31 065
Aanpassing van de wetgeving aan en invoering van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek (Invoeringswet titel 7.13 Burgerlijk Wetboek)

nr. 7
VERSLAG

Vastgesteld 9 oktober 2007

De vaste commissie voor Justitie1 belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen.

Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen tijdig zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoud blz.

1. Algemeen 1

2. Ministerie van Justitie 2

3. Ministerie van Financiën 3

4. Artikelsgewijs 4

1. Algemeen

De leden van de CDA-fractie kijken terug op een gedegen behandeling van het wetsvoorstel tot vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek (Kamerstuk 28 746) in de Tweede Kamer. Zij zijn vooral tevreden met het feit dat het wetsvoorstel zodanig is aangepast dat het dwingende karakter van de regeling is losgelaten en dat de regering alsnog heeft gekozen voor regelend recht. Hiermee wordt recht gedaan aan de behoefte van kleine ondernemingen aan flexibele rechtsvormen.

De leden van de CDA-fractie hechten aan snelle invoering van het wetsvoorstel. Per slot van rekening betreft dit wetsvoorstel het sluitstuk van de aanpassing van het personenvennootschapsrecht. Is het de intentie van de regering om het tijdstip van invoering synchroon te laten lopen met de invoering van de nieuwe Handelsregisterwet? Dat zou in de ogen van genoemde leden wel wenselijk zijn.

Is het juist, dat de regering naar aanleiding van een onderzoek door het Van der Heijden Instituut in Nijmegen alsnog overweegt om de personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid in het Nederlandse recht te incorporeren. Deze leden menden dat dit een winst zou zijn. Genoemde leden vragen de regering wanneer indiening van het wetsvoorstel wordt beoogd.

2. Ministerie van Justitie

De leden van de CDA-fractie vragen de regering te bevestigen dat het fonds voor gemene rekening inderdaad niet als «personenvennootschap» wordt aangemerkt. Deze waarborg is van belang voor het vestigingsklimaat van financiële instellingen in Nederland. Immers, als het fonds voor gemene rekening wordt aangemerkt als personenvennootschap, zijn de deelnemers persoonlijk verbonden voor de verplichtingen van de vennootschap. Dat zou de fondsen voor gemene rekening onaantrekkelijk maken als vehikel voor collectieve beleggingen, zoals pensioenfondsen.

Heel concreet hebben deze leden behoefte aan een antwoord op de vraag of het juist is dat als deelnemers toetreden en geld of goederen storten tegen uitgifte van participaties en aanvaarding van deze voorwaarden, zij daarmee niet samenwerken in de zin van artikel 7:800 van het Burgerlijk Wetboek, in het bijzonder indien de deelnemers slechts een overeenkomst met de beheerder en/of de bewaarder sluiten, ook als dat samenwerking tot gevolg kan hebben, bijvoorbeeld in de vergadering van deelnemers waarin bepaalde bevoegdheden door de deelnemers gezamenlijk wordt uitgeoefend. Is het juist dat een verbintenis jegens een beheerder of een bewaarder van een beleggingsfonds tot het opnemen van gelden en goederen daarin, geen inbreng is of een verplichting tot inbreng in de zin van artikel 7:805 van het Burgerlijk Wetboek. Graag ontvangen deze leden een reactie van de regering hierover.

De leden van de CDA-fractie constateren dat het onderhavige wetsvoorstel ertoe kan leiden dat het voor een aantal grotere pensioenfondsen niet meer mogelijk is om zonder heffing van overdrachtsbelasting nieuwe participaties in Nederlandse vastgoedfondsen te verkrijgen. Is dat de bedoeling van dit wetsvoorstel? Wat is de beoogde opbrengst van deze consequentie? Erkent de regering dat dit nadelige effecten heeft voor het Nederlandse vestigingsklimaat?

Zou het in dat kader geen uitkomst kunnen bieden om artikel 56 Wet op Belastingen van Rechtsverkeer (WBR), dat in deze situatie verzachting moet brengen, ook te laten gelden voor fondsen voor gemeen rekening die geen openbare vennootschap zijn, zodat ook vastgoedfondsen onder de overgangsregeling vallen? Erkent de regering dat de naar aanleiding van dit wetsvoorstel vereiste conversie van de bestaande fondsen enige tijd in beslag zal nemen, wat noopt tot verlening van de overgangstermijn? Is de regering bereid versnelde omzetting te faciliteren, bijvoorbeeld door het mogelijk te maken dat vastgoedfondsen uitsluitend het economische eigendom van onroerende zaken overdragen aan de nieuwe rechtspersoon? Kan voorts bevestigd worden dat het regime van een fiscale beleggingsinstelling ook van toepassing is op een commanditaire vennootschap met rechtspersoonlijkheid c.q. dat deze laatste ook kan worden aangemerkt als een besloten fonds voor gemene rekening indien vervreemding van participaties uitsluitend kan plaatsvinden aan het fonds, zo vragen deze leden.

De leden van de SP-fractie vragen de regering in te gaan op de suggestie van de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht met betrekking tot het voortbestaan van de openbare vennootschap die rechtspersoon is na haar ontbinding totdat de vereffening is geëindigd. Wat vindt de regering van de stelling van de Gecombineerde Commissie dat het ook bij een openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid kan voorkomen dat nadat de vereffening is geëindigd baten of verplichtingen opkomen? Uit welk vermogen dienen deze dan nog te worden vereffend? Is het een optie om de regeling van artikel 828 aan te laten sluiten bij artikel 2:19, vijfde lid van het Burgerlijk Wetboek, dat regelt dat de rechtspersoon na ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is?

De leden van de SP-fractie vragen de regering toe te lichten waarom het wenselijk zou zijn de bijzondere voortzettingsregeling vorm te geven zoals men doet met artikel 831a. Na ontbinding van de vennootschap kan het beroep of bedrijf worden voortgezet door één der gewezen vennoten, alleen indien een daartoe strekkend beding in de vennootschapsovereenkomst is opgenomen. De aan het woord zijnde leden vragen waarom er is gekozen voor deze beperking. Acht de regering de kans aanwezig dat ook indien men heeft nagelaten een dergelijk beding op te nemen het in bepaalde gevallen wenselijk kan zijn de vennootschap voort te zetten? Het ontbreken van het voortzettingsbeding is dan een hard vereiste, waarbij tot vereffening overgegaan moet worden. Wat is de reactie van de regering hierop, zo vragen deze leden.

De leden van de VVD-fractie merken op dat tengevolge van de invoering van titel 7.13 van het Burgerlijk Wetboek inzake de vennootschap fiscale motieven in de praktijk een belangrijke rol zullen gaan spelen bij de rechtsvormkeuze. Hiervoor zijn de in de wet al dan niet genoemde kwalificaties van de verschillende rechtsvormen van belang. Ten aanzien hiervan hebben deze leden twee vragen, ontleend aan de een brief van Dutch Fund and Asset Management Association (DUFAS) d.d. 4 september 2007. Het betreft de gevolgen van het wetsvoorstel voor het vestigingsklimaat van financiële instellingen in Nederland (en de werkgelegenheid in en concurrentie positie van Nederland).

Zij vragen de regering nader inzicht te geven in de vraag wanneer een fonds voor gemene rekening als personenvennootschap wordt gekwalificeerd. Deze vraag is van belang in het licht van de vorm Fonds Gemene Rekening (FGR) die wordt gebruikt voor het opzetten van zogenaamde pension pooling vehikels in Nederland (zoals bijvoorbeeld die van Shell en Aegon). De regeling met betrekking tot de FGR is opgenomen in de Wet financieel toezicht en de gebruikers van de rechtsvorm zijn gebaat bij een duidelijke kwalificatie omtrent het al dan niet gelijk te stellen van de FGR met een personenvennootschap. Zodra er duidelijkheid is omtrent de kwalificatie van de FGR en deze een zogenaamde «schone» legal opinion kan krijgen, zal deze naar mening van DUFASDUFAS meer gebruikt worden, wat kan bijdragen aan een gunstig economisch klimaat.

Is het juist dat als deelnemers toetreden en geld of goederen storten tegen uitgifte van participaties en aanvaarding van de voorwaarden, zij daarmee niet samenwerken in de zin van art. 7:800 BW, in het bijzonder indien de deelnemers slechts een overeenkomst met de beheerder en/of de bewaarder sluiten, ook als dat samenwerking tot gevolg kan hebben, bijvoorbeeld in de vergadering van deelnemers, waarin bepaalde bevoegdheden door de deelnemers gezamenlijk worden uitgeoefend?

Is het juist dat een verbintenis jegens een beheerder of een bewaarder van een beleggingsfonds tot het opnemen van gelden en goederen daarin, geen inbreng is of een verplichting tot inbreng in de zin van art. 7:805 BW, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

3. Ministerie van Financiën

De leden van de CDA-fractie menen dat knelpunten bij de daadwerkelijke invoering van de nieuwe regeling inzake de personenvennootschap met name te verwachten zijn op het fiscale terrein. Ook de Raad van State concentreert zich in zijn advies op dit onderdeel. Invoering van een nieuwe rechtsvorm waarin een onderneming gedreven kan worden, kan niet los worden gezien van de wijze waarop deze rechtsvorm in de belastingwetgeving zal worden ingepast. Fiscale motieven zullen in de praktijk een belangrijke rol gaan spelen bij de rechtsvormkeuze.

Het valt de leden van de CDA-fractie op dat vanuit de fiscale praktijk veel commentaar is gekomen op het wetsvoorstel (zie bijvoorbeeld ook het weekblad Fiscaal Recht, 2007, nr. 6729). Deze leden betreuren het dat de voorgestelde fiscale maatregelen op zoveel vragen en kritiek stuiten. Had de regering dat niet van te voren kunnen bevroeden?

Deze leden vinden de waarneming van de Orde van Belastingadviseurs dat het nieuwe systeem in fiscale zin een versnipperd beeld geeft, terecht. Voor de IB/Vpb geldt onverkort de fiscale transparantie. Voor de omzetbelasting en de loonbelasting geldt voor zowel de OV/CV als de OVR/CVR juist géén fiscale transparantie. De overdrachtsbelasting biedt een tussenpositie, terwijl voor de successiewet de transparantie juist weer wel gehandhaafd blijft. Zij vragen of de fiscale uitwerking van de regeling niet eenvoudiger had gekund. En of dit niet een te ingewikkeld systeem wordt dat niet meer is uit te leggen aan een gemiddelde vennoot, over het algemeen toch de wat kleinere ondernemer in het middenen kleinbedrijf. Deze leden ontvangen hierover graag een reactie.

In het verlengde hiervan wijst de Raad van State in de ogen van de leden van de CDA-fractie er terecht op dat de regels om fiscale inpassing mogelijk te maken geen ad hoc karakter mogen hebben. Naast het personenvennootschapsrecht zal ook het bv-recht worden geflexibiliseerd. Daartoe is nu in de Tweede Kamer een wetsvoorstel aanhangig, waardoor beide rechtsvormen naar elkaar toe zullen groeien. De Raad adviseert het fiscale ondernemingsrecht meer ten principale te herzien, waarbij de rechtsvorm van de onderneming niet meer bepalend is voor de heffing maar de resultaten van de onderneming zelfstandig in de heffing worden onderworpen, de zogenoemde rechtsvorm neutrale ondernemingswinstbelasting. De regering legt deze suggestie als niet ter zake doende ter zijde. Genoemde leden betreuren dat en vragen of de regering er niet verstandig aan doet in te gaan op deze suggestie zodat deze problematiek op termijn het hoofd geboden kan worden.

Terecht wijst de Raad in de ogen van de leden van de CDA-fractie erop dat de met de OVR gelijk gestelde buitenlandse rechtsvormen nader omschreven moeten worden om kwalificatieproblemen te voorkomen. Genoemde leden vrezen dat de nadere omschrijvingen die de regering daarop geeft nog onvoldoende zijn. Kan de regering ingaan op de vraag wat er gaat gebeuren als zich toch een kwalificatieprobleem aandient?

Een belangrijke verbetering vinden de leden van de CDA-fractie dat het tussentijds uittreden van vennoten mogelijk wordt. Zij zagen dat in familiebedrijven de bedrijfsopvolging stokte omdat de personenvennootschap compleet werd ontbonden op het moment dat de vader (of moeder) wilde uittreden met alle fiscale gevolgen (afrekening) van dien. Deze leden vragen in dat kader of de regering wil bevestigen dat dergelijk «tussentijds uittreden» niet afhankelijk is van het overlijden van één der vennoten. Het vergemakkelijken van de bedrijfsoverdrachten zou juist ook aanleiding moeten geven om ook het bij leven uittreden te faciliteren.

Kan de regering bevestigen dat het behoud van de fiscale transparantie voor de OVR en de CVR ook geldt voor de wet op de dividendbelasting 1965?

De leden van de SP-fractie stellen het op prijs wanneer de regering in gaat op het commentaar van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs. Met name zou verduidelijking welkom zijn voor wat betreft de positie van de nieuwe vennootschapsvormen in de dividendbelasting, en de positie van buitenlandse personenvennootschappen in de inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en de overdrachtsbelasting.

4. Artikelsgewijs

Artikel 802 jo. 832

De leden van de CDA-fractie vragen of het juist is dat indien er abusievelijk een van de opgesomde onderwerpen niet in de vennootschapovereenkomst is opgenomen geen rechtspersoonlijkheid ontstaat.

Klopt het dat als een openbare vennootschap in een latere fase rechtspersoonlijkheid aanneemt, niet expliciet het vereiste geldt dat in de overeenkomst bedoelde onderworpen hoeven te worden opgenomen, zo vragen deze leden.

Artikel 811 jo 220a

De leden van de CDA-fractie merken op dat vennoten drie maanden de tijd hebben om de vennootschap in het handelsregister in te schrijven. Zij vragen of de bestaande maatschappen zich wel zullen realiseren dat zij openbare vennootschappen zijn geworden en dat inschrijving derhalve verplicht is. Was het niet beter geweest, mede met het oog op de gestelde sanctie, om te bepalen dat tot het moment van inschrijving van een openbare vennootschap die voorheen openbare maatschap was ten aanzien van de vertegenwoordiging de bepalingen uit de oude wetgeving nog geacht worden te gelden?

Artikel 817, eerste lid

De leden van de CDA-fractie lezen dat de vennootschap wordt ontbonden bij faillietverklaring van de vennootschap. Zij vragen wat exact wordt bedoeld met de zinsnede dat «zij kan worden voortgezet indien het faillissement eindigt door het in kracht van gewijsde gaan van de homologatie van een akkoord». Wordt nog een besluit van de vennoten vereist voor een dergelijke voortzetting, zo vragen deze leden.

De voorzitter van de commissie

De Pater-van der Meer

Adjunct-griffier van de commissie

Elagab


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van Beek (VVD), Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Wolfsen (PvdA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Velzen (SP), Azough (GL), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), Kalma (PvdA), De Roon (PVV), Pechtold (D66), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (CU).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Weekers (VVD), Van der Vlies (SGP), Van Dijken (PvdA), Schinkelshoek (CDA), Jager (CDA), Gill’ard (PvdA), Jonker (CDA), Roemer (SP), De Vries (CDA), Abel (SP), Halsema (GL), Kamp (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Dijsselbloem (PvdA), Fritsma (PVV), Koer Kaya (D66), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Van Gijlswijk (SP), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) en Slob (CU).

Naar boven