nr. 4
ADVIES RAAD VAN STATE VAN HET KONINKRIJK EN NADER RAPPORT1
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State van het Koninkrijk
d.d. 21 november 2006 en het nader rapport d.d. 23 mei 2007, aangeboden
aan de Koningin door de minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de staatssecretaris
van Verkeer en Waterstaat. Het advies van de Raad van State van het Koninkrijk
is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 16 oktober 2006, no. 06.003770, heeft Uwe
Majesteit, op voordracht van de minister van Buitenlandse Zaken, mede namens
de minister van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State van het Koninkrijk
ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van rijkswet houdende goedkeuring
van het op 7 november 1996 te Londen tot stand gekomen Protocol van 1996
bij het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge
van het storten van afval en andere stoffen van 1972, met Bijlagen (Trb. 1998,
134 en Trb. 2000, 27), met memorie van toelichting.
Het protocol bevat voorschriften omtrent het storten in zee van afval
en andere stoffen. Ten opzichte van het oorspronkelijke verdrag (het Verdrag
van Londen) zijn de regels in het protocol op een aantal punten aangescherpt2. Zo voorziet het protocol in een wereldwijd verbod op
het storten van afval en andere stoffen in zee, met uitzondering van enkele
specifieke categorieën stoffen, en wordt de werkingssfeer ten opzichte
van het verdrag uitgebreid met de zeebodem en de ondergrond daarvan. Ook worden
het voorzorgsbeginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt in het protocol
vastgelegd.
De Raad onderschrijft de strekking van het voorstel van rijkswet, maar
plaatst daarbij de volgende kanttekening.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 16 oktober
2006, no. 06.003770, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State van het Koninkrijk
zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van rijkswet rechtstreeks aan
mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 21 november 2006, nr. W09.06.0436/V/K,
bied ik U hierbij aan.
De Raad onderschrijft de strekking van het voorstel van rijkswet, maar
plaatst daarbij de kanttekening dat een toelichting op artikel 6 van het protocol
betreffende het exportverbod ontbreekt.
1. Verbod op uitvoer van stoffen (artikel 6 van het protocol)
Artikel 6 van het protocol bepaalt dat de partijen de uitvoer van afval
of andere stoffen naar andere landen voor het storten in of verbranden op
zee niet toestaan. Een toelichting op dit artikel ontbreekt.
Het grensoverschrijdend vervoer van afvalstoffen is onderwerp van diverse
internationale en Europese regelingen, waaronder het Verdrag van Bazel1 en de Europese verordening overbrenging afvalstoffen2. Doordat artikel 6 van het protocol enerzijds erg ruim
is geformuleerd («afval of andere stoffen») en anderzijds alleen
betrekking heeft op de uitvoer met het oog op het storten in of verbranden
op zee, kan zich de situatie voordoen dat het protocol en de overige genoemde
regelingen met betrekking tot bepaalde stoffen of handelingen niet goed op
elkaar aansluiten.
De Raad adviseert alsnog een toelichting op artikel 6 van het protocol
op te nemen en daarin aandacht te besteden aan eventuele verschillen tussen
dat artikel en de hiervoor genoemde regelingen.
1. Aan de opmerking van de Raad wordt door opname van een toelichting
op artikel 6 van het protocol en de relatie van het daarin bepaalde tot het
Verdrag van Bazel en de Europese verordening overbrenging afvalstoffen tegemoetgekomen.
2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij
het advies behorende bijlage.
2. Aan de redactionele kanttekeningen is gevolg gegeven.
3. Na de voorlegging van het voorstel van rijkswet aan de Raad is
op 2 november 2006 een amendement op bijlage 1 van het protocol aangenomen.
De wijziging van de bijlage behelst de toevoeging van de opslag van CO2 in de zeebodem of ondergrond daarvan aan de lijst met uitzonderingen
op het absolute stortverbod van het protocol. De memorie van toelichting is
aangepast omtrent de strekking en de achtergrond van deze wijziging.
4. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het punt van de implementatie
van het Protocol op de Nederlandse Antillen te actualiseren. Voorst is de
minister van Verkeer en Waterstaat als ondertekenaar van de goedkeuringsstukken
vervangen door de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.
De Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging het voorstel
van rijkswet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de Staten
van de Nederlandse Antillen en aan die van Aruba, nadat aan het vorenstaande
aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk,
H. D. Tjeenk Willink
Ik moge U mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, verzoeken
het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van rijkswet en de gewijzigde memorie
van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Staten van de
Nederlandse Antillen en de Staten van Aruba te zenden.
De minister van Buitenlandse Zaken
M. J. M. Verhagen
Bijlage bij het advies van de Raad van State van
het Koninkrijk betreffende no. W09.06.0436/V/K met redactionele kanttekeningen
die de Raad in overweging geeft.
– De aanhef formuleren overeenkomstig aanwijzing 109, eerste lid,
van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
– Na het slotformulier «Gegeven te» vervangen door:
Gegeven.