Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200530190 nr. 3

30 190
Wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met verdere decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

1. Algemeen

1.1 Inhoud wetsvoorstel

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt/uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State)Het onderhavige wetsvoorstel maakt een verdere decentralisatie mogelijk van de totstandkoming van de arbeidsvoorwaarden in het voorgezet onderwijs door het schrappen van de bepaling over het georganiseerd overleg op centraal niveau. In samenhang met het wetsvoorstel is het de bedoeling een ontwerp-besluit in procedure te brengen waarbij de meeste van de op artikel 38a van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) gebaseerde rechtspositionele voorschriften zullen worden geschrapt. Daarover wordt nog overleg gevoerd met de centrales van personeelsorganisaties en de representatieve werkgeversorganisatie, het Werkgeversverbond VO.

Voor de goede orde zij er nog op gewezen, dat de algemeen geldende rechtspositionele voorschriften (bv. de bepalingen in de Werkloosheidswet en de Wet uitbetaling loon bij ziekte of de daarop gebaseerde besluiten) wel van toepassing blijven op personeel in het voorgezet onderwijs. Dit geldt ook voor de pensioenregeling; deze wordt niet gedecentraliseerd.

1.2 Achtergrond wetsvoorstel en overleg met centrales en Werkgeversverbond VO

Het wetsvoorstel is gebaseerd op het voornemen tot verdere decentralisatie van de totstandkoming van arbeidsvoorwaarden zoals in Koers VO (Kamerstukken 2003/04, 29 200 VIII, nr. 151) is aangekondigd. Met de werkgeversorganisatie en de centrales van onderwijspersoneel is overleg gepleegd over de verdere uitwerking van de decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden. Deze uitwerking is getoetst aan het toetsingskader van het kabinet voor doordecentralisatie. Het kabinet heeft geconcludeerd dat met de uitwerking die sociale partners en OCW aan de decentralisatie hebben gegeven, aan dit toetsingskader wordt voldaan. Er zijn voldoende «checks and balances» aanwezig om na decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming de kwaliteit van het onderwijs (voorzieningenniveau) te waarborgen, tegen beheerste kosten. Concrete afspraken over de invulling van de decentralisatie worden vastgelegd in het Convenant decentralisatie Voortgezet Onderwijs dat door alle betrokken partijen wordt ondertekend. In het convenant worden onder meer afspraken vastgelegd over het overleg tussen OCW en de werkgeversorganisatie, de arbeidsvoorwaardenmiddelen, informatievoorziening en afspraken over de gebondenheid van partijen. Verder worden er afspraken gemaakt over evaluatie van het convenant, de looptijd en mogelijkheden tot wijziging en opzegging van het convenant.

Aan de hand van de afspraken, gemaakt in het convenant, wordt een decentralisatiebesluit opgesteld waarin de kaders van de decentralisatie worden aangegeven.

1.3 Financiële gevolgen

Het wetsvoorstel heeft geen financiële gevolgen. Het overleg op centraal niveau met het Werkgeversverbond VO en de centrales van onderwijspersoneel komt te vervallen. De onderwerpen van het centrale overleg gaan naar het decentrale overleg tussen partijen. De kabinetsbijdrage in de arbeidskosten wordt één op één doorgegeven aan de instellingen.

1.4 Uitvoeringsgevolgen

De minister trekt zich geheel terug uit het overleg over de rechtspositie van het personeel in het voortgezet onderwijs. Het Werkgeversverbond VO moet nu ook zelfstandig het overleg gaan voeren met de centrales van onderwijspersoneel over bijvoorbeeld de algemene arbeidsduur, de salarisontwikkeling en het bovenwettelijke deel van de sociale uitkeringen. Het betreft de zogenaamde protocolonderwerpen, waarover de minister na aanvaarding van het wetsvoorstel niet meer onderhandelt. De pensioenregeling is hiervan uitgezonderd: dat overleg blijft op centraal niveau bij de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid.

Voor de bij de onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden direct betrokken partijen betekent dit wetsvoorstel een vermindering van de uitvoeringslasten omdat het overleg over de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden voortaan aan één CAO-tafel op decentraal niveau wordt gevoerd.

De centrales en het Werkgeversverbond VO hebben de ambitie uitgesproken dat de toekomstige CAO-VO, net als de huidige decentrale CAO-VO, kaderstellend zal zijn. Hiermee blijft er voldoende ruimte om op schoolniveau afspraken te maken. Daardoor wijzigen de uitvoeringlasten voor de instellingen naar verwachting niet of nauwelijks als gevolg van de decentralisatie.

2. Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A, B, C en E

Het huidige artikel 40 WVO voorziet in centraal overleg over de aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het personeel van scholen in het voortgezet onderwijs. Door dit artikel te schrappen, vervalt het georganiseerd overleg op centraal niveau (overleg tussen de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de centrales voor onderwijspersoneel en het Werkgeversverbond VO) over de arbeidsvoorwaarden in het voortgezet onderwijs. In verband hiermee zal het Overlegbesluit onderwijspersoneel worden aangepast.

Met de wijziging in het tweede lid van artikel 38a wordt de formulering in overeenstemming gebracht met de wetgeving in de andere sectoren waarvoor de arbeidsvoorwaardenvorming is gedecentraliseerd.

In artikel 1 en 40b van de WVO wordt de verwijzing naar artikel 40 geschrapt.

Artikel I, onderdeel D

Het huidige artikel 40a WVO regelt dat over aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel georganiseerd overleg op schoolniveau plaatsvindt. Dit overleg wordt in verband met het vervallen van het georganiseerd overleg op centraal niveau uitgebreid tot de aangelegenheden van algemeen belang voor de (algemene en bijzondere) rechtstoestand van het personeel.

In het kader van de deregulering vervalt de geschillenregeling. De werkgevers moeten immers op grond van artikel 40a schriftelijk vastleggen op welke wijze zij het overleg gaan voeren; hierbij kunnen zij desgewenst ook vastleggen hoe zij zullen omgaan met geschillen.

Artikel II

De Wet medezeggenschap onderwijs 1992 verwijst naar de gewijzigde artikelen in de WVO en de Experimentenwet onderwijs (zie artikel III) en moet daarom ook worden aangepast.

Artikel III

De Experimentenwet onderwijs wordt op eenzelfde manier aangepast als de WVO: ook hier wordt het artikel dat voorziet in het centraal overleg over de aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het personeel van scholen in het voortgezet onderwijs (artikel 4a) voor de scholen in het voortgezet onderwijs geschrapt, zij het dat dit artikel voor scholen in het primair onderwijs in zijn huidige vorm blijft bestaan. Om het georganiseerd overleg op schoolniveau, net als bij de WVO, uit te breiden tot de aangelegenheden van algemeen belang voor de (algemene en bijzondere) rechtstoestand van het personeel, wordt een nieuw lid toegevoegd.

Deze memorie van toelichting onderteken ik mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. J. A. van der Hoeven