Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201530196 nr. 347

30 196 Duurzame ontwikkeling en beleid

Nr. 347 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 juni 2015

Hierbij bied ik u, mede namens de Minister van Economische Zaken, het rapport aan dat is opgesteld door Ecorys1, naar aanleiding van de motie Jan Vos (Kamerstuk 33 834, nr. 17). In deze motie wordt geconstateerd dat alleen een keuze gemaakt kan worden tussen verschillende brandstoffen als er volledige transparantie is van de brandstoffenmix op bedrijfsniveau. In de motie wordt de regering verzocht in kaart te brengen welke juridische en economische obstakels er zijn om volledige transparantie van de brandstoffenmix te realiseren.

Het rapport richt zich met name op transparantie in de keten fossiele transportbrandstoffen. Het betreft transparantie over dezelfde aspecten van de fossiele brandstofketen zoals die op dit moment door de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) voor biobrandstoffen wel al op bedrijfsniveau worden gerapporteerd, met name: (a) grondstof (voor fossiele brandstoffen: het type ruwe olie of geraffineerd product) en (b) land van herkomst van de grondstof. Voorts is er gekeken voor zowel de fossiele als de biobrandstoffen wat het zou betekenen om meer transparantie te creëren dan nu al voor biobrandstoffen is geregeld.

De belangrijkste conclusies van het rapport zijn:

  • Van ruwe olie die in Nederland wordt geïmporteerd, is de regio van herkomst te achterhalen op basis van de handelsnaam van de olie. De exacte bron is niet bekend. Op bedrijfsniveau wordt ook aan de Douane, de Belastingdienst, het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Ministerie van Economische Zaken gerapporteerd. De gerapporteerde gegevens zijn echter bedrijfsvertrouwelijk en mogen om die reden niet gepubliceerd worden.

  • Van geïmporteerde brandstoffen en halffabricaten is niet te achterhalen uit welke ruwe olie ze zijn vervaardigd. Deze informatie wordt niet meegeleverd door de verkoper aan de koper.

  • In het onderzoek is gekeken of het mogelijk zou zijn om transparantie te bieden tot aan de pomp. Daar blijken echter belangrijke obstakels te bestaan. Er zou wereldwijd een volledig ketenbeheer moeten bestaan waarbij informatie over de gebruikte ruwe olie bij elke brandstof wordt meegestuurd met de levering. Voor geïmporteerde producten is deze informatie niet beschikbaar. Zelfs al zou voor in Nederland geproduceerde brandstoffen wel het ketenbeheer worden bijgehouden, dan nog is van het product aan de pomp niet bekend wat de exacte samenstelling is. Zowel geïmporteerde brandstoffen als in Nederland geproduceerde brandstoffen worden veelvuldig met elkaar vermengd in de opslag en de distributie. Daarnaast is «real time» informatie niet beschikbaar. Op dit moment werkt de industrie met massabalansen op maandbasis (achteraf).

  • Het creëren van de beoogde transparantie kent voorts risico’s op het verstoren van de markt. De concurrent verkrijgt informatie die hij voorheen niet had en kan deze gebruiken. Daarnaast bestaat het risico op het verstoren van het internationale level playing field ten nadele van de Nederlandse industrie.

In het voorjaar heeft over dit rapport een overleg plaatsgevonden met vertegenwoordigers van de Ministeries van Economische Zaken en Infrastructuur en Milieu, brandstofleveranciers en met het maatschappelijk middenveld om te bezien of het mogelijk was te komen tot een oplossing voor het creëren van meer transparantie in de keten fossiele brandstoffen. Er bleek echter geen gedeeld beeld te bestaan over de mogelijkheden en onmogelijkheden meer transparantie te creëren in de keten fossiele brandstoffen.

Het kabinet deelt de conclusie in het rapport dat transparantie tot aan de pomp over de herkomst van de gebruikte ruwe olie niet te realiseren is. Informatie over de herkomst van ruwe olie is bekend tot aan de raffinaderij en reist niet mee door de keten. Een belangrijk instrument om de informatie te ontsluiten die bij de raffinaderijen bekend is over de herkomst van ruwe olie is het voorstel van de Europese Commissie voor artikel 7a/bis voor verdere invulling van de EU Richtlijn Brandstofkwaliteit2. U bent over dit voorstel op 26 november 2014 geïnformeerd (Kamerstuk 32 357, nr. 37).

In het voorstel van de Europese Commissie is er voor gekozen om bedrijven enkel te laten rapporteren over de herkomst van ruwe olie, omdat erkend wordt dat het voor bedrijven niet mogelijk is om van reeds bewerkte producten de daarvoor gebruikte ruwe olie te achterhalen. Het Ecorys-rapport trekt dezelfde conclusie. In het Commissievoorstel wordt vanaf 2017 brandstofleveranciers gevraagd te rapporteren over de herkomst van ruwe olie op basis van de handelsnaam. Hiermee wordt de regio bekend waaruit de olie afkomstig is. Ook kan de handelsnaam een aanwijzing geven of achter de handelsnaam bijvoorbeeld teerzandolie of olie uit het Noordpoolgebied schuilgaat. De lidstaten rapporteren deze gegevens op geaggregeerd niveau aan de Europese Commissie. Op dit moment worden de voorbereidingen getroffen voor de implementatie van artikel 7a/bis van de EU Richtlijn Brandstofkwaliteit in Nederlandse wetgeving. Voor het kabinet is het handhaven van een Europees gelijk speelveld voor bedrijven daarbij uitgangspunt. Nederland zal daarom geen verplichtingen introduceren die boven bestaande Europese eisen uitgaan.

Het kabinet is voornemens de NEa opdracht te geven de nationale rapportage aan de Europese Commissie over de uitvoering van artikel 7a/bis van de Richtlijn Brandstofkwaliteit op te stellen. Deze rapportage zal ook gegevens bevatten over de import van ruwe olie in Nederland. De NEa zal daarnaast de rapportage aan uw Kamer verzorgen. Uitgangspunt voor de rapportage aan uw Kamer is dat krachtens de Nederlandse mededingingswetgeving, concurrentiegevoelige gegevens niet gepubliceerd worden en dat ook de Europese concurrentiepositie van de Nederlandse bedrijven niet nadelig wordt beïnvloed. Verlagen van het nationale aggregatieniveau naar het bedrijfsniveau zal daarom zeer moeilijk zijn en door de NEa per jaar bezien moeten worden.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad van 20 april 2015 tot vaststelling van berekeningsmethoden en rapportageverplichtingen overeenkomstig Richtlijn 98/70/EG van het Europees parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof, Pb L107/26.