De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu over de brief van
2 januari 2017 over het ontwerpbesluit inzake gescheiden aangeleverd afval gescheiden
houden door inzamelaar en enkele andere verbeteringen en reparaties (Kamerstuk 30 872, nr. 208).
De vragen en opmerkingen zijn op 31 januari 2017 aan de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Milieu voorgelegd. Bij brief van 22 februari 2017 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Van Dekken
Adjunct-griffier van de commissie, Jansma
De leden van de PvdA-fractie vragen of nog verdere voorwaarden vastzitten aan het
hoogwaardig verwerken van afvalstoffen. Zo ja, dan vragen de leden van de PvdA-fractie
wat deze voorwaarden zijn en waarom hiervoor gekozen is.
Nee, er worden geen verdere voorwaarden gesteld aan de verwerking van afvalstoffen.
Verwerking dient enkel plaats te vinden in overeenstemming met de minimumstandaard
voor verwerking in het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP). Voor het overige gelden er
geen aanvullende voorwaarden met betrekking tot hoogwaardige verwerking. Vergunningen worden in principe alleen
verleend als de aangevraagde activiteit minstens even hoogwaardig is als de minimumstandaard,
dat wil zeggen als de activiteit een milieudruk veroorzaakt die gelijk is aan of minder
is dan die van de minimumstandaard. Bij het vaststellen van de minimumstandaarden
in het LAP zijn de volgende aspecten in beschouwing genomen: milieueffecten, kosten,
haalbaarheid, uitvoerbaarheid, consequenties voor grensoverschrijdend transport van
afvalstoffen, de hanteerbaarheid en effectiviteit bij vergunningverlening en de stimulans
die uitgaat voor de afvalverwerkingssector tot het verhogen van het milieurendement
van de verwerking en de ontwikkeling van nieuwe technieken.
De leden van de PvdA-fractie vragen of er voor het verlenen van een vergunningswijziging
ook een vergelijking gemaakt wordt met de situatie als samenvoeging van reeds gescheiden
afvalstoffen niet is toegestaan. In aanvulling hierop vragen de leden van de PvdA-fractie
wat er gebeurt indien het verlenen van een vergunning tot het verlagen van de minimumstandaard
leidt en wat het milieueffect hiervan is.
Vanzelfsprekend wordt er bij vergunningverlening een vergelijking gemaakt met de situatie
dat mengen van afvalstoffen niet wordt toegestaan. Als verlenen van een vergunning
voor het mengen leidt tot een minder hoogwaardige verwerking dan mogelijk zou zijn
bij het gescheiden houden van de afvalstoffen, wordt de vergunning niet verleend.
Ook uit milieu of veiligheidsoogpunt kan mengen van bepaalde afvalstoffen onwenselijk
zijn. In het LAP is beschreven welke criteria – naast de hoogwaardige verwerking –
nog meer een rol kunnen of moeten spelen bij de besluitvorming.
De leden van de PvdA-fractie vragen wat de gevolgen zijn voor het milieu en het hergebruik
van autowrakken door de wijziging van het Besluit beheer autowrakken van 2009 terug
te draaien.
De recente wijziging behelst enkel een verandering van volgorde in de opsomming van
hetgeen in het besluit onder een «voertuig» wordt verstaan.
Voor het milieu en het hergebruik brengt deze wijziging geen verandering in de huidige
praktijk. De wijziging betreft slechts een juridisch herstel van de oude situatie.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom besloten is om de regie voor het
up-to-date houden van de lijst van inzamelaars bij de Nationale en Internationale
Wegvervoer Organisatie (NIWO) te beleggen door deze de opdracht te geven achter de
schermen te toetsen of (bedrijfs)gegevens zijn gewijzigd. Voorts vragen de leden van
de ChristenUnie-fractie of in de huidige situatie bedrijven op de lijst van inzamelaars
blijven staan, ook als de maximale geldingsduur van vijf jaar is overschreden.
De verantwoordelijkheid voor het up-to-date houden van de lijst van vervoerders, inzamelaars,
handelaren en bemiddelaars van afvalstoffen (VIHB-lijst) was al belegd bij de NIWO.
Op dit moment moet steeds na vijf jaar een aanvraag bij de NIWO worden gedaan voor
verlenging van de plaatsing op de VIHB-lijst. De NIWO controleert, met name bij de
Kamer van Koophandel, of de overgelegde gegevens (nog) juist zijn. Als dat niet zo
is, verzoekt de NIWO om aanvulling of herstel van de aanvraag. De vermelding op de
VIHB-lijst wordt beëindigd indien onjuiste gegevens zijn verstrekt. Met de voorgestelde
wijziging komt het vereiste van het periodiek indienen van een aanvraag te vervallen.
De NIWO blijft wel elke vijf jaar controleren of een persoon of bedrijf nog aan de
eisen voor plaatsing op de lijst voldoet.
Indien de NIWO constateert dat de eerder verstrekte gegevens niet meer kloppen, wordt
het bedrijf verzocht recente gegevens aan te leveren. Indien dit niet gebeurt, wordt
de vermelding op de VIHB-lijst beëindigd.