31 015 Kindermishandeling

31 839 Jeugdzorg

Nr. 125 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE EN STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 mei 2016

Aanleiding

Kinderen in Nederland moeten veilig kunnen opgroeien. Ook kinderen die door de overheid uit huis geplaatst zijn omdat hun thuissituatie niet biedt wat voor hen nodig is. Daarom heeft het kabinet door de Commissie Samson onderzoek laten doen naar seksueel misbruik van kinderen die door de overheid in instellingen of in pleeggezinnen zijn geplaatst. Het rapport van de commissie is op 8 oktober 2012 aan uw Kamer aangeboden (Kamerstuk 33 435, nr. 1).

Niet alleen seksueel misbruik, maar ook fysiek en psychisch geweld kunnen tot sterke gevoelens van onveiligheid leiden. De rapportage van de commissie Samson riep de vraag op of ook hiernaar onderzoek kon worden gedaan. Een commissie onder voorzitterschap van prof. dr. M. de Winter heeft deze vraag onderzocht. Uw Kamer is over het instellen van dit onderzoek op 13 juli 2015 geïnformeerd (Kamerstuk 31 015 en 31 839, nr. 116). De commissie had tot taak een vooronderzoek te doen naar:

  • a. de mogelijkheden om een onderzoek in te stellen naar geweld jegens minderjarigen die tussen 1945 en heden onder verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in (rijks)instellingen en in pleeggezinnen;

  • b. een afbakening van het begrip geweld, om te gebruiken binnen dit onderzoek

  • c. de mogelijkheden om binnen dit onderzoek de reactie van de overheid op signalen van geweld te onderzoeken

  • d. de mogelijkheden om hierbij ook psychisch geweld te onderzoeken

  • e. een plan van aanpak met een tijdshorizon voor zo’n onderzoek

Met deze brief bieden wij u het rapport met de bevindingen van de commissie aan1 en de kabinetsreactie daarop.

Haalbaarheid van een vervolgonderzoek

De commissie is tot de conclusie gekomen dat een onderzoek naar geweld in de jeugdzorg zowel haalbaar als zinvol is. De commissie stelt vast dat er verspreid over tal van plaatsen in voldoende mate archieven beschikbaar zijn. En ook dat hierin aanwijzingen voor ernstig geweld teruggevonden kunnen worden. Het is triest dat er aanwijzingen zijn dat mensen als kind ernstig geleden hebben onder geweld. Tegelijkertijd betekent dit ook dat nader onderzoek mogelijk is, waarmee er uitzicht is op erkenning van het leed van deze groep slachtoffers. De commissie adviseert om in het vervolgonderzoek niet alleen gebruik te maken van archiefonderzoek, maar om het vervolgonderzoek multidisciplinair en multimethodisch op te zetten. Bijvoorbeeld door ook gebruik te maken van «oral history» of mondelinge geschiedschrijving: een methode van wetenschappelijk onderzoek naar het verleden op basis van het systematisch verzamelen en vastleggen van individuele herinneringen door reeksen gesprekken.

Het kabinet neemt de aanbeveling van de commissie over om een onderzoek in te stellen naar geweld jegens minderjarigen die tussen 1945 en heden onder verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in (rijks)instellingen en in pleeggezinnen. Plaatsing door de overheid leidt ertoe, dat er een verdergaande verantwoordelijkheid op de overheid rust dan het in algemene zin bevorderen dat kinderen veilig kunnen opgroeien, zoals dat bij andere kinderen het geval is. Kennisverwerving over het fenomeen geweld in de jeugdzorg is essentieel om een algemeen beeld te kunnen schetsen van wat de slachtoffers van fysiek en psychisch geweld is overkomen en zodoende ook hen erkenning te bieden. De behoefte aan erkenning was ook de reden waarom lotgenotenorganisaties dit onderzoek hebben bepleit.

De commissie heeft de volgende werkdefinitie van geweld gekozen: Geweld is elk, al dan niet intentioneel, voor een minderjarige bedreigend gedrag van fysieke, psychische of seksuele aard dat fysiek of psychisch letsel toebrengt aan het slachtoffer. De commissie merkt hierbij op dat de toelaatbaarheid van dit gedrag en de mate waarin het als bedreigend of gewelddadig wordt ervaren, in verschillende perioden anders kan zijn en beveelt daarom aan om in het vervolgonderzoek drie elementen bij de definitie te betrekken:

  • 1. wat is er gebeurd?;

  • 2. was het toelaatbaar in de betreffende context?;

  • 3. hoe is het ervaren?

Het kabinet onderkent de complexiteit van het vinden van een bruikbare afbakening van het begrip ontoelaatbaar geweld door de jaren heen. De door de commissie voorgestelde werkdefinitie en daarbij te betrekken elementen zijn naar verwachting bruikbaar om een algemeen beeld te schetsen en zo erkenning te bieden aan slachtoffers. De werkdefinitie bevat daarentegen zoveel subjectieve elementen, dat het erg lastig zal zijn om aan de hand hiervan tot een oordeel over individuele gevallen te komen.

Reikwijdte en opzet van het vervolgonderzoek

De commissie stelt voor om het vervolgonderzoek breder te maken dan het vooronderzoek en het onderzoek van de commissie Samson. Tijdens het vooronderzoek is de commissie benaderd met meldingen van geweld in de jeugd-ggz, in doven- en blindeninstituten, in instellingen vóór 1945, in instellingen met voornamelijk vrijwillig geplaatste minderjarigen, in pleeggezinnen waar minderjarigen door de ouders afgestaan waren en in de jeugdzorg op de BES-eilanden. Volgens de commissie zijn veel van die verhalen vergelijkbaar met die van de minderjarigen die gedwongen geplaatst zijn in de voorzieningen die deel uitmaakten van het vooronderzoek. De commissie adviseert het kabinet daarom om de eerder gemaakte keuze van de doelgroep te heroverwegen.

Naar het oordeel van de commissie dienen minderjarigen die krachtens een civielrechtelijke machtiging in de jeugd-ggz zijn geplaatst, alsmede de alleenstaande minderjarige vreemdelingen (die onder voogdij staan van een voogdij-instelling) sowieso onderdeel van het vervolgonderzoek te zijn.

Het kabinet kan zich zoals gezegd met het voorstel van de commissie verenigen om een onderzoek in te stellen naar geweld jegens minderjarigen die tussen 1945 en heden onder verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in (rijks)instellingen en in pleeggezinnen en beraadt zich nog over de suggesties voor verbreding ten opzichte van het vooronderzoek. Over de precieze afbakening van het vervolgonderzoek zal nog voor de zomer worden besloten bij van het formuleren van de opdracht aan de daarvoor in te stellen commissie. Wij zullen uw Kamer daarover nog nader informeren.

De commissie adviseert voorts om in het kader van het vervolgonderzoek een aparte studie uit te voeren naar actueel geweld in de jeugdzorg. In dat verband gaat het allereerst om het verkrijgen van kennis over de omvang waarin geweld jegens minderjarigen in de jeugdzorg voorkomt. De commissie adviseert daarbij om een blik te werpen op het huidige pedagogische klimaat en om van de mechanismen in de jeugdzorg te leren met het oog op mogelijke verbeteringen voor de toekomst. Daarnaast adviseert de commissie te kijken naar de verbeteracties die naar aanleiding van de commissie-Samson zijn doorgevoerd en de mogelijke effecten daarvan.

Het kabinet is van mening dat bij het vervolgonderzoek de gehele periode van 1945 tot op heden in beschouwing moet worden genomen en daarbij zeker ook signalen van actueel geweld moeten worden meegenomen. Maar het kabinet ziet geen reden om, zoals de commissie voorstelt, daarbovenop een aparte studie uit te voeren om kennis te verwerven over actueel geweld in de jeugdzorg. Er zijn al voldoende wegen waarlangs en instanties waarbij het voorkomen van actueel geweld aangekaart kan worden en die tot taak hebben daar onderzoek naar te doen, zoals de samenwerkende inspecties. Ook het kijken naar de verbeteracties die naar aanleiding van de commissie-Samson zijn doorgevoerd en de mogelijke effecten daarvan zou een doublure zijn van het werk dat de commissie Rouvoet op dit punt heeft verricht en waarover uw Kamer op 15 juli 2013 is geïnformeerd (Kamerstuk 33 400 XVI, nr. 156) en van de onderzoeken die de inspecties daarnaar al hebben uitgevoerd. Bovendien verwacht het kabinet niet dat kennisverwerving over actueel geweld een extra bijdrage levert aan erkenning voor slachtoffers.

Wel wil het kabinet met de commissie voor het vervolgonderzoek en de betreffende instanties in gesprek over hoe de signalen die de commissie bereiken over actueel geweld het beste ter kennis kunnen worden gebracht van instanties als het OM, de inspecties of Veilig Thuis, zodat zij actie kunnen ondernemen als er actuele gevallen aan het licht komen.

Het kabinet is het eens met de aanbeveling van de commissie om in het vervolgonderzoek mee te nemen of het huidige aanbod aan hulpverlening voor deze groep slachtoffers adequaat is, en te inventariseren wat aanvullend nodig is.

Planning en opzet van het vervolgonderzoek

Het kabinet wil het vervolgonderzoek voortvarend starten en voor de zomer besluiten over de opdracht voor het vervolgonderzoek en de samenstelling van de onderzoekscommissie. Het kabinet heeft prof. dr. M. de Winter bereid gevonden om de commissie voor het vervolgonderzoek voor te zitten, vanzelfsprekend onder voorbehoud van de definitieve opdracht. Uiteraard zullen wij uw Kamer hierover nader informeren.

Voorzieningen tijdens het vervolgonderzoek

De commissie adviseert om gedurende het vervolgonderzoek te voorzien in de mogelijkheid voor slachtoffers om contact op te nemen met de onderzoekscommissie. Het kabinet onderschrijft het belang hiervan vanuit het oogpunt van het verzamelen van onderzoeksgegevens. Ook kan het voor de slachtoffers zelf van belang zijn om hun verhaal te kunnen doen. Daarbij moet er wel voor worden gezorgd dat het doel van het meldpunt, het verzamelen en verwerken van informatie ten behoeve van het onderzoek, helder is voor slachtoffers. Indien slachtoffers blijk geven behoefte te hebben aan hulp, moet door het meldpunt worden doorverwezen naar een daarvoor toegeruste instantie, zoals Slachtofferhulp Nederland.

Tot besluit

Het kabinet is zich ervan bewust, dat het komende onderzoek opnieuw zal leiden tot het oprakelen van pijnlijke herinneringen en het onder ogen brengen van ongemakkelijke waarheden. Toch is het belangrijk dat ook het verhaal van fysiek en psychisch geweld in de jeugdzorg uitgezocht en verteld wordt. Daarmee bieden wij ook die slachtoffers de erkenning waar zij recht op hebben. Het stelt ons bovendien in staat om alles te doen wat in ons bereik ligt om kinderen die in residentiële instellingen en pleeggezinnen worden geplaatst, bijzondere bescherming te bieden en ervoor te zorgen dat zij in een veilige leefomgeving kunnen opgroeien.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

Naar boven