30 131
Nieuwe regels betreffende maatschappelijke ondersteuning (Wet maatschappelijke ondersteuning)

nr. 122
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 oktober 2006

Op 26 oktober jongstleden heb ik met uw Kamer gesproken over de voortgang bij de implementatie van de Wmo. Tijdens dat overleg heb ik u toegezegd de afspraken met de VNG en met Actiz aan u te melden. Tevens heb ik u toegezegd een eerste analyse te geven van de realisatiecijfers huishoudelijke verzorging van de eerste 6 perioden van 2006. Tot slot is een aantal vragen onbeantwoord gebleven in de eerste termijn van het Algemeen Overleg.

Arbeidsmarktbeleid

Voordat ik inga op bovenstaande onderwerpen, wil ik reageren op berichten over de gevolgen van de aanbesteding huishoudelijke verzorging. De primaire verantwoordelijkheid voor de arbeidsvoorwaardelijke zaken ligt bij de sociale partners. Ik herhaal graag wat ik daarover in de Kamer heb gezegd: in die verantwoordelijkheid van de sociale partners kan en wil ik niet treden. In de debatten die ik met uw Kamer over de Wmo mocht voeren, is het punt van nieuwe aanbieders na de aanbesteding nadrukkelijk en uitgebreid aan de orde geweest. Na rijp beraad is er besloten om in de Wmo geen wettelijke verplichting tot overname van personeel op te nemen. De ruimte om hierover afspraken te maken, zo luidde de conclusie, kan en moet primair aan de sociale partners worden gelaten of secundair aan de aanbesteder (ofwel de gemeente). Aan die conclusie houd ik vast. Dat laat onverlet dat er ook vanuit de Rijksoverheid een betrokkenheid op macro niveau is bij het arbeidsmarktbeleid in de zorg. Vanuit die betrokkenheid, maar met een scherp zicht op en respect voor de te onderscheiden verantwoordelijkheden, wil ik mijn bijdrage leveren om mogelijke knelpunten weg te werken. In dat verband heb ik afspraken gemaakt met Actiz en de VNG:

Afspraken met Actiz

In een recent gevoerd bestuurlijk overleg met Actiz heb ik afgesproken dat wij samen zullen bezien op welke manier we de beoogde extra uitbreiding van 3000 arbeidsplaatsen in de zorg kunnen koppelen aan het voor de zorg behouden van diegenen die mogelijk ontslagen worden bij aanbieders die er niet in geslaagd zijn bij de gemeente een opdracht te verwerven én waar geen afspraken zijn gemaakt over de overname van personeel. Juist omdat de krapte op de arbeidsmarkt het niet eenvoudig maakt om de 3000 plaatsen op te vullen, zal ik met Actiz bekijken waar hier de kansen liggen. Ook wordt bekeken hoe de VNG hierbij betrokken gaat worden. Op zeer korte termijn vindt nader overleg plaats om te komen tot een concrete invulling.

Afspraken met de VNG

Overname personeel

Op 30 oktober heb ik een bestuurlijk overleg gevoerd met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Daarbij is aan de orde geweest dat het ook het belang van gemeenten kan zijn om nieuwe aanbieders te vragen dat personeel wordt overgenomen. Vaak gaat het om ervaren krachten, waarvan de deskundigheid en ervaring goed ingezet kan worden en waarvan de schaarste op de arbeidsmarkt de komende tijd alleen maar zal toenemen. Bovendien zit geen enkele gemeente te wachten op werkloze inwoners. Mij is gebleken dat de gemeenten zich hiervan zeer wel bewust zijn. De VNG zal u over de invulling van hun rol in deze per brief informeren.

Kwaliteit

In het bestuurlijk overleg met de VNG heb ik ook gesproken over de kwaliteit van de huishoudelijke verzorging en het toezicht daarop. De VNG is bereid om hierover, samen met VWS, met de IGZ in overleg te treden. Dit met het oog op een zo effectief en efficiënt mogelijk rol van de IGZ. Daarbij wordt tevens bezien hoe de gemeenten naast alle andere instrumenten die men heeft in het kader van kwaliteitsborging (zoals kwaliteitsonderzoek) van extra informatie over kwaliteit kan worden bezien.

Overdracht van cliëntgegevens

In het algemeen overleg dat ik op 26 oktober jl. met u voerde, kwam ook het punt van de overdracht van cliëntgegevens van zorgkantoren naar gemeenten aan de orde. Tijdens het implementatieproces kwam onlangs naar voren dat hier sprake is van «ruis» in de bestanden, bijvoorbeeld omdat mensen verhuisd zijn. Inmiddels heb ik in overleg met de VNG een taskforce in het leven geroepen om er voor te zorgen dat gemeenten tijdig kunnen beschikken over «schone» bestanden. Ik heb hiervoor € 5 miljoen extra beschikbaar gesteld. In het bestuurlijk overleg met de VNG van hedenochtend is besproken dat voor diegene die onverhoopt door de mazen van het net dreigen te schieten, gemeenten een adequate voorziening zullen treffen.

Realisatie cijfers productie 2006

Het CAK heeft op mijn verzoek realisatiecijfers over de eerste 6 perioden van 2006 aan iedere gemeente geleverd. Dit om optimaal voorbereid te zijn om hun taken vanaf 1 januari 2007. Ik heb het CAK gevraagd de gemeenten de komende maanden te blijven informeren over de productie 2006 om ook de ontwikkelingen in de overige maanden van 2006 goed te kunnen volgen.

Sommige gemeenten maken zich zorgen over de gegevens van het CAK in relatie tot het gekozen ijkjaar 2005 en het budget voor de Wmo in 2007. U heeft daarom gevraagd om een eerste analyse van de gegevens.

Ook ik ben geïnteresseerd in de verklaringen voor de groei van het aantal uren huishoudelijke verzorging. Een gedegen analyse van de gegevens kost echter meer tijd. Ik wil de gegevens van het CAK ook bezien in het licht van de rapportage van de Zorgautoriteit die in augustus 2006 is verschenen. Daaruit bleek o.a. dat de oorzaak van de groei van de extramurale zorg in de AWBZ in 2006 vooral een groei van ondersteunende en activerende begeleiding betrof.

Om alvast enig beeld te krijgen van de feiten, heb ik wel een quickscan gemaakt van de gegevens. Een groot aantal van de gemeenten met een groei van 15% of meer betreft kleinere gemeenten. Honderd uur meer zorg leidt in kleinere gemeenten tot relatief grotere verschuivingen. Opvallend is dat de grootste verschuivingen zich voordoen in Drenthe, Friesland en Noord-Brabant.

In 122 gemeenten is de stijging van het aantal uren huishoudelijke verzorging in de eerste zes perioden van 2006 meer dan 15%. Bij 19 gemeenten daarvan is de stijging meer dan 50%. Niet zozeer het aantal cliënten dat huishoudelijke verzorging ontvangt is gestegen, maar het aantal uren dat een cliënt gemiddeld ontvangt. Daarnaast lijkt er een verschuiving te zijn van persoonlijke verzorging naar huishoudelijke verzorging. Dit zagen we bij andere gemeenten al in 2005. Mogelijke oorzaken van de groei van het aantal uren huishoudelijke verzorging, die in elk geval onderzocht zullen moeten worden zijn: de invloed van het aanpassen van de bekostigingssystematiek, meer levering aan de bovenkant van de bandbreedte, een ruimere indicatiestelling of een verschuiving van de inzet van personeel. Ik kan op dit moment nog niet beoordelen in welke mate deze mogelijke oorzaken zich voordoen. Bovendien moet naast het aantal uren zorg ook de tariefsontwikkeling in ogenschouw worden genomen voor een uitspraak of het budget 2007 toereikend zal zijn.

Uitgangspunt is dat de individuele burger geen last mag hebben van de invoering van de Wmo. De burger heeft namelijk- in het kader van het overgangsrecht – op basis van een geldige indicatie recht op huishoudelijke hulp. Het budget van gemeenten moet vervolgens voldoende zijn om deze zorg ook te kunnen bieden. Daarover heb ik een financieel arrangement met als ijkjaar 2005 afgesproken met de VNG. Ik houd vast aan dat financiële arrangement; gemeenten hebben op basis van dit arrangement voldoende budget om op een goede manier te starten met de Wmo.

De gegevens van het CAK die net beschikbaar zijn gekomen geven mij uiteraard wel aanleiding een gedegen analyse te plegen op de gegevens over 2006 en de oorzaken van de groei te onderzoeken. De opdracht voor het onderzoek zal ik samen met de VNG formuleren. De resultaten komen begin maart beschikbaar, zodat deze zonodig, meegenomen kunnen worden bij het opstellen van de meicirculaire in 2007. Ik informeer u over de resultaten.

Beantwoording vragen eerste termijn AO 26 oktober 2006

Budget Wmo

De gemeenten, de Kamer en ik kijken kritisch naar het beschikbare budget voor de Wmo vanaf 1 januari 2007. Gemeenten krijgen taken over en willen daar ook een adequaat budget voor. Ik begrijp dat maar al te goed. De gemeenten moeten in staat worden gesteld om de Wmo succesvol uit te kunnen voeren. Voor een succesvolle uitvoering heb ik met de VNG en met de fondsbeheerders een solide financieel arrangement opgesteld. De hoofdpunten van dit arrangement zijn:

a. Schoon aan de haak: de betrokken financiële middelen gaan zonder korting over naar de gemeenten, met het met de VNG afgesproken 2005 als ijkjaar.

b. Een reële indexering voor 2006 en 2007 op basis van de ontwikkeling van het aantal extramurale 75+-ers.

c. Een nominale indexering voor 2006 en 2007 die recht doet aan de verwachte prijsontwikkeling.

d. Een onafhankelijke derde die de jaarlijkse gemeentelijke uitgaven aan huishoudelijke zorg monitort en op basis van wiens bindend advies het budget wordt bijgesteld.

e. Een verdeling van de middelen die geleidelijk overgaat van historische naar objectieve grondslag.

f. Een reële vergoeding voor invoerings- en uitvoeringskosten.

Het budget wordt in 2007 over de gemeenten verdeeld op basis van de historische verdeling uit het ijkjaar 2005. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente realisatiecijfers over 2005 .

Op dit moment actualiseert het bureau Cebeon het objectieve verdeelmodel met de meest recente gegevens over het ijkjaar 2005. Het verdeelmodel was opgesteld op basis van realisatiegegevens 2004. De effecten van dit verdeelmodel zijn per gemeente verschillend. Voor de ene gemeente pakt het positief uit, voor de andere negatief. Het objectieve verdeelmodel abstraheert van de bestaande uitvoeringspraktijk en houdt rekening met de objectieve factoren: leeftijd, samenstelling van het huishouden, inkomen, arbeidsgerelateerde zorgbehoeften en geografische factoren. Op basis van deze criteria vindt een geleidelijke correctie plaats in de verdeling. De selectie van deze factoren is door KPMG in de zogenaamde «plausibiliteitstoets» adequaat bevonden.

Cebeon vergelijkt de geactualiseerde objectieve verdeling per gemeente met de historische verdeling. Als die gegevens bekend zijn, bespreek ik met de VNG en de fondsbeheerders het ingroeitraject om na 2008 van het historische verdeelmodel over te gaan naar het objectieve verdeelmodel. Tevens zal ik de gemeenten en u informeren over het verschil tussen het historische budget en de uitkomsten van het geactualiseerde verdeelmodel.

Eigen bijdrage

Tijdens het algemeen overleg zijn er vragen gesteld over de aftrek van de geheven eigen bijdragen. In het Bestuurlijk Overleg met de VNG van 30 oktober is afgesproken om de inhouding van eigen bijdragen op het Wmo budget vast te stellen op basis van wat er onder het AWBZ regime in 2005 is opgelegd aan eigen bijdragen op huishoudelijke verzorging. Dit betekent concreet dat er een bedrag van €174 mln. wordt ingehouden en niet de in de septembercirculaire genoemde €197 mln. Gemeenten krijgen daarmee een hoger budget voor de Wmo overgeheveld dan per septembercirculaire 2006 was vastgesteld. De correctie van de budgetten zal plaatsvinden in de meicirculaire 2007. Gemeenten zijn daardoor dus niet gedwongen de maximale eigen bijdragen te heffen.

Algemeen verbindend verklaren van de cao Thuiszorg

In het algemeen overleg is gesproken over de rol van het kabinet bij het algemeen verbindend verklaren van cao’s. De rol van het Rijk daarbij is indirect en beleidsarm. Het zijn de sociale partners zelf die hier de belangrijkste rol spelen. De Stichting van de Arbeid adviseert de minister van SZW bij het algemeen verbindend verklaren van een cao. De minister van SZW hanteert daarbij een beleidsarm toetsingskader dat met een inbreng van de sociale partners is opgesteld. Het initiatief tot het algemeen verbindend verklaren ligt dus altijd bij de sociale partners en niet bij het kabinet. En het zijn, naast de formele criteria uit het toetsingskader, met name bezwaren van belanghebbende sociale partners die gevolgen kunnen hebben voor de wijze waarop het werkingssfeerartikel van de cao algemeen verbindend wordt verklaard.

In de situatie dat zowel de cao thuiszorg als de cao schoonmaak algemeen verbindend is, dan strekt de werkingssfeer van beide cao’s zich uit over schoonmaakwerkzaamheden. In dit geval doet zich het volgende voor. Iemand die werkt voor een thuiszorgorganisatie en eenvoudige hulp bij het huishouden biedt, valt onder de cao thuiszorg. Iemand die voor een schoonmaakbedrijf werkt en eenvoudige hulp bij het huishouden biedt valt onder de cao schoonmaak. Een niet aan de thuiszorgwerkgeversorganisatie of schoonmaakwerkgeversorganisatie gebonden werkgever, die eenvoudige hulp bij het huishouden biedt, kan kiezen tussen beiden algemeen verbindend verklaarde cao’s, omdat de werkzaamheden beschreven in de twee cao’s nagenoeg gelijk zijn. Als de sociale partners bij beide cao’s daar niet samen een oplossing voor zoeken, zal de situatie blijven bestaan dat er voor schoonmaakwerkzaamheden een keuze bestaat tussen twee sector-cao’s. Als zo’n ongebonden werkgever geen formele dispensatie heeft geregeld voor deze twee cao’s, is er dus in ieder geval één van de twee sector-cao’s van toepassing.

Huishoudelijke verzorging voor mensen met een verblijfsindicatie

Zoals ik u in de brief van 25 oktober jongstleden heb aangekondigd, zal de zorgzwaartebekostiging, en daarmee de volledige zorg thuis (tot voor kort full package genoemd), in kunnen gaan op 1 april 2007. Evenals u, vind ik het van belang dat mensen met een verblijfsindicatie die daar geen gebruik van maken, zo min mogelijk last moeten hebben van het feit dat niet eerder dan 1 april 2007 de volledige zorg thuis ingaat. Daarom zal ik het CIZ opdracht geven om de indicaties die mogelijk voor 1 april 2007 aflopen administratief te verlengen tot 1 mei 2007. Door de indicatie administratief te verlengen tot 1 mei 2007, houden deze cliënten met een verblijfsindicatie gewoon recht op huishoudelijke verzorging volgens het overgangsrecht in de Wmo. Dit betekent dat de huishoudelijke verzorging ook voor deze groep gedurende deze looptijd door de gemeenten wordt verzorgd, waarmee het recht voor deze cliëntengroep onaangetast blijft. De cliënt moet hier geen last van ondervinden. De gemeenten dragen zorg voor de levering van de huishoudelijke verzorging; de cliënt hoeft hier geen aparte aanvraag voor in te dienen. In april 2007 worden deze mensen geherindiceerd voor een zorgzwaartepakket waarmee de volledige zorg thuis vanuit de AWBZ wordt gerealiseerd.

Alphahulpen informeren

Tijdens het algemeen overleg werd aandacht gevraagd voor het informeren van de mensen met alphahulp. Alle cliënten die huishoudelijke verzorging krijgen, ontvangen van hun zorgkantoor een brief waarin de komst van de Wmo wordt aangekondigd en de hoofdlijnen van de veranderingen staan. Op zeer korte termijn worden met de VNG afspraken gemaakt hoe diegene die alphahulpen in dienst hebben, geïnformeerd wordt.

Stichting de Ombudsman over de modelverordening van de VNG

Op 20 oktober hebben de Manifestpartijen een brief naar uw Kamer gezonden, waarin zij verwijzen naar een analyse van de stichting De Ombudsman. U heeft mij gevraagd een reactie te geven op de punten die aan de orde komen in de brief van de Stichting De Ombudsman.

De brief gaat over de modelverordening van de VNG en de vraag of de modelverordening zich verdraagt met de letter en geest van de wet. Mijn conclusie is, dat de modelverordening, die overigens als zodanig geen juridische status heeft, niet strijdig is aan de wet. Elke gemeenten is daarbij zelf verantwoordelijk voor het vaststellen van de eigen verordening. De modelverordening is hierbij slechts een hulpmiddel. Ik benadruk, wellicht ten overvloede, dat een gemeentelijke verordening nooit strijdig mag zijn aan de wet. Zij mag een uitleg van de wet geven, maar die mag nooit leiden tot een inperking van rechten die aan de wet kunnen worden ontleend. De gemeente bepaalt op welke wijze zij, binnen het kader van de Wmo beperkingen compenseert, de rechter toetst in individuele gevallen of de gemeente dat op een behoorlijke manier heeft gedaan. Zoals ik reeds eerder met uw Kamer alsook met de Eerste Kamer heb gewisseld, zal ik niet aarzelen een gemeentelijke verordening die strijdig is aan de Wmo, voor vernietiging door de Kroon voor te dragen. In bijlage 1 ga ik nader in op de punten van de Stichting De Ombudsman.

Tot slot

Op 1 januari treedt de Wmo in werking. De Wmo draagt de gemeente op om compensatie te bieden. Ook in de situatie waarin een nieuwe aanbieder onvoldoende personeel zou hebben om de hulp bij het huishouden te bieden. Er is dan sprake van een in gebreke blijven van de aanbieder. Dit ontslaat de gemeente echter niet van de verplichting de hulp bij het huishouden te regelen.

Een goede en zorgvuldige invoering van de Wmo is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de gemeenten en van mijn Ministerie. Maar ook de leden van uw Kamer en de Eerste Kamer hebben nadrukkelijk aangegeven bij de invoering van de Wmo betrokken te willen blijven zijn. Ik zal u daarom na het eerste kwartaal van 2007 een analyse van de stand van zaken sturen. Hierbij zal ik onder andere ingaan op het functioneren van de cliëntenraden.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

C.I.J.M. Ross-van Dorp

BIJLAGE1

De Stichting De Ombudsman geeft bij brief van 19 oktober, gericht aan de Chronisch zieken en Gehandicapten Raad, een juridische onderbouwing van de analyse van de VNG-modelverordening door de CG Raad. Ten behoeve van de manifestpartijen heeft het CSO deze brief ingebracht voor het AO van 26 oktober jl.

Voor wat betreft de VNG-modelverordening merk ik allereerst op, dat de modelverordening als zodanig geen juridische status heeft. Het is een hulpmiddel dat de VNG heeft ontwikkeld opdat gemeenten, indien zij dat wensen, hun plaatselijke verordening op het model kunnen baseren. Het spreekt voor zich, dat een gemeentelijke verordening nooit strijdig mag zijn aan de wet. Zij mag de wet uitleggen ten behoeve van de praktijk, maar die uitleg mag niet leiden tot een inperking van rechten die aan de wet kunnen worden ontleend. Het is aan de rechter om in individuele gevallen te toetsen. Ik heb meermalen, zowel schriftelijk als tijdens debatten met Eerste en Tweede Kamer, aangegeven dat ik niet zal aarzelen een gemeentelijke verordening die strijdig is aan de Wmo, voor vernietiging door de Kroon voor te dragen. Tot op heden is mij evenwel niet één verordening onder de aandacht gebracht die geheel of gedeeltelijk strijdig is aan de letter of de geest van de wet.

Onderstaand volgt een reactie op de opmerkingen uit de brief van Stichting De Ombudsman.

Algemeen

De Stichting De Ombudsman stelt dat «de modelverordening op veel punten vaag is en onduidelijk en soms ronduit in strijd is met de Wmo». Ter illustratie verwijst de brief naar de woorden «snel en adequaat» die regelmatig in de verordening voorkomen, terwijl deze woorden niet in de wet staan. Het woord «snel» zou de indruk wekken «dat met een hap-snap voorziening kan worden volstaan waarbij kwaliteit niet van belang is».

De woorden snel en/of adequaat komen op enkele plaatsen in het VNG-model voor. Artikel 9 vermeldt bijvoorbeeld dat hulp bij het huishouden kan worden verkregen indien die hulp de beperkingen of problemen die iemand ondervindt, «snel en adequaat kan oplossen».

Ik kan mij evenwel niet vinden in de redenering dat het gebruik van deze woorden zou afdoen aan de kwaliteit van de voorziening. Het komt mij voor dat iemand met een zorgvraag juist gebaat is bij een snelle en adequate oplossing van het probleem.

Compensatieplicht

De Stichting De Ombudsman stelt dat het compensatiebeginsel als neergelegd in artikel 4 Wmo, in de modelverordening tekort wordt gedaan.

De toelichting op de modelverordening benadrukt dat het compensatiebeginsel als zodanig niet in de wet is gedefinieerd. Daarom heeft de VNG in haar model met gebruikmaking van de toelichting op het artikel 4 en het advies van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (advies van 28 januari 2005), een nadere invulling van het begrip gegeven. Zolang die nadere invulling niet strijdt met de wet of rechten inperkt, is daar naar mijn mening niets op tegen.

Keuzevrijheid en algemene versus individuele voorzieningen

De Stichting De Ombudsman verwijst naar de keuzevrijheid die op diverse plaatsen in de wet is opgenomen. Zo bepaalt artikel 6 dat personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening, de keuze hebben tussen het ontvangen van de voorziening in natura of een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget (pgb) tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. De brief stelt dat de modelverordening op diverse plaatsen spreekt over een «kan-bepaling». Dit zou in strijd zijn met de wet omdat aldus de indruk wordt gewekt dat de gemeente een zekere vrijheid krijgt toegedicht voor het al dan niet bieden van de keuze.

In juni dit jaar heb ik met de VNG heb gesproken over de modelverordening en de wijze waarop de VNG de wet heeft «vertaald». Ik heb hierbij benadrukt dat de verordeningen van de individuele gemeenten, al dan niet met gebruikmaking van het VNG-model, er niet toe mogen leiden dat de keuzevrijheid van een burger die recht heeft op een individuele voorziening, wordt ingeperkt. De VNG heeft naar aanleiding van dat overleg de toelichting op de verordening verduidelijkt. Eventuele nieuwe onduidelijkheden zal de VNG overigens in de modelverordening 2008 herstellen.

Artikel 4 Wmo draagt de gemeente op om ten behoeve van het compenseren van beperkingen, «voorzieningen te treffen» zodat de betrokkene aan de samenleving kan participeren. De wet bepaalt evenwel niet wannéér het om individuele voorzieningen moet gaan noch dat daarvan steeds sprake zou moeten zijn. Om te bewerkstelligen dat het, zoals de VNG stelt, «snel en regelarm veel voorkomende eenvoudige voorzieningen» kan treffen, heeft de VNG in de modelverordening het begrip algemene voorzieningen opgenomen. Dit zijn voorzieningen die de gemeente organiseert, inkoopt en ter beschikking stelt (...)». Ter illustratie noemt de verordening «steunpunten, depots, pools, waar de betreffende voorzieningen op voorraad worden gehouden (...)» en die met «een minimum aan procedures kunnen worden aangeboden: met geen of slechts een lichte toegangstoets en zonder eigen bijdragen».

De regering heeft in de nadere Memorie van antwoord gesteld dat de wet het begrip voorliggende collectieve voorziening niet kent. Het is echter de gemeente die in het systeem van de Wmo bepaalt hoe een beperking het best kan worden gecompenseerd. Indien een individuele voorziening niet nodig is ter compensatie van de beperkingen, kan dat op een andere manier gebeuren zonder dat sprake hoeft te zijn van strijd met de wet. Als de gemeente dat in onvoldoende mate doet, zal eventueel de rechter de gemeente daarop uiteindelijk corrigeren. Is wel een individuele voorziening nodig, dan dient de gemeente vanzelfsprekend de keuze te bieden tussen het ontvangen van de voorziening in natura of een pgb. Daarover bestaat geen misverstand.

Het voordeel voor de burger die zo’n algemene voorziening krijgt, is een voorziening die zijn beperking compenseert, waartoe hij zonder administratieve rompslomp toegang heeft en waarvoor, in tegenstelling tot de individuele voorziening, géén eigen bijdrage is verschuldigd.

International Cassification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF)

De brief verwijst naar de ICF-classificatie en hetgeen de regering hierover in de Memorie van antwoord heeft opgemerkt. De Ombudsman is teleurgesteld dat deze classificatie niet in de modelverordening is opgenomen. In de memorie van antwoord heeft de regering gezegd dat in de geactualiseerde handreiking over toegang, gemeenten geadviseerd zullen worden om gebruik te maken van de ICF-classificatie. De regering heeft inderdaad gesteld dat deze classificatie in de modelverordening «wordt opgenomen». Ik constateer dat dit niet is gebeurd. Mijn voorkeur om hiervan gebruik te maken, blijft als advies aan de gemeenten overeind. Wellicht ten overvloede wijs ik erop, dat de ICF-classificatie als zodanig geen rechten creëert; het geeft voor alle zaken die voor mensen met beperkingen van belang zijn, standaardtermen waardoor een eenduidige communicatie wordt vergemakkelijkt.

Artikel 4 Wmo en mantelzorg

De Stichting De Ombudsman schrijft dat de modelverordening niet spreekt over ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers, wijzend op het belang van deze groep.

De definitie van wat onder maatschappelijk ondersteuning moet worden verstaan, en uitgangspunt voor een rechter in een eventueel geding, is die van de wet. Geen partij betrokken bij implementatie van de wet, mag een recht dat voortvloeit uit die wettelijke definitie, inperken. De verordening spreekt in artikel 9 wel degelijk over hulp bij het huishouden indien de mantelzorgen problemen heeft bij het uitvoeren van die mantelzorg. Het is uiteindelijk aan de rechter om in individuele gevallen te beoordelen of een gemeente een zorgvuldige toepassing heeft gegeven van de wet.

Naar boven