Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 30872 nr. M |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 30872 nr. M |
Vastgesteld 27 juni 2025
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening1 heeft nader schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu over het ontwerp-Circulair Materialenplan (CMP). Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 20 mei 2025.
• De antwoordbrief van 27 juni 2025.
De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Dragstra
Aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu
Den Haag, 20 mei 2025
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft kennisgenomen van uw brief van 20 maart 20252, waarbij u eerder gestelde vragen beantwoordt over het ontwerp-Circulair Materialenplan (CMP). De leden van de fractie van de BBB hebben naar aanleiding hiervan de regering nog enkele vervolgvragen voor te leggen.
De leden van de fractie van de BBB lezen in de beantwoording dat het ontwerp-CMP geen directe gevolgen heeft voor de afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s).3 Daarnaast wordt aangegeven dat het vergunnen van nieuwe afvalverbrandingscapaciteit onwenselijk is.4 In dit kader wordt verwezen naar de op 17 januari 2025 gepubliceerde beleidsvisie afvalverbranding die bij brief van 17 januari 20255 aan de Tweede Kamer is aangeboden. De leden van de fractie van de BBB verzoeken de regering een afschrift van deze brief ook aan deze Kamer te doen toekomen. Verder vragen deze leden of er nu wel of geen sprake is van (lange termijn) gevolgen voor de AVI’s. Graag ontvangen de leden van de fractie van de BBB hierop een toelichting van de regering. In hoeverre is een dergelijke beslissing om AVI’s niet verder te laten groeien uitvoerbaar voor hen? Zijn hierover gesprekken gevoerd met de sector? En in hoeverre is dit uitvoerbaar voor de afvalketen?
De leden van de fractie van de BBB wijzen erop dat de regering in antwoord op eerder door deze leden gestelde vragen aangeeft dat het voorliggende ontwerp-CMP niet tornt aan het moratorium op afvalstort6. Dit wordt door de leden van de fractie van de BBB gewaardeerd. Verder wordt door de regering in de aan de orde zijnde brief gesteld dat binnen dit CMP er in Nederland nog voor 12 tot 15 jaar aan stortcapaciteit aanwezig is, waarna een oplossing gevonden moet worden.7 Daarbij wordt aangegeven dat dit moratorium op termijn moet worden aangepast. Hoeveel stortcapaciteit is er op middellange termijn nodig? Een moratorium suggereert dat er een einde kan komen aan storten, hetgeen – zo constateren de leden van de fractie van de BBB – dus niet lukt met dit CMP. Is dit in de praktijk dan wel uitvoerbaar? Graag ontvangen de leden van de fractie van de BBB hierop een toelichting van de regering.
De leden van de fractie van de BBB wijzen erop dat een «verstrekkingsverplichting», waarbij afwijkingen van het CMP worden gerapporteerd, een handhavingsinstrument is waarbij gemeenten en provincies afwijkingen moeten rapporteren aan het Rijk. Heeft de regering nagedacht over voldoende middelen en menskracht om een betere afstemming en heldere, handhaafbare verantwoordelijkheden tussen verschillende overheidsorganisaties zoals Rijk, provincies, gemeenten en omgevingsdiensten te waarborgen en om mogelijke knelpunten in de uitvoering op te lossen?
Tot slot wordt door de regering in haar beantwoording aangegeven dat er een eeuwigdurende zorgplicht geldt voor stortplaatsen waar het storten op of na 1 september 1996 is gestopt. Hoe is dit geregeld voor voormalige stortplaatsen waar het storten eerder is gestopt? De leden van de fractie van de BBB denken daarbij bijvoorbeeld aan de stortplaats in Westwoud, waar het storten is gestopt op 1 juli 1987. Brengt het ontbreken van deze zorgplicht geen risico’s met zich mee? Graag ontvangen deze leden hierop een toelichting van de regering. Tot slot vragen de leden van de fractie van de BBB waarom voor stortplaatsen waar met storten is gestopt voor 1 september 1996 geen (eeuwigdurende) nazorgplicht geldt. Welke nazorg wordt er in deze gevallen wel verleend?
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.
Voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, R. Lievense
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 juni 2025
Hierbij ontvangt u de beantwoording van de nadere vragen die op 20 mei 2025 zijn gesteld door leden van de BBB-fractie naar aanleiding van de Kamerbrief van 20 maart 2025 waarin het ontwerp-Circulair Materialenplan (CMP) met de Tweede Kamer werd gedeeld.8
Vraag 1
De leden van de fractie van de BBB lezen in de beantwoording dat het ontwerp-CMP geen directe gevolgen heeft voor de afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s). Daarnaast wordt aangegeven dat het vergunnen van nieuwe afvalverbrandingscapaciteit onwenselijk is. In dit kader wordt verwezen naar de op 17 januari 2025 gepubliceerde beleidsvisie afvalverbranding die bij brief van 17 januari 2025 aan de Tweede Kamer is aangeboden. De leden van de BBB-fractie verzoeken de regering een afschrift van deze brief ook aan deze Kamer te doen toekomen.
Verder vragen deze leden of er nu wel of geen sprake is van (lange termijn) gevolgen voor de AVI’s. Graag ontvangen de leden van de fractie van de BBB hierop een toelichting van de regering.
Antwoord 1
Het ontwerp-CMP heeft zelf geen directe gevolgen voor de bedrijfsvoering van AVI’s. In het CMP wordt met name beschreven welke vormen van thermische afvalverwerking er zijn en welke positie deze vormen hebben binnen de afvalhiërarchie zoals vastgelegd in de Wet milieubeheer.9 Het CMP reflecteert tevens de beleidsvisie die de afgelopen jaren regelmatig in Kamerstukken is weergegeven dat het beleidsmatig wenselijk is dat toegewerkt wordt naar een betere balans tussen de operationele afvalverbrandingscapaciteit in Nederland en de binnenlandse productie van te verbranden gemengd stedelijk afval. In dat kader benoemt het ontwerp-CMP dat er voor de verwerking van ons gemengd stedelijk restafval geen nieuwe afvalverbrandingscapaciteit nodig is in Nederland. Dit is ook neergelegd in de Beleidsvisie afvalverbranding richting 2030 en 2050 die op 17 januari 2025 met de Tweede Kamer is gedeeld.10 Deze Kamerbrief en beleidsvisie treft u aan in de bijlage van deze brief.
Vraag 2
In hoeverre is een dergelijke beslissing om AVI’s niet verder te laten groeien uitvoerbaar voor hen? Zijn hierover gesprekken gevoerd met de sector?
Antwoord 2
Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven, heeft het ontwerp-CMP geen directe gevolgen voor de bedrijfsvoering van AVI’s. In het ontwerp-CMP wordt gesteld dat het vergunnen van nieuwe verbrandingscapaciteit voor de verwerking van ons gemengd stedelijk restafval niet doelmatig is.
Er is in Nederland al langere tijd sprake van overcapaciteit, dat wil zeggen dat er landelijk gezien meer verbrandingscapaciteit is dan nodig voor het in Nederland geproduceerde te verbranden afval. De sector geeft al jaren aan dat er geen plannen zijn om capaciteit uit te breiden. Daarbij zal met voortschrijdend circulaire economiebeleid de hoeveelheid Nederlands afval naar verwachting verder afnemen.11 Zoals aangegeven in de beleidsvisie afvalverbranding, is het doel om op termijn de afvalverbrandingscapaciteit in Nederland beter aan te laten aansluiten bij het (afnemende) Nederlandse afvalaanbod.
Vraag 3
En in hoeverre is dit uitvoerbaar voor de afvalketen?
Antwoord 3
Op dit moment is er in Nederland meer dan voldoende afvalverbrandingscapaciteit voor de verwerking van ons gemengd stedelijk afval om te voorzien in de Nederlandse behoefte daaraan.12 AVI’s zijn een cruciale schakel in onze afvalketen. Tegelijkertijd daalt de hoeveelheid te verbranden restafval in Nederland al jaren, wat zal toenemen met voortschrijdend circulaire economiebeleid. Hierdoor is de verwachting dat er meer verbrandingscapaciteit vrijvalt, mits deze niet wordt opgevuld met buitenlands afval. Zoals in de Beleidsvisie afvalverbranding is beschreven, is het streven om de capaciteit en hoeveelheid te verbranden binnenlands afval meer met elkaar in lijn te brengen dan nu het geval is. Dit past bij de trend van dalend restafval en bij de transitie naar een circulaire economie. Dit hoeft dan ook niet op uitvoeringsproblemen te stuiten binnen de afvalketen. De afvalketen kan zelf hierop inspelen door meer nadruk te leggen op recycling als afvalverwerkingsmethode en op termijn minder in te zetten op verbranding van ons restafval, in lijn met de transitie naar een circulaire economie.
Vraag 4
De leden van de fractie van de BBB wijzen erop dat de regering in antwoord op eerder door deze leden gestelde vragen aangeeft dat het voorliggende ontwerp-CMP niet tornt aan het moratorium op afvalstort. Dit wordt door de leden van de fractie van de BBB gewaardeerd. Verder wordt door de regering in de aan de orde zijnde brief gesteld dat binnen dit CMP er in Nederland nog voor 12 tot 15 jaar aan stortcapaciteit aanwezig is, waarna een oplossing gevonden moet worden. Daarbij wordt aangegeven dat dit moratorium op termijn moet worden aangepast. Hoeveel stortcapaciteit is er op middellange termijn nodig? Een moratorium suggereert dat er een einde kan komen aan storten, hetgeen – zo constateren de leden van de fractie van de BBB – dus niet lukt met dit CMP. Is dit in de praktijk dan wel uitvoerbaar? Graag ontvangen de leden van de fractie van de BBB hierop een toelichting van de regering.
Antwoord 4
In een circulaire economie willen we storten beperken tot een minimum. Echter, in bepaalde situaties zal het storten van afval vanwege milieuhygiënische redenen als laatste trede in de afvalhiërarchie noodzakelijk blijven. De verwachting is dat er ook in een circulaire economie materialen zullen zijn waar geen andere, hoogwaardigere manier van verwerking geschikt is. Beperkt storten en de beschikbaarheid van stortcapaciteit is daarmee ook in de toekomst noodzakelijk.
Het moratorium is een instrument om de stortcapaciteit te reguleren. Hiermee is het een belangrijk sturingsinstrument voor de Rijksoverheid om balans te behouden in de stortmarkt. Door de capaciteit te reguleren, kan storten beschikbaar blijven, zonder financiële concurrentie te zijn voor verwerkingsmethoden hoger in de afvalhiërarchie. Echter, een stortplaats zal ook met geringe hoeveelheden te storten materialen uiteindelijk volraken. Het moratorium op stortcapaciteit moet worden aangepast om te zorgen dat er ook op langere termijn voldoende stortcapaciteit beschikbaar blijft. Het ministerie gaat onderzoeken hoeveel capaciteit er nodig is op middellange termijn, zoals vermeld in het Werkprogramma storten13. Nadat deze benodigde aanpassing aan het moratorium is vastgesteld, zal dit beleid worden opgenomen in het CMP.
Vraag 5
Er wordt door de regering in haar beantwoording aangegeven dat er een eeuwigdurende zorgplicht geldt voor stortplaatsen waar het storten op of na 1 september 1996 is gestopt. Hoe is dit geregeld voor voormalige stortplaatsen waar het storten eerder is gestopt? De leden van de fractie van de BBB denken daarbij bijvoorbeeld aan de stortplaats in Westwoud, waar het storten is gestopt op 1 juli 1987. Brengt het ontbreken van deze zorgplicht geen risico’s met zich mee? Graag ontvangen deze leden hierop een toelichting van de regering. Tot slot vragen de leden van de fractie van de BBB waarom voor stortplaatsen waar met storten is gestopt voor 1 september 1996 geen (eeuwigdurende) nazorgplicht geldt. Welke nazorg wordt er in deze gevallen wel verleend?
Antwoord 5
De eeuwigdurende nazorg geldt niet voor stortplaatsen die voor 1 september 1996 zijn opgehouden met storten. Wel zijn binnen het advies Nazorg Voormalige Stortplaatsen (NAVOS) haalbare voorstellen geformuleerd voor lokale bevoegde gezagen over inhoud, organisatie en financiering van de nazorg van deze voormalige stortplaatsen.14
Vraag 6
De leden van de fractie van de BBB wijzen erop dat een «verstrekkingsverplichting», waarbij afwijkingen van het CMP worden gerapporteerd, een handhavingsinstrument is waarbij gemeenten en provincies afwijkingen moeten rapporteren aan het Rijk. Heeft de regering nagedacht over voldoende middelen en menskracht om een betere afstemming en heldere, handhaafbare verantwoordelijkheden tussen verschillende overheidsorganisaties zoals Rijk, provincies, gemeenten en omgevingsdiensten te waarborgen en om mogelijke knelpunten in de uitvoering op te lossen?
Antwoord 6
De verstrekkingsverplichting is een wettelijke verplichting voor bevoegde gezagen om de Minister van Infrastructuur en Waterstaat te informeren over een afwijking van het CMP. Deze verplichting is niet nieuw. Deze was al opgenomen in het Landelijk Afvalbeheerplan, maar miste een wettelijke basis waardoor hij niet werd gevolgd. Deze wettelijke basis zorgt voor helderheid over wanneer en hoe de verstrekkingsverplichting moet worden toegepast. De verplichting geeft het ministerie waardevolle informatie over waar het CMP en de praktijk mogelijk niet goed aansluiten en helpt het ministerie om eerder en beter te zien of en waar het CMP mogelijk moet worden aangepast. Het is geen handhavingsinstrument. De Minister van IenW beoordeelt wel het voornemen tot afwijken. Bij gerechtvaardigde redenen voor afwijken zendt IenW een verklaring van geen bezwaar naar het bevoegd gezag. Mochten de redenen voor afwijken niet sluitend zijn, dan geeft de Minister schriftelijk een negatief advies aan. De volledige afwijkingsprocedure is te vinden in het hoofdstuk «Afwijken» van het ontwerp Circulair Materialenplan.15
Naast de verstrekkingsverplichting zorgt het ministerie ervoor dat er wordt afgestemd met bevoegde gezagen zoals de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), provincies, gemeenten en omgevingsdiensten. Hiervoor wordt er een regulier overleg georganiseerd vanaf 2026, na de inwerkingtreding van het CMP.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu, A.A. Aartsen
Samenstelling:
Van Wijk (BBB), Van Langen-Visbeek (BBB), Jaspers (BBB), Lievense (BBB) (voorzitter), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Kluit (GroenLinks-PvdA), Crone (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Martens (GroenLinks-PvdA), Van de Linden (VVD), Klip-Martin (VVD), Meijer (VVD), Kaljouw (VVD), Rietkerk (CDA) (ondervoorzitter), Prins (CDA), Van Meenen (D66), Aerdts (D66), Van Kesteren (PVV), Nicolaï (PvdD), Nanninga (JA21), Van Aelst-Den Uijl (SP), Holterhues (ChristenUnie), Dessing (FVD), De Vries (SGP), Hartog (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL), Kemperman (Fractie-Kemperman)
Rapport Een verkenning naar de verbranding van Nederlands afval en de milieuprestatie in 2030 en 2050. Rapport | TNO | 17-01-2025
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30872-M.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.