Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201331015 nr. 82

31 015 Kindermishandeling

Nr. 82 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 oktober 2012

Hierbij bied ik u, mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de «Literatuurscan Oorzaken geweld tegen kinderen en jongeren in afhankelijkheidsrelaties» aan 1). Deze literatuurscan is het resultaat van de eerste fase van het onderzoek naar dieperliggende oorzaken van seksueel geweld en andere vormen van geweld. Dit onderzoek heb ik, mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, aan u toegezegd in mijn brief dd 16 januari 2012 naar aanleiding van de Kamerbehandeling van het rapport van de Commissie Deetman (Kamerstukken II, 2011/12, 33 000 VI, nr. 76).

Conform mijn toezegging heeft de eerste fase van het onderzoek bestaan uit het in beeld brengen van de reeds beschikbare kennis uit al verricht onderzoek, zodat helder wordt op welk vlak aanvullend onderzoek noodzakelijk is en er een scherpe vraagstelling kan worden geformuleerd. De tweede fase van het onderzoek zal bestaan uit het verrichten van aanvullend onderzoek.

In deze beleidsreactie worden de resultaten van het onderzoek geschetst en zet ik, mede namens de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, uiteen op welke wijze de staatssecretaris en ik uitvoering willen geven aan de adviezen van de onderzoekers.

Resultaten van het onderzoek

De onderzoekers hebben de oorzaken van mishandeling en seksueel misbruik onderzocht en op basis daarvan aanbevelingen opgesteld voor beleid inzake mishandeling en misbruik en voor aanvullend onderzoek. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies en bevindingen uiteengezet.

Oorzaken van mishandeling en seksueel misbruik

Uit het onderzoek blijkt dat er geen monocausale verklaringen voor mishandeling en seksueel misbruik zijn. Op verschillende niveaus zijn er risicofactoren die met elkaar interacteren en zo tot kindermishandeling leiden.

Binnen het gezin blijken de risicofactoren voor het merendeel gerelateerd te zijn aan de opvoeders zelf. Bij mishandeling lijken de belangrijkste factoren de eigen geschiedenis van kindermishandeling en de psychische en psychiatrische problematiek van ouders. Kinderen met een fysieke of verstandelijke beperking zijn extra kwetsbaar en hebben verhoogde kans op mishandeling. Bij seksueel misbruik blijken eveneens de voorgeschiedenis van misbruik en hechtingsproblematiek van de ouder/pleger relevant. Andere belangrijke factoren in relatie tot misbruik zijn de seksuele opvattingen en cognities van ouders.

Voor seksueel misbruik buiten het gezin geldt dat er in algemene zin wel de nodige empirische kennis over daders van seksueel misbruik is, maar dat deze niet is gekoppeld aan de specifieke context waarin het misbruik plaatsvindt. Er is redelijk wat onderzoek gedaan naar de modi operandi van plegers in instellingen; dit is evenwel geen risicofactor maar een beschrijving van het gedrag van de pleger dat uiteindelijk leidt tot seksueel misbruik. De hoeveelheid onderzoek naar risicofactoren binnen specifieke contexten (bijvoorbeeld zorginstellingen, onderwijs, sportverenigingen) is zeer beperkt en veelal alleen kwalitatief van aard. Onderzoek naar risicofactoren die betrekking hebben op misbruik in de kerkelijke omgeving laat geen eenduidig beeld zien.

Voor de slachtoffers geldt dat binnen de context van de school kwetsbare kinderen (onzeker, vervreemd van ouders, riskant gedrag vertonend) een grotere kans lijken te hebben op misbruik. In alle domeinen buiten het gezin blijkt dat kinderen met een fysieke of verstandelijke beperking extra kwetsbaar zijn en een verhoogde kans lopen mishandeld of misbruikt te worden.

Aanbevelingen voor beleid

De onderzoekers concluderen dat preventie noodzakelijk is ter voorkoming van mishandeling en seksueel misbruik maar dat er aandacht moet zijn voor behandeling achteraf om de veel gevonden cyclus van intergenerationele overdracht van mishandeling en misbruik te doorbreken. Met name het inzetten van preventie en interventie bij gezinnen met een verhoogd risico lijkt van belang. Volgens een evaluatie van de regionale aanpak voor kindermishandeling schiet dit tekort. De onderzoekers bevelen daarom aan om hier meer aandacht aan te besteden. Voortbouwend op hetgeen in de regionale aanpak kindermishandeling is geïnvesteerd, worden gemeenten met het oog op de decentralisatie van de jeugdzorg ondersteund om de interventies voor preventie en hulpaanbod goed in te richten. Dit gebeurt in samenwerking met de kennisinstituten.

De constateringen en adviezen van de onderzoekers op het gebied van preventie en interventie sluiten goed aan bij de koers die is ingezet met het Actieplan Kinderen Veilig dat op 15 december 2011 met uw Kamer is besproken. Preventie is ook één van de drie speerpunten van de door ons onlangs ingestelde Taskforce Kindermishandeling en seksueel misbruik onder voorzitterschap van burgemeester Van der Laan van Amsterdam (Staatscourant 2012, 18731).

Ik vat de uitkomsten van het onderzoek op als een ondersteuning van het door ons in gang gezette beleid.

Wat betreft de domeinen buiten het gezin lijkt situationele preventie (ook genoemd gelegenheidspreventie) de meest aangewezen factor waarop kan worden geïntervenieerd. Daarbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld betere controle, personeelsbeleid en organisatiecultuur. Voor mijn reactie op deze onderwerpen verwijs ik u naar de beleidsreactie op het rapport van de Commissie Samson dat u vandaag is aangeboden.

De onderzoekers wijzen erop dat in geval ouders psychiatrische problemen hebben, de kinderen van deze ouders extra aandacht verdienen en dat alert reageren van belang is als deze problematiek bij ouders is gesignaleerd. Benadrukt wordt dat de verdere implementatie en continuering van de initiatieven die genomen zijn binnen de GGZ en de ziekenhuizen gewenst lijkt. Hierbij worden genoemd de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling (het wetsvoorstel hiertoe heeft de Staatssecretaris van VWS in oktober 2011 bij uw Kamer ingediend) en de rol van de Inspectie Gezondheidszorg waardoor ziekenhuizen hebben geïnvesteerd in expertise op het gebied van kindermishandeling, in het bijzonder op de afdelingen Spoedeisende hulp. Naast de initiatieven die de onderzoekers noemen, zal de Inspectie de GGZ-sector toetsen op het gebruik van de handreiking die de beroepsgroep heeft opgesteld waarin de professional gewezen wordt op het feit dat de volwassen patiënt ook een ouder kan zijn en het mogelijke effect van de stoornis op zijn rol als opvoeder.

Een tweede groep waarvoor extra aandacht is gewenst, zijn lichamelijk en verstandelijk beperkte kinderen. Deze kinderen lopen een verhoogd risico op mishandeling en misbruik zowel binnen als buiten het gezin. In de voortgangsrapportage Geweld in afhankelijkheidsrelaties die u binnenkort zult ontvangen zal de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ingaan op het inventarisatieonderzoek dat is uitgevoerd naar het aanbod van interventies voor de preventie en aanpak van seksueel geweld bij mensen met een beperking.

De Taskforce Kindermishandeling en seksueel misbruik besteedt bij haar speerpunt aanpak seksueel misbruik bijzondere aandacht aan licht verstandelijk beperkte en gehandicapte kinderen.

Aanvullend onderzoek

De onderzoekers raden aan longitudinaal onderzoek te doen opdat meer zicht op causale verbanden wordt verkregen en/of op interventies gericht op hoog risico gezinnen. Ik laat verkennen of er mogelijkheden zijn om een dergelijk onderzoek al dan niet in Europees verband uit te voeren met steun van Europese subsidiegelden.

Daarnaast raden de onderzoekers aan om op basis van strafdossiers onderzoek te laten verrichten naar kenmerken van daders, slachtoffers en situaties. Hiermee kan algemene daderkennis worden gekoppeld aan daderkennis in specifieke contexten. Ik laat verkennen of een dergelijk onderzoek mogelijk is. Ik ben voornemens dit onderzoek te richten op de groep plegers, bestaande uit professionals en pleegouders. In dat geval neem ik de aanbeveling van de Commissie Samson over om de mechanismen nader te onderzoeken die maken dat iemand die als professional of pleegouder de zorg heeft voor een kind, ertoe komt het kind seksueel te misbruiken.

De onderzoekers adviseren tenslotte het prevalentie-onderzoek onder scholieren van Alink e.a. dat in 2010 is uitgevoerd, uit te breiden met enkele vragen over de context van seksueel misbruik zodat hierop beter zicht wordt verkregen. Met deze uitbreiding zou invulling kunnen worden gegeven aan de prevalentie monitor die door de Commissie Samson wordt aanbevolen. Ik laat de mogelijkheden hiertoe evenals de frequentie van een dergelijk onderzoek verkennen.

Ik zal u van de uitkomst van bovenstaande onderzoekverkenningen uiterlijk in april 2013 op de hoogte stellen.

De minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten

1) Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer