29 934
Voorstel van wet van de leden Wolfsen en Luchtenveld tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met de mogelijkheid van een dwangsom bij niet tijdig beslissen door een bestuursorgaan (Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen)

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een doeltreffender middel te bieden tegen het niet tijdig nemen van een beschikking door een bestuursorgaan op een aanvraag of een bezwaarschrift;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Het opschrift van afdeling 4.1.3 komt te luiden:

AFDELING 4.1.3 BESLISTERMIJN EN DWANGSOM BIJ NIET TIJDIG BESLISSEN

B

Na het opschrift van afdeling 4.1.3 wordt ingevoegd:

§ 4.1.3.1 Beslistermijn

C

Na paragraaf 4.1.3.1 (nieuw) wordt een paragraaf toegevoegd, luidende:

§ 4.1.3.2 Dwangsom bij niet tijdig beslissen

Artikel 4:16

Deze paragraaf is van toepassing indien dit bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.

Artikel 4:17

1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig is gegeven, en het bestuursorgaan, na schriftelijk in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft een beschikking op de aanvraag te geven, is het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verschuldigd van € 20 per dag voor elke dag dat het in gebreke is. De dwangsom bedraagt niet meer dan € 1 000.

2. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop het bestuursorgaan van de aanvrager een ingebrekestelling heeft ontvangen.

3. Een ingebrekestelling kan worden verzonden zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een beschikking te geven.

4. Bezwaar of beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schorst niet de werking van de dwangsom.

5. Geen dwangsom is verschuldigd indien:

a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,

b. het niet tijdig beslissen te wijten is aan de aanvrager,

c. de aanvrager geen belanghebbende is, of de aanvraag kennelijk niet ontvankelijk of kennelijk niet gegrond is,

d. het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is een beschikking te geven, of

e. de aanvrager met uitstel akkoord is gegaan.

6. Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd.

7. De in het eerste lid bedoelde bedragen kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voorzover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.

Artikel 4:18

1. Het bestuursorgaan stelt de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

2. De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Artikel 4:19

1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag heeft mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voorzover de belanghebbende deze beschikking betwist.

2. De administratieve rechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep inzake de beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.

3. In beroep of hoger beroep legt de belanghebbende zo mogelijk een afschrift over van de beschikking die hij betwist.

4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening.

Artikel 4:20

Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde dwangsommen terugvorderen voor zover na de dag waarop de beschikking, bedoeld in artikel 4:18, eerste lid, is vastgesteld, nog geen vijf jaren zijn verstreken.

D

In artikel 7:14 wordt «hoofdstuk 4» vervangen door: hoofdstuk 4, met uitzondering van paragraaf 4.1.3.2,.

ARTIKEL II

1. Artikel 4:16 van de Algemene wet bestuursrecht vervalt vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet.

2. Met ingang van een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet en tot het tijdstip waarop artikel 4:16 van de Algemene wet bestuursrecht vervalt, brengt Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties elk jaar uiterlijk op 1 maart verslag uit aan de Staten-Generaal over de toepassing van artikel 4:16.

ARTIKEL III

Ten aanzien van het niet tijdig beslissen op een aanvraag of bezwaarschrift, ingediend voor het tijdstip waarop paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is geworden, blijft het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing.

ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

ARTIKEL V

Deze wet wordt aangehaald als: Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Justitie,

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Naar boven