Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200630164 nr. 13

30 164
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten ter verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven

nr. 13
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 17 maart 2006

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel D wordt als volgt gewijzigd:

a. Artikel 126zn, tweede lid, komt te luiden:

2.  De artikelen 126za en 126zd, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, alsmede artikel 126ij, derde lid, voor zover het eerste lid, onder a, toepassing vindt. Toepassing van het eerste lid, onder a, vindt alleen plaats indien geen bevel als bedoeld in artikel 126zd, eerste lid, onder b, kan worden gegeven.

b. Artikel 126zo, tweede lid, komt te luiden:

2. De artikelen 126zn, derde lid, en 126w, derde, vierde en zesde lid zijn overeenkomstige toepassing.

2. Na onderdeel L wordt een onderdeel ingevoegd, luidend:

La

In artikel 140a wordt na «Eerste Boek» ingevoegd: en als bedoeld in artikel 126zo.

B

In artikel II wordt na onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidend:

Aa

In artikel 83, onder 3°, wordt «artikel 33a van de Wet explosieven voor civiel gebruik» vervangen door: artikel 33b van de Wet explosieven voor civiel gebruik.

C

In artikel IV wordt na onderdeel C een onderdeel ingevoegd, luidende.

Ca

In onderdeel La wordt «artikel 126zo» vervangen door: artikel 126zu.

Toelichting

Deze nota van wijziging bevat een aantal wijzigingen van het wetsvoorstel van louter technische aard. In de eerste plaats wordt een aanpassing van artikel 126zn Sv voorgesteld. Dit artikel ziet onder meer op bijstand van een burger aan pseudokoop- of dienstverlening in het kader van de opsporing van terroristische misdrijven. De wijziging bewerkstelligt dat het voorgestelde artikel 126zn Sv in overeenstemming wordt gebracht met artikel 126ij Sv, in die zin dat de eventuele voorziene bijstand van een burger aan opsporing afhankelijk wordt gesteld van het antwoord op de vraag of de officier van justitie ter zake geen bevel aan een opsporingsambtenaar kan geven. Dit is reeds toegelicht in mijn schriftelijk antwoord op een vraag van het lid Rouvoet, gesteld tijdens de eerste termijn van de mondelinge behandeling van onderhavig wetsvoorstel. Voorgesteld wordt tevens de minder toepasselijke verwijzing naar artikel 126h, tweede lid, Sv te vervangen door een verwijzing naar artikel 126ij, derde lid, Sv.

De voorgestelde aanpassing van artikel 126zo, tweede lid, Sv hangt samen met het feit dat dit artikel uitgaat van een overeenkomst met een burger in plaats van een bevel dat door de officier van justitie wordt gegeven. Zoals ook in antwoord op een vraag van de heer Rouvoet tijdens de hierboven vermelde gelegenheid is aangegeven, ligt het daarom ook hier in de rede de verwijzing naar artikel 126h, tweede lid, Sv te vervangen door, in dit geval, een uitgebreidere verwijzing naar de voorwaarden van artikel 126w Sv.

Een derde wijziging van artikel I van het wetsvoorstel betreft het toevoegen van een verwijzing naar artikel 126zo Sv in artikel 140a Sv. Daarmee wordt eveneens een omissie ongedaan gemaakt.

Van de gelegenheid heb ik tevens gebruik gemaakt om een onjuiste verwijzing in artikel 83, onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht ten gevolge van een vernummering van de artikelen in de Wet explosieven voor civiel gebruik recht te zetten.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner