Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201130573 nr. 72

30 573 Migratiebeleid

Nr. 72 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 juni 2011

Bij brief d.d. 29 maart 2011, kenmerk 2011Z05909/2011D16169, gericht aan de Ministers van Immigratie en Asiel en van Buitenlandse Zaken, heeft de Algemene Commissie voor Immigratie en Asiel verzocht te reageren op een brief d.d. 17 maart 2011 van Advocatenkantoor Alaca. Omdat de brief een kwestie betreft op mijn beleidsterrein, hebben voornoemde ministers deze ter beantwoording aan mij overgedragen.

Het Advocatenkantoor Alaca stelt in zijn brief dat de inhoud van de brief d.d. 28 januari 2011 van de Ministers van Buitenlandse Zaken en voor Immigratie en Asiel, die mede namens mijzelf aan uw Kamer is gezonden (Kamerstuk 30 573, nr. 63), is achterhaald door de uitspraak van de Raad van State van 2 februari 2011 (zaaknummer 201002877/1/V6)1. Het Advocatenkantoor concludeert uit deze uitspraak dat de in de Wet arbeid vreemdelingen (WAV) neergelegde tewerkstellingsvergunningplicht in strijd is met artikel 41 van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG/Turkije, en dat de WAV daarom dient te worden gewijzigd.

De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State betrof de oplegging van een boete aan een in Nederland gevestigde opdrachtgever die een dienst laat verrichten door Turkse werknemers die in dienst zijn van een in Turkije gevestigde onderneming, en voor wie geen tewerkstellingsvergunning is afgegeven. De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State houdt in dat boeteoplegging in deze specifieke situatie in strijd is met de standstillbepaling van het Aanvullend Protocol, op grond waarvan het desbetreffende boetebesluit werd vernietigd. Aan de uitspraak dient uiteraard gevolg te worden gegeven, hetgeen inhoudt dat aan betrokkenen die in deze zaak in het gelijk zijn gesteld, geen boete zal worden opgelegd. De in de uitspraak voorkomende overwegingen in relatie tot de Associatie-overeenkomst met Turkije deel ik evenwel niet, en de uitspraak geeft mij derhalve geen aanleiding de WAV aan te passen, en evenmin om het standpunt zoals verwoord in de brief d.d. 28 januari 2011 met betrekking tot de WAV in relatie tot de gevolgen van het Soysal-arrest, te herzien. Mijns inziens wijkt de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, door bij de toetsing aan de Associatieregeling het aspect «handhaving» te betrekken, af van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU, waarbij er bovendien ten onrechte van is uitgegaan dat het toezicht op de wetgeving inzake de tewerkstelling van vreemdelingen voor 1973 niet adequaat is.Uiteindelijk is de vraag, of en in hoeverre de tewerkstellingsvergunningplicht voor Turkse werknemers in voormelde situatie, in overeenstemming is met voornoemde standstillbepaling, een vraag die door het Hof van Justitie van de EU zal moeten worden beantwoord. Mocht zo’n kwestie in de toekomst nog eens bij de Raad van State dan wel een lagere rechter aan de orde komen, dan zal ik bevorderen dat deze door de desbetreffende rechter in de vorm van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU zal worden voorgelegd.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. G. J. Kamp


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.