Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200630164 nr. 18

30 164
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten ter verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven

nr. 18
AMENDEMENT VAN HET LID WOLFSEN

Ontvangen 17 mei 2006

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

In artikel I wordt na onderdeel J een onderdeel ingevoegd, dat luidt:

Ja

In het Eerste Boek wordt na titel Ve een titel ingevoegd, die luidt:

TITEL VF SCHADE

Artikel 126ii

1. Deze titel is niet van toepassing op de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid als omschreven in de artikelen 126zk tot en met 126zm.

2. In deze titel wordt onder schade begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat.

Artikel 126jj

1. Behoudens artikel 89, eerste en tweede lid, kan de rechter, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, op verzoek van de gewezen verdachte hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van een dwangmiddel of een bijzondere bevoegdheid, toegepast of uitgeoefend ter opsporing van een terroristisch misdrijf.

2. De artikelen 89, derde tot en met zesde lid, 90, met uitzondering van het vierde lid, 91 en 93 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 126kk

1. Op verzoek van een ander dan de verdachte of gewezen verdachte kan de rechter hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij rechtstreeks heeft geleden ten gevolge van een dwangmiddel of een bijzondere bevoegdheid, toegepast of uitgeoefend ter opsporing van een terroristisch misdrijf.

2. Het verzoek kan slechts worden ingediend:

a. indien schade is geleden ten gevolge van de toepassing van een dwangmiddel, binnen drie maanden na die toepassing;

b. indien schade is geleden ten gevolge van de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid:

1°. binnen drie maanden na uitreiking van de schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 126bb, eerste lid, dan wel,

2°. indien uitreiking van die mededeling redelijkerwijs niet mogelijk is of die mededeling niet is voorgeschreven, binnen drie maanden na de dag waarop de betrokkene kennis heeft gekregen van de uitoefening van de bijzondere bevoegdheid.

3. Indien het belang van het onderzoek dit vordert, kan de raadkamer, op vordering van de officier van justitie, de behandeling van het verzoek uitstellen.

4. De artikelen 89, vierde tot en met zesde lid, 90, met uitzondering van het vierde lid, 91 en 93 zijn van overeenkomstige toepassing.

II

In artikel IV wordt, onder verlettering van de onderdelen Ca en Cb tot de onderdelen Cb en Cc, na onderdeel C een onderdeel ingevoegd, dat luidt:

Ca

Artikel I, onderdeel Ja, wordt als volgt gewijzigd:

1. De artikelen 126ii tot en met 126kk worden vernummerd tot 126jj tot en met 126ll.

2. In artikel 126jj, tweede lid, wordt «de artikelen 126zk tot en met 126zm» vervangen door: de artikelen 126zq tot en met 126zs.

III

Na artikel VI wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

ARTIKEL VIA

Artikel I, onderdeel Ja, is niet van toepassing op schade geleden ten gevolge van een dwangmiddel of bijzondere bevoegdheid, toegepast of uitgeoefend voor de inwerkingtreding van deze wet.

Toelichting

Dit amendement strekt ertoe een regeling in het leven te roepen voor de vergoeding van schade die is veroorzaakt door de opsporing van terroristische misdrijven.

Ondergetekende hecht grote waarde aan een regeling van schadevergoeding wegens – al dan niet onrechtmatig – strafvorderlijk optreden. Voorkomen dient te worden dat burgers onnodig worden belast met schadeveroorzakend overheidsoptreden. Een regeling van schadevergoeding versterkt de legitimiteit van en vergroot het maatschappelijke draagvlak voor strafvorderlijk optreden. Ondergetekende neemt als vanzelfsprekend aan dat de politie en het openbaar ministerie in voorkomende gevallen adequaat zullen reageren op burgers die stellen schade te hebben geleden als gevolg van strafvorderlijk optreden. Voor die gevallen echter, waarin partijen onderling niet tot een bevredigende oplossing kunnen komen, dient naar zijn mening het Wetboek van Strafvordering te voorzien in een eenvoudige, informele en snelle wijze van afdoening van het geschil, als alternatief voor de vaak kostbare en tijdrovende civielrechtelijke procedure. In dit licht juicht hij het voornemen van de Minister van Justitie van harte toe om – naar aanleiding van het project Strafvordering 2001 – een algemene regeling van schadevergoeding op te nemen in het Wetboek van Strafvordering. Een daartoe strekkend wetsvoorstel zou spoedig mogelijk, en in elk geval voor het einde van de huidige regeerperiode, bij deze Kamer aanhangig gemaakt moeten worden. In aanmer- king genomen dat het onderhavige wetsvoorstel een verruiming van de mogelijkheden tot aanwending van bijzondere bevoegdheden meebrengt, bestaat de mogelijkheid dat, naarmate meer aandacht en inzet wordt gericht op het voorkomen van terroristische misdrijven, achteraf wordt vastgesteld dat dwangmiddelen en bijzondere bevoegdheden ten onrechte zijn aangewend. Tegenover een verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven dient dan ook een verruiming van de mogelijkheid van schadevergoeding te staan voor individuele burgers die in hun belangen zijn geraakt. In afwachting van de door de Minister van Justitie in het vooruitzicht gestelde algemene regeling van schadevergoeding voor strafvorderlijk optreden, stelt ondergetekende daarom voor om een – beperkte – bijzondere regeling te treffen voor schadevergoeding voor – kort gezegd – opsporing en van terroristische misdrijven, die bij de inwerkingtreding van de algemene regeling kan komen te vervallen. De voorgestelde regeling is grotendeels ontleend aan de artikelen 89 e.v. Sv.

De voorgestelde bijzondere regeling komt te gelden voor dwangmiddelen en bijzondere bevoegdheden die zijn aangewend bij de opsporing – in de zin van artikel 132a Sv – van terroristische misdrijven. Uitgezonderd zijn de zogenaamde zoekbevoegdheden als bedoeld in de artikelen 126zk tot en met 126zm Sv. Deze bevoegdheden zijn niet bijzondere ingrijpend van aard. Bovendien blijkt in de praktijk van de toepassing van de WED en de WWM, waaraan de zoekbevoegdheden zijn ontleend, dat de bestaande procedures voor afhandeling van klachten en schadeclaims de betrokkene voldoende waarborgen bieden voor een adequate reactie. Voor de gewezen verdachte blijft artikel 89, eerste en tweede lid, Sv gelden. Voorzover hij dan ook stelt schade te hebben geleden ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie, voorlopige hechtenis of uitleveringsdetentie op Nederlands verzoek, moet hij op grond van die bepaling een verzoek indienen.

Voor wat betreft het criterium voor de toekenning van een vergoeding heeft ondergetekende aansluiting gezocht bij artikel 90, eerste lid, Sv. Volgens deze bepaling heeft toekenning van een vergoeding van geleden schade «steeds plaats, indien en voorzover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn». Het criterium, zo blijkt uit de rechtspraak, omvat rechtmatig en onrechtmatig optreden. Bij toepassing van een dwangmiddel of uitoefening van een bijzondere bevoegdheid die, gemeten naar de omstandigheden ten tijde van de aanwending, als onrechtmatig moet worden beschouwd, is toekenning van een vergoeding van schade in de regel aan de orde. Bij rechtmatig strafvorderlijk optreden is – onder andere – het gedrag van de betrokkene van belang. Heeft bijvoorbeeld de gewezen verdachte de verdenking van betrokkenheid bij een terroristisch misdrijf aan zichzelf te wijten of is die verdenking, ondanks beëindiging van de zaak zonder oplegging van straf of maatregel, tegen hem blijven bestaan, dan zullen er doorgaans geen gronden van billijkheid aanwezig zijn die tot het vergoeden van de geleden schade nopen.

Niet alleen de gewezen verdachte, maar ook anderen dan de verdachte of gewezen verdachte, kortom derden, kunnen van deze voorgestelde regeling gebruik maken. Voor hen geldt wel dat zij de schade rechtstreeks hebben geleden. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat een nauw verband tussen het toegepaste dwangmiddel of de bijzondere bevoegdheid en de geleden schade dient te bestaan. Een voorbeeld ter toelichting: de schade aan eer en goede naam die ouders stellen te hebben geleden doordat bij hun zoon een doorzoeking heeft plaatsgevonden, is geen schade die zij rechtstreeks hebben geleden ten gevolge van de doorzoeking. Uitdrukkelijk is niet beoogd aansluiting te zoeken bij het begrip «rechtstreekse schade» zoals dat onder meer voorkomt in artikel 51a Sv. Voor de toepassing van dat criterium is immers vereist dat de betrokkene is getroffen in een belang dat het geschonden voorschrift beoogt te beschermen. Voor de voorgestelde regeling is echter onrechtmatigheid van de aanwending van het dwangmiddel of de bevoegdheid geen vereiste, zodat evenmin sprake hoeft te zijn van een geschonden strafvorderlijk voorschrift. Indien overigens wel sprake is van onrechtmatig handelen, dan kan de rechter vanzelfsprekend bij de beoordeling of de billijkheid noopt tot het toekennen van een vergoeding de omstandigheid betrekken dat het geschonden voorschrift al dan niet een belang van de verzoeker beschermt.

Anders dan de gewezen verdachte, hoeven derden niet met het indienen van een verzoek te wachten tot de zaak is beëindigd. Zij kunnen al een verzoek indienen binnen drie maanden na de toepassing van het dwangmiddel dan wel binnen drie maanden nadat de uitoefening van de bijzondere bevoegdheid aan hen is genotificeerd of binnen drie maanden nadat zij van de uitoefening daarvan kennis hebben gekregen. Wel moeten dan voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de behandeling van een verzoek van een derde schade zou toebrengen aan een lopend onderzoek. In de eerste plaats stelt ondergetekende voor, de raadkamer de bevoegdheid te geven om de behandeling uit te stellen, indien het belang van het onderzoek dat vordert. Hij wijst bovendien op de huidige artikelen 23, vijfde lid, en 24, vijfde lid, Sv, die uitzonderingen op de interne openbaarheid in het belang van het onderzoek mogelijk maken. Ten slotte zal de behandeling van het verzoek, anders dan een verzoek van de gewezen verdachte, niet in het openbaar plaatsvinden.

Wolfsen