nr. 146
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 juli 2008
Hiermee beantwoord ik de vragen die uw vaste Commissie van Verkeer en
Waterstaat bij brief heeft gesteld over de reistijdverbetering op de Noord-Oost
corridor (08-VW-B-131, 19 juni 2008).
Ik hecht er waarde aan te vermelden dat de bijlage met de reistijdanalyse
voor de corridor Utrecht – Zwolle, zoals die was bijgevoegd bij de brief
over het op kortere termijn mogelijk maken van een snelheidsverhoging naar
160 km/uur van 10 juni 2008 (kamerstuk 29 984, nr. 138), eerder
aan uw Kamer verzonden is op 12 september 2006, als bijlage bij een brief
over de dienstregeling 2007 (kamerstuk 29 984, nr. 75).
1. Bij de reistijdverbeteringen op de Noord-Oost corridor (29 984,
nr. 115 en 122) zijn alleen voorstellen gedaan voor maatregelen ten noorden
van Zwolle. Deelt u de mening dat dit niet leidt tot reistijdverbeteringen
op de corridor Utrecht-Zwolle?
1. Bij de studie van NS en ProRail naar infrastructurele reistijdverbetermaatregelen
maakte het baanvak Amersfoort – Zwolle deel uit van het onderzoeksgebied
(als onderdeel van de corridor Amersfoort – Zwolle – Groningen/Leeuwarden).
In de bijlage met de reistijdanalyse voor de corridor Utrecht – Zwolle
is het onderzoek naar verbetermogelijkheden uitgewerkt. Uit het onderzoek
zijn voor wat betreft het deeltraject Amersfoort – Zwolle geen mogelijke
infrastructurele reistijdverbetermaatregelen naar voren gekomen, die pasten
binnen de randvoorwaarden van het onderzoek (op korte termijn maakbaar, inpasbaar
in de dienstregeling en passend binnen beschikbare middelen). Derhalve bevat
het ProRail-rapport alleen maatregelen ten noorden van Zwolle. Voor wat betreft
het pakket infrastructurele reistijdverbetermaatregelen zelf (zoals vastgesteld
tijdens het AO van 10 april 2008) geldt dat deze niet tot reistijdverbetering
leidt voor de reizigers die specifiek en alleen op de corridor Zwolle –
Amersfoort – Utrecht reizen. Echter, infrastructurele maatregelen vormen
slechts één van de mogelijke zoekrichtingen. Zoals ook aangegeven
in de brief over dienstregeling 2007 (kamerstuk 29 984, nr. 82) is één
van de andere zoekrichtingen het dusdanig aanpassen van de brugopeningstijden
dat reistijdwinst kan worden geboekt. Zoals ook gemeld bij de voortgang van
de reistijdverbetermaatregelen (kamerstuk 29 984, nr. 92) heeft een aanpassing
van de brugopeningstijden van de IJsselbrug bij Zwolle per 10 juni 2007
geresulteerd in een reistijdwinst van 2 minuten. Daarvan profiteren dagelijks
circa 38 000 reizigers. Ik deel de mening dan ook niet dat er op de corridor
Utrecht – Zwolle geen reistijdverbeteringen zijn geïncasseerd.
2. Klopt het dat bij de analyse van de aandachtscorridor Utrecht–Zwolle
in de LMCA-Spoor (29 644, nr. 85) alleen gekeken is naar de frequenties
op basis van de productmodellen, maar niet naar de reistijd?
2. In het kader van de LMCA Spoor is onderzocht hoe de gevolgen van
hoogfrequent rijden op de focuscorridors doorwerken in de (trein)reistijden
voor de landsdelen, de treinaantallen (frequentie) en regelmaat (kamerstuk
29 644, nr. 85 en kamerstuk 29 984, nr. 109). Het beeld alsof er
in de LMCA-Spoor alleen gekeken is naar de frequentie herken ik derhalve niet.
3. Klopt het dat er hiermee nog geen integrale analyse is gedaan
van verbetering van zowel de reistijd als de frequenties op de corridor Utrecht–Zwolle?
Deelt u de mening dat er ook nog geen beeld is van mogelijke positieve gevolgen
voor de IC-knoop te Amersfoort en voor de aansluiting van de Veluwse stoptrein
op de IC naar Utrecht en daarmee voor de reistijd van de reizigers tussen
de Veluwse stations en Utrecht Centraal (zoals aangekondigd in de brief van
12 september 2006, 29 984, nr. 75)?
3. De brief van 12 september 2006 betrof nadrukkelijk alleen
de korte termijn. Voor de periode tot 2012 geldt de situatie zoals die beschreven
is en integraal geanalyseerd is in de brief van 12 september 2006. Voor
de lange termijn (periode na 2012; opening Hanzelijn) is in de LMCA Spoor
gewerkt met drie kwaliteitsniveaus in de vorm van productmodellen. In een
integrale analyse zijn (trein)reistijden, treinaantallen (frequentie) en regelmaat
onderling vergeleken voor elk de productmodellen (kamerstuk 29 984, nr.
109). De mening dat er geen integrale analyse is gedaan en er geen beeld is
van mogelijke positieve gevolgen voor de IC-knoop te Amersfoort en voor de
aansluiting van de Veluwse stoptrein op de IC naar Utrecht deel ik dan ook
niet. Voor alle drie de gedefinieerde kwaliteitsniveaus blijkt er, als gevolg
van de opening van de Hanzelijn en de ruimte die hierdoor ontstaat, reistijdverbetering
mogelijk voor de gehele corridor Utrecht – Zwolle (zowel voor intercity-
als sprinterreizigers).
4. Klopt het dat in geen van de analyses nog een frequentie van 4
Sprinters per uur tussen Utrecht en Zwolle, zoals genoemd in de motie Slob
c.s. (29 984, nr. 67) is onderzocht?
4. Neen. De Sprinterverbinding Utrecht – Zwolle wordt nu twee
maal per uur aangeboden. Een eventuele verhoging van het aanbod (zoals naar
bijvoorbeeld vier Sprinters per uur) moet passen bij de vervoervraag. Die
afstemming van vraag en aanbod is een verantwoordelijkheid van NS, die is
vastgelegd in de vervoerconcessie. Met het oog op de korte termijn (periode
tot 2012) is er in 2006 inderdaad geen onderzoek gedaan naar het verhogen
van het aanbod naar 4 Sprinters per uur op de gehele corridor Utrecht –
Zwolle, omdat de marktvraag dit aanbod niet rechtvaardigt (kamerstuk 29 984,
nr. 74). Met het oog op de lange termijn is in de LMCA-Spoor een productmodel
uitgewerkt en geanalyseerd waarin 4 Sprinters tussen Utrecht, Amersfoort en
Harderwijk zijn opgenomen. Het productmodel past bij de regionale ambities
zoals geformuleerd binnen Randstadspoor. Het doortrekken van 4
Sprinters vanuit Harderwijk tot aan Zwolle is in de LMCA-Spoor niet onderzocht,
omdat ook op de langere termijn de marktvraag dit aanbod op dit specifieke
deel van de corridor niet rechtvaardigt.
5. Bent u bereid de in vraag 3 genoemde integrale analyse te doen
in samenhang met het onderzoek zoals gevraagd in de aangenomen motie Slob
c.s. 29 984, nr. 67? Wanneer kan de Kamer de resultaten ontvangen?
5. Zoals ook aangegeven bij het antwoord op vraag 3 is een integrale
analyse voor zowel de korte als de lange termijn reeds uitgevoerd. Daarnaast
vormt de kwaliteit van de reistijd naar de landsdelen één van
de speerpunten voor het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (kamerstuk 29 644,
nr. 85). De afstemming van vraag en aanbod is, zoals ook aangegeven bij het
antwoord op vraag 4, een verantwoordelijkheid van NS, die is vastgelegd in
de vervoerconcessie. De verlichting die de opening van de Hanzelijn geeft,
zal de spoorsector gebruiken om de dienstregeling op de corridor Utrecht –
Zwolle integraal te herontwerpen. De situatie rondom de Veluwse Sprinterstations
heeft hierbij uiteraard de aandacht. Het verhogen van het aanbod zal, waar
dit gerechtvaardigd is vanuit de marktvraag, hierin meegenomen worden. Ik
acht een nieuwe integrale analyse / onderzoek daarom niet nodig en beschouw
de motie Slob c.s. als afgehandeld.
De minister van Verkeer en Waterstaat,
C. M. P. S. Eurlings