30 977 AIVD

Nr. 80 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 10 februari 2014

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie over de brief van 4 februari over berichtgeving in Der Spiegel over circa 1,8 miljoen metadata van telefoonverkeer (Kamerstuk 30 977, nr.79).

De Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie hebben deze vragen beantwoord bij brief van 10 februari 2014

De vragen en antwoorden zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Berndsen-Jansen

De adjunct-griffier van de commissie, Thomassen

1

Hoe komt het dat een aantal maanden geleden niet bekend was dat er sprake was van gegevens die rechtmatig (binnen de wettelijke doelen) verzameld zijn? Had dit niet bekend moeten zijn?

Op 5 augustus 2013 publiceerde Der Spiegel een staafdiagram waarin getallen aan landen werden gekoppeld. Op 21 oktober 2013 stond in de Franse krant Le Monde een nadere duiding van dat staafdiagram. Voor Nederland zou er sprake zijn van 1,8 miljoen «telefoongesprekken» in de maand december 2012 waarvan de NSA de gegevens had. Het NSA programma Boundless Informant sprak van data «collection against that country» en gaf het getal 1,8 miljoen voor Nederland. In eerste instantie lag het dus in de rede te veronderstellen dat het ging om Nederlandse telefoongesprekken. In de publieke beeldvorming ontstond vervolgens al snel de suggestie dat het om het «aftappen» van 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken zou gaan.

Uw Kamer en de media hebben naar aanleiding van voornoemde berichtgeving vragen gesteld aan de regering. Op dat moment kon het kabinet het getal van 1,8 miljoen nog niet plaatsen.

Hierna is er onderzoek ingesteld door de diensten. Ook is er intensief contact geweest tussen de Nederlandse diensten en de NSA om tot een nadere duiding te komen. Op basis van dit onderzoek is op 20 november 2013 gebleken dat het in de berichtgeving genoemde getal van 1,8 miljoen hoogstwaarschijnlijk betrekking had op verzameling van metadata van telefoongesprekken door de Nationale Sigint Organisatie (NSO). Dit werd bevestigd door verder intern onderzoek van de diensten. Op 22 november 2013 zijn de Minister van Defensie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) hierover door de diensten gelijktijdig geïnformeerd.

Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken, hieronder begrepen een klein deel sms-verkeer en faxen, die zijn verzameld in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.

Het getal van 1,8 miljoen heeft derhalve geen betrekking op gesprekken die via Nederlandse telefoonnummers zouden zijn gevoerd. Het betreft metadata verzameld in het kader van de wettelijke taakuitoefening.

Zie verder ook het antwoord op vraag 38.

2

Op welke metadata doelde de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) toen de Minister in het debat met de Kamer op 6 november 2013 (Kamerstuk 30 977, nr. 75) en bij Nieuwsuur van 30 oktober 2013 over metadata sprak?

Op dat moment doelde de Minister van BZK op metadata van telefoongesprekken met Nederlandse nummers.

3

Staat de Minister van BZK nog steeds achter de uitlating, gedaan op 30 oktober 2013 in het tv-programma Nieuwsuur, dat de National Security Agency (NSA) in één maand ongeveer 1,8 miljoen telefoontjes heeft onderschept?

Nee. Er zijn 2 redenen waarom de Minister van BZK dit als mogelijkheid zag:

  • 1. Het stond voor de Nederlandse diensten vast dat zij niet 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken hadden vergaard. Een alternatieve verklaring was dat deze door een buitenlandse dienst waren vergaard.

  • 2. Opvragen door de AIVD leverde op dat er per dag circa 60.000 gesprekken tussen Nederland en de VS zijn. Over een peilperiode van een maand kwam dat overeen met de 1,8 miljoen uit Der Spiegel.

Terugkijkend hierop vindt de Minister van BZK dat hij deze mogelijke verklaring achterwege had moeten laten.

Zie verder ook het antwoord op vraag 7.

4

Waarom heeft de Minister van BZK, die tijdens een AO in het najaar van 2013 nog uitlegde dat de NSA niet zelfstandig de betreffende data heeft kunnen verzamelen en daarnaast ook stelde dat: «de verklaring die het NSA heeft gegeven, is dat er kennelijk ook door andere bondgenoten dergelijke informatie met hen is gedeeld. Ik heb al eerder gezegd dat Nederland dat niet heeft gedaan. Het zou kunnen dat andere landen in het bondgenootschap dat wel hebben gedaan», de Kamer in oktober 2013 nog medegedeeld dat de gegevens niet door Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten waren verzameld en verstrekt?

Op 21 oktober 2013 stond in de Franse krant Le Monde een nadere duiding van dat staafdiagram. Voor Nederland zou er sprake zijn van 1,8 miljoen «telefoongesprekken» in de maand december 2012 waarvan de NSA de gegevens had. De indruk ontstond dat in ons land op grote schaal Nederlandse telefoongesprekken zouden worden vergaard en verstrekt door de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Op vragen in de media en in uw Kamer daarover heeft de Minister van BZK medegedeeld dat de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten alleen binnen wettelijke kaders metadata verzamelen en verstrekken, en dus niet 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken hadden vergaard en verstrekt.

Zie verder ook het antwoord op vraag 3.

5

Op basis van welke informatie heeft de Minister van BZK tijdens zowel het AO op 6 november 2013 als de Nieuwsuur-uitzending 30 oktober 2013 kunnen verklaren dat 1,8 miljoen Nederlandse telefoontjes zijn geregistreerd door de NSA en dat, na onderzoek, het NIET de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten waren die de data-verkeersgegevens hebben verzameld. Waar bestond dit interne onderzoek uit? Waarom kreeg de Minister op dat moment niet de juiste informatie?

Er was in dat stadium sprake van een mogelijke verklaring. Op basis daarvan heeft de Minister van BZK de uitspraak gedaan. In het publieke debat was de stellige indruk ontstaan dat de Nederlandse veiligheidsdiensten 1,8 miljoen telefoongesprekken van Nederlanders zouden hebben vergaard. De Minister van BZK heeft dit beeld willen weerleggen.

Zie verder het antwoord op vraag 3.

6

Wat is de precieze inhoud van het gesprek dat de Minister van BZK in het najaar van 2013 met de NSA had over mogelijke activiteiten van de NSA in Nederland? Is toen al duidelijk geworden dat deze 1,8 miljoen registraties niet het werk van de NSA maar van de Nederlandse diensten was?

Nee. Op dat moment beperkte, zowel in het bilaterale gesprek als in de reguliere contacten tussen de diensten en de NSA, de NSA zich tot de mededeling dat Nederland «geen target» was. Overigens was dit gesprek op 11 oktober 2013, dus voordat de publicatie in Le Monde over 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken kwam.

7

Doelde de Minister van BZK met de uitspraak «Ik heb al eerder gezegd dat Nederland dat niet heeft gedaan» tijdens het AO op 6 november 2013, enkel op door Nederlandse diensten op Nederlandse bodem vergaarde metadata van gesprekken van Nederlanders met andere Nederlanders?

Ja. Om precies te zijn doelde hij op kabelgebonden telefoongesprekken in of vanuit Nederland.

Met het oog op het publieke debat dat naar aanleiding van de onthullingen was ontstaan, heeft de Minister van BZK twee zaken willen corrigeren, namelijk:

  • 1. dat er sprake zou zijn van «afgeluisterde» telefoongesprekken en

  • 2. dat de Nederlandse diensten betrokken zouden zijn geweest bij mogelijke door de NSA in Nederland vergaarde telefoongesprekken.

8

Hoe beoordeelt de Minister van BZK zijn mediaoptreden bij Nieuwsuur op 30 oktober 2013 en bij Pauw en Witteman op 22 oktober 2013? Hoe interpreteert de Minister nu wat hij destijds heeft gezegd? Doelt de Minister van Defensie op deze uitspraken wanneer zij het heeft over «hardnekkige beeldvorming»? Zo nee, waar doelt zij dan wel op?

Zie de antwoorden op de vragen 3,4 en 5.

De uitspraak van de Minister van Defensie over hardnekkige beeldvorming heeft betrekking op het beeld in het publieke debat, namelijk dat er sprake zou zijn van illegale metadataverzameling, het massaal «afluisteren» van Nederlandse telefoongesprekken en ook het ongeoorloofd delen van die informatie met partnerdiensten.

9

Waaruit bestonden de «toen beschikbare gegevens» die het aannemelijk maakten dat het zou gaan om metadata van telefoonverkeer tussen de VS en Nederland? Was op dat moment niet al mogelijk om snel en precies duidelijk te krijgen hoe het zat? Zo ja, waarom is dat dan niet gebeurd?

10

Hoe verhoudt de uitspraak van de Minister van BZK dat de NSA in een maand ongeveer 1,8 miljoen telefoontjes heeft onderschept (gedaan tijdens de Nieuwsuur-uitzending op 30 oktober 2013) tot de opmerking in de brief van 4 februari 2014 (Kamerstuk 30 977, nr. 79) waarin de Ministers van BZK en Defensie schrijven dat de Nationale SIGINT Organisatie (NSO) deze 1,8 miljoen metadata heeft verzameld en deze gegevens heeft «gedeeld met de Verenigde Staten»?

11

Op welke grond baseerde de Minister van BZK zich toen hij stelde dat het getal van 1,8 miljoen records metadata gekoppeld moest worden aan dataverzameling door de NSA?

Zie voor de antwoorden op de vragen 9, 10 en 11 de antwoorden op de vragen 1 en 3.

12

Welke aanvullende informatie had de Minister van BZK om te kunnen concluderen dat de 1,8 miljoen records metadata niet afkomstig is van Nederlandse diensten terwijl dit op zichzelf niet af te leiden uit de door de Minister aangehaalde verklaring van de NSA?

De verklaring van de NSA was de eerste gelegenheid dat de NSA richting Nederland bevestigde dat de door Der Spiegel genoemde metadata inderdaad bestonden. De verklaring zelf laat overigens in het midden of de Nederlandse metadata door Nederland of de NSA waren verkregen. De Minister van BZK heeft deze verklaring onmiddellijk publiek gemaakt, zie de brief van 31 oktober 2013, Kamerstuk 30 977, nr. 64.

Zie verder ook het antwoord op de vragen 1 en 3.

13

Wanneer ontving de Minister van BZK voor het eerst het signaal dat niet de NSA, maar de Nederlandse Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten verantwoordelijk waren of zouden kunnen zijn voor de vergaring van de 1,8 miljoen records metadata? Wanneer hoorde de Minister van BZK voor het eerst dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO verzameld zijn en wanneer realiseerde de Minister van BZK zich dat zijn verklaring waarin het getal van 1,8 miljoen records metadata werd gekoppeld aan de NSA, niet klopte?

14

Hoe en door wie is de Minister van BZK geïnformeerd dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO zijn verzameld?

15

Hoe verhoudt de volgende zinsnede uit de brief van de Ministers van BZK en Defensie van 4 februari 2014 (Kamerstuk 30 977, nr. 79): «Aanvullende informatie en vervolgens nader onderzoek en analyse hebben echter geleid tot de volgende conclusie», zich tot de opmerkingen van de Minister van Defensie in media-interviews door o.a. de NOS en Pownews, na afloop van AO defensie d.d. 5 februari j.l., dat zij al die tijd al wist dat die metadata door de NSO is verzameld en is gedeeld met de NSA?

Antwoord op de vragen 13,14 en 15:

Op 22 november zijn beide Ministers gelijktijdig geïnformeerd door de diensten.

Zie verder ook het antwoord op vraag 1.

16

Hoe is het verschil in de conclusies van de vorige brief en deze brief te verklaren? Hoe kan het dat de conclusies heel anders zijn?

Op 31 oktober 2013 was er nog geen duidelijkheid over de exacte herkomst van de 1,8 miljoen metadata. In voorgaande brieven is vooral inzichtelijk gemaakt wat de Nederlandse inlichtingendiensten op basis van de WIV mogen en wat buitenlandse diensten in Nederland mogen. Tenslotte is vermeld dat nader onderzoek nog gaande was.

Dit onderzoek heeft de noodzakelijke duidelijkheid opgeleverd. De conclusie van de brief van 4 februari 2014 is hierop gebaseerd.

Zie verder ook het antwoord op vraag 1.

17

Wanneer werd het onderzoek, waarover de brief van 4 februari 2014 spreekt, officieel afgerond? Is de Kamer meteen geïnformeerd nadat er duidelijkheid kwam over de herkomst van de gegevens?

Op 22 november 2013 is het onderzoek afgerond, zie ook het antwoord op vraag 1.

Daarna hebben de Minister van Defensie en de Minister van BZK de afweging gemaakt tussen de plicht om de Kamer zoveel als mogelijk te informeren en het belang van de Staat om in het openbaar niet in te gaan op de mogelijke modus operandi van onze diensten. Het laatste gaf de doorslag.

In het kader van de voorbereiding van de civiele procedure over het gebruik van gegevens afkomstig van buitenlandse diensten is er eind januari 2014 een nieuw toetsmoment ontstaan.

De vordering van eisers heeft immers verstrekkende consequenties voor onze veiligheidspositie omdat een deel van de eisen, indien door de rechter toegekend, een zeer grote schade zou doen aan het succes van de operaties van de diensten, zoals de eis beperkingen op te leggen aan het verkrijgen en gebruiken van gegevens van buitenlandse diensten. Het zwaarwegende belang bij dit proces inclusief het belang van de nationale veiligheid was en is erbij gediend te beargumenteren dat er geen sprake is geweest van het «witwassen van illegale data», maar van het rechtmatig vergaren van metadata. Gelet op het gewicht van de genoemde belangen en de verdediging hiervan, diende de weergave van het handelen van de diensten door de eiser te worden weerlegd omdat deze anders, als de gedaagde deze weergave onweersproken liet, voor waar zou kunnen worden aangenomen.

Daarom is besloten tot openbaarmaking van een deel van de werkwijze in de brief van 4 februari 2014 aan de Kamer. De Ministers van Defensie en BZK hebben deze nieuwe afweging gezamenlijk gemaakt.

18

Waar bestond het «nader onderzoek en analyse» precies uit? Waarom kon deze analyse niet eerder tot de gewenste helderheid leiden?

Er was in eerste instantie slechts een staafdiagram (Der Spiegel), en later nog een nadere maar minimale duiding (Le Monde), beschikbaar. Dit getal en het staafdiagram waren niet één op één te herleiden tot informatie uit de eigen systemen.

«Nader onderzoek en analyse» behelsde een reconstructie aan de hand van eigen onderzoek in combinatie met aanvullende informatie van de NSA. Op grond hiervan konden op 22 november 2013 definitieve conclusies worden getrokken.

Zie verder ook het antwoord op vraag 1.

19

Ligt het, met de kennis van nu, niet heel erg voor de hand dat de Minister van BZK vanaf het gesprek met de NSA-directeur Keith Alexander over bilaterale contacten (iets wat de Minister tijdens het AO op 16 oktober 2013 (Kamerstuk 30 977, nr. 71) aangaf) al wist (of in ieder geval met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op gewezen bent) dat de Minister van BZK zelf verantwoordelijk was voor het verzamelen en delen van 1,8 miljoen records metadata? Zo nee, waarom niet?

Nee. Zie verder ook het antwoord op vraag 1.

20

Hoeveel tijd zat er tussen het moment dat de Minister van BZK hiervan op de hoogte werd gesteld en het moment dat hij de Kamer inlichtte?

21

Waarom is de Kamer niet terstond geïnformeerd dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO verzameld zijn?

22

Waarom en wanneer is besloten om deze informatie op 4 februari te delen met de Tweede Kamer?

23

Is het waar dat de Minister van BZK pas heeft besloten om het parlement te informeren nadat het risico ontstond dat u op rechterlijke last de ware toedracht zou moeten openbaren?

Zie voor de antwoorden op de vragen 20, 21, 22 en 23 het antwoord op vraag 17.

24

Wist de Minister van BZK vooraf aan het versturen van de brief van 4 februari (Kamerstuk 30 977, nr. 79) dat publicatie in de media aanstaande was? Zo ja, heeft dit een rol gespeeld in de overweging tot het alsnog openbaren van deze informatie aan de Kamer?

Nee, eventuele op handen zijnde publicaties hebben hierbij geen rol gespeeld.

Zie verder ook het antwoord op vraag 17.

25

Wat was de directe aanleiding om de brief van 4 februari 2014 naar de Kamer te sturen en waarom was dit zo'n korte brief zonder nadere uitleg over de gang van zaken rond de 1,8 miljoen taps?

Zie het antwoord op vraag 17.

26

Hoe verklaart de Minister van BZK het feit dat er meer dan drie maanden verstreken zijn tussen het moment dat de Minister onjuiste informatie naar buiten bracht en de brief van 4 februari 2014?

Zie het antwoord op vraag 1, 17, 22 en 23.

27

Wanneer zijn de toezichthouders en de vaste commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) geïnformeerd over het feit dat de registratie van 1,8 miljoen taps het werk van onze eigen veiligheidsdiensten is geweest?

Er is geen sprake van taps, maar van metadata. Op 4 februari 2014 is de Kamer geïnformeerd. De CTIVD kan hier continu kennis van nemen en is bekend met de werkwijze van de diensten. De CTIVD wordt niet separaat geïnformeerd.

28

Kan de Minister van BZK precies aangeven wanneer welke informatie inzake dit schandaal is verstrekt aan de vaste commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten? Is de Minister van BZK van mening dat de «commissie stiekem» actief en volledig is geïnformeerd? Zo ja, waarom?

Over contacten met de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten kunnen in het openbaar geen mededelingen worden gedaan.

29

Is de Minister van BZK bereid om de geheime bijlages bij de rapporten van de CTIVD, die op dit spionageschandaal betrekking hebben, openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?

Deze bijlagen hebben betrekking op operaties en zijn daarom niet openbaar gemaakt. Het geheime deel betreft een uitwerking van het openbare rapport en bevat geen andere conclusies of aanbevelingen dan degene die in meer abstracte zin in het openbare rapport zijn vermeld. Vertrouwelijke bijlagen die betrekking hebben operaties kunnen naar hun aard niet publiek gemaakt worden.

30

Heeft de Minister van BZK nog meer informatie aan de Kamer verstrekt over het werk van de inlichtingendiensten waarvan nu blijkt dat het vermoeden bestaat dat die informatie niet klopt?

Zie het antwoord op de vragen 1 t/m 5.

31

Hoe kijkt de Minister van BZK terug op de wijze waarop de hij het parlement heeft geïnformeerd over het vermeende spionageschandaal?

Zie het antwoord op de vragen 1 t/m 5.

32

In hoeverre zijn de Ministers van BZK en Defensie volledig op de hoogte van de informatieverzameling en doorgifte van de inlichtingendiensten en de NSO? Vindt u deze constructie wenselijk voor de politieke controle op de inlichtingendiensten?

Ja. De Ministers van Defensie en BZK zijn, met oog op hun ministeriële verantwoordelijkheid voor de NSO, op de hoogte van de activiteiten van de NSO.

33

Is het waar dat de Minister van Defensie eerder dan de Minister van BZK wist dat de genoemde 1,8 miljoen metadata records door de NSO verzameld zijn? En zo ja, wat is de verklaring van het gebrek aan communicatie tussen de Ministers? Waarom is de Kamer daarover niet geinformeerd?

Nee. Zie ook het antwoord op de vragen 1 en 15.

34

Wat was het doel van het gesprek op woensdagavond 5 februari 2014 op het Torentje?

Doel en inhoud van dit gesprek zijn naar hun aard vertrouwelijk.

35

Ten behoeve van welke activiteiten worden die miljoenen metadata-records verzameld en waarom is dit nooit opgemerkt in de CTIVD-rapportages?

De metadata worden door de NSO verzameld in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland, hetgeen valt binnen de kaders van de wettelijke taakuitoefening (artikelen 6 en 7 WIV). De CTIVD is een onafhankelijke commissie die haar rapporten aan de Tweede Kamer stuurt. De inzet van bijzondere bevoegdheden (waaronder de inzet van de bevoegdheid tot ongerichte interceptie van niet-kabelgebonden telecommunicatie als bedoeld in artikel 27 WIV) door de diensten wordt door de CTIVD al sinds jaren onderzocht.

36

Is dit de specifieke Nederlandse informatie waar de onderzoeksjournalist Greenwald op duidde? Zo nee, wat komt er nog meer?

Het is ons niet bekend op welke informatie de heer Greenwald heeft geduid.

37

Moet uit de brief van 4 februari worden opgemaakt dat de NSA, in tegenstelling tot eerdere uitspraken van de Minister van BZK, in het geheel geen metadata van telefoonverkeer tussen Nederland en de Verenigde Staten aftapt en opslaat? Of moet uit de brief worden opgemaakt dat de NSA dit wel doet en deze data opslaat, maar dat het in de Der Spiegel genoemde getal van 1,8 miljoen niet aan deze activiteit te verbinden is?

De brief van 4 februari 2014 zegt inderdaad dat het in Der Spiegel getoonde staafdiagram waarin getallen aan landen werden gekoppeld niet aan interceptie door de NSA te verbinden is. De brief zegt niets over de activiteiten van de NSA.

38

Zijn de 1,8 miljoen, door de NSO verzamelde en met de NSA gedeelde, records metadata van satelliet- en radioverkeer afkomstig van communicatie uit het buitenland? Is er ook in Nederland verzamelde communicatie tussen Nederlanders onderling met de Nationale Security Agency gedeeld? Zo ja, in welke mate en om welke reden?

In de metadata is een beperkt aantal kenmerken vastgelegd, bijvoorbeeld het telefoonnummer van de beller en de ontvanger en de datum en tijd van het gevoerde gesprek. Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.

39

Is het aantal van 1,8 miljoen taps in december 2012 een maandelijks gemiddelde of is dit een afwijkend getal? Kan nader worden uitgelegd om wat voor taps het gaat, zijn het bijvoorbeeld telefoongesprekken, websitebezoeken, etc.?

Het gaat niet om taps maar om metadata. Een verdere specificatie van dit aantal of andere details kan in de openbaarheid niet worden gegeven.

40

Hoe is voor deze 1,8 miljoen taps gecontroleerd of de activiteiten rechtmatig zijn en kan de vigerende regelgeving in het antwoord worden betrokken?

Het gaat niet om taps maar om metadata. Het ongericht intercepteren van niet kabelgebonden telecommunicatie is een bijzondere bevoegdheid ingevolge artikel 27 van de WIV en kan slechts worden uitgeoefend voor zover dat noodzakelijk is voor de taken van de diensten en met inachtneming van de beginselen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit (artikel 18, 27 en 31 van de WIV). Voor de uitvoering van deze bijzondere bevoegdheid geldt geen toestemmingsvereiste als bedoeld in artikel 19 WIV 2002. De CTIVD houdt toezicht op de rechtmatigheid.

41

Wat wordt precies bedoeld met de zinsnede in de brief van 4 februari dat de gegevens zijn verzameld «in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland»? Betreffen dit gegevens van dreiging van terrorisme binnen Nederland of ook van gegevens die te maken hebben met terrorisme in, of afkomstig uit het buitenland?

Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland, geïntercepteerd via de satelliet, verkregen in het kader van contraterrorisme en militaire missies in het buitenland. Het is niet mogelijk om in het openbaar meer specifieke informatie te delen.

42

Vindt het verzamelen van de metadata, gericht op de genoemde doelen in de brief van 4 februari 2014 nog steeds plaats? Zo ja, wat is daarvan de reden? Zo nee, waarom is het verzamelen van die gegevens nu niet meer nodig?

In het kader van de aan de AIVD en MIVD opgedragen taken zoals geregeld in de artikelen 6 onderscheidenlijk 7 lid 2 van de WIV, kunnen metadata worden verzameld over dreigingen gericht tegen de nationale veiligheid en Nederlandse militairen die in het buitenland worden ingezet. Uiteraard moet daarbij wel worden voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit.

43

Is het niet bijzonder onprofessioneel om publiekelijk uit te spreken dat bondgenoten toch niet zo met elkaar om horen te gaan en te zeggen dat de regering de NSA hierop zou aanspreken, terwijl de (Nederlandse) NSO die gegevens zelf heeft verzameld en uitgewisseld?

Zie het antwoord op vraag 3.

44

Zijn de door de NSO verzamelde records metadata met name in het buitenland verzameld en is de privacy van Nederlanders dus minder in het geding dan eerder gedacht?

Ja. Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.

45

Betreffen de 1,8 miljoen records metadata gegevens die de NSO zelfstandig vergaard heeft?

Ja.

46

Betreffen de 1,8 miljoen records metadata ook 1,8 miljoen verschillende momenten/vormen van communicatie? Zo nee, hoeveel communicatiemomenten beslaan deze data?

Ja.

47

Wat voor kenmerken van de communicatie zijn in de bedoelde records metadata vastgelegd?

In deze metadata is een beperkt aantal kenmerken vastgelegd, bijvoorbeeld het telefoonnummer van de beller en ontvanger en de datum en tijd van het gevoerde gesprek.

48

Kan de Minister van BZK uitsluiten dat de genoemde records metadata ook betrekking hebben op communicatie waarbij zender en ontvanger zich beiden in Nederland bevinden? Zo nee, waarom niet?

Uitgesloten kan worden dat de genoemde 1,8 miljoen metadata Nederlandse telefoonnummers betreft.

49

Bij hoeveel van de 1,8 miljoen metadata-records is sprake van communicatie waarbij in ieder geval één van de betrokkenen zich naar het weten van de Minister van BZK in Nederland bevond?

Daarover kunnen in het openbaar geen mededelingen worden gedaan.

50

Op welke vormen van communicatie hebben de metadata betrekking? Gaat het uitsluitend om telefoongesprekken, of ook mailberichten en andere communicatie?

Het betreft uitsluitend metadata van telefoongesprekken, hieronder begrepen een klein deel sms-verkeer en faxen, op basis van satellietcommunicatie.

51

Welk deel van de metadata hebben betrekking op satellietcommunicatie? Op welke andere communicatietechnieken hebben de data betrekking?

Zie het antwoord op vraag 50.

52

Staat de Minister van BZK nog steeds achter de uitlating die hij na de ministerraad van 21 juni 2013 deed dat onze geheime diensten geen gebruik maken van PRISM of andersoortige programma’s van Amerikaanse geheime diensten?

De diensten maken geen gebruik van PRISM of van gelijksoortige programma’s van Amerikaanse geheime diensten.

53

Hoe hebben de Nederlandse geheime diensten, waaronder de NSO, dit soort informatie verzameld en waarom was de Minister van BZK daar niet van op de hoogte?

De betrokken Ministers zijn op de hoogte van de wijze waarop de diensten informatie verzamelen.

54

Hoe kan de Minister van BZK de Kamer garanderen dat zijn uitspraak tijdens het AO op 6 november 2013 dat de afgetapte metadata geen betrekking hebben op het telefoon- dan wel sms-verkeer binnen Nederland, wel juist is?

Het gaat hier om metadata van telefoongesprekken met herkomst en/of bestemming in het buitenland, geïntercepteerd via de satelliet, verkregen in het kader van contraterrorisme en militaire missies in het buitenland. Voor zover daarbij Nederlandse telefoonnummers in beeld kwamen, zijn deze hieruit gefilterd alvorens de informatie te delen met partnerdiensten.

55

Hoever strekken de wettelijke bevoegdheden om gegevens te verschaffen aan de Verenigde Staten? Is er voor het aftappen van alle telefoongegevens sprake van verschaffen binnen de wettelijke mogelijkheden?

De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV) kent een gesloten verstrekkingenstelsel. Verstrekking van gegevens aan buitenlandse diensten kan plaatsvinden op grond van artikel 36 dan wel op grond van artikel 59 van de wet. Dit wettelijk kader bepaalt dus ook de verstrekking van gegevens aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de Verenigde Staten.

Artikel 36, eerste lid, aanhef en onder d, biedt de AIVD en de MIVD de mogelijkheid om in het kader van een goede taakuitvoering omtrent door of ten behoeve van de dienst verwerkte gegevens mededeling te doen aan daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen, alsmede andere daarvoor in aanmerking komende internationale beveiligings-, verbindingsinlichtingen- en inlichtingenorganen. Bij de verstrekking op grond van deze bepaling staat de (eigen) goede taakuitvoering centraal en zal het veelal gaan om verstrekking van door de dienst bewerkte gegevens (« mededeling») omtrent concrete personen of organisaties (vgl. ambtsberichten). Indien de aard van de mededeling daartoe aanleiding geeft, geschiedt de verstrekking door de voor de dienst verantwoordelijke Minister. Bij verstrekking van gegevens aan de diensten als hier bedoeld dient ingevolge artikel 37 van de wet altijd de voorwaarde te worden gesteld dat deze gegevens niet aan derden mogen worden verstrekt (de derde partijregel). Door de verantwoordelijke Minister of namens deze het hoofd van de dienst kan echter alsnog toestemming worden verleend om de gegevens aan andere personen of instanties te verstrekken; daaraan kunnen voorwaarden worden verbonden.

De verstrekking op grond van artikel 59 van de wet staat in het teken van de aan de hoofden van de diensten opgedragen zorgplicht tot het onderhouden van verbindingen met daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen. In dat kader kunnen op grond van artikel 59, tweede lid, aan deze instanties gegevens worden verstrekt ten behoeve van door deze instanties te behartigen belangen, voor zover (a) deze belangen niet onverenigbaar zijn met de belangen die diensten hebben te behartigen, en (b) een goede taakuitvoering door de diensten zich niet tegen verstrekking verzet. Hier staat dus het belang van de buitenlandse dienst centraal. Artikel 59 biedt de grondslag voor allerlei samenwerkinsgverbanden, bilateraal of multilateraal en al dan niet geinstitutionaliseerd, waarbij gegevens kunnen worden uitgewisseld. De verstrekking van bulk data, waaronder metadata, vindt in de praktijk op deze grondslag plaats. Bij de vraag welke gegevens verstrekt mogen worden, zal getoetst dienen te worden aan de hiervoor genoemde criteria. Dat geldt ook voor de verstrekking van metadata. In beginsel komen dus allerlei gegevens voor verstrekking in aanmerking, zij het dat ook hier geldt als uitgangspunt dat gegevens omtrent bronnen en modus operandi (over en weer) geheim worden gehouden. Voorts is ook bij deze verstrekking de derde partijregel onverkort van toepassing.

56

Was de Minister van BZK bekend met de herkomst van de gegevens en de precieze status ervan alsmede het doel waar deze gegevens voor werden verzameld?

Zie het antwoord op vraag 1.

57

Op welke wijze vindt er afstemming plaats tussen de NSO en de Ministers van Defensie en BZK over de precieze mogelijkheden en beperkingen bij het verzamelen van gegevens en de doelen waarvoor deze verzameld mogen worden? Zijn de Ministers verplicht daar steeds persoonlijk toestemming voor te geven?

De NSO valt gezagsmatig onder de verantwoordelijkheid van beide Ministers (Defensie en BZK) en beheersmatig onder de Minister van Defensie. De NSO wordt aangestuurd door de directeur van de MIVD en het hoofd van de AIVD en zij leggen daarover verantwoording af aan beide Ministers.

Zie verder ook het antwoord op vraag 55.

58

Hoe ver reikt, naar het oordeel van de Minister van BZK, de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van de activiteiten die de NSO verricht?

Er is sprake van volledige ministeriële verantwoordelijkheid van de beide Ministers.

Zie verder ook het antwoord op vraag 57.

59

Wat wordt gedaan om onduidelijkheden over het onbevoegd verzamelen en/of het doorgeven van gegevens in de toekomst te voorkomen? Is de Minister van BZK voornemens hier zelf actiever bij betrokken te zijn?

In algemene zin geldt dat eventuele onduidelijkheden worden betrokken bij de lopende evaluatie van de WIV. In het onderhavige geval was geen sprake van onduidelijkheden en is er rechtmatig gehandeld.

60

Onder verantwoordelijkheid van welke dienst zijn de metadata verzameld en overgedragen aan de Verenigde Staten? Welke bewindspersoon heeft op welke wijze daartoe de beslissing genomen?

Dit geschiedt onder verantwoordelijkheid van beide diensten.

Zie voorts het antwoord op vraag 55.

61

Hoe reageerde de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken op de, door de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken in oktober 2013 overgebrachte Nederlandse zorgen? Wat was de reactie van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken op het Nederlandse pleidooi voor meer transparantie?

Tijdens het gesprek in september 2013 tussen Minister Timmermans en zijn Amerikaanse ambtgenoot toonde Minister Kerry veel begrip voor de Nederlandse zorgen ten aanzien van NSA. Hij gaf aan dat het recht op privacy een groot goed is, waar hij zich gedurende zijn carrière voor heeft ingezet. Minister Kerry benadrukte dat de VS er geen baat bij heeft om een overmatige hoeveelheid informatie te verzamelen. Hij verwees naar de adviescommissie die de VS-Administratie had ingesteld om de bevoegdheden van de veiligheidsdiensten onder de loep te nemen. Inmiddels heeft die adviescommissie tientallen aanbevelingen gedaan om de NSA transparanter en terughoudender te maken.

62

Welke rol speelt Nederland precies in «the nine eyes»?

Zoals reeds eerder gemeld, werken de AIVD en MIVD op bilaterale- en multilaterale wijze samen met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Nadere mededelingen hierover zijn in het openbaar niet mogelijk.

63

Hebben buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten zoals de Amerikaanse NSA op enig moment inlichtingen verzameld buiten de wettelijke kaders om? Zo ja, welke maatregelen zijn daarop gevolgd?

Noch de Minister van Defensie, noch de Minister van BZK verkeert in de positie om te beoordelen of buitenlandse inlichtingendiensten hun taak uitvoeren in overeenstemming met de eigen nationale wetgeving. Het spreekt voor zich dat inlichtingenactiviteiten op Nederlands grondgebied moeten plaatsvinden in overeenstemming met de Nederlandse wet.

64

In welk licht moet de volgende uitspraak van de Minister van BZK tijdens het AO op 16 oktober 2013 dat: «Nederland ook veel heeft te bieden, omdat het juist op het gebied van intelligence een goede, waardevolle samenwerkingspartner is. Dat mag best leiden tot een stevige positie met het oog op het maken van afspraken over wat de bondgenoten in de richting van het Nederlandse territorium doen», worden beschouwd? Moet, met de wetenschap van nu dat de Minister van BZK naar eigen zeggen op dat moment kennelijk niet wist dat het om door Nederland verzamelde en gedeelde gegevens ging, geconstateerd worden dat die veronderstelde stevige positie überhaupt niet bestaat, laat staan waargemaakt is?

De recente ontwikkelingen geven geen aanleiding deze uitspraak bij te stellen. De Nederlandse diensten zijn een gewaardeerde internationale samenwerkingspartner.

65

Op 6 februari 2014 zijn er geruchten naar boven gekomen over het eventueel adviseren van de Minister om ergens niet aan deel te nemen. Graag een reactie hierop van de minster van BZK.

De Minister van BZK is als enige verantwoordelijk voor zijn optredens in de media.

Naar boven