Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200629934 nr. 22

29 934
Voorstel van wet van de leden Wolfsen en Luchtenveld tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met de mogelijkheid van een dwangsom bij niet tijdig beslissen door een bestuursorgaan (Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen)

nr. 22
NADER GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID VAN SCHIJNDEL TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 20

Ontvangen 26 juni 2006

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

In artikel IIB vervalt de zinsnede: gedurende drie jaren na de datum waarop artikel 4.16 van die wet vervalt,.

Toelichting

De nadere wijziging is een gevolg van de nota van wijziging (29 934, nr. 21).

Dit amendement strekt er toe de Vreemdelingenwet 2000 alsmede het Soeverein Besluit d.d. 12 december 1813 (hierna tezamen: de Vreemdelingenwet) uit te zonderen van de werking van de dwangsomregeling. Daarvoor bestaan redelijke en objectieve gronden, gelegen in de aard van de beschikkingen op het gebied van het vreemdelingenrecht, de omstandigheden waaronder deze worden genomen, en de wettelijke systematiek.

Wat betreft beschikkingen op aanvragen van visa, waaronder begrepen machtigingen tot voorlopig verblijf, geldt dat de aanvragers in het buitenland verblijven en meestal in landen waar de levensstandaard lager ligt dan in Nederland. In sommige van die landen is € 20 per dag al een zodanig hoog bedrag, dat daarvan een prikkel tot oneigenlijk gebruik van de regeling zou uitgaan.

Bij asielaanvragen bestaat de vrees dat de dwangsomregeling een ongewenste aanzuigende werking zal hebben, mede omdat een dergelijke regeling in de ons omringende Europese landen niet bestaat. De regeling stelt immers een financieel voordeel in het vooruitzicht. Aanvragen die nu in andere EU-landen worden gedaan, zouden voor een deel naar Nederland kunnen verschuiven. Het behoeft geen betoog dat dit ongewenst is.

Aanvragen voor visa, machtigingen voor voorlopig verblijf en asielaanvragen vormen samen de overgrote meerderheid van de aanvragen die op grond van de Vreemdelingenwet moeten worden behandeld. In dat kader is van belang dat het uit oogpunt van zowel gelijke behandeling als wettelijke systematiek niet wenselijk is nader onderscheid te maken tussen groepen aanvragers van (verblijfs)aanvragen op grond van de Vreemdelingenwet (bijv. in verband met gezinshereniging of arbeidsmigratie). Gelet op het vorenstaande is het gerechtvaardigd de Vreemdelingenwet van de dwangsomregeling uit te zonderen.

Van Schijndel