Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201230139 nr. 98

30 139 Veteranenzorg

Nr. 98 BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 juni 2012

Hoofdstuk 1 Inleiding

Sinds de nota veteranenzorg van 2005 (Kamerstuk 30 139, nr. 2) wordt de Kamer jaarlijks geïnformeerd over de stand van zaken van het veteranenbeleid. Hierbij bied ik u de veteranennota 2011–2012 aan, deze sluit aan op mijn brief van 1 juni 2011 (Kamerstuk 30 139, nr. 92). Het afgelopen jaar heeft in het teken gestaan van het initiatief van de Kamer het veteranenbeleid te verankeren in een wet.

Veteranenwet

Met de publicatie in het Staatsblad van 30 maart jl. (Stb. 2012, nr. 133) van de Wet van 11 februari 2012 tot vaststelling van regels omtrent de bijzondere zorgplicht voor veteranen (Veteranenwet) is een mijlpaal bereikt in het veteranenbeleid. Ik streef ernaar dit jaar het Veteranenbesluit aan te bieden aan de Kamer. Met deze algemene maatregel van bestuur worden toetsbare normen voor uitvoering van de Veteranenwet gegeven. Verder kan met dit besluit de zorg voor, tijdens en na de inzet worden ingericht en uitgevoerd. Met de inwerkingtreding van deze wet worden 30 000 actief dienende militairen met uitzendervaring ook als veteraan aangemerkt. Tijdens de behandeling van de Veteranenwet in de Eerste Kamer op 19 december 2011 (Handelingen EK 2011–2012, Aanhangsel nr. 13-5-37) heeft het lid Van Kappen (VVD) een motie ingediend om de definitie van het begrip veteraan uit te breiden met militairen die worden ingezet tegen terroristische acties (EK 32 414, D). Overeenkomstig de motie zal in het Veteranenbesluit een artikel worden opgenomen waardoor ik, in overleg met de minister van Veiligheid en Justitie, acties en missies kan aanwijzen die voldoen aan de criteria van artikel 1 lid c en d van de Veteranenwet. Het betreft hierbij langdurige en omvangrijke acties in het hoge geweldsspectrum, op Nederlands grondgebied en ook daar buiten. De militairen die aan deze acties hebben deelgenomen, krijgen dan ook de veteranenstatus. Hiermee voldoe ik aan deze toezegging gedaan op 19 december 2011.

Een ander gevolg van de invoering van de Veteranenwet is het aanstellen van een Veteranenombudsman en het instellen van een klachtencommissie waardoor de noodzaak voor een Centrale Onafhankelijke Klachtencommissie voor veteranen komen te vervallen.

Ereschuld invalide veteranen

Met mijn brief van 29 november 2011 (Kamerstuk 30 139, nr. 97) heb ik gemeld dat het kabinet de middelen heeft gevonden voor het inlossen van de zogenaamde ereschuld voor invalide veteranen. Op 8 december 2011 verzocht de Kamer te worden geïnformeerd over de voortgang van de uitwerking van de ereschuldregeling voor de invalide veteranen (kenmerk 30139–97/2011 D60980). De regeling wordt in goed overleg met de centrales van overheidspersoneel tot stand gebracht. Dit overleg verloopt voorspoedig. Hierbij wordt onder meer gesproken over de hoogte van de uitkering en de wijze waarop met de regeling recht kan worden gedaan aan de gevolgen die de veteraan van zijn invaliditeit heeft ondervonden. Ik streef naar een forfaitaire regeling. Ook wordt gesproken over de nieuwe rechtspositionele schadevergoedingsregeling voor militairen die als gevolg van een dienstongeval invalide raken. Beide regelingen zullen deel uitmaken van de Kaderwet Militaire Pensioenen. Ik streef er naar voor het notaoverleg Veteranen tot overeenstemming te komen met de centrales zodat het grootste deel van de rechthebbenden dit jaar hun uitkering kunnen ontvangen. Hiermee geef ik ook antwoord op de vraag van het lid Hachchi (D66) die zij heeft gesteld op 30 mei jl. tijdens de regeling van werkzaamheden.

Hoofdstuk 2 Erkenning en waardering

Veteranen hebben Nederland gediend onder oorlogsomstandigheden of tijdens vredesmissies. Zij verdienen daarvoor erkenning en waardering van de overheid en van de samenleving. Met de uitvoering van het veteranenbeleid vergroot Defensie de maatschappelijke bekendheid met oorlogs- en uitzendervaringen en de gevolgen daarvan voor veteranen en hun thuisfront. Voorts levert het een bijdrage aan de maatschappelijke waardering voor veteranen. Door de recente missies verandert de samenstelling van de groep veteranen. Dit heeft gevolgen voor de activiteiten die worden georganiseerd voor veteranen. De ontwikkeling van het aantal postactieve veteranen en de samenstelling van deze groep is opgenomen in tabel 1.

Evaluatie veteranenbeleid

In mijn brief over de evaluatie van het veteranenbeleid van 10 juni 2011 (Kamerstuk 30 139, nr. 93) heb ik naar voren gebracht dat de maatschappelijke aandacht voor de veteranen in de afgelopen jaren is vergroot. In de samenleving bestaat veel waardering voor veteranen. Er is een cultuur ontstaan waarin zij een plaats hebben en er is draagvlak voor publieke activiteiten die betrekking hebben op veteranen. Zo is er veel aandacht voor landelijke evenementen zoals de veteranendag. Verder neemt het aantal veteranencafés, inloophuizen voor veteranen en veteranencentra toe. Ook ontplooien gemeenten op lokaal niveau activiteiten.

Rondetafelconferentie veteranen

Op 16 juni 2011 is op de Zwaluwenberg met vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven, de universitaire wereld, de media en bij het veteranenbeleid betrokken organisaties van gedachten gewisseld over de positie van veteranen en de gezamenlijke verantwoordelijkheid van Defensie en de maatschappij voor veteranen.

Volgens de deelnemers wordt de beeldvorming over veteranen nog te veel gekleurd door de problemen van een kleine groep en de zorgvraag van deze groep. De beeldvorming over de veteraan zou zich volgens de deelnemers meer moeten richten op het effect van de inzet van militairen, het belang dat daarmee wordt gediend en de onderscheidende aspecten van het optreden van de krijgsmacht waar Nederland trots op kan zijn. Voor het uitdragen van deze positieve beelden doen de deelnemers een beroep op alle betrokken partijen.

Erkenning en waardering kunnen zich volgens de deelnemers het beste richten op veteranen die daar prijs op stellen. Zij adviseren om daarbij aansluiting te zoeken bij bestaande landelijke, regionale en lokale evenementen. De huidige tijdgeest noodzaakt tot het stimuleren en ondersteunen van eigen initiatieven van veteranen. Een boegbeeld voor de veteranen blijft volgens de deelnemers van groot belang. De betrokkenheid van het Koninklijke Huis wordt bijzonder op prijs gesteld.

Het Veteraneninstituut en de Stichting Nederlandse Veteranendag hebben de uitvoering van de aanbevelingen ter hand genomen. Dat heeft onder meer geleid tot aanpassing van de strategie van het Comité Nederlandse Veteranendag, bespreking van de uitkomsten in de Contactraad voor de Uitvoering van het Veteranenbeleid en de organisatie van het symposium Toekomst Veteranenland dat eind 2012 zal plaatshebben.

Uitvoering van het veteranenbeleid

Bij de uitvoering van het beleid voor erkenning en waardering spelen de Stichting het Veteraneninstituut, de Stichting Nederlandse Veteranendag en de defensieonderdelen een belangrijke rol. Het Veteraneninstituut richt zich op erkenning van en waardering voor veteranen en op de directe dienstverlening aan veteranen en hun thuisfront. Tevens vervult het de loketfunctie naar de zorg. De Stichting Nederlandse Veteranendag heeft tot taak de bevordering van de maatschappelijke erkenning en waardering voor veteranen vanuit de samenleving. De defensieonderdelen leveren een actieve bijdrage aan de erkenning van en waardering voor veteranen door het organiseren en ondersteunen van reünies.

Stichting het Veteraneninstituut

Het kennis- en onderzoekscentrum van het Veteraneninstituut voert voor Defensie beleidsondersteunend onderzoek uit. Uit het onderzoek naar de wensen en behoeften van veteranen van recente missies komen drie onderwerpen naar voren: veteranen hebben de behoefte om elkaar van tijd tot tijd te ontmoeten, veteranen stellen het zeer op prijs wanneer de overheid (ongevraagd) belangstelling toont en veteranen vinden het belangrijk dat de samenleving wordt geïnformeerd over hun militaire ervaringen. In het veteranenbeleid wordt aan deze onderwerpen aandacht besteed.

In onderwijsproject «Verhalen van veteranen» vertellen veteranen hun verhaal voor de klas. In het schooljaar 2010–2011 is het aantal schoolbezoeken verder toegenomen waardoor bijna 8 300 leerlingen zijn bereikt. Verder neemt het aantal aanvragen toe van leerlingen in de examenklassen van HAVO en VWO voor interviews met veteranen in het kader van de verplichte profielwerkstukken.

De kwaliteit van de voorlichting die door het Veteraneninstituut en het Veteranen Platform aan dienstverlaters over de veteranenstatus wordt gegeven, is verbeterd. De ontwikkeling van een speciale voorlichtingsfilm «Veteranen, onze missie» is voltooid. Nadat de nieuwe definitie van veteraan van kracht is geworden, zal ook tijdens het opwerkprogramma voor vredesmissies voorlichting worden gegeven over de veteranenstatus.

Met de verstrekking van veteranenpassen aan veteranen, postactieven en dienstslachtoffers heeft Defensie een mogelijkheid om met deze groep in contact te blijven. Sinds november 2011 wordt de veteranenpas automatisch aan nieuwe veteranen verstrekt. Vorig jaar zijn 2 118 nieuwe veteranenpassen aangemaakt. De speciale editie van Checkpoint van eind 2011 heeft geleid tot ruim 1 600 aanvragen voor een veteranenpas. De pas voor dienstslachtoffers wordt namens Defensie door het ABP verstrekt. In de afgelopen periode hebben 3 195 dienstslachtoffers deze pas ontvangen. De teksten op de passen zijn in het Nederlands en Engels, zodat veteranen de pas ook in het buitenland kunnen gebruiken om hun relatie met Defensie aan te tonen en daarmee gebruik te maken van lokale faciliteiten voor (ex-)defensiemedewerkers.

Sinds kort kunnen veteranen deelnemen aan Open Militaire Kampioenschappen. Ook andere militaire sportevenementen worden voor hen opengesteld. In samenwerking met het NOC*NSF, het ABP, het Veteraneninstituut, Bureau Internationale Militaire Sport en het Militair Revalidatie Centrum wordt onder de militaire oorlogs- en dienstslachtoffers gezocht naar paralympisch talent.

Stichting Nederlandse Veteranendag

De Stichting Nederlandse Veteranendag organiseert de Nederlandse Veteranendag, onderneemt educatieve activiteiten, voert een landelijke publiekscampagne en ondersteunt regionale activiteiten. De achtste Nederlandse Veteranendag wordt gehouden op zaterdag 30 juni 2012. Het thema dit jaar is «De veteraan in de samenleving». Hiermee wordt onder de aandacht gebracht dat de waarde van veteranen zich niet beperkt tot hun militaire inzet, maar dat zij daarnaast – vrijwillig of in dienstverband – door hun ervaringen waarde toevoegen aan onze samenleving.

Naar aanleiding van de aanbevelingen van de Rondetafelconferentie veteranen, de veranderende samenstelling van de veteranenpopulatie en de veranderingen binnen de krijgsmacht, heeft het Comité Nederlandse Veteranendag haar strategie 2012–2017 aangepast. Daarom zal duidelijker onderscheid worden gemaakt tussen de publieks- en de ontmoetingsfunctie van de verschillende activiteiten die op Veteranendag worden georganiseerd. Zo wordt de ceremonie in de Ridderzaal aantrekkelijker gemaakt voor de media en zal ook gedurende het jaar in de publiekscampagne aandacht worden gevraagd voor regionale activiteiten.

Om ruimte te geven voor initiatieven van de nieuwe veteranen wordt een klankbordgroep van jonge veteranen betrokken bij de uitwerking van de strategie van de Stichting Nederlandse Veteraneninstituut.

Defensieonderdelen

Ook de defensieonderdelen leveren een bijdrage aan de uitvoering van het beleid op het gebied van erkenning en waardering voor veteranen. Zij organiseren per defensieonderdeel veteranendagen, ondersteunen de organisatie van de Nederlandse Veteranendag, faciliteren reünies van veteranenverenigingen en organiseren medaille-uitreikingen en herdenkingen. In het afgelopen jaar zijn de reünie Oud Militairen Indiëgangers (VOMI), de veteranendag van het Commando landstrijdkrachten en de Nationale Taptoe in AHOY Rotterdam succesvol gecombineerd.

De Koninklijke landmacht heeft in 1994 een zilveren broche in de vorm van een roos ingevoerd. Deze «zilveren roos» is een blijk van waardering van de uitgezonden militair voor de persoon die tijdens de uitzendperiode het meeste voor hem of haar heeft betekend. Naar aanleiding van het verzoek van de Nederlandse Unifil-vereniging heb ik besloten «de zilveren roos» ter beschikking te stellen aan deze groep veteranen. De Unifil-veteraan reikt vervolgens zelf de «zilveren roos» uit aan diegene die tijdens zijn uitzending belangrijk voor hem was maar deze blijk van erkenning destijds niet heeft gekregen. De veteraan kan «de zilveren roos» aanvragen bij het Veteraneninstituut.

Decoraties

Onderscheidingen en insignes worden gebruikt om erkenning en waardering voor militairen tot uitdrukking te brengen. Ze zijn sterk verbonden met de identiteit van de veteraan. In de tabel 2 is het aantal aanvragen Herinneringsmedailles Vredesoperaties over de afgelopen vijf jaar weergegeven en in tabel 3 een overzicht van het aantal toegekende gewonden- en gevechtsinsignes. Het effect van de verkleining van het aantal en omvang van de missies is daarin zichtbaar.

Tijdens de behandeling van de Veteranenwet in de Eerste Kamer heb ik toegezegd de mogelijkheid te onderzoeken van de instelling van een erkenningsteken voor militairen die zijn ingezet bij de treinkaping en de daarop volgende gijzelingsactie bij De Punt (kenmerk T01444). Ik ben voornemens een draaginsigne in te stellen voor de militairen die in de periode 23 mei tot en met 11 juni 1977 een einde hebben gemaakt aan de treinkaping en de daarop volgende gijzelingsactie bij De Punt of hebben deelgenomen aan de actie ter beëindiging van de gijzeling van een school in Bovensmilde. Het Nederlands Instituut voor Militaire Historie zal adviseren over de vaststelling van de groep rechthebbenden. Ik zal de Eerste en Tweede Kamer hierover op korte termijn informeren.

Stichting Veteranen Platform

De Stichting Veteranen Platform behartigt, als overkoepelend samenwerkingsverband van de Nederlandse veteranenorganisaties, de belangen van veteranen.

Op initiatief van het Nationaal Fonds voor Vrijheid en Veteranenzorg (V-fonds) is een werkverband, onder voorzitterschap van het Veteranen Platform, opgericht voor het ontwikkelen van ideeën en initiatieven voor een veteranenbegraafplaats met een herinneringscentrum. Dit wordt mogelijk gecombineerd met het ereveld Loenen.

Per 1 juli 2012 treedt het Politie Veteranen Platform toe als 43e lid van het Algemeen Bestuur van het Veteranen Platform. Naast veteranengroepen die een relatie hebben met militaire eenheden, wapens en dienstvakken en of bepaalde missies, ontstaan nu ook verenigingen van veteranen die werkzaam zijn in een bepaalde sector. Het is de verwachting dat ook bij de douane, de spoorwegen, de GGD en de brandweer dergelijke veteranenverenigingen worden opgericht. Tijdens de aanstaande Veteranendag zal, naast detachementen van de politie en de douane, ook een detachement van de spoorwegen deelnemen aan het defilé.

Nationale Taptoe

De 58e editie van de Nationale Taptoe staat dit jaar in het teken van de Olympische gedachte. Ook het thema veteranen is in het programma van de Nationale Taptoe verwerkt. Op 26 september aanstaande organiseert Defensie organiseert met de stichting Nationale Taptoe voor veteranen, militaire oorlogs- en dienstslachtoffers en hun relaties een speciale voorstelling georganiseerd.

Intensivering van de samenwerking

Er zijn veel partijen die zich bezighouden met erkenning en waardering voor veteranen. Onlangs is het initiatief genomen voor een periodiek overleg met het Campagneteam Nederlandse Veteranendag, het Nationaal Comité 4 en 5 mei, het Nationaal Comité Herdenking Capitulaties 1945 Wageningen, de Oorlogsgravenstichting, het Veteranen Platform, het Veteraneninstituut en het V-fonds. Voorzien is dat ook de Nationale Politie aansluit. In vier werkgroepen wordt de samenwerking op het gebied van communicatie, onderzoek, educatie en de regionale benadering uitgewerkt. Eind 2012 worden de eerste voorstellen verwacht over het gebruik van elkaars kennis, contacten, middelen en activiteiten.

Uitgaven erkenning van en de waardering voor veteranen

De defensiebegroting 2012 bevat een overzicht van de uitgaven voor het veteranenbeleid. Voor de erkenning en waardering voor veteranen € 9,8 miljoen begroot.

Hoofdstuk 3 Zorg

In de Veteranennota 2005 is een aantal beleidsvoornemens voor de zorg van veteranen geformuleerd. Het betrof onder meer de oprichting van het Landelijk Zorgsysteem voor Veteranen (LZV), het Centraal aanmeldpunt bij het Veteraneninstituut (CAP), het Zorgloket Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers (MOD) bij de Stichting Pensioenfonds ABP (ABP), de ontwikkeling en invoering van keuringsprotocollen voor uiteenlopende aandoeningen en de vergoeding van letselschade.

In de veteranennota 2010–2011 is uitgebreid ingegaan op evaluatie van de zorg voor militairen. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste ontwikkelingen beschreven.

Re-integratie

Per 1 januari 2007 is de nota «Herzien Re-integratiebeleid Defensiepersoneel» van kracht geworden. In deze nota zijn de wettelijke re-integratieverplichtingen en de aanvullende voor de uitvoering van het re-integratiebeleid activiteiten opgenomen. Ook is het Dienstencentrum Re-integratie (DCR) opgericht. Het Zorgloket MOD is verantwoordelijk voor de coördinatie van de re-integratie van postactieve militairen met een dienstverbandaandoening. Bij de actief dienende militairen blijkt dat de meeste oorlogs- en dienstslachtoffers willen re-integreren bij de eigen eenheid. Commandanten spannen zich daarvoor in.

Wanneer dat niet mogelijk is, worden de militairen overgedragen aan het DCR om elders bij Defensie of bij een andere werkgever te re-integreren.

Dienstverlaten

Militairen die de dienst verlaten, worden geneeskundig onderzocht. Het aantal militairen dat naar aanleiding daarvan wordt doorverwezen voor behandeling of voor verdergaand onderzoek vanwege vermoedelijke dienstongeschiktheid is gering. Indien interventies nodig zijn, dan zijn deze doorgaans al op een eerder moment gestart. Militairen zijn verplicht deel te nemen aan dit onderzoek.

Nazorgvragenlijsten

Defensie wil medewerkers die op uitzending zijn geweest en hun familie wanneer dit nodig is tijdige en toereikende zorg bieden. Een van de instrumenten daarvoor is de nazorgvragenlijst. Militairen krijgen deze lijst zes maanden na afloop van de uitzending toegezonden. De beantwoording van deze vragen kan Defensie helpen om een zorgaanbod te doen. In 2010 is, naar aanleiding van de beantwoording van deze vragen, is met een derde van militairen contact opgenomen. Na analyse van de gegevens bleek dat uiteindelijk 5,4 procent van de respondenten zorg nodig had. Dit percentage lijkt door de jaren heen gelijk te blijven.

Ondersteuning nuldelijn

In de brief van 1 juni 2011 (Kamerstuk 30 139, nr. 92) heb ik uiteengezet dat nuldelijnszorg naast de reguliere zorg belangrijk is voor toereikende hulpverlening aan veteranen. Hierbij speelt het netwerk van relaties, vrienden en lotgenoten van de veteraan, de zogenoemde nuldelijn, een belangrijke rol. De ondersteuning door lotgenoten krijgt vorm door de verenigingen van het Veteranen Platform, reünies, ontmoetingscentra en het Veteraneninstituut.

Defensie draagt hieraan bij via het Veteraneninstituut waar de nuldelijnsveteranenhelpers kunnen worden geschoold. De nuldelijnszorg wordt gefinancierd door het Veteranenfonds (V-Fonds). Het V-fonds en het Veteranen Platform willen de regiefunctie en financiering van het nuldelijnssysteem midden 2012 bij het Veteranen Platform onder te brengen. Verder is 29 maart jl. de website «Missie Volbracht» geopend. Deze website biedt online hulpmiddelen voor veteranen en hun thuisfront gericht op zelfhulp en empowerment.

Landelijk Zorgsysteem voor Veteranen

In 2011 was sprake van een lichte toename in het aantal veteranen dat in behandeling is bij het LZV. De aanmeldingen bij het CAP zijn steeds vaker afkomstig van veteranen van recente missies en van dienstslachtoffers. In tabel 5 is een overzicht opgenomen. Vanaf 1 januari 2012 heeft het LZV de beschikking over een klachtenfunctionaris voor klachten over de ketenzorg.

Raad voor civiel-militaire Zorg en Onderzoek (RZO)

Sinds 5 juli 2007 houdt de RZO toezicht op de kwaliteit van de samenwerking in het LZV en geeft gevraagd en ongevraagd advies. In 2011 is de huidige samenstelling van de RZO voor een tweede termijn aangesteld. De RZO heeft op dit moment negen leden met uiteenlopende deskundigheid. In de rapportageperiode heeft de RZO adviezen uitgebracht over de Veteranenwet (advies nr. 14) en over de financiering van wetenschappelijk (Militaire) Geestelijke GezondheidsZorg (MGGZ) -onderzoek en patiëntgebonden onderzoek ten behoeve van het LZV.

Evaluatie RZO

De RZO heeft in november 2010 het initiatief genomen om zijn jaarlijkse interne evaluatie te gebruiken voor een zelfevaluatie over de periode juli 2007 – december 2010. Dit heeft geleid tot het rapport «Zelfevaluatie, toezicht en advies onder de loep» dat op 5 december 2010 aan Defensie is aangeboden. In het rapport beschrijft de raad zijn taken en de adviezen die zijn uitgebracht. Ook gaat de RZO in op de appreciatie van deze adviezen door Defensie. Vervolgens schetst de raad de ontwikkeling van het toezicht op het Landelijk Zorgsysteem voor Veteranen en welke verbeteringen dat heeft opgeleverd. De RZO heeft in het rapport de planning voor de komende jaren opgenomen. Daarin ligt de nadruk op de verdere professionalisering van het LZV, de veteranenzorg en de organisatie van de RZO. Er wordt afgesloten met conclusies en aandachtspunten voor Defensie en het LZV. De belangrijkste conclusie is dat middelen beschikbaar moeten komen en blijven voor wetenschappelijk onderzoek en dat verder moet worden gewerkt aan de verbetering van de kwaliteit in de samenwerking tussen de instellingen in het LZV.

Onderzoek RZO

Voor de advisering op het gebied van wetenschappelijk onderzoek naar aandoeningen die verband houden met uitzendingen is door de raad een Programma Advies Commissie Onderzoek (PACO) ingesteld. De PACO heeft een uniforme wijze van beoordeling van wetenschappelijk onderzoek vastgelegd. Hiermee worden door de MGGZ en de Universiteit van Utrecht binnen het samenwerkingsverband geformuleerde onderzoeksvoorstellen beoordeeld.

Monitor belasting en zorg

Met behulp van de «Monitor Belasting en Zorg» wil Defensie inzicht krijgen in de invloed van het militaire beroep op de werknemer en zijn thuisfront. Met mijn brief van 14 januari 2011 (Kamerstuk 30 139, nr. 85) heb ik de Kamer geïnformeerd over de resultaten van het eerste onderzoek. Na deze rapportage is onderzoek uitgevoerd naar de belasting van militairen van CLSK en CZSK tijdens missies, de belasting voor het thuisfront, het welzijn van de militairen en de personeelszorg.

De resultaten van dit onderzoek zijn overwegend positief. Militairen zijn zeer gemotiveerd tijdens uitzendingen en de voorbereiding daarop. De meeste medewerkers en hun thuisfront zijn tevreden over de beschikbare zorg. Ik zal de Kamer op korte termijn informeren over de uitkomsten van de tweede rapportage van de Monitor.

Materiële zorg voor oorlogs- en dienstslachtoffers

Het Zorgloket MOD bij het ABP bestaat sinds 2007. Het aantal hulpvragen bij dit Zorgloket is, na de aanvankelijke toename in de afgelopen jaren, in 2011 stabiel gebleven. In tabel 6 is de ontwikkeling van de zorgvraag en het aantal cliënten van het Zorgloket weergegeven.

Sinds 1 januari 2012 worden bij samenloop van een militair invaliditeitspensioen en een WIA uitkering, beide uitkeringen door het Zorgloket MOD uitbetaald. Dat is al het geval wanneer sprake is van samenloop van een militair invaliditeitspensioen met een WAO uitkering. De verzekeringsartsen van het zorgloket MOD voeren sinds 1 juli 2008 de medische beoordelingen van het dienstverband en de invaliditeit bij de veteraan uit volgens de protocollen WIA-IP, PTSS en LOK. Door de invoering van de medische protocollen kan aan oorlogs- en dienstslachtoffers op een bepaald moment duidelijkheid over hun rechtspositionele aanspraken worden geboden.

De onafhankelijke pensioen- en verzekeringsautoriteit bewaakt de kwaliteit en de eenduidigheid van deze beoordelingen. De kwaliteit en de rechtmatigheid van de beoordelingen zijn in het afgelopen jaar verder vergroot.

Met mijn brief aan de Kamer van 9 maart jl. (Kamerstuk 33 000 X, nr. 83) heb ik de Kamer geïnformeerd over de resultaten van het betrouwbaarheidsonderzoek naar de schattingsmethodiek van het PTSS protocol. Dit onderzoek is uitgevoerd door het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en heeft aangetoond dat de nieuwe schattingsmethodiek uit het PTSS protocol betrouwbaar is. De klankbordgroep die het onderzoek heeft getoetst is daarnaast tot de conclusie gekomen dat de methodiek valide is.

Afstemming Zorgloket MOD en LZV

De verzekeringsartsen van het Zorgloket MOD hebben als taak de klachten van militaire oorlogs- en dienstslachtoffers te vertalen in beperkingen en die uit te drukken in een invaliditeitspercentage. Behandelend artsen analyseren de gezondheidstoestand van een militair oorlogs- of dienstslachtoffer met het oog op de behandeling van de klachten. Het is van belang dat deze verschillende rollen en taken over en weer bekend zijn. Om dit te bevorderen, overleggen artsen van het Zorgloket MOD en het LZV regelmatig.

Letselschadeclaims

Het aantal schadeclaims is stabiel gebleven. De behandeling van letselschadeclaims is in 2011 beïnvloed door de aangekondigde financiële regeling voor het inlossen van de ereschuld voor invalide veteranen. In afwachting van de regeling is de behandeling van een groot aantal zaken aangehouden. Een overzicht van de claims is opgenomen in tabel 4.

Uitgaven voor de zorg

De defensiebegroting bevat een overzicht van de uitgaven voor het veteranenbeleid. Voor de zorg voor veteranen en oorlogs- en dienstslachtoffers is voor 2012 € 111 miljoen begroot.

Hoofdstuk 4 Wetenschappelijk onderzoek

Onderzoek geestelijke gezondheidszorg

In het kader van de geestelijke gezondheidszorg voor militairen worden drie onderzoeken uitgevoerd. Het betreft een onderzoek naar prospectie in stress gerelateerd militair onderzoek (PRISMO, gereed 2018), een onderzoek naar de biologische effecten van traumatische ervaringen (BETER, gereed 2015) en het promotieonderzoek Slaap en PTSS (gereed 2012). Voorts wordt onderzoek uitgevoerd bij de Universiteit Utrecht naar de plasticiteit van aversieve herinneringen (gereed 2014).

Onderzoek Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG)

Het UMCG verricht op dit moment vergelijkend onderzoek naar de door Defensie gebruikte methodiek om de invaliditeit bij psychisch getraumatiseerde militairen te schatten en de recent in de Verenigde Staten geïntroduceerde systematiek. Deze is beschreven in de zesde druk van de American Medical Association -guides. Deze richtlijnen worden veelvuldig in Nederland het gebruikt door civiele keuringsartsen bij de beoordeling van letselschade. De resultaten worden in het najaar van 2012 verwacht.

Onderzoek naar schade door blast-incidenten

Tijdens het mondelinge vragenuur van 22 mei jl. heeft het lid Holtackers (CDA) de resultaten van een onderzoek uit de Verenigde Staten aan de orde gesteld. Het betrof hierbij een onderzoek naar de relatie tussen blast-incidenten en hersenbeschadiging bij militairen. Ik heb bij de beantwoording uiteengezet dat Defensie een eigen onderzoek uitvoert naar deze effecten. Indien daartoe aanleiding is, zullen de resultaten van het Amerikaanse onderzoek hierbij worden betrokken. Ook wordt bezien wat de effecten van uitrusting en het gebruik van voertuigen zijn op de gevolgen van blast-incidenten. Zodra de resultaten van dit onderzoek bekend zijn, ontvangt de Kamer deze met mijn appreciatie.

Uitgaven voor het wetenschappelijk onderzoek

De defensiebegroting bevat een overzicht van de uitgaven voor het veteranenbeleid. Voor onderzoeken op het gebied van de MGGZ in 2012 is

€ 550 000 begroot.

Hoofdstuk 5 Lessons learned (na) zorg Nederlandse inzet bij de ISAF missie 2006–2010

Uit de evaluatie van de Nederlandse inzet bij de ISAF missie 2006–2010 van 28 september 2011 (Kamerstuk 27 935, nr. 436) is gebleken dat de organisatie van de nazorg en het zorgtraject naar behoren functioneert. De commandant kan zijn centrale rol daarin met de beschikbare instrumenten goed invullen. Wel is de regelgeving Sociaal Medisch Team (SMT) aangescherpt. Regelgeving en beleid op het gebied van (na)zorg geven voldoende houvast. Defensie neemt maatregelen om de commandant blijvend te ondersteunen bij zijn verantwoordelijkheden op het gebied van (na)zorg. Onder meer door hier tijdens opleidingen aandacht aan te geven. De professionaliteit en betrokkenheid van hulpverleners dragen bij aan de kwaliteit van de nazorg. Ten slotte is gebleken dat de (na)zorg voor het thuisfront goed is geborgd en in de praktijk tot tevredenheid bij het thuisfront leidt.

Ketencoördinatie

Een belangrijk verbeterpunt is de afstemming tussen de zorgverleners en het toezicht op het zorgtraject voor militairen. Verantwoordelijkheden, bevoegdheden en taken moeten beter worden beschreven. Verder blijkt uit de evaluatie dat de informatievoorziening voor en tussen de verschillende zorgverleners kan worden verbeterd. Ik bestudeer ook de mogelijkheid voor een gezamenlijk en deugdelijk informatiesysteem.

Uitzendduur

Bij de ISAF-missie werd voor eenheden een uitzendduur van vier tot zes maanden. Voor eenheden en individuen die (fysiek of mentaal) zwaar werden belast, hanteerde Defensie een uitzendduur van vier maanden. Het vaststellen van de uitzendduur is maatwerk. Hierbij worden de operationele-, personele-, opleiding, logistieke- en internationale wensen en consequenties betrokken.

Adaptatie, afwikkeling, nazorg

Met het adaptatieprogramma wordt de missie voor de militair afgesloten en wordt hij voorbereid op de terugkeer naar het normale leven in Nederland. Deze periode wordt door de meeste deelnemers positief ervaren. Een aandachtspunt hierbij is dat de militair in eenheidsverband kan deelnemen aan de adaptatie. Voorts vraagt informatieoverdracht van het sociaal medisch team (SMT) in het inzetgebied naar het SMT op de adaptatielocatie de aandacht. In de toekomst vindt betere afstemming plaats tussen de operationele commandanten en de leiding van het adaptatieteam. Omdat de aard van missies uiteenloopt, zal het adaptatieprogramma in modules worden aangeboden zodat de militair kan deelnemen aan een programma dat passend is voor zijn situatie. Het programma voor individueel uitgezonden militairen wordt gekoppeld aan het adaptatieprogramma van de uitzendeenheid. De inspanningen van de thuisfrontorganisatie zijn door de kleinschalige en persoonlijke aanpak door deze groep als waardevol beoordeelt.

Hoofdstuk 6 Overige onderwerpen

Veteranenregistratiesysteem (VRS)

Het VRS wordt gebruikt om de gegevens van veteranen te registreren. Het systeem biedt de mogelijkheid om in contact te blijven met veteranen en hen te informeren over activiteiten op het gebied van erkenning en waardering of vanwege zorg. In de rapportageperiode heeft Defensie gegevens ter beschikking gesteld voor wetenschappelijk onderzoek en de vulling van het Cliënt Zorgsysteem van ABP met uitzendgerelateerde informatie. In 2011 zijn aan 278 gemeenten gegevens uit het VRS ter beschikking gesteld voor het organiseren van veteranenactiviteiten. Tenslotte heeft het Veteraneninstituut adresgegevens gebruikt voor het uitnodigen van veteranen voor reünies en voor het benaderen van 23 000 niet-veteranenpashouders.

Samenwerking met de politie op het gebied van erkenning, waardering en zorg

Defensie werkt op veel gebieden samen het ministerie van Veiligheid en Justitie. Zo wordt samengewerkt op het gebied van kleden, opleiden en uitzenden van politiepersoneel. Voor de samenwerking tijdens de Kunduz-missie is een Zorgprotocol Vredesmissies afgesloten. Ook kijkt de politie in het kader van het Programma Versterking Professionele Weerbaarheid naar het defensiesysteem van erkenning, waardering en zorg.

Ten slotte

Terugkijkend is het afgelopen jaar een mijlpaal bereikt voor de veteranen. De wet die op initiatief van de Kamer tot stand is gebracht, geeft de veteranen de erkenning en zorg die hen toekomt. Naast het uitvoeren van het bestaande beleid wil ik de komende periode mijn aandacht richten op het implementeren van de Veteranenwet en de uitkering van de ereschuld. Een belangrijk element van de Veteranenwet is het oprichten van het veteranenloket waar onder meer de zorgcoördinatie en het inrichten van de zorgcoördinatie voor postactieve en actieve veteranen zal worden uitgevoerd. Daarbij zullen ook de huidige zorgpartners worden betrokken.

Defensie bezit unieke deskundigheid en capaciteit op het gebied van omgaan met traumatische gebeurtenissen. Niet alleen op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg maar ook op het gebied van geneeskundige zorg in het Centraal Militair Hospitaal en de revalidatie in het Militair Revalidatie Centrum. Defensie stelt deze deskundigheid maar ook capaciteit graag ter beschikking aan andere sectoren.

Eind van dit jaar wordt een Symposium Toekomst Veteranenland georganiseerd over de samenstelling van het veteranenlandschap en de behoefte aan erkenning, waardering en (na)zorg over tien jaar. De resultaten van dit symposium zullen worden betrokken bij de verdere invulling van het veteranenbeleid. Ook wil ik de samenwerking met andere partijen die zich bezig houden met erkennen, waarderen en herdenken uitbreiden.

De minister van Defensie, J. S. J. Hillen

Bijlage 1 Veteranennota 2011–2012 gegevens veteranenbeleid

Tabel 1: Overzicht postactieve veteranen op grond van trendanalyse
 

1990

2005

2010

2015 (prognose)

WO2

135 000

16 500

5 000 

2 000

Nederlands -Indië

120 000

60 000

35 000 

20 000

Nieuw-Guinea

27 000

20 000

15 000

13 000

Korea

3 000

2 000

1 000

500

Vredesmissies

8 000

47 500

 55 000

70 000

Totaal

293 000

146 000

 111 000

105 500

(Bron Vi, standdatum 010412)

Tabel 2: Aanvragen Herinneringsmedailles Vredesoperaties

HVO (alle gespen)

2007

2008

2009

2010

2011

Totaal

6 740

6 878

7 334

5 047

2 458

(Bron: «Chapeau!» – HDP/Afdeling Decoratiebeleid & Toekenning Onderscheidingen, standdatum 010412)

Tabel 3: Aantal toegekende insignes

Insignes

2007

2008

2009

2010

2011

Draaginsigne Gewonden (postactief)

101

87

100

55

42

Draaginsigne Gewonden (actief)

123

117

41

43

22

Gevechtsinsigne

n.v.t.

n.v.t.

1

3 025

747

(Bron: «Chapeau!» – HDP/Afdeling Decoratiebeleid & Toekenning Onderscheidingen, standdatum 010412)

Tabel 4: Overzicht letselschadeclaims en procedures

Letselschadeprocedures

2007

2008

2009

2010

2011

Lichamelijk letsel

413

481

518

425

370

Ongevallen

 

212

208

140

129

Asbest

 

113

75

67

48

Medische kunstfouten

 

62

48

34

33

Lichamelijk onverklaarbare klachten

28

27

23

19

16

Straling

4

7

2

1

1

PX 10

 

18

128

134

108

Overig

 

42

34

30

35

Psychisch letsel

292

303

329

328

394

Waarvan stuitingen

166

123

55

88

363

Totaal

705

784

847

753

764

Uitzendinggerelateerde claims in behandeling

125

152

318

348

410

Nieuw ingediende claims

192

148

270

114

119

Waarvan uitzend gerelateerd

166

45

34

37

58

Lopende procedures

2007

2008

2009

2010

2011

Totaal

705

784

847

753

764

Stuitingen

166

123

55

88

363

Subtotaal

539

661

792

665

401

Primaire fase

388

499

638

556

290

Bezwaarfase

95

105

107

78

82

Beroep bij de Rechtbank

32

36

35

23

21

Hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep

24

21

12

8

8

(Bron DCJDV afdeling claims standdatum 010312)

Tabel 5: Kengetallen maatschappelijk werk
 

2008

2009

2010

2011

Aantal vragen om informatie/advies

     

400

Aantal inschrijvingen voor hulpverlening

708

761

763

879

Aantal uitschrijvingen voor hulpverlening

522

749

847

785

Aantal dossiers per 01 januari 2011

1 111

1 297

1 309

1 225

Aantal dossiers per 31 december 2011

1 297

1 309

1 225

1 319

(Bron Vi, standdatum 010412)

Tabel 6: Kengetallen materiële zorg, aantal cliënten Zorgloket MOD
 

2010

2011

Aantal dossiers per 1 januari

753

869

Instroom

619

723

Uitstroom

553

738

Aantal dossiers per 31 december 2011

819

854

Toelichting: Het verschil in de aantallen cliënten eind 2010 en begin 2011 is een gevolg van een veranderde meetmethode. In 2010 werd nog gerapporteerd over afgeronde zorgplannen en met ingang van 2011 wordt er gerapporteerd over aantallen cliënten, ook als er nog geen zorgplan is opgesteld.

(Bron ABP, standdatum 010412)