Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200629936 nr. 11

29 936
Regels inzake beëdiging, kwaliteit en integriteit van beëdigde vertalers en van gerechtstolken die werkzaam zijn binnen het domein van justitie en politie (Wet gerechtstolken en beëdigde vertalers)

29 482
Interdepartementaal Beleidsonderzoek: Tolken en Vertalers: aanbevelingen voor een kwalitatief goed en financieel beheersbaar stelsel

nr. 11
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 27 maart 2006

Binnen de vaste commissie voor Justitie1 hebben enkele fracties de behoefte over de brief van de ministers van Justitie en voor Vreemdelingenzaken en Integratie d.d. 29 maart 2005 inzake het rapport «Praktisch en Effectief» van de Commissie Kwaliteitseisen Tolken en Vertalers (29 936, 29 482 nr. 7) enkele vragen en opmerkingen voor te leggen. Bij brief van 24 maart 2006 heeft de minister deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

De Pater-van der Meer

Adjunct-griffier van de commissie,

Van Bemmel

I VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

Algemeen

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat voor het goed functioneren van de rechtstaat van belang is dat ook de mensen die onze taal niet machtig zijn, hun weg in ons rechtsbestel kunnen vinden. Gezien ook de afhankelijkheid van niet-Nederlandstaligen van tolken en vertalers is het van belang dat de integriteit van deze beroepsgroepen is gewaarborgd. Genoemde leden ondersteunen dan ook de conclusie van het rapport dat er minimumeisen aan tolken en vertalers in het justitiële domein moeten worden gesteld.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat in de begeleidende brief wordt gesteld dat de adviezen van de commissie een belangrijk fundament vormen voor de nadere uitwerking van het Wetsvoorstel gerechtstolken en beëdigde vertalers. Een regeringsstandpunt ten aanzien van de kwaliteitseisen zal echter pas in de nota naar aanleiding van het verslag kenbaar worden gemaakt. Het Kwaliteitsinstituut moet, volgens de brief, tijdig ingericht zijn om haar beoogde taken te kunnen waarmaken en de noodzakelijke betrokkenheid van de branche en de afnemers adequaat vorm te geven. De adviezen van de Commissie over de taken en het organisatiemodel zullen hierbij, zo vervolgt de brief, een belangrijke leidraad vormen. Wat betekent dit volmondig «ja» in de praktijk? Kan een tijdspad worden aangegeven van de oprichting van dit Kwaliteitsinstituut in het licht van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel?

De Commissie constateert in het voorwoord dat het justitiële domein als omschreven in haar instellingsbesluit niet gelijk is aan de diensten en instanties die worden bestreken door het Wetsvoorstel gerechtstolken en beëdigde vertalers. Waarom is gekozen voor verschillende omschrijvingen, zo vragen deze leden.

De leden van de D66-fractie krijgen de indruk dat de onderhavige brief, evenals het Wetsvoorstel gerechtstolken en beëdigde vertalers, vooral is geschreven met vertalers en tolken op het gebied van politie en justitie voor ogen. Daarmee wordt voorbij gegaan aan het feit dat een groot deel van de tolken en vertalers niet voor politie en justitie werkt, maar voor het bedrijfsleven. De tolken en vertalers die werken voor het bedrijfsleven vertalen notariële akten, diploma’s, verzekeringen, contracten, certificaten, technische documenten en software. Organisaties uit het veld van tolken en vertalers spreken hun grote zorg uit dat aan dit feit voorbij wordt gegaan. Graag een reactie op deze constatering.

Kwaliteitseisen tolken en vertalers in het justitiële domein

De leden van de CDA-fractie merken op dat de Commissie het niet tot haar taak heeft geacht om de inschrijvingseisen voor het Register vast te stellen. Had de minister van Justitie daar wel op gerekend? Hoe zullen die inschrijvingseisen nu worden geformuleerd?

De leden van de CDA-fractie constateren dat de Commissie benadrukt dat voor de verschillende competenties specifieke inschrijvingseisen moeten gelden en dat niet voor alle talen dezelfde inschrijvingseisen kunnen worden gesteld. Deelt de minister van Justitie deze visie? Zo ja, betekent dat dan dat voor tolken en vertalers die buiten het justitiële apparaat zullen werken, andere inschrijvingseisen komen te gelden? Genoemde leden zouden wel daarvoor willen pleiten.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe in de toekomst, dus na het laten vervallen van artikel 11 Wet gebruik Friese taal in het rechtsverkeer, voldaan kan worden aan de kwaliteitseisen die aan een tolk-vertaler Fries moeten worden gesteld. Bestaat er een opleiding voor gerechtstolken en beëdigde vertalers Fries? Als dat het geval is, kan deze dan worden beschouwd als een erkende opleiding tolken en vertaler Fries? Zo neen, waarom niet?

Deze leden merken voorts op dat de eigenschappen die een rol spelen bij de selectie van een tolk of vertaler bij justitieafnemers door de Commissie worden beschouwd als extra competenties. Derhalve maken ze geen deel uit van de vereiste competenties voor inschrijving in het Register. Ze kunnen wel in het Register worden vermeld. Het is echter onduidelijk hoe, wanneer en door wie deze extra competenties zouden moeten worden getoetst. Kan het aspect van extra competenties nader worden toegelicht? Wat beschouwt de minister van Justitie als extra competenties en wat niet?

Hoe verhoudt de afnameplicht van justitiële diensten zich tot dit advies van de Commissie?

Ten aanzien van de vereiste competenties zijn er voor deze leden nog enkele onduidelijkheden. Gezien het belang van de inschrijvingseisen en competenties, gaan de leden van de PvdA-fractie ervan uit dat een eventuele verandering van eisen en competenties gepaard gaat met een ruime voorafgaande aankondiging en een zeer zorgvuldige overgangsregeling. Verder is het onduidelijk wat de relevantie is van taalvaardigheid in de Nederlandse taal voor een beëdigd vertaler die vertalingen maakt tussen twee vreemde talen. Kan de minister van Justitie nader op deze onduidelijkheden ingaan?

De leden van de D66-fractie merken op dat de gedeputeerde staten van Fryslân van mening zijn dat de minister van Justitie te weinig aandacht schenkt aan de praktische betekenis van artikel 11, lid 1 en 3, Wet gebruik Friese taal in het rechtsverkeer, voor de opleidings- en kwaliteitseisen van tolken en beëdigde vertalers Fries. Graag zien deze leden een reactie op dit punt.

Conclusies en aanbevelingen

De leden van de CDA-fractie merken op dat de Commissie concludeert dat voor kwalitatief adequate tolken en beëdigde vertalers ook een basiskennis van het Nederlandse en vreemde rechtsstelsel moet worden gevraagd. Hoe ver reikt deze kennis in de ogen van de minister van Justitie? Hoe ver reikt de «grondige kennis van het Nederlandse en vreemde rechtsstelsel» die gevraagd zal worden bij justitieafnemers?

Het rapport concludeert voorts dat de maatstaven tot validering en standaardisering van het beheersingsniveau met betrekking tot de vereiste competenties nog volop in ontwikkeling zijn. Kan dit betekenen dat de eisen die worden gesteld aan tolken en vertalers die buitenlanders moeten helpen voor Nederlandse rechtbanken, hoger kunnen zijn dan de eisen die worden gesteld aan de tolken die de Nederlandse onderdanen zullen bijstaan tijdens processen in het buitenland. Wat is de minister van Justitie voornemens om te bewerkstelligen dat de Nederlandse onderdanen die in het buitenland worden bijgestaan door tolken en vertalers in ieder geval van gelijke kwaliteit zijn als de tolken en vertalers die in Nederland worden ingezet?

Deelt de minister van Justitie de aanbeveling van de Commissie om tolken en vertalers die niet aan het vereiste beheersingsniveau voldoen, toch via het Register beschikbaar te stellen? Zo ja, waarom? Per slot van rekening zijn, aldus deze leden, in het rapport de minimumeisen opgenomen. Uiteraard zien de leden van de CDA-fractie in dat het kan zijn dat er anders in het geheel geen tolk of vertaler beschikbaar zou kunnen zijn. Maar is het dan niet beter om van de ingeschreven tolken en vertalers, die niet voldoen aan de minimumeisen, te vragen zich bij te scholen.

Deelt de minister van Justitie het advies van de Commissie om het Kwaliteitsinstituut tolken en vertalers, die het organisatorische kader voor de kwaliteitsborging moet bieden, te vormen binnen uw verantwoordelijkheid? Zal dit Kwaliteitsinstituut dan voor alle tolken en vertalers gelden? De minister van Justitie stelt dat dit Kwaliteitsinstituut tijdig ingericht moet zijn. Aan welke termijn denkt hij?

De Commissie beveelt aan een gedragscode voor tolken en vertalers op te stellen. Het verbaast genoemde leden dat deze nog niet beschikbaar is. Zal de minister van Justitie zich actief bemoeien met het opstellen van de gedragscode, of laat hij dat volledig aan de branche over? Op welke termijn wenst de minister van Justitie deze code gereed te hebben?

Het valt de leden van de CDA-fractie op dat geen woord wordt gewijd aan het toezicht op de kwaliteit van de tolken en vertalers. Kan de minister aangegeven hoe hij dat voor ogen heeft?

II REACTIE VAN DE MINISTER

1. Algemeen

De vraag van de leden van de PvdA-fractie over het Kwaliteitsinstituut wordt bij de antwoorden op de vragen uit paragraaf «Conclusies en aanbevelingen» behandeld, aangezien de leden van de CDA-fractie aldaar ook enige vragen stellen over dit instituut.

a. Omschrijving justitieel domein

De leden van de PvdA-fractie vragen naar het verschil in omschrijving van het justitiële domein. De omschrijving in het instellingsbesluit van de Commissie Kwaliteitseisen tolken en vertalers verschilt inderdaad van de diensten en instanties die door het wetsvoorstel worden bestreken. Onder het justitiële domein vallen niet alleen politie, openbaar ministerie, gerechten en de advocatuur, maar ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, IND en Koninklijke Marechaussee. De omschrijvingen verschillen omdat op het moment van instelling van de commissie nog niet geheel duidelijk was welke organisaties onder het wetsvoorstel zouden vallen.

De leden van de D66-fractie krijgen de indruk dat onder andere in het wetsvoorstel gerechtstolken en beëdigde vertalers voorbij wordt gegaan aan het feit dat een groot deel van de tolken en vertalers niet voor politie en justitie werkt. Deze leden willen hierop graag een reactie gelet op het feit dat dit het veld grote zorgen baart.

Het wetsvoorstel bevat waarborgen voor enerzijds het optreden van tolken bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten en de uitvoering van de vreemdelingenwet, en anderzijds het optreden van de beëdigde vertalers. Voor de praktijk van de beëdigde vertalers geldt dat men dikwijls vertalingen verzorgt op terreinen die geen raakvlak hebben met het straf- of vreemdelingenrecht. Bij sommige vertalers leeft de vrees dat men straks een kennistoets op deze rechtsgebieden moet afleggen, terwijl men in zijn praktijk daar nooit mee in aanraking komt.

Dit misverstand willen wij graag wegnemen. Er is geen twijfel over het feit dat het werk van de beëdigde vertaler veel meer omvat dan het vertalen van stukken uit een strafdossier. Straf- en vreemdelingenzaken vormen slechts een fractie van het werk van de beëdigde vertaler. Het accent van de werkzaamheden ligt vanouds op het terrein van de civiele rechtspleging en de vrijwillige jurisdictie: zoals akten van de burgerlijke stand, diploma’s, notariële akten, contracten, certificaten. Kortom, beëdigde vertalingen zijn noodzakelijk voor veel juridische en financiële documenten. Van belang daarbij is dat de beëdigde vertaler door zijn handtekening en stempel de verantwoordelijkheid op zich neemt voor de echtheid (authenticiteit) van de tekst.

Bij de formulering van de eisen voor inschrijving in het register zal hiermee nadrukkelijk rekening worden gehouden. Overigens wijzen wij erop dat het voor gekwalificeerde tolken en vertalers die niet direct binnen het justitiële domein actief zijn toch aantrekkelijk kan zijn zich in het register te laten opnemen. Immers, zij kunnen zich hiermee profileren in een markt die voor afnemers lang niet altijd transparant is. In die zin is opname in het register voor tolken en vertalers ook een marketinginstrument, wat weer een positief effect op het aanbod kan hebben.

2. Kwaliteitseisen tolken en vertalers in het justitieel domein

a. Inschrijvingseisen

De vraag van de leden van de CDA-fractie of de minister van Justitie erop had gerekend dat de Commissie het tot haar taak had gerekend om de inschrijvingsvoorwaarden voor het register vast te stellen moet ontkennend worden beantwoord. In het instellingsbesluit van de commissie is in artikel 1, tweede lid, bepaald dat de commissie onderzoek doet naar de competenties die aan tolken en vertalers moeten worden gesteld. Een verdergaande opdracht is niet geformuleerd.

De leden van de fractie van het CDA vragen of wij de visie van de Commissie delen dat voor de verschillende competenties specifieke inschrijvingseisen moeten gelden en dat niet voor alle talen dezelfde inschrijvingseisen kunnen worden gesteld. Indien het antwoord op deze vraag bevestigend is, vragen deze leden of voor tolken en vertalers die buiten het justitiële apparaat zullen werken, andere inschrijvingseisen komen te gelden.

De vaststelling van de inschrijvingseisen geschiedt bij algemene maatregel van bestuur. Een ontwerp hiertoe is op 20 september 2005 ter consultatie voorgelegd aan de Nederlandse Orde van Advocaten, het College van Procureurs-generaal, de Koninklijke Marechaussee, de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Raad van Hoofdcommissarissen, de Nederlandse Beroepsvereniging Tolken Gebarentaal, het Nederlands Genootschap voor Tolken en Vertalers, de Alliantie van Tolken- en Vertalers Organisaties, Gedeputeerde Staten van Fryslân, ITV Hogeschool voor Tolken en Vertalen, Hogeschool West-Nederland voor Vertaler en Tolk, Stichting LOI Hogeschool, VERTOL Hogeschool voor Tolken en Vertalers, Hogeschool Zuyd, het Kernteam Kwaliteitsnormering Tolken en Vertalers en de Klachtenadviescommissie Tolken.

Bij de formulering van het ontwerpbesluit is rekening gehouden met het advies van de Commissie Kwaliteitseisen tolken en vertalers en de constructieve inbreng uit de consultatieronde. In het ontwerpbesluit zijn competenties opgenomen die voor alle tolk- en vertaaldiensten gelden indien die ten dienste staan van het justitiële domein. Beschrijving van kwaliteitseisen door middel van competenties is in lijn met ontwikkelingen in de beschrijving van beroepsprofielen. Het begrip competentie kan worden omschreven als een combinatie van kennis, vaardigheden, persoonlijkheidskenmerken en gedragingen. Een belangrijke overweging voor het hanteren van het begrip competentie is om een sterkere koppeling te leggen tussen opleiding en beroepspraktijk. Ter toelichting: het woord competent bevat in dit verband zowel de notie van deskundigheid en bekwaamheid («weten hoe ...») als van bevoegdheid die met deskundigheid samenhangt. Een competentie bestaat dan ook uit het vermogen te handelen in overeenstemming met de (deels impliciete) behoeften van de betreffende praktijk.

De tolk of vertaler dient over de volgende competenties te beschikken:

TolkVertaler
attitude van de tolkattitude van de vertaler
integriteitIntegriteit
taalvaardigheid in de brontaaltaalvaardigheid in de brontaal
taalvaardigheid in de doeltaaltaalvaardigheid in de doeltaal
kennis van de cultuur van het land of gebied van de brontaal en de doeltaalkennis van de cultuur van het land of gebied van de brontaal en de doeltaal
tolkvaardigheidVertaalvaardigheid

De competentie attitude kan enerzijds gekoppeld worden aan de verwerving van kennis en anderzijds aan de verwerving van vaardigheden. In het eerste geval kan attitude ook worden omschreven als alertheid/leergierigheid. In het tweede geval gaat het om de gedragskenmerken die in het professionele handelen van de tolk of vertaler moeten terugkomen. Hierbij dient onder meer te worden gedacht aan ethisch bewustzijn, kritische instelling en kwaliteitsbewustzijn.

Bij de competentie integriteit gaat het om de fundamentele en professionele relatie van de tolk of vertaler zowel ten overstaan van de opdrachtgever, als ten overstaan van de klant als ten opzichte van zichzelf. De verklaring omtrent het gedrag (VOG) vormt een belangrijke waarborg voor de competentie integriteit. Het Wetsvoorstel gerechtstolken en beëdigde vertalers stelt het overleggen van een VOG verplicht voor opname in het register. De borging van integriteit dient echter niet alleen op regelgeving te zijn gebaseerd. Van belang is ook het proces van integriteitbevordering. Dat proces zal toch vooral binnen de beroepsorganisaties vorm moeten krijgen. Daarvoor is nodig dat tolken en vertalers met elkaar discussiëren over wat in concrete praktijksituaties integer is en wat niet. Hoe men bijvoorbeeld omgaat met schriftelijke, mondelinge of digitale informatie van vertrouwelijke aard en wanneer privé-relaties kunnen gaan botsen met professioneel functioneren. Wat kan wél en wat kan niet in de omgang of samenwerking met rechters, officieren van Justitie, de politie of advocaten? Kortom, het is van belang dat binnen de beroepsorganisaties over ethische dilemma’s wordt gecommuniceerd en dat deze bespreekbaar worden gemaakt.

Bij taalvaardigheid gaat het om vier centrale deelvaardigheden: luisteren, spreken, schrijven en lezen. Deze zijn even relevant voor de beheersing van de Nederlandse als voor die van de vreemde taal.

Bij kennis van de cultuur van het land of gebied van de brontaal gaat het om algemene kennis van het land, kennis van alle courante informatiebronnen en kennis hoe daarvan gebruik te maken en kennis van cultuur in ruime zin (gebruiken, tradities en gewoontes). De tolk of vertaler zal deze kennis moeten hebben om de finesses te kunnen begrijpen.

Tot slot is – naast taalvaardigheid – het beschikken over specifieke tolk- en vertaalvaardigheden essentieel. Wat dit laatste betreft leeft wel de misvatting dat iemand die een taal gestudeerd heeft ook een goede tolk of vertaler is. Echter, een tolk of vertaler dient in staat te zijn een boodschap op de juiste manier te interpreteren. Hiervoor is onder meer begrip van de context nodig. Verder moet een onderscheid gemaakt worden tussen tolken en vertalers. Een tolk dient bijvoorbeeld in te staat zijn een grote concentratie langere tijd vol te houden, een boodschap en bedoeling accuraat weer te geven door de betekenis van die boodschap volledig te begrijpen (analytisch vermogen) en gesproken communicatie van variërende lengte accuraat weer te geven. Een vertaler dient een algemene tekst snel te begrijpen en de inhoudelijke vertaalmoeilijkheden met betrekking tot die tekst in te schatten.

De competenties zien op één algemeen kwaliteitsniveau en hebben daarom ook buiten het justitiële domein gelding. Afnemers buiten het justitiële domein kunnen aanvullende eisen stellen aan de voor hen van belang zijnde tolk- en vertaaldiensten. In dit verband ligt het niet in de rede voor verschillende competenties verschillende inschrijvingseisen te stellen, zoals de leden van de fractie van het CDA vragen.

b. Wetsvoorstel en Friese taal

De leden van de fracties van PvdA en D66 hebben vragen gesteld over de gevolgen van het wetsvoorstel voor de Friese taal. Gevraagd wordt hoe kan worden voldaan aan de kwaliteitseisen die aan een tolk-vertaler Fries moeten worden gesteld. In dit kader wordt ook gevraagd of er een opleiding voor gerechtstolken en beëdigde vertalers in het Fries bestaat alsmede naar de aandacht die aan de praktische betekenis van artikel 11, eerste en derde lid, van de Wet gebruik Friese taal in het rechtsverkeer wordt gegeven.

Bij of krachtens de wet zullen voor alle tolken en vertalers bepaalde basiseisen gelden waaraan moet worden voldaan om ingeschreven te worden in het register. Met gedeputeerde staten is besproken op welke wijze tolken en vertalers in de Friese taal kunnen aantonen over de in de wet vereiste competenties te beschikken. Het gebruik van het Fries in het rechtsverkeer, zoals dat door artikel 9 van het Europese handvest voor Regionale of Minderheidstalen wordt gegarandeerd, blijft onverkort van toepassing. Voor de Friese taal kan een reguliere taalopleiding worden gevolgd die resulteert in een diploma waarmee wordt voldaan aan een van de basiseisen voor inschrijving. Voor een nadere uiteenzetting over de consequenties van het wetsvoorstel voor de inschrijving van tolken en vertalers in de Friese taal in het register verwijzen wij graag naar het gestelde onder punt 5 van het verslag van een schriftelijk overleg inzake het interdepartementaal beleidsonderzoek tolken en vertalers (Kamerstukken II 2004/05, 29 936, nr. 10). Samengevat is daar aangegeven dat in samenwerking met de provincie Fryslân een voorziening zal worden getroffen met betrekking tot de wijze waarop tolken en vertalers de met hun vak samenhangende competenties kunnen aantonen.

c. Extra competenties

De leden van de PvdA-fractie vragen naar een toelichting op de extra competenties, die worden genoemd in het rapport van de Commissie Kwaliteitseisen tolken en vertalers. Het gaat om specifieke ervaring, kennis of vaardigheden. De commissie noemt als voorbeeldentaptolken of simultaantolken, respectievelijk de vaardigheid van het vertalen van contracten of inhoudelijke kennis van bijvoorbeeld dialecten of het handelsrecht. Voor een taptolk geldt bijvoorbeeld dat hij tijdens een opsporingsonderzoek behulpzaam moet zijn bij het ontcijferen van de onderlinge communicatie tussen verdachten en – dikwijls onbekende – derden. Deze tolkvariant vergt daarom een goede kennis van het taalgebruik in uiteenlopende (criminele) subculturen.

De in het ontwerpbesluit genoemde competenties zijn bedoeld als een waarborg voor de kwaliteit van de tolk en vertaler. De extra competenties zijn relevant voor de keuze van de gerechtstolk of beëdigde vertaler in een specifieke situatie. Daarom zijn afnemers ermee gediend wanneer deze extra competenties voor hen inzichtelijk zijn. Over de toetsing van de extra competenties, waarnaar dezelfde leden vragen, merken wij op, dat de rol van de beheerder van het register daarbij van secundair belang is. Het is aan de gerechtstolk of de vertaler om bij de beheerder van het register aan te tonen over een extra competentie te beschikken die voor afnemers bij hun selectie relevant is. De beheerder blijft verantwoordelijk voor opname van de gegevens in het register. De leden van de PvdA-fractie gaan er terecht van uit dat wijzigingen van eisen en competenties ruim voorafgaande aan de inwerkingtreding zullen worden aangekondigd en dat een zorgvuldige overgangsregeling in acht zal worden genomen. In dit kader moet bedacht worden dat wijzigingen nopen tot een wijziging van de thans in ontwerp zijnde algemene maatregel van bestuur. Hiervoor zal de gebruikelijke procedure worden gevolgd en zal een overgangstermijn in acht worden genomen om de tolken en vertalers de gelegenheid te geven aan de gewijzigde competenties te voldoen.

Naar aanleiding van de vraag van de PvdA-fractie naar de relevantie van taalvaardigheid in de Nederlandse taal voor een beëdigd vertaler die vertalingen maakt tussen twee vreemde talen merken wij op dat naar aanleiding van het advies van de Commissie Kwaliteitseisen tolken en vertalers het wetsvoorstel op dit punt is aangepast. Via de wijziging van artikel 3, tweede lid, in de nota van wijziging wordt thans gesproken van competenties, wat beter aansluit bij de praktijk van tolken en vertalers. Bij de competenties wordt gesproken van kennis van de brontaal en kennis van de doeltaal. Dit hoeft niet het Nederlands te zijn. Op deze wijze is het bijvoorbeeld mogelijk om ook als gerechtstolk voor de taalrichting Frans-Engels ingeschreven te worden of als beëdigd vertaler voor de taalrichting Turks-Deens.

3. Conclusies en aanbevelingen

De leden van de CDA-fractie vragen hoe ver de juridische kennis van tolken en vertalers dient te reiken. Bij een vertolking of vertaling in het justitiële domein zijn niet alleen linguïstische bekwaamheden en kennis van het taalgebruik in beide culturen van belang. De tolk of vertaler dient zich bewust te zijn van de diverse betekenissen die aan juridische termen kunnen worden gegeven. Een vertaalproces bestaat voor een belangrijk deel uit het zoeken naar synoniemen. Daarvoor is terminologische en procedurele kennis van zowel het Nederlandse als het betreffende vreemde rechtssysteem noodzakelijk. Het gaat derhalve niet om diepgravende juridische kennis, maar men moet zich wel bewust zijn van de context. In een gerechtelijke procedure is overigens ook een taak voor de rechter weggelegd om zich in begrijpelijke taal uit te drukken.

a. Kwaliteit tolken en vertalers in het buitenland

Naar aanleiding van de vraag van de CDA-fractie wat wij zullen doen om te bewerkstelligen dat tolken en vertalers in het buitenland van gelijke kwaliteit zijn als de tolken en vertalers die in Nederland werken, merken wij het volgende op.

Indien een verdachte de taal van het land van berechting niet machtig is hebben Staten op grond van het EVRM de plicht zorg te dragen voor een tolk of vertaler (het IVBPR bevat een vergelijkbare verplichting). Deze plicht behelst volgens de rechtspraak niet slechts de benoeming van een tolk of vertaler, maar ook een zekere verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hun werk. Het is naar het oordeel van de Nederlandse regering aan Staten zelf ter beoordeling op welke wijze zij vorm geven aan het recht op vertolking en vertaling voor verdachte in strafzaken en de borging van de kwaliteit, mits voldaan wordt aan de normen van het EVRM. Deze opvatting hangt samen met het feit dat Nederland het wenselijk acht staten de vrijheid te laten om een op de nationale omstandigheden afgestemde regeling te treffen. De organisatie van de beroepsgroep is daarbij een belangrijke factor. Een en ander laat onverlet dat de internationale uitwisseling van informatie en ervaringen de professionalisering van de beroepsgroep (verder) kan bevorderen. Mede met het oog hierop participeert ons departement in het project«Instruments for lifting language barriers in intercultural legal proceedings». Dit project – in het kader van het financieringsprogramma AGIS gesteund door de Europese Commissie – heeft als doelstellingen het ontwikkelen van een trainingsprogramma voor leden van het openbaar ministerie, rechterlijke macht en advocatuur gericht op een effectieve omgang met tolken en vertalers, het doen van voorstellen ter verbetering van de kwaliteit van tolken en vertalers die bij de behandeling van een strafzaak worden ingeschakeld.

b. Incidenteel voorkomende talen

Voor een antwoord op de vraag van de CDA-fractie inzake tolken en vertalers die niet voldoen aan het vereiste niveau om in aanmerking te komen voor inschrijving in het register merken wij het volgende op. Het aanbod van gerechtstolken en vertalers zal niet in alle gevallen in de vraag kunnen voorzien. Het is dan voor afnemers – binnen de door het wetsvoorstel gestelde grenzen – zaak om een andere tolk of vertaler in te schakelen. Deze situatie is door de Commissie Kwaliteitseisen tolken en vertalers geadresseerd. Het is niet voor alle tolken en vertalers mogelijk aan de inschrijvingscriteria te voldoen. Voor sommige talen is (nog) geen taalopleiding beschikbaar en kan de tolk of vertaler wegens het ontbreken van onafhankelijke deskundigen ten aanzien van de desbetreffende taal de kennis van de taal ook niet langs andere weg aantonen. De aanbeveling van de commissie op dit punt kent wel twee belangrijke beperkingen. In de eerste plaats kan informatie over deze groep tolken en vertalers geen onderdeel uitmaken van het register. In het register kunnen, zoals de commissie zelf al stelt, alleen gerechtstolken en beëdigde vertalers zijn opgenomen. Het gaat dus om informatie die naast het register aan afnemers beschikbaar wordt gesteld. In de tweede plaats geeft de commissie aan dat deze informatie alleen beschikbaar mag worden gesteld wanneer het register geen uitkomst biedt en de in het wetsvoorstel genoemde afnemers via de door het wetsvoorstel geboden mogelijkheid een andere tolk of vertaler dan een gerechtstolk of beëdigde vertaler mogen inzetten. Met de commissie zien wij het voordeel dat de afnemers van tolk- en vertaaldiensten kennis kunnen nemen van de gegevens van deze tolken en vertalers. Hiertoe wordt in het wetsvoorstel aan de Minister van Justitie de bevoegdheid toegekend een lijst bij te houden waarop de gegevens van deze tolken en vertalers worden bijgehouden. Daarbij achten wij het overigens wel aangewezen dat alleen van die tolk of vertaler informatie inzichtelijk wordt gemaakt die een recente VOG heeft overgelegd.

Wij zijn het met de vragenstellers eens dat de betreffende tolken en vertalers er goed aan doen zich alsnog voldoende te kwalificeren voor inschrijving in het register.

c. Kwaliteitsinstituut

De leden van de PvdA-fractie vragen in de paragraaf «Algemeen» een tijdpad te schetsen voor het op te richten kwaliteitsinstituut. De leden van de CDA-fractie stellen eenzelfde vraag in de paragraaf over conclusies en aanbevelingen. Voorts vragen de leden van de CDA-fractie of het advies van de Commissie Kwaliteitseisen tolken en vertalers gevolgd wordt het Kwaliteitsinstituut te vormen onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie. Tot slot vragen deze leden of het kwaliteitsinstituut voor alle tolken en vertalers zal gelden.

Het kwaliteitsinstituut krijgt tot taak een permanente bijdrage te leveren aan de kwaliteitsborging van het werk van alle tolken en vertalers.

De Minister van Justitie heeft krachtens de wet van 6 mei 1878, houdende bepalingen omtrent de beëdigde vertalers, reeds een verantwoordelijkheid voor alle vertalers. De nieuwe wet brengt daarin geen verandering. Daar komt op grond van het wetsvoorstel de verantwoordelijkheid bij ten aanzien van tolken binnen het domein van politie en justitie.

Voor beide beroepsgroepen is borging van de kwaliteit noodzakelijk. Daartoe krijgt het instituut een breed takenpakket, dat zal inhouden:

• zorgdragen voor de aanduiding van het vereiste niveau van de competenties waarover een tolk in – in ieder geval – het justitiële domein en een beëdigd vertaler dienen te beschikken;

• ontwikkelen en onderhouden van instrumenten van kwaliteitsborging;

• de Minister van Justitie gevraagd en ongevraagd adviseren over aanpassing van regelgeving, de effecten van beleid in de uitvoeringspraktijk en de werking van het stelsel;

• zorgdragen voor inbreng uit de beroepspraktijk bij het opstellen van competentieprofielen en eindtermen van de opleidingen;

• fungeren als kenniscentrum voor afnemers van justitiële diensten.

Gezien het takenpakket krijgt het instituut een brede samenstelling met vertegenwoordigers van zowel afnemers, aanbieders als onderwijs en wetenschap.

Het kwaliteitsinstituut zal de vorm krijgen van een permanente adviescommissie. Omdat het kwaliteitsinstituut geen bestuurstaak krijgt, dient het geen ZBO te worden. In de vormgeving zal dan ook worden vermeden dat het instituut die status krijgt. De permanente adviescommissie zal worden ingesteld door de Raad voor Rechtsbijstand ’s-Hertogenbosch. De administratieve organisatie van de raad voert het secretariaat van de commissie. Door aan te sluiten bij een bestaande werkorganisatie, worden continuïteit en kostenbesparing bevorderd.

De Raad voor Rechtsbijstand ’s-Hertogenbosch heeft eerder op verzoek van de Minister van Justitie een adviescommissie ingesteld, die adviseert over de uitvoering van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp). Deze commissie functioneert naar tevredenheid.

Wat betreft het tijdpad zal de Minister van Justitie korte termijn de Raad voor Rechtsbijstand ’s-Hertogenbosch verzoeken de permanente adviescommissie tolken vertalers in te stellen en samen te stellen uit vertegenwoordigers van afnemers (de Justitiële diensten), aanbieders (uit organisaties van tolken en vertalers) en onderwijs en wetenschap. Hierdoor zal de commissie binnen enkele maanden operationeel zijn. Tevens zal de raad worden verzocht de Minister van Justitie periodiek te informeren over de voortgang van de werkzaamheden van de commissie.

d. Toezicht op de kwaliteit van tolken en vertalers

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie over het toezicht op de kwaliteit van tolken en vertalers merken wij het volgende op. De Commissie Kwaliteitseisen tolken en vertalers stelt dat de primaire verantwoordelijkheid voor kwaliteitsborging bij de beroepsgroepen zelf ligt. Van belang voor het goed functioneren van tolken en vertalers is de preventie die uitgaat van een grotere aandacht van de beroepsgroep zelf voor het handhaven van de kwaliteit van haar dienstverlening. Wil een professionele integere beroepsuitoefening kunnen gedijen dan dient die primair door de beroepsorganisatie zelf te worden gewaarborgd. Een (meer) actieve opstelling van de beroepsgroep zal ertoe moeten leiden dat onze bemoeienis met tolken en vertalers beperkt wordt tot het stellen van algemene kaders in wet- en regelgeving.

De commissie beperkt zich daarom in haar rapport tot de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie voor de kwaliteitsborging in het stelsel. In de eerste plaats zullen wij aan deze verantwoordelijkheid invulling geven door permanente educatie door gerechtstolk en beëdigde vertaler een eis te laten zijn voor verlenging van de inschrijving in het register. In de tweede plaats kunnen de afnemers wel bepaalde aspecten van de inzet van de gerechtstolk en beëdigde vertaler beoordelen, zoals kennis van het Nederlands en aspecten van professionele integriteit en attitude. Sluitstuk van kwaliteitsborging, tenslotte, wordt gevormd door een klachtenbehandeling en de mogelijkheid tot doorhaling in het register, waarin het wetsvoorstel voorziet. Daarmee concentreert het toezicht op de kwaliteit van gerechtstolken en beëdigde vertalers zich binnen de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie, waarnaar deze leden vragen, op de inschrijving en doorhaling in het register.

e. Gedragscode

Naar aanleiding van een vraag van de CDA-fractie merken wij op dat het ook op de weg van de beroepsgroep zelf ligt om zich verder te professionaliseren en een gemeenschappelijke gedragscode op te stellen en een systeem van permanente educatie en intercollegiale toetsing te ontwikkelen. Het hiervoor genoemde kwaliteitsinstituut kan hierin een stimulerende rol spelen. Het voert te ver om een termijn te noemen waarbinnen een gemeenschappelijke gedragscode gereed moet zijn. Ter voorkoming van misverstanden: de verschillende beroepsorganisaties van tolken en vertalers hanteren momenteel elk wel een gedragscode. De inhoud van de verschillende gedragscodes loopt echter uiteen. Van belang is dat van een tolk en vertaler binnen het justitiële domein mag worden verwacht dat hij opereert vanuit een onafhankelijke positie. Als «communicatiedeskundige» dient hij zich strikt neutraal als intermediair tussen politie en justitie enerzijds en de verdachte of vreemdeling en zijn advocaat anderzijds op te stellen, opdat ook niet de indruk ontstaat dat hij met een van de partijen «gemene zaak» maakt.

Een vertolking of vertaling die gekleurd is ten behoeve van één der partijen voldoet niet aan de normen die wij aanvaardbaar achten. Dit behoort ook duidelijk in de gedragsregels tot uiting te komen.


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van de Camp (CDA), De Vries (PvdA), Van Heemst (PvdA), Dittrich (D66), Vos (GL), Rouvoet (CU), De Wit (SP), Albayrak (PvdA), Luchtenveld (VVD), Wilders (Groep Wilders), Weekers (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Verbeet (PvdA), ondervoorzitter, Wolfsen (PvdA), De Vries (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Eerdmans (LPF), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), Van Fessem (CDA), Straub (PvdA), Nawijn (Groep Nawijn), Visser (VVD), Azough (GL), Van Egerschot (VVD), Meijer (PvdA) en Vacature (SP).

Plv. leden: Jonker (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Timmer (PvdA), Lambrechts (D66), Halsema (GL), Van der Staaij (SGP), Van Velzen (SP), Tjon-A-Ten (PvdA), Van Baalen (VVD), Blok (VVD), Hirsi Ali (VVD), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Van Heteren (PvdA), Arib (PvdA), Buijs (CDA), Sterk (CDA), Kraneveldt (LPF), Joldersma (CDA), Van As (LPF), Ormel (CDA), Van Dijken (PvdA), Van Schijndel (VVD), Karimi (GL), Örgü (VVD), Kalsbeek (PvdA) en Vergeer (SP).