worden vermeden en welke belastingen dit zouden kunnen zijn.

33. Wanneer zijn de kennisgevingsbrieven verstuurd? Hoe kan de lage responsratio worden verklaard? Zijn belastingplichtigen verplicht te reageren op een kennisgevingsbrief?

De kennisgevingsbrieven zijn verstuurd medio augustus en begin november. De responsratio is inmiddels hoger en ligt rond de 50%. Belastingplichtigen zijn niet verplicht te reageren op een kennisgevingsbrief.

34. Hoe verloopt de samenwerking met de Panamese autoriteiten?

Er wordt in internationaal verband met Panama samengewerkt in het Joint International Tax Shelter Information and Collaboration (JITSIC) Network waarbij ook de Nederlande Belastingdienst is aangesloten. In het algemeen is de samenwerking met Panama in vergelijking met het verleden sterk verbeterd. Of de verbeterde contacten ook tot een (snellere) beantwoording van de verzoeken van de Nederlandse Belastingdienst zullen leiden, kan op dit moment nog niet worden vastgesteld.

35. Waarom zijn door het consortium ICIJ (International Consortium of Investigative Journalists) de bronbestanden niet vrijgegeven?

De betrokken journalisten hebben aangegeven dat zij hun bron willen beschermen en om die reden de bronbestanden niet vrijgeven. Daarnaast spelen privacy overwegingen van zowel de bron als betrokkenen een rol bij afweging door deze journalisten.

36. Wanneer is de inventarisatie en het onderzoek naar alle links in de Panama Papers afgerond?

37. Wat is de omvang van de bedragen die gemoeid zijn met de links uit de Panama Papers?

38. Van hoeveel onderzoeken zullen de concrete resultaten waarschijnlijk eind 2016 te verwachten zijn?

39. Kunt u nu, bijna eind 2016, een beeld geven van de uiteindelijke resultaten van de Panama-papers?

Het eerste deel van het onderzoek naar de links gericht op het identificeren van genoemde personen en rechtspersonen zal begin 2017 afgerond worden. Het daarop volgende traject van beoordelingen zal in 2017 en mogelijk in 2018 voortgezet moeten worden. De doorlooptijden van dit proces zijn lang en moeilijk voorspelbaar. Dit heeft met name te maken met het ontbreken van de brondocumenten en het op moeten vragen van gegevens in het buitenland. Hierdoor is ook nog geen indicatie te geven van het resultaat en omvang van de bedragen die gemoeid zijn met de links uit Panama Papers.

40. Bij de inkeerregeling staat dat de Belastingdienst heeft gekozen voor een nog hardere aanpak van belasting ontduiking? Kunt u even aangeven welk orgaan deze keuze heeft gemaakt binnen de Belastingdienst? Handelt de Belastingdienst hier autonoom?

Het is mijn besluit geweest om de boete voor inkeerders per 1 juli 2016 te verhogen van 60% naar 120%. Ik heb dit op 12 april 2016 aangekondigd. Naar deze aankondiging is ook verwezen in de brief inzake de Panama Papers van 18 mei 2016 van de Minister van Financiën en mijzelf aan uw Kamer. De verhoging is opgenomen in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (Staatscourant. 2016/34921), waarin mijn beleid met betrekking tot fiscale boeten is neergelegd.

41. Op pagina 6 wordt gesteld dat «het databestand een vernieuwde versie is van een oud bestand, namelijk het bestand dat ICIJ ruim drie jaar geleden over de Offshore Leaks online heeft gezet». Wat betekent dit? Wat is de nieuwswaarde van de bestanden die in mei 2016 zijn vrijgegeven en waarom gaf de publicatie van 3 jaar geleden geen aanleiding tot media aandacht en nader onderzoek?

In 2013 heeft het ICIJ de Offshore Leaks gepubliceerd. In mei 2016 zijn de gegevens uit de Panama Papers aan de database van de Offshore Leaks toegevoegd. Een deel van de gegevens in de database was in mei dit jaar dus nieuwe informatie. De Offshore Leaks hebben in 2013 ook tot media aandacht geleid en zijn toen door de Belastingdienst in onderzoek genomen.

42. Is er mogelijk sprake van structurele data-lekken, van/door personen die nu nog steeds werkzaam zijn bij Mossack Fonseca?

Zoals eerder aangegeven is de bron die het ICIJ (en de betrokken journalisten) heeft gebruikt niet bekend.

43. Wat is precies de toegevoegde waarde voor het Nederlandse heffingsbelang, van het verkrijgen van de bronbestanden van het consortium?

Het verkrijgen van de bronbestanden is voor de Belastingdienst van wezenlijk belang voor de heffing. Aan de hand van de bronbestanden kunnen concreet opgezette structuren bewezen worden. Dan worden relaties tussen personen en vennootschappen duidelijk uit onderliggende bescheiden. Voor het aanmerken van een heffingsbelang is dat meestal onontbeerlijk.

44. Welk deel van de opbrengst van de inkeerregeling is boete en welk deel is achterstallige belasting?

De totaalopbrengst van de inkeerregeling vanaf 2002 is € 1,9 miljard. Een uitsplitsing is te maken vanaf 2011.

De totaalopbrengst vanaf 2011 is als volgt te verdelen:

Categorie

Opbrengst vanaf 2011 (miljoen)

% verdeling

Belasting

912

81,1%

Boete

27

2,4%

Rente

185

16,5%

Totaal

1.124

100%

45. Bieden de resultaten van het groepsverzoek om informatie over rekeningen bij UBS en Credit Suisse aanknopingspunten om ook bij andere banken en in andere landen dit soort verzoeken uit te zetten?

48. Kan er, op basis van bilaterale afspraken, ook aan andere landen dan Zwitserland een groepsverzoek worden gedaan voor het uitwisselen van gegevens? En zo ja, bent u dit van plan?

Zoals in de 18e Halfjaarsrapportage Belastingdienst is gemeld, heeft de hoogste Zwitserse rechter bepaald dat groepsverzoeken onder het Belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland is toegestaan. Deze uitleg sterkt de Belastingdienst in zijn opvatting dat dergelijke verzoeken ook naar andere landen zouden kunnen worden gezonden, indien daartoe aanleiding bestaat. Daarbij bestaat natuurlijk altijd het risico dat een rechter in dat andere land er anders over oordeelt dan de Zwitserse rechter.

46. Komen er uit de projecten in het kader van de aanpak zwart vermogen nog specifieke gaten in de wet- en regelgeving naar voren, naast de in het Belastingplan 2017 al gedane voorstellen voor de afgezonderde particuliere vermogens?

Dat is op dit moment niet het geval. Dit betekent uiteraard niet dat in de uitvoeringspraktijk in de toekomst toch weer leemtes kunnen worden ontdekt, die noodzaken tot aanvullende wetgeving. Verder wordt op internationaal niveau constant gewerkt aan het verder dichten van gaten in het net van inlichtingenuitwisseling. Dat is een voortschrijdend proces, waaraan Nederland constructief bijdraagt. Om de internationale afspraken te kunnen implementeren, is meestal weer nationale wetgeving nodig.

Ook de aanpak van belastingontduiking (fraude) is en blijft een speerpunt van het Nederlandse kabinetsbeleid. De Panama papers onderstrepen eens te meer het belang hiervan. Het kabinet is daarom voornemens later dit jaar met voorstellen op dit vlak te komen, die vervolgens, bij voldoende draagvlak in uw Kamer, verder kunnen worden uitgewerkt en omgezet in wetgeving.

47. De boete voor inkeerders is per 1 juli 2016 verhoogd naar 120%, hoe hoog is de boete minstens, hoogstens en gemiddeld bij niet vrijwillig inkeren als de Belastingdienst ontdekt dat vermogen niet is opgegeven en hier geen belasting over betaald is?

Er moet onderscheid gemaakt worden tussen boetes over correcties over box 3 en correcties over box 1 of 2, of wel andere middelen. Bij box 3 kan de boete oplopen van 0% tot maximaal 300%. Dit is allereerst afhankelijk van de verwijtbaarheid, vervolgens kunnen nog strafverzwarende en strafverminderende omstandigheden een rol spelen.

Bij de andere correcties (dus niet box 3) kan de boete variëren van 0% tot maximaal 100%. Ook daar gelden strafverzwarende en strafverminderende omstandigheden. Van geval tot geval zal moeten worden bekeken hoe hoog de boete moet zijn. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat het boeteregime voor correcties over box 3 per 2 juli 2009 gewijzigd. Vóór 2 juli 2009 was die boete gelijk aan de boete over de andere soorten correcties.

49.Wat zeggen de aantallen uitgewisselde records in het kader van FATCA? Wanneer worden de vragen uit het schriftelijk overleg beantwoord?

52. Klopt het dat de VS in 2016 nog geen records aan Nederland heeft verstrekt? Wanneer is de verwachting dat dit wel gebeurt?

Aan de VS geleverde records in het kader van FATCA kunnen op termijn iets zeggen over het aantal in Nederland wonende «US Persons». Vooralsnog zijn de leveringen echter nog niet compleet, zo hoefde dit jaar pas voor het eerst de rekeninggegevens over bestaande lagewaarderekeningen geleverd te worden (over 2015). Ook is dit jaar voor het eerst informatie over verzekeringsproducten doorgegeven aan de IRS. Nederland heeft in 2015 (over 2014) 12.122 records en in 2016 (over 2015) 35.337 records verstrekt.

De VS hebben records aan Nederland verstrekt. Deze aantallen ontvangen records en de inhoud hiervan – 46.000 in 2015 en 36.000 in 2016 – zeggen echter nog niet zoveel. De bestanden zijn nog tamelijk «vervuild». De levering over 2014 bevatte nog veel pensioengegevens die niet in de FATCA-levering thuis horen en er waren gegevens aangeleverd over rekeninghouders die niet in Nederland wonen. Daarnaast zijn waarschijnlijk alle gegevens van de voormalige Nederlandse Antillen aan de Belastingdienst geleverd. Ten slotte zijn er nog veel dubbele gegevens aangeleverd. De in 2016 ontvangen records worden nog geanalyseerd, er valt nog niet te aan te geven of er nog sprake is van «vervuiling».

De vragen uit het schriftelijk overleg van 6 oktober over de Common Reporting Standard (CRS) en de wederkerigheid van de informatieuitwisseling onder de Foreign Account Tax Compliance Act (FATCA) zijn beantwoord bij brief van 21 november 2016.4

50. «Een tijdige tijdrovende onderlinge overleg procedure is in 5 gevallen voorkomen». Kunt u dit nader toelichten.

In de genoemde multilaterale controles werd voor het vinden van de relevante feiten samengewerkt door controlemedewerkers van de belastingdiensten van de desbetreffende EU-lidstaten. Op basis van deze bevindingen werd tussen deze lidstaten en de belastingplichtigen overeenstemming bereikt over de winstallocatie. Hierdoor was een onderlinge overlegprocedure niet meer nodig.

51. Nederland ontving ongeveer 50 miljoen euro door nieuwe onderzoeken in de EU, welke landen ontvingen ook bedragen en hoe verhouden deze bedragen zich tot het door Nederland ontvangen bedrag?

Aan de veertien onderzoeken waarin Nederland participeerde, werd ook deelgenomen door Oostenrijk, België, Cyprus, Tsjechië, Duitsland, Denemarken, Spanje, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië en Zweden. Een aanzienlijk deel van de totaalopbrengst kwam toe aan Zweden, Duitsland en Portugal. Voor Nederland was de opbrengst – zoals eerder aangegeven – ongeveer € 50 miljoen. Deze opbrengst kwam met name uit gezamenlijke onderzoeken met Duitsland, Portugal en Spanje.

53. Wanneer kan het proces van uitwisseling van rulings geautomatiseerd worden ondersteund, in plaats van dat dit handmatig gebeurt? Welke mogelijkheden zijn er voor de Belastingdienst om het proces van uitwisseling te versnellen?

59. De uitwisseling van gegevens in OESO-verband is nu nog een handmatig proces, wanneer is de verwachting dat dit geautomatiseerd wordt? Welke stappen worden daar nu al voor ondernomen?

62. Zijn er verbeteringen mogelijk om het invullen van een standaardformulier te vergemakkelijken en te versnellen? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u en zo nee, waarom zijn er geen mogelijkheden? Is de verwachting dat het invullen van een standaardformulier uiteindelijke sneller mogelijk is? Waarom wel/niet?

64. Wat is de geschatte vertraging ten opzichte van de deadline bij de uitwisseling van rulings zowel in OESO-verband als in EU-verband?

Een belangrijk wapen in de strijd tegen belastingontwijking is transparantie. Nederland vervult op dat gebied een voortrekkersrol. Zo heeft Nederland de regels voor country-by-country reporting tussen Belastingdiensten geïmplementeerd in de nationale wetgeving, zet Nederland in op publieke country-by-country reporting en het zoveel mogelijk uitwisselen en openbaar maken van informatie over uiteindelijk begunstigden. Ook op het gebied van het uitwisselen van rulings loopt Nederland voorop en dat vind ik een goede zaak.

In de praktijk zijn veel vragen opgekomen over de uitleg van de door de EU en OESO gehanteerde begrippen. Een aantal begrippen is namelijk voor meerdere interpretaties vatbaar en de EU en de OESO hebben beperkt richting gegeven over de uitleg ervan. Hierdoor is het invullen van de standaardformulieren minder eenduidig gebleken dan aanvankelijk was voorzien. Indien er ruimte zit of onduidelijkheden zijn in de uitleg van de EU of OESO-regels, wordt dit op dit moment door de Nederlandse Belastingdienst ruimhartig uitgelegd op een manier dat er zo veel mogelijk transparantie wordt bereikt. Hierdoor zal Nederland meer informatie uitwisselen met meer landen dan bij een beperktere uitleg. Op dit moment wordt door de Belastingdienst hard gewerkt om bestaande maar niet centraal opgeslagen rulings op te sporen. Dit is een huzarenklus, omdat deze in de dossiers zitten van individuele inspecteurs waardoor naar schatting 13.000 dossiers handmatig nagekeken moeten worden. Dit vergt veel werk en tijd. Tenslotte heeft Nederland in verhouding meer rulings dan de meeste andere landen hebben aangegeven. Daarom ontstaat er een achterstand en deze is redelijkerwijs niet binnen een aantal maanden op te lossen. Ik kan nog niet inschatten hoe lang de vertraging over uitwisseling van informatie over bestaande rulings precies zal zijn. Ik ben in gesprek met de OESO over een voor alle partijen realistische en aanvaardbare deadline. Hierbij heb ik aan het OESO-secretariaat aangegeven dat de Belastingdienst inschat dat de uitwisseling van informatie een jaar vertraging oploopt.

Ondertussen doet de Belastingdienst er alles aan om het proces van informatie-uitwisseling te versnellen. Ook belastingplichtigen worden betrokken bij het invullen van het standaardformulier. Voor nieuwe rulings zal op korte termijn in een beleidsbesluit worden vastgelegd dat het invullen van het standaardformulier deel uitmaakt van de aan te leveren informatie bij het verzoek om een ruling. Hierdoor wordt de uitwisseling van informatie over nieuwe rulings administratief minder bewerkelijk. De daadwerkelijke uitwisseling van de standaardformulieren zal op termijn grotendeels worden geautomatiseerd. Voor de EU vindt uitwisseling plaats vanaf 2017. De standaardformulieren zullen volledig geautomatiseerd in de EU database worden geplaatst.

54. Hoe ver zijn andere landen met de automatische uitwisseling van rulings?

Ik heb nog geen zicht op hoe ver andere landen zijn met de uitwisseling van informatie over rulings. Het Forum on Harmful Tax Practices begint in 2017 met de beoordeling van landen of is voldaan aan de standaard voor uitwisseling van informatie over rulings. Wel heb ik cijfers beschikbaar van hoeveel informatie per 31 oktober 2016 aan Nederland is uitgewisseld over rulings. Van 9 verschillende landen is in totaal over 62 rulings informatie ontvangen.

55. Hoe ver zal Nederland naar verwachting zijn per 1 januari 2017? Wat heeft overleg met de OESO opgeleverd als het gaat om het niet halen van de datum van 1 januari 2017?

Op 31 oktober 2016 waren in totaal 369 standaardformulieren verstrekt over 155 rulings (informatie over een ruling moet in sommige gevallen aan meerdere landen worden verstrekt). Hoewel nog niet over alle rulings informatie is uitgewisseld, heeft Nederland nu reeds over meer rulings informatie uitgewisseld dan verreweg de meeste andere landen.

Er is momenteel contact met het OESO-secretariaat over hoe het beste met de vertraging om kan worden gegaan. Feit is dat Nederland (en mogelijk nog enkele anderen landen) veel meer informatie moeten uitwisselen op basis van de afspraken dan veruit de meeste andere landen. Er wordt gewerkt aan concrete afspraken om te komen tot een voor alle partijen realistische en aanvaardbare deadline. Ik voorzie dat het niet om een beperkt aantal weken of maanden gaat.

56. Nederland is klaar voor de Common Reporting Standard, zij liep hierin immers voorop, maar hoe zit het met de rest van de wereld?

Nederland is inderdaad klaar voor de CRS, wet- en regelgeving is geïmplementeerd en de voorbereidingen bij de Belastingdienst liggen op schema. Het aantal landen dat mee gaat doen aan de CRS is op dit moment 87, nog 14 andere landen hebben zich gecommitteerd. Zij moeten echter nog verdere actie ondernemen in de vorm van het tekenen van de Multilaterale Competent Authority Agreement CRS, of het onderhandelen over een bilaterale overeenkomst over het uitwisselen van CRS-gegevens. In totaal zijn voor 2017 (gegevensuitwisseling over 2016) zo’n 50 landen binnen en buiten de EU klaar voor CRS.

57. Bij de strafrechtelijke hulpverlening wordt er 163 keer hulpverleend door Nederland aan het buitenland terwijl dit omgekeerd maar 62 keer gebeurt. Hoe is dit te verklaren?

Deze aantallen kunnen niet met elkaar worden vergeleken. Immers, de inkomende rechtshulpverzoeken zijn het totaal van alle inkomende verzoeken uit alle landen ter wereld. Het aantal uitgaande rechtshulpverzoeken betreft alleen Nederland. Er is dus geen sprake van vergelijkbare gegevens. Op basis van deze gegevens sec kan aldus geen beoordeling worden gegeven over de relatieve kwantiteit van het aantal uitgaande verzoeken.

58. Vindt de (geautomatiseerde) gegevensuitwisseling over rulings plaats door de rulings integraal ter beschikking te stellen of louter in het bestand op te nemen dat er een ruling is? Dit in het licht dat het nogal veel werk schijnt op te leveren.

Zowel in OESO- als in EU-verband hebben landen afgesproken de belangrijkste informatie uit een ruling in te vullen op een standaardformulier. Dit standaardformulier wordt vervolgens aan de relevante landen gestuurd dan wel opgeslagen in de EU-database. Vervolgens kan een land de ruling zelf opvragen indien hij daartoe aanleiding ziet. Er gebeurt derhalve meer dan louter in een bestand opnemen dat er een ruling is.

Het formulier is beschikbaar via de site van de OESO: http://www.oecd.org/tax/countering-harmful-tax-practices-more-effectively-taking-into-account-transparency-and-substance-action-5-2015-final-report-9789264241190-en.htm

60. Worden op dit moment rulings wel op een centrale plek geregistreerd door de Belastingdienst zodat het in de toekomst makkelijker is om gegevens uit te wisselen? Zo ja, sinds wanneer worden de rulings centraal geregistreerd? Zo nee, waarom gebeurt dit niet?

Alleen APA’s en ATR’s zijn in het verleden centraal geregistreerd door de Belastingdienst. Dit gebeurt sinds de jaren ’90. De overige rulings zijn niet centraal geregistreerd. Deze rulings zijn niet centraal geregistreerd omdat daar vanuit het perspectief van de belastingheffing geen aanleiding toe bestond. Afgezien van APA’s en ATR’s, worden nieuwe rulings in principe niet centraal opgeslagen. De standaardformulieren die worden verzonden aan het buitenland, dan wel in de EU-database worden geplaatst, zijn wel centraal inzichtelijk waardoor deze rulings eenvoudig te achterhalen zijn.

61. Op welke wijze wordt gecontroleerd of alle lidstaten daadwerkelijk de rulings in de database zetten?

In EU-verband is afgesproken dat de Commissie toeziet op naleving van de richtlijn. Het is nog niet bekend hoe de Commissie deze naleving precies zal toetsen. Nederland vindt het van belang dat andere landen de informatie over de rulings die onder de reikwijdte van de richtlijn vallen uitwisselen en dat daarop wordt toegezien. In OESO-verband wordt ook toegezien op naleving van de afspraken. Dit gebeurt aan de hand van gedetailleerde vragenlijsten. Landen moeten bijvoorbeeld aangeven hoe ze precies in kaart hebben gebracht over welke rulings informatie moet worden uitgewisseld.

63. Hoe verhoudt het aantal rulings dat Nederland heeft afgesloten met de aantallen in andere OESO-landen?

Gaandeweg het proces moet duidelijk worden hoeveel rulings de Belastingdienst in het verleden heeft afgesloten die onder de reikwijdte van de afspraken in OESO- (en EU-verband) vallen. Bij het in kaart brengen van de uitvoeringslasten zijn grove schattingen gemaakt. Toen is gerekend met ongeveer 2.000–3.000 bestaande rulings in OESO-verband. In EU-verband zouden dat er zelfs meer zijn, namelijk ongeveer 6.000–8.000. Deze cijfers zijn niet (meer) accuraat. Waar Nederland spreekt over duizenden rulings waarover informatie moet worden uitgewisseld, hebben de meeste andere landen in OESO-verband echter aangegeven dat zij verwachten over minder dan 200 rulings inlichtingen te zullen gaan uitwisselen. Dit aantal rulings is dus aanzienlijk lager dan de rulings waarover Nederland informatie moet uitwisselen.

65. Hoeveel drugs en wapens zijn er in de eerste helft 2016 opgespoord in de Nederlandse havens en hoeveel was dit in voorgaande jaren? Klopt het dat containers die via de havens binnen komen en verder worden getransporteerd, met vrachtauto’s wel worden gecontroleerd? En die via binnenschepen niet? Waarom?

Het is niet juist dat containers die via binnenvaartschepen verder worden vervoerd niet door de Douane worden gecontroleerd. Ook deze goederen vallen – als ze het grondgebied van de EU via Nederland binnenkomen of verlaten – onder het douanetoezicht. Ze worden – net als alle andere goederen en ongeacht de verdere wijze van transport – op basis van een risicoanalyse geselecteerd voor een controle op de naleving van de wet- en regelgeving waarvoor de Douane als toezichthouder is aangewezen.

De Douane heeft in de haven van Rotterdam ook detectiepoorten geplaatst voor de detectie van radioactief en nucleair materiaal. Afhankelijk van de situatie op de desbetreffende terminal worden containers die van een zeeschip worden overgeladen op een binnenvaartschip op radioactiviteit gecontroleerd met behulp van vaste of mobiele detectieapparatuur. Als het vanwege de logistiek niet standaard kan met behulp van vaste apparatuur, kan het geschieden op basis van risicoanalyse of steekproefsgewijs met behulp van mobiele apparatuur.

Hierbij treft u de gevraagde cijfers aan. Onderstaande aantallen betreffen door de Douane in beslag genomen goederen, die gedaan zijn in heel Nederland, waaronder onze zee- en luchthavens. De verdovende middelen en precursoren zijn in kilogrammen; de wapens en munitie in aantallen. Onder de wapens vallen ook de namaak wapens die volgens de Wet Wapens en Munitie verboden zijn.

 

2013

2014

2015

2016 t/m november1

Soort

Kilogram

Kilogram

Kilogram

Kilogram

Cocaïne

12.913

10.150

10.007

14.791

Heroïne

370

2.064

61

430

Marihuana

620

333

10.913

568

Hasj

1.570

54

85

945

Qat

9.813

2.507

9.759

4.013

Amfetamine

58

9

1.447

22

Methamfetamine

768

1

8

XTC/MDMA

14

641

49

143

Precursoren

13.678

1.692

41.023

5.915

 

Aantal

Aantal

Aantal

Aantal

Wapens

27.109

44.507

15.094

11.545

Munitie

93.038

93.294

109

4.840

X Noot
1

Voor zover nu binnen Douane bekend en gevalideerd.

66. Kan de Belastingdienst nu (eind november) aan de verplichtingen van het country-by-country-reporting voldoen?

Country-by-country-reporting (CbC) houdt voor in Nederland gevestigde groepsentiteiten de verplichting in om bij de Belastingdienst een landenrapport aan te leveren. De Belastingdienst verstrekt de landenrapporten vervolgens (automatisch) aan de betrokken buitenlandse belastingdiensten. Rapporterende groepsentiteiten moeten voor de eerste keer het landenrapport aanleveren over het fiscale boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2016. Voor dit aanleveren heeft de rapporterende groepsentiteit twaalf maanden de tijd, te rekenen vanaf de dag na het einde van het verslagjaar van de uiteindelijke moederentiteit. Dit betekent dat de meeste landenrapporten voor het eerst eind 2017 bij de Belastingdienst worden aangeleverd. Om deze landenrapporten vervolgens automatisch te verstrekken aan de betrokken buitenlandse belastingdiensten heeft de Belastingdienst de eerste keer een termijn van zes maanden (in volgende jaren: drie maanden). De Belastingdienst hoeft dus pas uiterlijk medio 2018 aan de uit CbC voortvloeiende uitwisselingsverplichting te voldoen.

Hoewel de uitwisselingsverplichting nog ver weg is, treft de Belastingdienst reeds allerlei voorbereidingen. Voor de behandeling van de te ontvangen rapporten is binnen de Belastingdienst een apart team van specialisten opgericht dat onderdeel uitmaakt van de coördinatiegroep verrekenprijzen. Ter toelichting op de CbC heeft de Belastingdienst voor in Nederland gevestigde rapporterende groepsentiteiten uitgebreide (Nederlandstalige en Engelstalige) handleidingen opgesteld over de wetgeving en de IT. Daartoe is ook in overleg getreden met een aantal vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven. Ook heeft de Belastingdienst een notificatietool ontwikkeld, die het voor de genoemde groepsentiteiten eenvoudiger maakt om de Belastingdienst te berichten welke groepsentiteit rapporteert. Deze tool is sinds 7 december is via: www.gegevensportaal.net/cbc/aanmelden/beschikbaar. Verder voert de Belastingdienst vooroverleg over de toepassing van de wetgeving, zowel met individuele bedrijven als met belastingadvieskantoren. Ook bij de koepelorganisaties en op de intermediairsdagen wordt aandacht gevraagd voor CbC. Binnen de Belastingdienst geeft het CbC team diverse presentaties om onder andere inspecteurs te informeren over deze ontwikkeling. Tot slot nemen deelnemers van de Belastingdienst deel aan internationale bijeenkomsten en maandelijkse conference calls die zijn gericht op het delen van ervaringen van belastingdiensten met de implementatie van de CbC en het verkrijgen van antwoorden op eventueel nog levende vragen.

De bij de Belastingdienst voor CbC benodigde IT-infrastructuur bouwt voort op de IT-infrastructuur voor de (uitwisseling onder de) Common Reporting Standard (CRS). De CbC IT-infrastructuur zal dan ook worden opgepakt zodra de CRS IT-infrastructuur gereed is. Naar verwachting is de nationale CbC IT-infrastructuur – onder meer voor de ontvangst van landenrapporten – in november 2017 gereed en de CbC IT-infrastructuur voor de uitwisseling van die landenrapporten in juni 2018. Ook voor wat betreft de IT is dus de verwachting dat de Belastingdienst tijdig aan de uitwisselingsverplichting kan voldoen.

67. Bij de Douane worden mensen een op een vervangen, maar dit hoeft niet perse op dezelfde plek in dezelfde functie te zijn, wat is hiervoor de reden? Vervallen er functies? Of wordt er intern doorgeschoven en blijft het functiehuis wel gelijk?

De Douane voert haar taken uit in een dynamische omgeving. Een omgeving van steeds veranderende internationale handelsstromen, logistieke ketens en Europese en nationale wet- en regelgeving. Een omgeving waarin criminelen hun werkwijzen voortdurend aanpassen en wisselen van smokkelmethodiek, wijze van transport en (lucht)havens. Dat alles maakt het noodzakelijk dat de Douane een wendbare organisatie is. Dat betekent dat de Douane op grond van gesignaleerde risico’s voortdurend keuzes maakt wat betreft de mix van de inzet van mensen en technische hulpmiddelen. Deze keuzes kunnen ertoe leiden dat binnen de douaneorganisatie douaniers van werk en werkplek veranderen. Er wordt dan inderdaad intern doorgeschoven. Dit heeft geen invloed op het functiehuis.

68. Waarom is het nodig dat douaniers bij accijnscontroles wapens mogen dragen? Waarom specifiek bij accijnscontroles?

In de brief aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 31 934, nr. 9) is gemeld dat het niet bewapend optreden bij de uitvoering van accijnscontroles in bepaalde situaties leidt tot minder effectief, efficiënt en veilig optreden. Een voorbeeld is dat een douanier controles op de naleving van de accijnswetgeving uitvoert en tussentijds een controle op de naleving van douane- wet- en regelgeving moet doen. Het in deze brief aangekondigde onderzoek of er situaties zijn waarin de accijnscontroles bewapend uitgevoerd kunnen worden zonder dat dit strijdig is met de regels, loopt nog.

69. Waarom is capaciteitsuitbreiding bij de digitale aangiftes niet wenselijk?

In de Halfjaarsrapportage is aangegeven dat in de afgelopen aangifteperiode maximaal 70.000 mensen tegelijk digitaal aangifte konden doen via de online aangiftevoorziening op MijnBelastingdienst. Deze maximale capaciteit is gedurende de aangifteperiode een paar keer overschreden. Op die momenten is de sorrypagina getoond. Om die paar pieken op te vangen zou een in verhouding disproportionele capaciteitsuitbreiding nodig zijn. De hiermee samenhangende meerkosten en de grotendeels onbenutte overcapaciteit die ontstaat, staan niet in verhouding tot een dergelijke aanpassing. De huidige «toeritdosering», waarbij mensen bij grote drukte de sorrypagina te zien krijgen en verzocht worden het later nog eens te proberen, is een goed alternatief gebleken.

70. Welke knelpunten worden verwacht qua capaciteit bij de aangiftes in het komende jaar? En hoe wordt daarop ingespeeld?

Er zijn data waarvan het voor de hand ligt dat veel burgers tegelijk aangifte willen doen (bijvoorbeeld het eerste weekend waarin het mogelijk is aangifte te doen en het weekend van Pasen). Deze drukte kan leiden tot knelpunten. De Belastingdienst speelt hierop in door indien nodig de mediaplanning en de inhoud van de boodschappen te variëren.

71. Wat wordt bedoeld met de zin dat veiligheidshalve opnieuw de strategie wordt gehanteerd om gedurende de campagne geleidelijk en gecontroleerd de capaciteit van MijnBelastingdienst te verhogen?

De afgelopen twee jaar is er veiligheidshalve telkens voor gekozen om de capaciteit van MijnBelastingdienst geleidelijk op te schalen. Wanneer direct zou worden gestart met openstelling op het niveau van de maximumcapaciteit, zou een eventueel (technisch) probleem ervoor kunnen zorgen dat de beschikbaarheid direct naar nul terugvalt. Bij een geleidelijke, stapsgewijze opstart kan in een zelfde geval worden teruggeschaald naar het voorgaande capaciteitsniveau.

72. Er worden 8,9 miljoen aangiften jaarlijks verwerkt. Bij een groot deel van de aangiften is het puur het in lezen van de gegevens die reeds aanwezig zijn bij de Belastingdienst en volgt de aangifte de VIA. Als er van de VIA wordt afgeweken gaat het om posten waar de Belastingdienst geen informatie van derden heeft. Is het procesmatig niet beter om dit aangifte/aanslag traject eens nader te bezien?

73. Is het mogelijk om de mensen met een eigenwoning in plaats van een aangifte gelijk een ambtshalve aanslag te geven? Mogelijk is dan al 60% van de aangiften overbodig.

74. Als er voor 7,1 miljoen van de 8,9 miljoen aangiftes er voor 1 juli al een definitieve aanslag kan worden opgelegd geeft dit dan niet een indicatie dat het proces van aangifte/aanslag aan herziening toe is?

De Belastingdienst onderzoekt in het kader van de Investeringsagenda inderdaad de mogelijkheden om processen te vereenvoudigen en te vernieuwen. Ook het traject van aangifte en aanslag wordt in dit kader bekeken. Daarbij wordt ondermeer de Aanslag zonder Aangifte; de mogelijkheid om een aanslag op te leggen gebaseerd op bij de Belastingdienst bekende gegevens (de gegevens die ook ingezet worden in de VIA), onderzocht.

Het sneller opleggen van definitieve aanslagen is het gevolg van een procesvernieuwing die enkele jaren geleden is ingezet, namelijk het sneller gebruiken van de beschikbare informatie van basisregistraties en derde partijen voor het beoordelen van de aangiften. Hierdoor kan eerder dan voorheen een definitieve aanslag worden opgelegd. Ook hiervoor geldt dat er in het kader van de Investeringsagenda onderzoek zal worden gedaan om te kijken of deze vereenvoudigd kunnen worden.

75. Klopt het dat de «sorry» pagina geldt als ware de website bereikbaar? Is het mogelijk om dit apart inzichtelijk te maken?

De site bestaat uit meerdere onderdelen, waaronder het aangifteportaal. Wanneer er in het aangifteportaal meer bezoekers proberen in te loggen dan de capaciteit toestaat, wordt om technische problemen te voorkomen de sorry-pagina getoond aan uitsluitend deze «surplusbezoekers». Al ingelogde bezoekers kunnen hun aangifte veilig afmaken. Ook de rest van de belastingdienst website is gewoon beschikbaar.

76. Hoeveel signalen en/of klachten komen er bij de Belastingdienst binnen over de berichtenbox c.q. het niet hebben gelezen van berichten in de berichtenbox? Wat wordt bedoeld met actieve accounts? Zijn de accounts die zijn geactiveerd of die ook daadwerkelijk regelmatig worden gebruikt en/of gecheckt?

In de periode van 1 januari tot 1 november 2016 heeft de Belastingdienst 112 klachten geregistreerd die direct verband houden met de Wet elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst. Daarnaast wordt in klachten die over een ander onderwerp gaan soms gerefereerd aan de digitalisering. Ook zijn er mensen die via de BelastingTelefoon aangeven dat zij problemen hebben met het digitaal ontvangen van post in de Berichtenbox. Hiervoor heeft de Belastingdienst de zogenoemde maatwerkoplossing gecreëerd, op grond waarvan mensen een papieren kopie kunnen ontvangen van berichten die alleen in de Berichtenbox zijn of worden bezorgd. Tot nu toe maken bijna 63.000 mensen gebruik van deze maatwerkoplossing.

Met actieve accounts wordt bedoeld accounts waarvoor de gebruiker zijn persoonlijke instellingen heeft doorgevoerd op MijnOverheid. Het gaat bijvoorbeeld om het doorgeven van een mailadres voor e-mailnotificaties van in de Berichtenbox bezorgde berichten.

77. Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat het opnieuw gedurende enkele dagen niet mogelijk is om via MijnBelastingdienst.nl aangifte te doen?

Het is niet zo dat MijnBelastingdienst de afgelopen aangifteperiode enkele dagen niet beschikbaar is geweest. Het is zo dat de sorry-pagina enkele keren verspreid over verschillende dagen is getoond. Het is niet uit te sluiten dat in de komende aangiftecampagne de sorry-pagina wordt getoond aan bezoekers als de maximale inlogcapaciteit worden overschreden. Tijdens het tonen van de sorry-pagina vanwege drukte blijven de bestaande gebruikers – afhankelijk van de op dat moment opgeschaalde capaciteit, maar minimaal 30.000 – ingelogd in het aangifteportaal. Tijdens het tonen van de sorry-pagina vanwege een technische storing, is het mogelijk dat de ingelogde bezoekers hun aangifte niet af kunnen maken. Door kostenneutrale verbeteringen in MijnBelastingdienst, streeft de Belastingdienst ernaar om nog minder vaak de sorrypagina te tonen.

78. Is er tijdens de drukte voor de IB-aangifte nog wel genoeg capaciteit om btw-aangiften te doen of verschijnt dan ook de «sorry-pagina»?

Het aangifteportaal voor de inkomstenbelasting en het portaal voor de aangifte omzetbelasting zijn van elkaar gescheiden. Drukte bij het ene portaal werkt dus niet door naar het andere portaal.

79. Wat wordt bedoeld met de berichten «carry back» waarvoor de gewenningsperiode gestart is, zodat deze berichten over twee jaar enkel nog digitaal verstuurd zullen worden?

Het gaat hier om de beschikking die een belastingplichtige ontvangt wanneer hij gebruik maakt van de regeling voor voorlopige verliesverrekening in de inkomstenbelasting. Bij carry back ofwel achterwaartse verliesverrekening wordt een in het belastingjaar geleden verlies met de winst uit een eerder belastingjaar verrekend. Een verzoek om toepassing van de carry back-regeling wordt gedaan bij de aangifte inkomstenbelasting. De carry back wordt vastgesteld in een separate beschikking.

80. In de aangifte campagne (over belastingjaar 2015) is de toeritdosering geleidelijk verhoogd van 30.000 naar 70.000, wat is de geplande toeritdosering voor de aangifte campagne over belastingjaar 2016?

De geplande toeritdosering zit minimaal op het niveau van vorig jaar, namelijk 70.000 gelijktijdige bezoekers. Het streven is om de komende aangiftecampagne, binnen de bestaande technische grenzen, een nog hoger aantal gelijktijdige gebruikers van MijnBelastingdienst mogelijk te maken.

81. Wat wordt in 2017 de aangiftetermijn waarbij gegarandeerd is dat de belastingplichtige voor 1 juli bericht krijgt.

De garantietermijn zal net als voorgaande jaren de periode van 1 maart tot 1 april beslaan. Als mensen in die periode aangifte doen, krijgen zij voor 1 juli bericht in de vorm van een definitieve- of voorlopige aanslag of van een brief waarin wordt aangegeven dat er geen reden is om een negatieve of positieve voorlopige aanslag op te leggen. Als mensen aangifte doen tussen 1 april en 1 mei is bericht voor 1 juli niet gegarandeerd, maar de ervaring van afgelopen jaren heeft laten zien dat veel belastingplichtigen toch voor die tijd een bericht ontvingen over hun aanslag.

82. Het aantal actieve berichtenboxen bedraagt nu 5,6 miljoen. Wat is de doelstelling van de Belastingdienst in aantallen actieve berichtenboxen?

De Belastingdienst heeft geen hard streefcijfer voor het aantal actieve Berichtenboxen. Dat komt omdat de Berichtenbox op MijnOverheid niet de enige manier is waarop kennis genomen kan worden van digitale post van de Belastingdienst. De berichten worden namelijk bij wijze van service ook op de portalen MijnToeslagen en MijnBelastingdienst gezet. Mensen kunnen er de voorkeur aan geven om de berichten daar te bekijken. Daarom is het zetten van de volgende stap in het digitaal verzenden van berichten ook niet uitsluitend afhankelijk van het aantal geactiveerde Berichtenboxen.

83. Waarom is gekozen om voor ambtshalve aanslagen, navorderingsaanslagen, ambtshalve verminderingen en beslissingen op bezwaar de gewenningsperiode te starten, zodat deze berichten over twee jaar enkel nog digitaal verstuurd zullen worden?

Met het starten van de gewenningsperiode voor deze berichten wordt de stap gezet naar uitsluitend digitale verzending van deze berichten. Dit is in lijn met doelstelling van de Wet elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst en conform de werkwijze die bij parlementaire behandeling van die wet is toegezegd: een stapsgewijze invoering. Voor berichtenstromen die particulieren raken, zal een gewenningsperiode van in elk geval twee jaar worden gehanteerd waarin berichten zowel op papier als digitaal worden verzonden of kunnen worden ingediend. Ik zal de Kamer blijven informeren over stromen die op termijn enkel digitaal zullen worden verzonden.

84. Waarom kunnen bepaalde maatschappelijke instellingen (anbi’s, kerkgenootschappen en multifunctionele centra) een teruggaaf van de energiebelasting krijgen? Welk bedrag is hiermee gemoeid?

Op grond van artikel 69 van de Wet belastingen op milieugrondslag hebben dergelijke instellingen die aan bepaalde voorwaarden voldoen, recht op teruggaaf van 50% van de door hen betaalde energiebelasting. Deze maatregel is destijds ingevoerd omdat deze instellingen niet konden profiteren van de maatregelen waarmee de opbrengst van de energiebelasting deels werd teruggesluisd (zoals een vermindering van het Vpb-tarief). De teruggaaf bedroeg in 2015 in totaal € 26 miljoen.

85. Wat is de stand van zaken van de realisatie van de machtigingsvoorziening burger-organisatie?

Het voornemen was om de machtigingsvoorziening eind januari 2017 op te leveren. Logius heeft (in opdracht van het Ministerie van BZK) momenteel echter verschillende grootschalige trajecten onderhanden rond MijnOverheid, waaronder een volledige herbouw van de voorziening onder de Berichtenbox. Dat is nodig om deze voorziening toekomstbestendig te maken, geschikt voor blijvend overheidsbreed grootschalig gebruik. Gebleken is dat het realiseren van de beoogde machtigingsvoorziening parallel aan de genoemde trajecten een onverantwoorde stapeling van risico’s oplevert op zowel technisch als organisatorisch gebied. Dit heeft het Ministerie van BZK tot de afweging gebracht om de realisatie van de zakelijke gemachtigdenvoorziening op te schorten. Dat betekent dat de voorziening pas in het najaar van 2017 beschikbaar is. Mede naar aanleiding van deze ontwikkeling heb ik besloten om de uitnodiging tot het doen van aangifte voor de inkomstenbelasting 2016 in januari aanstaande niet – zoals beoogd – uitsluitend naar de Berichtenbox te versturen, maar de papieren verzending daarvan nog een jaar te continueren. Ook andere voorzieningen ter ondersteuning van het elektronisch berichtenverkeer zijn minder ver ontwikkeld als eerder werd verwacht. Het gaat dan bijvoorbeeld om de Berichtenbox-app en de mogelijkheid om alle berichten over belastingen in te zien via MijnBelastingdienst, net zoals dat voor toeslagberichten kan via MijnToeslagen.

86. Kan de Belastingdienst al inzien of de berichten in de berichtenbox door de belastingplichtige zijn geopend? Zo ja, hoeveel procent van de berichten wordt binnen twee weken na ontvangst geopend? Zo nee, waarom nog niet?

De Berichtenbox op MijnOverheid is een generieke voorziening van de e-overheid die beheerd wordt door de dienst Logius van het Ministerie van BZK. De Belastingdienst heeft uit de aard der zaak geen toegang tot de Berichtenbox-voorziening bij Logius, en daarom ook geen direct zich op het aantal mensen dat berichten in de Berichtenbox opent. Logius houdt hierover wel gegevens bij. Het laatste bericht van de Belastingdienst dat in de Berichtenbox is bezorgd, is de definitieve toekenning van toeslagen over 2015. De batchgewijze verzending hiervan is gestart op 1 juni. Van de berichten die tussen 1 juni en 1 oktober zijn verzonden is 49% binnen twee weken geopend.

87. Op dit moment is de totale toeslagschuld in het buitenland afgenomen met 41,4 miljoen euro, door zowel verrekening als betalingen door toeslaggerechtigden. Het resterende bedrage is dus nog ruim 120 miljoen euro. Kan hier een verdeling over landen van worden gegeven?

In de 15e halfjaarsrapportage is een bedrag van € 168,2 miljoen gerapporteerd aan openstaande toeslagschulden in het buitenland, inclusief «woonland onbekend» (peildatum 7 februari 2015). De openstaande schuld, exclusief «woonland onbekend» was op dat moment € 125,8 miljoen. In juni 2015 zijn pilots gestart om alle onterecht uitgekeerde toeslagen in het buitenland terug te vorderen.

Om de resultaten van de pilots op het juiste detailniveau te kunnen monitoren, is bij de start hiervan opnieuw gepeild wat de stand was van de openstaande toeslagschulden. Het bedrag aan openstaande toeslagschulden bij de start van de pilots op 1 juni 2015 was € 139,5 miljoen. Doordat toeslagen pas na afloop van het jaar definitief toegekend worden, fluctueren de openstaande toeslagschulden gedurende het jaar en kan een openstaande schuld dus ook gedurende het jaar toenemen. Tussen 1 juni 2015 en eind augustus 2016 zijn de openstaande vorderingen met € 41,4 miljoen afgenomen. Het openstaande bedrag van de vorderingen is ultimo augustus 2016 € 98 miljoen.

In onderstaande tabel is voor de top 10 van landen aan gegeven hoeveel er begin juni 2015 open stond aan toeslagschuld in het buitenland, hoeveel er eind augustus 2016 openstond voor diezelfde vorderingen en het bedrag waarmee de schuld per land is afgenomen

 

Openstaande schulden in mln €

(dd begin juni 2015)

Huidige stand openstaande schulden in mln €

(dd eind augustus 2016)

Afname openstaande schuld in mln €

België

25,2

17,9

7,3

Polen

21,6

14,4

7,2

Duitsland

15,1

9,2

5,9

Curaçao

14,8

12

2,8

Groot-Brittannië

10,5

8,1

2,4

Bulgarije

5,4

4,7

0,7

Turkije

4,6

2,6

2

Aruba

3,2

2,6

0,6

Suriname

3,2

2,1

1,1

Spanje

2,7

1,8

0,9

Overig

33,2

22,7

10,5

Totaal

139,5

98,1

41,4

88. Klopt het dat van de 168,2 miljoen euro er 74,5 miljoen euro verdrag-technisch niet invorderbaar is en 93,7 miljoen in potentie verdrag-technisch invorderbaar?

89. Wordt ten aanzien van die 74,5 miljoen euro er ook geen beroep gedaan op de civielrechtelijke bevoegdheden die de overheid, ook in het buitenland, als schuldeiser heeft?

93. Behoren de posten die civielrechtelijk worden geïncasseerd tot de post van 74,5 miljoen euro die niet via een verdrag is in te vorderen?

Het klopt dat € 93,7 miljoen in potentie invorderbaar is. Als er geen verdrag gesloten is, dan kan de Nederlandse Belastingdienst geen verzoek om bijstand doen. Indien er een verdrag en/of verordening is, dan geldt dat geen verzoek om bijstand gedaan kan worden ten aanzien van vorderingen van minder dan € 350 en van huurtoeslag. Hierdoor is een bedrag van € 74,5 miljoen door verdragtechnische redenen niet invorderbaar.

De Belastingdienst maakt geen gebruik van civielrechtelijke mogelijkheden. De Belastingdienst heeft in het verleden bij een aantal dossiers getoetst of het zinvol is om te innen in het buitenland met civielrechtelijke bevoegdheden. Hieruit volgde de conclusie dat deze aanpak niet rendabel is. Daarnaast is het maar de vraag of een buitenlands overheidsorgaan, i.e. de Nederlandse Belastingdienst, toegang krijgt tot een rechter aldaar. Dit heeft te maken met de Revenue Rule: geen land mag zijn wetgeving in een ander land handhaven.

90. Is deze 74,5 miljoen euro nu te beschouwen als afgeschreven? Of wordt er toch nog iets met deze posten gedaan?

De Belastingdienst blijft alle openstaande posten volgen met behulp van Dynamisch Monitoren waarmee zicht wordt gehouden of binnenlands verhaal ontstaat op deze posten. Hiernaast richt één van de pilots uit de vijftiende halfjaar rapportage zich op de openstaande schulden in Turkije en Marokko. Voor deze schulden is een privaat incassobureau aangezocht om deze schulden in te vorderen. Ter voorbereiding hierop zijn er circa 4.000 brieven verstuurd naar schuldenaren in Marokko en Turkije. Ten aanzien van de schuldenaren die niet hebben gereageerd op de brief, zal het incassobureau via lokale kantoren de schuldenaren benaderen om ze te bewegen alsnog te betalen. De schuld is tussen 1 maart en 1 september 2016 met € 750.000 is afgenomen.

91. Nu in potentie 93,7 miljoen euro invorderbaar is dit met 41,4 miljoen euro afgenomen en resteert 52,3 miljoen nog in te vorderen. Kunt u duiden hoe de post van 41,4 miljoen euro is opgebouwd in ontvangsten en verrekeningen.

In de periode tussen juni 2015 en augustus 2016 bestond van deze € 41,4 miljoen 49% uit ontvangsten, 34% uit verrekeningen en bij 17% van dit bedrag is de afname veroorzaakt doordat de hoogte van het recht op de toeslag aangepast is.

92. Kunt u toelichten hoe er verrekend kan worden binnen de toeslagen als er sprake is van mensen die buiten Nederland woonachtig zijn en die een toeslagschuld hebben. Bij verrekening wordt een vordering met een schuld verrekend. Op welke grond hebben deze mensen van de Nederland geld te vorderen of krijgen zij nog steeds (ten onechte) toeslagen uitgekeerd?

De wet voorziet in de mogelijkheid dat er recht is op een toeslag als de toeslaggerechtigde in het buitenland woont. Het kindgebonden budget, de zorgtoeslag en de kinderopvangtoeslag kunnen dan ook worden uitbetaald aan in het buitenland wonende ontvangers. Dit volgt uit de betreffende wetten in combinatie met Europees recht, internationale regelingen en verdragen. Voor Zorgtoeslag moet iemand bijvoorbeeld verzekeringsplichtig zijn in Nederland en een zorgverzekering hebben. Dat iemand bijvoorbeeld in Duitsland of België woont, is dan niet van belang. Als in een dergelijk geval bij de berekening van de definitieve toekenning blijkt dat de voorlopige toekenning gedeeltelijk terug moet worden betaald, ontstaat een toeslagschuld in het buitenland. Van een uitkering ten onrechte is in zo’n geval geen sprake. Terugvorderingen zijn inherent aan het werken met een voorschotsystematiek. Dat een toeslaggerechtigde in het verleden een toeslag (gedeeltelijk) terug moest betalen (en dat in sommige gevallen (nog) niet heeft gedaan), betekent niet dat er op een later moment ook geen recht op toeslag kan zijn. Daarnaast kan verrekening ook plaatsvinden met nabetalingen van toeslagen over eerdere jaren en ook met aanslagen inkomstenbelasting.

94. De toeslagschulden in Caraïbisch Nederland kunnen alleen vanaf 1 januari 2016 via een verdrag worden ingevorderd. Hoe zit dit met de BES?

In de 15e Halfjaarsrapportage is het volgende aan de Kamer gerapporteerd: «Gegeven de huidige verdragen en verordeningen kan de Belastingdienst voor toeslagschulden een verzoek om bijstand doen in de EU-landen: IJsland, Liechtenstein, Noorwegen, Zwitserland en Caribisch Nederland (Bonaire, St. Eustatius en Saba op grond van de Belastingwet BES). In alle andere landen is geen juridische basis voor een dergelijk verzoek. Er is dus geen juridische basis om een toeslagschuld in te vorderen. Voor de huurtoeslag geldt bovendien dat een verzoek tot bijstand bij de invordering alleen gedaan kan worden aan Caribisch Nederland. In alle andere landen is een huurtoeslagschuld niet in het buitenland invorderbaar. Overeenkomstig artikel 75 lid 3 van de Toepassingsverordening (EG) 987/2009 geldt bovendien dat een verzoek tot inlichtingen of een verzoek tot bijstand bij de invordering pas mag worden gedaan als een schuld groter of gelijk is aan € 350. Momenteel wordt daarom bij verdragsonderhandelingen ingezet op een bepaling die ziet op bijstand voor alle toeslagen, inclusief huurtoeslag. Een voorbeeld daarvan is de bij de Kamer aanhangige belastingregeling Nederland-Curaçao.»

Sinds 1 januari 2016 is het mogelijk aan Curaçao bijstand bij de invordering te vragen voor inkomensafhankelijke regelingen op basis van de belastingregeling Nederland-Curaçao (BRNS). In dit kader heeft er gegevensuitwisseling tussen Nederland en Curaçao plaatsgevonden die voor vervolgstappen in de invordering gebruikt kan worden. Vorenstaande is vanaf 1 januari 2017, op basis van de BRNS, eveneens van toepassing op St. Maarten.

Voor de BES was het al mogelijk bijstand voor alle invorderingen te vragen. De samenwerking verloopt goed.

95. De belasting- en toeslag-schulden kunnen in Caraïbisch Nederland slechts ingevorderd worden mede door de inspanningen van de OESO. Was er dan niet geregeld op landsniveau hiervoor? Zo ja hoe komt dat? Kunt een overzicht geven van de openstaande posten?

Voor Caribisch Nederland geldt dat toeslagschulden kunnen worden ingevorderd op grond van de Belastingwet BES, zoals aangegeven in vraag 94.

 

Openstaande schulden in mln €

(dd begin juni 2015)

Huidige stand openstaande schulden in mln €

(dd eind augustus 2016)

Afname openstaande schuld in mln €

Bonaire

1,2

0,9

0,3

St. Eustasius

0,3

0,2

0,07

Saba

0,03

0,02

0,01

96. Hoe verloopt de civielrechtelijke invordering van de toeslagschulden van voor 1 januari 2016 in Caraïbisch Nederland?

Voor Caribisch Nederland (Bonaire, St. Eustatius en Saba) is op grond van de Belastingwet BES voor toeslagschulden een verzoek om bijstand doen mogelijk. De Belastingdienst draait nu de pilot met het versturen van brieven en het inschakelen van een privaat incassobureau bij Marokko en Turkije. Aan de hand van de behaalde resultaten wordt bezien of het zinvol is eenzelfde werkwijze te volgen bij andere landen waar Nederland geen regeling of verdrag mee heeft.

97. In 2014 was het aantal definitieve toekenningen op 1 juli hoger dan in 2015, kunt u toelichten wat hier de reden voor is?

In 2014 is begonnen met het definitief toekennen over het berekeningsjaar 2013, in 2015 over het berekeningsjaar 2014 en in 2016 over het berekeningsjaar 2015. Het aantal definitieve toekenningen per 1 juli in 2015 over het berekeningsjaar 2014 was hoger dan het aantal definitieve toekenningen per 1 juli in 2016 over het berekeningsjaar 2015. Dit is veroorzaakt door een aangepaste productieplanning. Zoals in de halfjaarsrapportage is opgemerkt, was de verwachting dat, net als vorig jaar, aan het einde van het jaar ruim 85% van de definitieve toekenningen over het berekeningsjaar 2015 afgerond zouden zijn. Deze doelstelling is reeds gerealiseerd, de stand per eind november is 89%. In de volgende halfjaarsrapportage zullen de uiteindelijk gerealiseerde percentages worden vermeld.

98. Wat gebeurt er met toeslagschulden die onder dynamisch monitoren vallen? Wordt daar geen actieve dwanginvordering op toegepast? Gaat daar geen deurwaarder langs om feitelijk te bezien of er verhaalbaarheid is? Of wordt er louter gekeken wat er in digitale bestand gebeurt? Kunt u een cijfermatig overzicht geven van deze 10%.

Bij het invorderen van toeslagschulden wordt zoveel mogelijk ingevorderd via een betalingsregeling. Als een burger geen gebruik maakt van een betalingsregeling of die niet nakomt, krijgt hij achtereenvolgens een herinnering, aanmaning, telefonische incasso, dwangbevel en overheidsvordering. Als het tot dwangincasso komt, worden deze posten voortdurend gemonitord met behulp van Dynamisch Monitoren. Bij toeslagvorderingen worden hierbij dezelfde beslis- en adviesregels gebruikt als bij belastingschulden. Daarbij worden eerst de goedkopere middelen ingezet (bijvoorbeeld Loonvordering). Als dat onvoldoende is, worden zwaardere middelen ingezet (zoals deurwaarder voor beslag onder derden, beslag op auto's, of beslag op onroerende zaken).

100. Als er al misslagen zijn bij de fiscal control bij de Belastingdienst werpt dit dan vragen op met betrekking tot de fiscal control bij andere onderdelen van de (rijks)overheid?

101. Verder werpt de vraag zich op in welke mate zijn lokale overheden fiscaal in control?

Ieder ministerie is een zelfstandig belastingplichtige en wordt op zijn eigen fiscale beheersing beoordeeld. De situatie bij de Belastingdienst, zegt niets over de situatie bij andere onderdelen van de (rijks)overheid.

102. Hoe kan fiscal control bij de overheid geborgd worden?

De overheid als belastingplichtige bestaat niet als zodanig omdat ieder ministerie (of overheidslichaam) zelfstandig belastingplichtige is. Beheersing van de fiscale processen moet worden geborgd in de administratieve organisatie en de interne controle daar op.

103. Kunt u duiden wanneer de Belastingdienst als in haar eigen functioneren in aanraking komt met de vpb en de omzetbelasting?

Sinds 1 januari 2016 zijn overheidsondernemingen belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Dit betekent dat voor zover de Belastingdienst met zijn activiteiten een dergelijke onderneming vormt, er sprake kan zijn van belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Deze onderneming zal dan deel uitmaken van de aangifte vennootschapsbelasting van het Ministerie van Financiën, aangezien de ministeries de aangewezen belastingplichtigen zijn en de Belastingdienst een onderdeel is van genoemd ministerie. In de gevallen dat de Belastingdienst handelt als ondernemer voor de omzetbelasting wordt aan de ondernemer van de prestatie een factuur met btw uitgereikt. De Belastingdienst neemt daarnaast soms diensten en goederen af van leveranciers gevestigd buiten Nederland. Normaliter wordt dan de belastingplicht voor de btw verlegd naar de afnemer die voor de btw staat geregistreerd. De Belastingdienst heeft een btw registratienummer en neemt in voorkomend geval de verlegde btw op in een periodieke aangifte en draagt deze zelf af aan de fiscus.

104. Hoe is de 16% dwanginvorderingen van openstaande betalingen onderverdeeld in de verschillende categorieën (aanmaning, dwangbevel, beslaglegging, overheidsvordering, etc.)?

In de halfjaarsrapportage staat de opbouw van het bedrag aan openstaande terugvorderingen vermeld. Voor 16% van de openstaande bedragen is sprake van dwanginvordering, nader onder te verdelen in aanmaning 2%, dwangbevel 7%, beslaglegging 2%, loonvordering 3%, overheidsvordering 1% en overige 1%.

106. Waarom kan het aantal g-rekeninghouders niet op grote schaal worden uitgebreid?

108. Is er op dit moment al iets meer te zeggen over de uitkomsten van het gezamenlijk onderzoek van de banken en de Belastingdienst over de doorontwikkeling van de G-rekening?

Lange tijd is gedacht dat het g-rekeningenstelsel bij de banken zouden worden vervangen door het depotstelsel bij de Belastingdienst. Dit verklaart waarom er in die periode geen prioriteit is gegeven aan het moderniseren van de werkprocessen rondom de g-rekening. Het gevolg is dat op dit moment die processen nog grotendeels handmatig verlopen, zowel aan de zijde van de Belastingdienst als bij de banken. Alleen de informatie-uitwisseling tussen de banken en de Belastingdienst over de mutaties op de g-rekening is sinds de invoering van de g-rekening 1.5 gedigitaliseerd. Handmatige en papieren werkwijze gelden voor de processen van aanvragen g-rekening, deblokkering van het tegoed op de g-rekening, opheffing van de g-rekening en uitwinning van het saldo op de g-rekening door de Belastingdienst. Als de doelgroep aan g-rekeninghouders aanmerkelijk toeneemt, zijn deze processen binnen de bestaande technische kaders niet meer te behappen voor de Belastingdienst en de banken. De banken hebben modernisering ook als eis gesteld voordat zij met een stijging van het aantal g-rekeningen akkoord kunnen gaan. Het is dus zowel voor de Belastingdienst als de banken niet mogelijk het aantal g-rekeninghouders te laten stijgen zonder modernisering van deze basale processen rondom de g-rekening.

De Belastingdienst en de banken doen gezamenlijk onderzoek naar modernisering van de g-rekening. In een bestuurlijk overleg op 27 juni 2016 hebben de banken en de Belastingdienst het belang van de modernisering van de g-rekening onderschreven en hebben besloten tot een gezamenlijke aanpak om dit te verkennen. Dit onderzoek loopt nog maar op dit moment is al wel duidelijk dat modernisering een grote impact heeft op de ICT-kalender en op het budget van zowel de Belastingdienst als de banken. Complicatie is ook dat de implementatie gelijktijdig bij de banken en de Belastingdienst moet plaatsvinden. Dit stelt hoge eisen aan de timing en onderlinge afstemming. Gezien de huidige situatie van de Belastingdienst betreft het op dit moment hele hoge hordes. Ik voorzie dan ook geen modernisering op korte termijn. Daarvoor ontbreken simpelweg de capaciteit en het budget. Dit laat onverlet dat – conform het bestuurlijk overleg van 27 juni 2016 – verder zal worden gewerkt aan het gezamenlijk onderzoek met de banken, ook vanwege de kansen die doorontwikkeling van de g-rekening biedt voor de Belastingdienst en het bedrijfsleven. De uitkomst van het onderzoek wordt besproken met alle belanghebbenden. Eind januari 2017 worden de betrokken marktpartijen over de laatste ontwikkelingen bijgepraat.

107. Welke maatregelen onderneemt de belastingdienst als een grote onderneming geen TCF heeft? De Belastingdienst kwalificeert als een «grote onderneming». Kan er vanuit worden gegaan dat de Belastingdienst zichzelf dezelfde maatregelen oplegt, aangezien er volgens de 18e halfjaarsrapportage bij de Belastingdienst zélf, nog geen sprake is van een werkend TCF?

In haar toezichtstrategie volgt de Belastingdienst de Leiddraad Horizontaal Toezicht (HT). Een Tax Control Framework (TCF) is organisatiespecifiek en is gebaseerd op het fiscale beleid en ondersteunt de fiscale strategie van een organisatie. De toezichthouder past haar toezichtstrategie aan, aan de individuele organisatie en situatie. Zo ook in het geval van de Belastingdienst. Het toezicht wordt afgestemd op de mate van interne fiscale beheersing. Daarin wordt de Belastingdienst niet anders behandeld.

109. Hoe kan het dat er in eerste instantie gedacht werd dat 14.000 ouderen geen recht meer op een toeslag had vanwege het vervallen van de ouderentoeslag in box 3, en dat uiteindelijk maar 6.000 burgers een brief hadden moeten krijgen? En dat er maar ruim 100 burgers bekend zijn bij de Belastingdienst, die zelf de toeslag hebben stopgezet, terwijl ze daar wel recht op hebben/hadden?

Door een onjuiste benadering van de gegevens waarover de Belastingdienst beschikte is er een fout ontstaan in de berekening van het vaststellen van de groep. Daardoor werd in eerste instantie gedacht dat 14.000 ouderen geen recht meer zouden hebben op een toeslag. Na herstel van de fout bleek het echter om een groep van 6.000 ouderen te gaan.

De 100 burgers die zelf hun toeslag hebben gestopt behoren tot de groep burgers die in september 2015 een brief hebben ontvangen waarbij werd uitgegaan van een box 3 vermogensgrens van € 21.330,–. Na het versturen van deze brief is tijdens de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2016 de box 3 vermogensgrens van € 21.330,– verhoogd naar € 24.437,–. Deze 100 burgers hadden volgens de gegevens waarover de Belastingdienst beschikte banksaldi onder de nieuwe vermogensgrens en hadden mogelijk toch recht op een toeslag. Middels een brief zijn deze burgers hierover geïnformeerd.

110. Hoeveel aanslagen die een jaar of ouder zijn, staan open? Kan het aantal worden uitgesplitst in particulieren, mkb-klein, toeslagen en Grote ondernemingen?

111.Wat zijn de voorraad openstaande aanslagen bij het LIC, uitgesplitst in Particulieren, mkb- klein, Toeslagen en Grote ondernemingen?

112. Wat zijn de voorraad openstaande aanslagen bij het LIC, uitgesplitst in Particulieren, mkb- klein, Toeslagen en Grote ondernemingen?

113. Hoeveel openstaande aanslagen zijn er bij 1. grote bedrijven, 2. het mkb, 3. particulieren en 4. als gevolg van onterecht toegekende toeslagen? Welk waarde vertegenwoordigen deze aanslagen gezamenlijk?

Per 1 november jl. zijn er in de actieve invordering 3 miljoen openstaande vorderingen, verdeeld in 2 miljoen belastingaanslagen en 1 miljoen terugvorderingen van toeslagen. Dit betreft ruim 1 miljoen burgers en bedrijven. Verdeeld over de segmenten bestaan de 2 miljoen belastingvorderingen uit 0,9 miljoen particuliere vorderingen, 1,1 miljoen vorderingen bij MKB en 15.000 bij Grote ondernemingen. De totale waarde van deze vorderingen bedraagt € 7,5 miljard.

Als gevolg van het dynamisch monitoren is het aantal openstaande vorderingen het afgelopen jaar logischerwijs gestegen. De vorderingen worden immers niet meer afgeschreven. Sinds de invoering in 2015 is het aantal vorderingen in dynamisch monitoren gegroeid tot boven de 900.000. Deze betreffen een totaal bedrag van bijna € 1,4 miljard.

De Belastingdienst volgt met dynamisch monitoren gedurende langere tijd openstaande schulden waarvoor geen actuele verhaalmogelijkheden bestaan. Als er nieuwe verhaalmogelijkheden ontstaan, kan dan alsnog tot invordering worden overgegaan, bijvoorbeeld via een beslag of een loon- of overheidsvordering. In het verleden zouden deze vorderingen buiten invordering gesteld zijn, waarna alleen nog verrekening met belastingteruggaven of uitbetaalde toeslagen tot de mogelijkheden behoorde. Een innovatie als dynamisch monitoren steunt op een verbeterde informatievoorziening over de inkomens- en vermogenspositie van belastingplichtigen. Daardoor is het mogelijk niet alleen de goedkoopste maar ook de meest effectieve invorderingsinstrumenten te kiezen.

Los van dynamisch monitoren zijn er momenteel circa 2,1 miljoen openstaande vorderingen, waarvoor beslagen, loon- of overheidsvorderingen, maatwerk betalingsregelingen of andere invorderingstrajecten lopen. Dit aantal is vrijwel gelijk aan het aantal dat een jaar geleden openstond, ondanks het toegenomen totaal aantal vorderingen. Het aantal openstaande vorderingen ouder dan één jaar is 1,7 miljoen, verdeeld in 1 miljoen belastingaanslagen en 0,7 miljoen terugvorderingen van toeslagen. Dit betreft ca. 640.000 burgers en bedrijven. Verdeeld over de segmenten bestaan de 1 miljoen belastingvorderingen uit 0,5 miljoen particuliere vorderingen, 0,5 miljoen vorderingen bij MKB en 8.000 bij Grote ondernemingen. De Belastingdienst stelt zich ten doel om invorderingposten zoveel mogelijk binnen een jaar te innen. Dat lukt bij belastingaanslagen in ongeveer 60% van de gevallen. Bij terugvorderingen van toeslagen duurt dat vaak langer omdat in veel gevallen maatwerk betalingsregelingen nodig zijn, die een lange looptijd hebben.

De voorraad openstaande vorderingen bij het Landelijk incassocentrum (LIC) is 2,3 miljoen, verdeeld in 1,4 miljoen belastingaanslagen en 0,9 miljoen terugvorderingen van toeslagen. Dit betreft ca. 860.000 burgers en bedrijven. Verdeeld over de segmenten bestaan de 1,4 miljoen belastingvorderingen uit 0,8 miljoen particuliere vorderingen en 0,6 miljoen vorderingen bij MKB. Het LIC voert binnen de Belastingdienst de behandeling uit van de invordering bij particulieren en de kleinere bedrijven binnen het MKB. De hierboven genoemde cijfers betreffen de openstaande vorderingen die actief ingevorderd worden; vorderingen waarvan de betalingstermijn nog niet, of nog maar kort geleden verstreken is, toeslagvorderingen met een standaard betalingsregeling en bijvoorbeeld vorderingen waarvoor een bezwaarschrift of een kwijtscheldingsverzoek is ingediend, zijn ervan uitgezonderd.

114. Is het niet buitengewoon omslachtig en bewerkelijk om de termijn-betaling op een andere (handmatig) wijze te laten verlopen dan via automatische incasso?

De omslachtigheid van het niet via automatische incasso incasseren van betalingen raakt in de eerste plaats de belastingplichtige zelf. Deze moet hierbij immers zelf steeds weer handelingen verrichten om tot een betaling over te gaan. Bij een automatische incasso kan dit uit handen worden gegeven. Voor de Belastingdienst is automatische incasso aantrekkelijk omdat er geen vragen kunnen ontstaan rond de bestemming van deze inkomende betalingen. Bovendien is het risico dat betalingen achterwege blijven kleiner.

115. Wat zou het kunnen besparen als er slechts twee mogelijkheden waren: 1 automatische incasso met 11 termijnen of 2: betaling in één termijn zonder automatische incasso?

Op dit moment is er sprake van twee betalingsmogelijkheden die hier sterk op lijken. Echter, van verplichte toepassing van een automatische incasso is geen sprake. De wet gaat uit van betaling binnen 1 termijn en, in geval van voorlopige aanslagen IB en de VPB, van betaling in meerdere termijnen (maximaal 11). In het geval van betaling in 1 termijn, is toepassing van een automatische incasso niet mogelijk, in geval van betaling in 11 termijnen is dit optioneel.

Wanneer termijnbetalingen verplicht door middel van een automatische incasso zou plaatsvinden, dan leidt dit bij de Belastingdienst tot het voordeel dat er minder vaak sprake zal zijn van onjuiste betalingsbestemmingen en dus van minder uitval. Tegelijkertijd zullen er als gevolg van storneringen van de automatische incassobetalingen ook weer nieuwe werkzaamheden ontstaan.

116. Wat is de reden van de te lage telefonische bereikbaarheid in 2016 t/m juni?

Zoals in de halfjaarrapportage toegelicht, worden door het beschikbaar komen van technische mogelijkheden steeds meer burgers en bedrijven zonder een informant te spreken ook geholpen door de Belastingtelefoon. Het gaat bijvoorbeeld om het bestellen van een formulier of doen van een uitstelverzoek door in het gespreksmenu de juiste keuze te maken en vervolgens het BSN nummer in te toetsen. De burgers en bedrijven die op deze wijze geholpen worden, worden niet meegenomen in de vigerende definitie van bereikbaarheid. De zogenaamde technische bereikbaarheid houdt wel rekening met deze stroom geholpen burgers en bedrijven en ligt circa 10% hoger. Een bereikbaarheid van meer dan 85% realiseren in een periode, vraagt een inzet van capaciteit afgestemd op de pieken in het telefonieaanbod. De lagere bereikbaarheid in het eerste half jaar heeft zich vooral voorgedaan in enkele kortere periodes. In deze periodes was het telefonieaanbod hoger dan voorspeld, waardoor de aangeboden telefonie niet meteen door informanten afgehandeld kon worden en tevens herhaalverkeer ontstond. In de laatste twee weken van maart is sprake geweest van de laagste bereikbaarheid. Traditioneel zijn dit, ondanks de verlengde aangifteperiode, de drukste weken van het jaar. Buiten de genoemde periodes was de bereikbaarheid hoger. Het gemiddelde is uitgekomen op 75%.

117. Wat is de vernieuwde KPI-set voor de dienstverlening in 2017 uiteindelijk geworden? Hoe verschilt deze van de oude? En hoe is de vergelijkbaarheid met vorige jaren geborgd?

Van de oorspronkelijke set indicatoren voor dienstverlening zijn de drie indicatoren bereikbaarheid, kwaliteit antwoorden en klanttevredenheid vervangen door de nieuwe samengestelde indicator «klanttevredenheid». Met de nieuwe indicator klanttevredenheid wordt voor Telefonie, Website en Balie, naast de algemene klanttevredenheid, ook de klanttevredenheid gemeten vanuit vijf verschillende aspecten, die voor burgers en bedrijven bepalend zijn voor hun klanttevredenheid.

De vergelijking met de oude indicator is door de nieuwe geavanceerde meting op de verschillende aspecten in directe zin niet mogelijk. Wel kunnen met behulp van trendlijnen bewegingen zichtbaar gemaakt worden.

118. Het percentage tijdig afgedane bezwaarschriften ligt ruim onder de norm. Wat is daarvan de oorzaak?

122. Wat is de oorzaak van het hogere aantal bezwaarschriften in de periode 2016 t/m juni in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar?

123. Heeft u een verklaring waarom er zowel met betrekking tot belastingen als toeslagen fors meer bezwaarschriften ontvangen zijn?

Het niet realiseren van de norm voor Belastingen is nagenoeg geheel toe te schrijven aan de niet tijdige afdoening van de bezwaren tegen systeemaanslagen omzetbelasting omdat er onvoldoende capaciteit beschikbaar was. Vanaf september 2015 worden deze bezwaren ook geboekt in het bezwaarsysteem waardoor de volumes gemonitord kunnen worden. Dit is de oorzaak van het optisch hogere aantal bezwaren Belastingen.

Het niet realiseren van de norm voor Toeslagen houdt verband met een sterk gestegen aantal bezwaren door de snellere definitieve toekenning van toeslagen. Dit betreft een eenmalige piek. Met extra capaciteitsinzet wordt de oude voorraad zoveel mogelijk afgebouwd. De nieuw ontvangen bezwaren worden conform de norm afgehandeld.

119. Reeds sinds 2010 is het structureel mis met de afhandeling van de bezwaren. Voor de afhandeling van de bezwaren staan wettelijke termijnen. Deze wettelijke termijnen worden zelfs na de «standaard» verlenging niet gehaald, bij 20% wordt de termijn overschreden. Het zijn wettelijke termijn die de overheid zich zelf op heeft gelegd. Bent u het eens met de stelling dat bij de bezwaar afhandeling er structureel iets mis is? Zo ja wanneer krijgt de Kamer een plan van aanpak hoe dit wordt opgelost?, Zo nee, kunt u dan toelichten waarom de doelstellingen al meer dan zes jaar niet gehaald worden?

De stelling dat het sinds 2010 structureel mis is met de behandeling van bezwaren deel ik niet. De realisatie van de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB)-doelstelling was juist in de jaren tot 2011 laag (2009 en 2010: 84%), maar heeft daarna steeds rond de 90% gelegen.

Bij het bezwaarproces gaat het om een proces met grote aantallen (meer dan 500.000 per jaar, welk aantal stijgt door het sinds 1 september 2015 voortaan in het bezwaarsysteem ook opnemen van de bezwaren tegen de systeemaanslagen OB). Alhoewel een groot deel van de bezwaren naar aard geen bezwaar is (zoals bijvoorbeeld de aanvullingen IH) dienen ze vanwege de formeelrechtelijke kwalificatie als bezwaar wel als zodanig behandeld te worden. Het gevolg is dat ieder bezwaar in dit massale proces individueel moet worden afgehandeld volgens de regels van het bezwaarproces. Daarnaast zijn er altijd piekmomenten bij bezwaar omdat de aanleiding hiervoor in de voorafgaande veelal massale processen ligt (zoals het opleggen van definitieve aangiftes, definitieve toekenningen, ambtshalve aanslagen en systeemaanslagen). De massaliteit en de piekmomenten maken dat de afhandeling van bezwaren binnen wettelijke termijnen regelmatig onder druk staat.

Het tegenvallende resultaat in 2016 is het gevolg van een cumulatie van factoren. De grotere aantallen als bezwaar te verwerken aanvullingen inkomstenbelasting (een gevolg van de snellere definitieve aanslagoplegging) kunnen met de aanwezige capaciteit niet alle tijdig worden afgedaan. En bij het boeken in het bezwaarsysteem (GBV) van bezwaren tegen systeemaanslagen omzetbelasting is gestart met een grote beginvoorraad, die voor een belangrijk deel niet meer AWB-conform kon worden afgedaan. Weliswaar helpt de inzet van extra interne capaciteit en uitzendkrachten bij het actualiseren van de voorraden, maar dat leidt dan niet meer tot wezenlijk hogere AWB-percentages

De Kamer vraagt ook wanneer ze een plan van aanpak ontvangt om dit op te lossen. Bij de verdere uitwerking van de Investeringsagenda zullen de processen zo worden ingeregeld dat deze aanvullingen niet meer als bezwaar worden verwerkt. Er zijn daarbij een aantal belangrijke speerpunten om het bezwaarproces te moderniseren. Ten eerste dejuridiseren, door alleen als bezwaar te gaan behandelen wat de burger als bezwaar bedoeld heeft. Voor geschillen blijft uiteraard traditioneel bezwaar en beroep mogelijk. Daarnaast gaat de Belastingdienst een moderne digitale bezwaarfaciliteit ontwerpen waardoor het makkelijker wordt voor burgers om bezwaar in te dienen. Ook zal er een betere digitale ondersteuning voor de uitvoering van het huidige bezwaarproces worden ontwikkeld.

De mogelijke verbeteringen zitten dus in verbeteringen van het (juridische) proces, waardoor ondoelmatigheden verdwijnen, terwijl de rechtszekerheid op peil blijft.

120. Vindt u het niet disproportioneel dat een bezwaarmaker bij een geringe overschrijding van een wettelijke termijn niet ontvankelijk wordt verklaard en de overheid voor 20% van de bezwaren de termijn aan de laars lapt?

Nee. Als een bezwaarmaker zijn bezwaar te laat indient, moet dat bezwaar op grond van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk worden verklaard. Sinds jaar en dag is het tevens beleid dat een dergelijk bezwaar inhoudelijk wel wordt behandeld. De uitkomst van die behandeling kan leiden tot ambtshalve herziening van het betrokken besluit. Het is dus niet zo dat een te laat ingediend bezwaar niet meer wordt behandeld. Dit staat los van het feit dat op dit moment in 20% van de gevallen de wettelijke beslistermijn niet wordt gehaald. En zoals hierboven ook aangegeven is er geen sprake van «aan de laars lappen». Er wordt door de Belastingdienst alles in het werk gesteld om bezwaren zo goed en snel mogelijk af te doen.

121. Welke actie wordt ondernomen om de telefonische bereikbaarheid te verhogen?

Het onverwacht voorkomen van pieken wordt meegenomen in de leercirkel van het zogenaamde «forecasting»-proces. Daarnaast is in het tweede halfjaar van 2016 de operatie van het telefoonproces uitgevoerd zoals gebruikelijk. Er is niet voor gekozen de lagere bereikbaarheid uit het eerste half jaar van 2016 te compenseren. Dat heeft geleid tot een bereikbaarheid van 78–79–83–81% in de maanden van de periode juli-oktober.

124. Wat is de reden van het lagere aantal controles van de douane (goederenstroom en passagiersvluchten) in de periode 2016 t/m juni in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar? Wat zijn daarvan de gevolgen?

Dit wordt veroorzaakt door het tijdelijk inzetten van een deel van de beschikbare capaciteit bij de controles met de Koninklijke Marechaussee in het kader van de vluchtelingenproblematiek. Hoewel het aantal controles lager is dan vorig jaar, is de verwachting dat de in de begroting opgenomen jaardoelstelling (350.000 tot 420.000 controles) zonder problemen wordt gehaald.

125. Hoe heeft het aantal gerealiseerde boekenonderzoeken zich in de afgelopen twintig jaar ontwikkeld?

126. Hoe heeft de norm voor het aantal boekenonderzoeken zich in de afgelopen tien jaar ontwikkeld?

In onderstaande tabellen zijn de gevraagde cijfers opgenomen:

Aantal boekenonderzoeken in de periode 1996–2005:
 

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

Boekenonderzoeken

84.000

79.000

75.000

73.000

68.000

49.000

46.000

46.000

41.000

31.500

 

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Boekenonderzoeken

69.900

60.700

52.300

44.300

42.900

36.700

29.900

40.700

38.300

26.300

Norm ondergrens

40.000

55.350

54.800

36.400

37.600

geen norm

geen norm

geen norm

35.750

35.750

Norm bovengrens

 

64.200

65.050

44.200

45.700

geen norm

geen norm

geen norm

38.750

38.750

Toelichting:

Daar waar in het verleden in het toezicht met name boekenonderzoeken en kantoortoetsen werden uitgevoerd is een beweging gemaakt naar een meer dienstverlenende en preventieve

aanpak, gericht op het voorkomen van fouten. Hiervoor worden andere instrumenten ingezet, zoals handhavingscommunicatie en horizontaal toezicht. Vanaf 2015 is de focus bij boekenonderzoeken verlegd naar posten met een groter fiscaal belang en risico. Deze boekenonderzoeken kenmerken zich door een hogere tijdsbesteding en hogere opbrengst. Het aantal beoogde boekenonderzoeken is daardoor niet gerealiseerd, maar de correctieopbrengst lag hoger dan het jaar daarvoor. In 2015 is een totale correctieopbrengst van bijna € 809 miljoen gerealiseerd. De opbrengst is bijna € 37 miljoen hoger dan in 2014.

127. Welke effect heeft de invoering van het dynamisch monitoren op de het oninbaarheidspercentage. Met hoeveel is dit gedaald door het dynamisch monitoren?

Als gevolg van dynamisch monitoren worden minder vorderingen dan voorheen buiten invordering gesteld. De Belastingdienst blijft deze schulden langere tijd volgen en gaat als er nieuwe verhaalsmogelijkheden ontstaan alsnog tot invordering over.

In 2016 is de omvang van dynamisch monitoren sterk toegenomen. Deze beweging leidt tot een daling van het oninbaarheidspercentage en een stijging van het percentage betalingsachterstand.

Het oninbaarheidspercentage bedroeg in 2014 en 2015 0,6%. Over 2016 komt het oninbaarheidspercentage naar verwachting uit op circa 0,3%. De betalingsachterstand bedroeg in 2014 en 2015 resp. 2,3% en 2,2%. Over 2016 komt de betalingsachterstand naar verwachting uit op circa 2,5%.


X Noot
1

Herdruk i.v.m. correctie in de tekst.

X Noot
2

Kamerstuk 26 643, nr. 429, bijlage blg-780657, blz. 2.

X Noot
3

Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015/16, nr. 3516.

X Noot
4

Kamerstuk 34 371 (R2066), nr. 9.