30 196
Duurzame ontwikkeling en beleid

nr. 29
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 14 april 2008

De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer1 en de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit2 hebben op 27 maart 2008 overleg gevoerd met minister Cramer van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over:

– de brief van de minister van VROM d.d. 26 september 2007 met beantwoording van vragen van de leden Koopmans en Vietsch over kinder- en slavenarbeid bij de winning van natuursteen die gebruikt wordt door gemeenten (Aanhangsel Handelingen, nr. 106);

– de brief van de minister van VROM d.d. 15 november 2007 met beantwoording van vragen van de leden Ten Hoopen en Spies over een nieuwe directie voor duurzame inkoop van de overheid (Aanhangsel Handelingen, nr. 513);

– de brief van de minister van VROM d.d. 23 januari 2008 met beantwoording van vragen van het lid Spies inzake duurzaam inkopen (Aanhangsel Handelingen, nr. 1106);

– de brief van de minister van VROM d.d. 29 januari 2008 inzake aanschaf dienstauto’s bewindspersonen en naleving Normering Rijkspersonenauto’s (30 196 en 31 200 XI, nr. 18);

– de brief van de minister van LNV d.d. 15 februari 2008 inzake inkoop sierteeltproducten door overheden (30 196, nr. 19);

– de brief van de minister van VROM d.d. 29 februari 2008 inzake duurzaam inkopen (30 196, nr. 20);

– de brief van de minister van VROM d.d. 20 maart 2008 inzake beantwoording van vragen van het lid Duyvendak over terrasverwarmers in de horeca (Aanhangsel Handelingen, nr. 1746);

– de brief van de minister van VROM d.d. 21 maart 2008 inzake beantwoording van vragen van het lid Duyvendak over de vliegreizen van bewindspersonen en rijksambtenaren (Aanhangsel Handelingen, nr. 1759);

– de brief van de minister van VROM d.d. 25 maart 2008 inzake de factsheet Duurzaam Inkopen door overheden (30 196, nr. 21).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Duyvendak (GroenLinks) maakt zich zorgen over de vraag wat nu precies 100% duurzaam is en wat voor eisen daaraan gesteld worden.

Tot nu toe moeten dienstauto’s voor bewindspersonen en topambtenaren voldoen aan de criteria voor de energielabels A tot en met D. Volgens de criteria van het D-label mag het verbruik van auto’s maximaal 10% hoger zijn dan het gemiddelde gebruik van het desbetreffende type auto. Daarmee kan dit label niet langer duurzaam genoemd worden. Het is niet te hopen dat de overheid bij alle duurzame inkopen vindt dat het gemiddelde of zelfs minder dan dat duurzaam is. Een groot aantal bewindspersonen en topambtenaren rijdt in auto’s die niet eens voldoen aan de criteria van het D-label. Een aantal auto’s heeft zelfs geen roetfilter. Hoe staat het met de ambitie van het kabinet om deze dienstauto’s te vervangen door schonere auto’s?

Auto’s die voldoen aan de energielabels A tot en met D stoten gemiddeld 225 gram CO2/km uit. In Europees verband wordt echter gestreefd naar een uitstoot van 120 tot 130 gram CO2/km. De auto’s die aan de Nederlandse criteria voldoen, zijn dus eigenlijk heel vuil in plaats van duurzaam. Is de minister bereid uit te gaan van absolute normen in plaats van relatieve normen voor CO2-uitstoot bij dienstauto’s? Kan zij ervoor zorgen dat alleen nog maar dienstauto’s worden aangeschaft die minder dan 160 gram CO2/km uitstoten? Er zijn voldoende comfortabele auto’s op de markt die aan dat criterium voldoen.

In 2007 is bijna 23 000 keer gevlogen in het kader van een dienstreis, met een totaal van bijna 153 miljoen kilometer: 3800 keer rond de aarde. Tweederde deel van deze vluchten had een bestemming binnen Europa. Zijn die vluchten nu werkelijk allemaal nodig? Voor de vliegreizen van het Rijk en de Tweede Kamer zou een «ladder van Cramer» ingesteld moeten worden: eerst nagaan of niet gebeld of gemaild kan worden, vervolgens of videoconferencing een mogelijkheid is, dan of de trein kan worden genomen en pas als laatste een vlucht in aanmerking laten komen. Kan bij bestemmingen binnen de halve cirkel Londen–Parijs–Brussel–Frankfurt–Berlijn voortaan standaard met de trein gereisd worden?

Als gevolg van het rookverbod in de Engelse en Ierse horeca beschikt thans 50% van de pubs aldaar over een terrasverwarmer. Naar verwachting zal zich in Nederland een vergelijkbare ontwikkeling voordoen. De terrasverwarmer moet echter in Nederland niet toegestaan worden, want die is een enorme bron van energieverspilling. De minister staat een zo energiezuinig mogelijke terrasverwarming voor. Dat is toch de wereld op zijn kop? Wil de minister het primair bevoegd gezag, de gemeenten, met klem manen om deze apparaten direct te verbieden? Wil zij ter ondersteuning van het beleid van gemeenten een conceptverordening opstellen? Kan in het Belastingplan een heffing opgenomen worden, zodat terrasverwarmers zo duur worden dat het volstrekt onaantrekkelijk wordt deze aan te schaffen?

Mevrouw Spies (CDA) vindt dat de overheid een voorbeeldfunctie vervult bij het duurzaam inkopen van producten. Bij de aanpak van het formuleren van criteria voor 80 productgroepen bestaat echter een aanzienlijk gevaar dat er een woud van bureaucratie gecreëerd wordt. Er wordt nog te vaak ingezet op middelen in plaats van doelen. De overheid moet sturen op output en moet de markt uitdagen aan eisen te voldoen die bij wijze van spreken nog niet eens bestaan. Er is nog te veel behoefte aan afvinklijstjes en aan een eindeloze hoeveelheid criteria die iedere vijf jaar herzien moeten worden. De overheid moet zich echter laten verrassen in plaats van op voorhand alles dicht te timmeren. Hoe is het mogelijk dat het Stadsgewest Haaglanden voorschrijft dat bussen op aardgas moeten rijden? Daarmee worden immers betere en schonere alternatieven bij voorbaat uitgesloten?

Er moet direct worden begonnen met het tot stand brengen van een verandering van cultuur en mentaliteit. Met gezond verstand kan nu al heel veel gedaan worden in plaats van dat er gewacht wordt totdat alle criteria in 2010 gereed zijn. Waarom kiest de minister niet voor twee prioriteiten? Waarom maakt zij niet zo snel mogelijk enkele grote klappers, bijvoorbeeld bij aanleg en onderhoud van infrastructuur? In Zeeland wordt bijvoorbeeld op een zeer duurzame manier onderhoud gepleegd aan dijken.

Inkopen blijft mensenwerk. Het Regiebureau Inkoop Rijksoverheid, het projectteam Launching Customer en de programmadirectie Kennis en Innovatie houden zich bezig met duurzaam inkopen. Zijn dat niet erg veel instanties? Zit het duurzaam inkopen al bij die vele inkopers in de genen? Hebben zij voldoende instrumenten om hun werk als 100% duurzaam inkoper te doen? Hoe kunnen zij het boegbeeld worden van de maatschappelijke beweging richting duurzaamheid?

Ook bij het gebruik van zuinige dienstauto’s vervullen bewindspersonen een voorbeeldfunctie. Wel moet er nuchter omgegaan worden met deze kwestie. Het is niet te hopen dat het besluit dat nieuwe dienstauto’s minimaal moeten voldoen aan de criteria voor energielabel D, ertoe leidt dat alle auto’s van voor 2006 ogenblikkelijk vervangen moeten worden. Dat zou een onverantwoord gebruik van overheidsgelden met zich brengen. Er moet ruimte zijn voor uitzonderingen op de regel, bijvoorbeeld als extra veiligheidseisen aan een auto moeten worden gesteld.

Voor de geloofwaardigheid van het ambitieuze milieubeleid moet worden voorkomen dat de samenleving een onjuist beeld krijgt van de overheid. Er mogen dus geen vuurtjes opgestookt worden bij incidenten.

Volgens mevrouw Neppérus (VVD) vervult de overheid een belangrijke voorbeeldfunctie bij duurzaam inkopen. Maar daarbij moet wel een zekere nuchterheid betracht worden. Duurzaam inkopen door de overheid kan een stimulans zijn voor betere en meer schone producten op de markt.

Het is echter een moeizaam proces. Twee departementale directies houden zich bezig met duurzaam inkopen; dat vraagt bijna om coördinatie van het geheel en dat kan niet de bedoeling zijn. De praktijk blijkt weerbarstig te zijn. De leden van het kabinet tonen niet altijd eenheid van beleid. Het schiet niet op als autobussen in Den Haag alleen maar op aardgas mogen rijden, terwijl er waarschijnlijk heel goede alternatieven zijn. Wel moeten in symboolpolitiek en bureaucratie voorkomen worden; het is heel goed wanneer een bewindspersoon in een behoorlijk zuinige auto rijdt, maar hij mag daar ook wel behoorlijk comfortabel in kunnen zitten.

Er kunnen heel goede redenen zijn om op dienstreis te gaan. Wel is het een goede zaak dat kritischer dan voorheen gekeken wordt naar nut en noodzaak van de dienstreis, naar het aantal mensen dat beslist mee moet en naar de manier waarop gereisd wordt.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie) vraagt zich af of echte duurzaamheid voorop staat of dat het toch vooral gaat om overzichtelijkheid en uitvoerbaarheid van de inkooppraktijk en om een zo laag mogelijke administratieve last.

Leidt het gekozen proces werkelijk tot een betekenisvolle verschuiving in de markt? Hoe wordt het bedrijfsleven meegenomen in dit proces? Er moet voor gewaakt worden dat de snelheid niet verloren gaat door een gebrekkige afstemming. Worden koplopers bij duurzame productie, zoals bouwbedrijven die bewust voor FSC-hout kiezen, voldoende beloond of moeten zij eigenlijk inleveren ten gunste van bedrijven waar de duurzame lat minder hoog ligt? Zullen zwakke criteria niet een remmend effect hebben? Is het niet beter om aan te haken bij de duurzaamheidscriteria die verschillende branches al hebben ontwikkeld? Wat vindt de minister van de suggestie van milieuorganisaties om criteria zo ambitieus op te stellen dat bij implementatie de minst duurzame 25% van de markt wordt gestoten? Kan meer inzicht verschaft worden in de behaalde milieuwinst? Het kabinet moet inzetten op de voortdurende ontwikkeling van criteria voor de verdere toekomst.

Zolang duurzame producten niet goedkoper worden, zijn financiële prikkels nodig. Biedt een verdere vergroening van het belastingstelsel mogelijkheden? Duurzaam inkopen is onlosmakelijk verbonden met maatschappelijk verantwoord ondernemen. Kunnen sociale criteria alsmede milieucriteria zo snel mogelijk worden opgenomen in het inkoopbeleid van de overheid en bij overheidsaanbestedingen? Het voorbeeld van het gebruik van natuursteen uit India en China kan en mag niet worden afgedaan worden met «verwaarloosbaar».

Het is vanzelfsprekend dat de overheid het goede voorbeeld geeft, ook met hele simpele dingen als dienstauto’s en vliegreizen.

Volgens mevrouw Vermeij (PvdA) kan de grootte van de overheidsambitie niet voldoende benadrukt worden: 40 mld. per jaar op een duurzame wijze besteed. Overigens is het ook een onderwerp om enigszins moedeloos van te worden. Is de minister ermee eens dat het onzin is dat iemand zich te lang vindt voor een zuinige auto? Op heel concrete punten gebeurt het helaas nog te vaak dat de overheid niet altijd «top of the bill» duurzaam werkt, het zogenaamde NIMD-effect (Not In My Department). Bij een dienstreis van minder dan 500 km kan prima met de trein gereisd worden.

De ambitie van dit kabinet is te komen tot 100% duurzaam inkopen in 2010, maar de criteria zijn pas in 2009 gereed. Bovendien lopen er in 2010 nog oude contracten. Is die ambitie dan nog wel haalbaar? Wil de minister zich sterk maken voor «quick wins», maatregelen die met onmiddellijke ingang rijksbreed getroffen kunnen worden, bijvoorbeeld bij de bouw van scholen, de aanleg van wegen en schoonmaak? Doorzettingsmacht in de richting van andere ministers zou wel eens heel hard nodig kunnen zijn.

Het is alleen mogelijk om in Europees verband tot een verbod op terrasverwarmers te komen. Wil de minister zich inspannen voor een dergelijk verbod? Verder kan het bevoegd gezag via het gebruiksbesluit eisen opnemen teneinde terrasverwarmers te weren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD) vindt dat het kabinet milieuvriendelijk gedrag, verbetering van het milieu, besparingen ten behoeve van het klimaat en dierenwelzijn te veel op het bordje van de consument legt. Het kabinet moet het goede voorbeeld geven, maar moet bovendien veel meer zelf de regie ter hand nemen. Ook de Tweede Kamer heeft een voorbeeldfunctie, bijvoorbeeld bij de menukeuze in het Kamerrestaurant.

Het is goed dat de overheid alleen nog maar duurzaam wil inkopen, maar het gaat nog niet snel genoeg. Er moet meer gedacht worden vanuit voorbeelden. Het begrip duurzaamheid kan niet op verschillende manieren uitgelegd worden.

Is de minister het eens met de stelling van de minister van LNV die op haar beleidsterrein dierenwelzijn onderdeel maakt van het integrale duurzaamheidsbeleid?

In hoeverre spannen de departementen zich in om hun medewerkers te informeren over de klimaateffecten van het voedselpatroon? In hoeverre komt dat terug in de duurzaamheidscriteria voor de catering?

Zijn er criteria voor milieubesparende en proefdiervrije schoonmaakmiddelen?

De heer Poppe (SP) vindt dat het kabinet na aanvaarding van de motie-Koopmans/De Krom uit 2005 geen meter is opgeschoten, terwijl de overheid met een bestedingspatroon van 40 mld. per jaar de Nederlandse superconsument is. Wanneer de overheid scherpe duurzaamheidscriteria stelt voor alle producten die zij inkoopt, dan zullen alle bedrijven deze producten ontwikkelen; daar kan de consument vervolgens ook weer zijn voordeel mee doen.

De overheid kan een lijst maken met alle criteria. Vervolgens kan zo’n lijst bij iedere aankoop worden afgevinkt om zo makkelijk te kunnen controleren of geen sprake is van kinder- of slavenarbeid, of er een democratisch controleerbare betalingswijze is, of er geen schade wordt toegebracht aan de cultuur en beschaving van de lokale bevolking et cetera.

Terecht stelt de minister dat de ontwikkeling van criteria een dynamisch proces is. Als zo’n afvinklijst steeds bijgewerkt wordt op het moment dat er betere producten op de markt komen, komt die dynamiek er automatisch. De overheid zou kunnen overstappen op het door Wageningen ontwikkelde biologisch afbreekbare verpakkingsmateriaal, dat nauwelijks van plastic is te onderscheiden en zelfs van een betere kwaliteit is. Zo’n maatregel heeft veel meer impact op de markt dan een enkele zuinige dienstauto.

Kan de overheid eisen stellen aan het terugdringen van de uitstoot van gassen door machines en transportmiddelen die gebruikt worden bij de realisering van grote bouwprojecten en infrastructuurprojecten?

Worden er criteria opgesteld voor maatschappelijk verantwoord ondernemen?

Antwoord van de bewindslieden

De minister benadrukt dat een van de speerpunten van dit kabinet is om in 2010 te komen tot 100% duurzame inkoop. De overheden kunnen een aanzienlijke macht vormen om de markt in een duurzame richting te sturen. Hoe meer duurzaamheidscriteria in het inkoopproces worden meegenomen, hoe meer innovatie plaatsvindt. Criteria zullen dus steeds moeten worden bijgewerkt.

Deze criteria moeten echter juridisch getoetst worden en moeten voldoen aan Europese aanbestedingsregels. Ook moet gekeken worden naar de mogelijkheid om grootschalig in te kopen in het, wat milieuprestaties en sociale prestaties betreft, hogere marktsegment. De eerste tranche criteria wordt binnenkort geïmplementeerd. Dat voor een aantal productgroepen nog mantelovereenkomsten bestaan, is van invloed op de implementatiedatum van die groepen. Om voldoende draagvlak te genereren vergt het hele proces echt een zorgvuldige en transparante afhandeling; dit gebeurt in steeds beter overleg met bedrijfsleven en ngo’s. Uiteindelijk is het wel de overheid die bepaalt hoe zij duurzaam inkoopt. SenterNovem heeft een checklist van één A4tje ontwikkeld, waarin per productgroep duidelijk wordt aangegeven welke thema’s het meest cruciaal zijn teneinde een product te verduurzamen. De minister zal deze checklist aan de Kamer zenden.

Sociale criteria worden nog ontwikkeld. Voor bepaalde productgroepen zijn deze cruciaal. De minister zal de Kamer voor eind april berichten over de hoofdthema’s van de sociale criteria; deze zullen vervolgens per productgroep uitgesplitst worden. Ook zal zij de Kamer aan de hand van een case informeren over het totstandkomingsproces van de criteria.

Door middel van voorlichtingsbijeenkomsten en cursussen worden inkopers betrokken bij het proces van duurzaam inkopen. Zij kunnen aan de slag zodra de criteria van de eerste groep producten gereed is. De minister heeft geen mogelijkheden voor doorzettingsmacht jegens andere bewindspersonen of andere overheden. Wel spreekt zij hen voortdurend aan op hun verantwoordelijkheid en is er afgesproken dat de andere departementen het duurzaaminkopenbeleid volgen. Vanuit het ministerie van VROM worden de activiteiten gemonitord. Binnen het Rijk worden activiteiten ontplooid. Eenzelfde proces komt nu voor de gemeenten op gang via de VNG. Er zullen per productschap enkele hoofdprioriteiten worden gesteld in plaats van dat er met enorme waslijsten gewerkt wordt: dat zullen de klappers en «quick wins» worden op het gebied van duurzaamheid. Daarbij kan gedacht worden activiteiten in de bouwsector. Deze klappers en «quick wins» zullen op feestelijke wijze worden aangekondigd.

Er is nog een mantelovereenkomst van kracht voor dienstauto’s. Nieuwe criteria kunnen pas geïmplementeerd worden na beëindiging van de contractduur van deze overeenkomst. Er is wel een innovatief kavel ingesteld om ondertussen al wat meer mogelijkheden te creëren. De overheid heeft gekozen voor de relatieve normen van de energielabels. Bij de nieuwe mantelovereenkomst zullen dienstauto’s moeten voldoen aan de vereisten van de labels A tot en met C. Vanuit haar voorbeeldfunctie moet de overheid zo snel mogelijk overstappen op innovatievere kavels of energiezuiniger labels. Dit gebeurt thans wel degelijk. Inzet is om zo weinig mogelijk CO2 uit te stoten.

Er zijn nog geen criteria gereed voor vliegreizen door de overheid. Er wordt inderdaad veel gevlogen, maar dat is inherent aan het internationale kader waarin Nederland opereert. Er wordt serieus gekeken hoeveel mensen op reis moeten en of er alternatieven zijn. Beperking van mobiliteit is niet alleen van belang uit een oogpunt van milieubesparing maar ook van kostenbeheersing. De minister zegt toe, de Kamer te zijner tijd te informeren over de ontwikkeling van de criteria voor vlieg- en treinreizen; de voorstellen die de Kamer dienaangaande heeft gedaan, zal zij daarin meenemen.

Een eventueel verbod van terrasverwarmers is gebonden aan Europese regels. De minister zal in het kader van het werkprogramma «Schoon en Zuinig» gemeenten aansporen zelf maatregelen te nemen. Ook zal zij overleggen met het midden- en kleinbedrijf en de horeca over energiebesparing. Voorlopig ligt een heffing niet voor de hand. Zij zal de Kamer informeren over de resultaten van haar inspanningen.

Er zijn diverse processen in gang gezet voor overleg met de bouwwereld. Ook voor deze sector worden sociale criteria ontwikkeld. Op het gebied van diffuse bronnen, zoals koper en zink, wordt een tweesporenbeleid voorbereid: duurzame inkoop en aanpassing van het Bouwbesluit. De Kamer zal hierover nader worden geïnformeerd.

De catering van de ministeries is thans voor 40% biologisch. Sommige ministeries zijn zelfs al verder gevorderd. Er gelden nog geen vegetarische criteria, maar desondanks wordt een dergelijk assortiment steeds groter.

De criteria voor schoonmaakmiddelen vereisen het gebruik van zo weinig mogelijk schoonmaakmiddelen. Minimaal 25% van schoonmaakmiddelen moet voldoen aan milieulabels, onder andere voor dierenwelzijn. Dit percentage is gebaseerd op de marktbeschikbaarheid. De minister is bereid de Kamer meer specifieke gegevens aan te leveren. Gestreefd wordt naar het gebruik van proefdiervrije middelen.

In het kader van de Raamovereenkomst verpakkingen en zwerfafval zijn met VNG en bedrijfsleven afspraken gemaakt over de vraag hoe om te gaan met verpakkingsmateriaal. Het wordt aan de markt overgelaten of men overstapt op het gebruik van verpakkingen op zetmeelbasis. Overigens maakt een aantal ministeries al gebruik van zetmeelzakjes. In de criteria voor de catering is wel een verpakkingsparagraaf opgenomen.

Er zijn functionele eisen opgesteld voor vervoer. Er bestaan echter geen eisen die het gebruik van brandstof specificeren. Daardoor kunnen gemeenten kiezen voor bepaalde brandstoftypes; het Stadsgewest Haaglanden heeft een eigen keuze gemaakt voor aardgasbussen. In het kader van «Schoon en Zuinig» wordt een plan van aanpak voorbereid om met gemeenten alle brandstoftypen en mogelijkheden tot vernieuwing van brandstofmotoren tot ontwikkeling te brengen in de markt. Daarbij gaat de ene gemeente aan de slag met bussen die op aardgas rijden en de andere gemeente met bussen met een veel schoner motortype. Afhankelijk van de fase waarin ze verkeren, worden nieuwe vervoerssystemen versneld en op grote schaal op de markt gebracht.

De Kamer wordt in mei aanstaande geïnformeerd over nieuwe maatregelen in het kader van de vergroening van het belastingstelsel.

Nadere gedachtewisseling

De heer Duyvendak (GroenLinks) vindt dat de minister de lat niet hoog genoeg legt. Wat is duurzaam inkopen waard en wat wil je bereiken?

Mevrouw Spies (CDA) vraagt of zo snel mogelijk een prijs ingesteld kan worden voor de beste inkoper om inkopers te enthousiasmeren voor hun werk?

De aanbestedingsprocedure van de aardgasbussen voor het Stadsgewest Haaglanden loopt nu bijna een jaar en was dus geen onderdeel van de start van «Schoon en Zuinig».

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie) vraagt de minister te bevestigen dat de koplopers in de markt de norm stellen. Bestaat er een risico dat wanneer er met eisen en wensen gewerkt wordt, de criteria toch weer te laag komen te liggen?

Er is al een groot aanbod van duurzame schoonmaakmiddelen. Is daarom het vastgestelde percentage van 25 niet te laag?

Is de minister bereid om voor dienstauto’s de absolute norm op te nemen in de labeling?

Mevrouw Ouwehand (PvdD) vraagt om de wens om proefdiervrije schoonmaakmiddelen te gebruiken om te zetten in een eis. Er is voldoende aanbod op de markt.

Kan de minister de Kamer nader informeren over het plantaardige assortiment in de bedrijfsrestaurants van de ministeries? Op basis van die nadere informatie kan dan bekeken worden of een steviger ambitie wenselijk is.

De minister erkent dat er een spanningsveld is: enerzijds is het de vraag hoe groot is het veld is dat bestreken wordt en anderzijds hoe groot het duurzame aanbod is. De lat mag niet zo hoog gelegd worden dat het ambitieniveau niet gehaald kan worden. De markt moet geprikkeld worden om in een vervolgtraject nog duurzamer te produceren.

De minister omarmt de suggestie van een prijs voor de beste inkoper.

De koplopers zijn inderdaad de norm, maar daarbij moet wel bedacht worden wat dan precies de groep is waarmee gewerkt wordt. Als deze te klein is, ontstaat een probleem. In dat geval neemt de overheid een deel van de voorhoede van het peloton mee.

De ontwikkeling van schoonmaakmiddelen gaat erg snel. In 2009 worden de criteria herzien. Dan zal de minister bezien of het mogelijk is de wens van het gebruik van proefdiervrije middelen om te zetten in een eis.

De mogelijkheden tot het opnemen van absolute normen in de energielabeling voor dienstauto’s zullen meegenomen worden in de verdere vergroening van het belastingstelsel.

De minister zal de Kamer nader informeren over de vegetarische criteria voor de bedrijfsrestaurants van de ministeries.

Toezeggingen

– De minister zegt toe de checklist voor milieucriteria, zoals Senter Novem deze ontwikkelt en hanteert voor de verschillende productgroepen, aan de Kamer te doen toekomen. Tevens zal zij daarbij aan de hand van een case laten zien hoe voor een bepaalde productgroep keuzes worden gemaakt.

– De minister zegt toe dat de checklist met algemene sociale criteria voor duurzaam inkopen uiterlijk eind april 2008 naar de Kamer wordt gestuurd.

– De minister zegt toe de voorstellen en ideeën van de Kamer met betrekking tot criteria voor vliegreizen van ambtenaren mee te nemen in de ontwikkeling van deze criteria en de Kamer hierover te informeren.

– De minister zegt toe het vraagstuk van diffuse bronnen mee te nemen bij de ontwikkeling van criteria van duurzaam inkopen (ook van gebouwen) en de Kamer hierover te informeren.

– De minister zegt toe de Kamer de lijst met criteria op het gebied van milieu en dierenwelzijn voor de inkoop van schoonmaakmiddelen door de overheid te doen toekomen. Bij de herziening van deze criteria in 2009 worden de suggesties van de Kamer meegenomen.

– De minister zegt toe de Kamer de gemeenten in het kader van de afspraken met betrekking tot Schoon en Zuinig aan te spreken op de terrasverwarmers en de Kamer hierover binnen zes weken te informeren.

– De minister zal schriftelijk terugkomen op de criteria voor vegetarische catering.

– De minister zegt toe de Kamer halfjaarlijks te informeren over de voortgang op de diverse onderdelen van het dossier Duurzaam Inkopen.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Koopmans

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Schreijer-Pierik

De adjunct-griffier van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Lemaier


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van Gent (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Poppe (SP), Snijder-Hazelhoff (VVD), ondervoorzitter, Depla (PvdA), Van Bochove (CDA), Koopmans (CDA), voorzitter, Spies (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Haverkamp (CDA), De Krom (VVD), Samsom (PvdA), Boelhouwer (PvdA), Roefs (PvdA), Neppérus (VVD), Van Leeuwen (SP), Jansen (SP), Van der Burg (VVD), Van Heugten (CDA), Vermeij (PvdA), Madlener (PVV), Ouwehand (PvdD), Bilder (CDA) en Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie).

Plv. leden: Duyvendak (GroenLinks), Van der Vlies (SGP), Polderman (SP), Remkes (VVD), Jacobi (PvdA), Hessels (CDA), Koppejan (CDA), Ormel (CDA), Koşer Kaya (D66), Leijten (SP), Schreijer-Pierik (CDA), Kamp (VVD), Timmer (PvdA), Waalkens (PvdA), Vos (PvdA), Zijlstra (VVD), Langkamp (SP), Gerkens (SP), Van Beek (VVD), Schermers (CDA), Besselink (PvdA), Agema (PVV), Thieme (PvdD), Vietsch (CDA) en Ortega-Martijn (ChristenUnie).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), voorzitter, Atsma (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Waalkens (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Jager (CDA), Ormel (CDA), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), De Krom (VVD), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Neppérus (VVD), Jansen (SP), Jacobi (PvdA), Cramer (ChristenUnie), Koppejan (CDA), Graus (PVV), Vermeij (PvdA), Zijlstra (VVD), Thieme (PvdD) en Polderman (SP).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Mastwijk (CDA), Ten Hoopen (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Luijben (SP), Tang (PvdA), Boekestijn (VVD), Bilder (CDA), Biskop (CDA), Koşer Kaya (D66), Van Leeuwen (SP), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Eijsink (PvdA), Depla (PvdA), Van Baalen (VVD), Kant (SP), Blom (PvdA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Van Heugten (CDA), Brinkman (PVV), Kuiken (PvdA), Ten Broeke (VVD), Ouwehand (PvdD) en Lempens (SP).

Naar boven