Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201429924 nr. 101

29 924 Toezichtsverslagen AIVD en MIVD

Nr. 101 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 september 2013

De Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD/Commissie) heeft in het kader van haar taak als bedoeld in artikel 64, tweede lid, onder a, van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 (Wiv 2002) een onderzoek verricht naar de inzet van de afluisterbevoegdheid (artikel 25 Wiv 2002) en van de bevoegdheid tot de selectie van Sigint (artikel 27 Wiv 2002) door de AIVD. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de CTIVD een toezichtsrapport vastgesteld (rapportnummer 35). Dit rapport is deels openbaar, deels geheim. Het openbare deel van het toezichtsrapport en mijn reactie hierop bied ik u hierbij aan1. Het geheime deel van het rapport en mijn reactie op dit deel zend ik aan de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer.

De CTIVD constateert dat de AIVD bij de inzet van de afluisterbevoegdheid doordacht te werk gaat. Ik vind dat een belangrijke conclusie omdat de onderzochte bijzondere bevoegdheden ex artikel 25 en 27 Wiv 2002, diep kunnen ingrijpen op de privacy van personen. Tegelijkertijd concludeert de CTIVD dat in de uitoefening van deze bevoegdheden nog verbetering mogelijk is en geeft ook aan op welke manier dat zou kunnen. Ik stel deze zorgvuldige doorlichting zeer op prijs en volg de CTIVD waar mogelijk in haar aanbevelingen. Waar ik meen goede reden te hebben dat niet te doen, geef ik dat hierna aan.

Onderhavig onderzoek van de CTIVD betreft een vervolg onderzoek. Door de CTIVD is in 2009 voor het eerst een toezichtsrapport met betrekking tot dit onderwerp uitgebracht (rapportnummer 19). Vervolgens is in 2010 besloten jaarlijks een diepteonderzoek in te stellen, omdat op die wijze de Tweede Kamer meer zicht kan worden gegeven op de werkzaamheden en bevindingen van de CTIVD over dit belangrijke onderdeel van het werk van de AIVD. Het eerste rapport in dit kader is in 2012 verschenen (rapportnummer 31, Kamerstuk 29 924, nr. 86).

Het onderhavige rapport betreft derhalve het tweede toezichtsrapport naar aanleiding van het jaarlijks terugkerend diepteonderzoek en beslaat de periode van september 2011 tot en met augustus 2012.

De CTIVD heeft bij bestudering van de verzoeken om toestemming voor de uitoefening van de afluisterbevoegdheid en tot de selectie van Sigint niet alle verzoeken om toestemming onderzocht, maar heeft bijzondere aandacht gehad voor operaties die opvallend waren. Van deze operaties heeft zij de achterliggende documenten bekeken. Daarnaast heeft de CTIVD aandacht besteed aan operaties die zeer geheim gerubriceerd zijn of anderszins in een kleiner compartiment worden gedeeld dan gebruikelijk is. Het onderzoek van de CTIVD richt zich op de rechtmatigheid van het afluisteren en van de selectie van Sigint door de AIVD. Zij heeft de onderzochte operaties getoetst aan het geldende wettelijk kader, waarbij zij ook hetgeen zij in eerdere toezichtsrapporten heeft geconstateerd en aanbevolen heeft betrokken.

De CTIVD gaat in onderhavig rapport in op een procedure waarbij bij de inzet van artikel 25 Wiv 2002 twee parallelle motiveringen, een geheime en een zeer geheime, worden opgesteld voor één operatie. In haar voorgaande rapport (nummer 31) heeft de Commissie aanbevolen deze werkwijze niet toe te passen.

Deze aanbeveling heb ik eerder niet gevolgd omdat de werkwijze, mits juist en zorgvuldig toegepast, geen afbreuk doet aan het belang van een eenduidige en zorgvuldige motivering. De CTIVD heeft geconstateerd dat de Minister door de AIVD goed is geïnformeerd, maar dat in twee gevallen niet op eigen initiatief van de AIVD de zeer geheime motivering aan de Commissie is voorgelegd, zoals was toegezegd. Ik handhaaf het eerdere standpunt ten aanzien van deze werkwijze.

Wel zal ik er nadrukkelijk op toezien dat, zoals eerder toegezegd, in alle gevallen de zeer geheime motivering door de AIVD op eigen initiatief aan de CTIVD wordt voorgelegd.

De CTIVD merkt in haar rapport op dat in een aantal gevallen in de gemotiveerde aanvraag voor de verlenging van een tap aan de Minister van BZK is opgenomen dat een tap in de voorgaande periode een substantiële opbrengst heeft gehad maar dat de opbrengst nog nader moet worden geduid. In deze gevallen was sprake van het ontbreken van audiocapaciteit om de gesprekken te vertalen. De Commissie is van oordeel dat het begrip «opbrengst» hier te ver wordt opgerekt.

Opbrengst dient naar het oordeel van de CTIVD te worden gedefinieerd als zijnde relevant voor de beantwoording van een onderzoeksvraag van de AIVD of anderszins relevant voor een onderzoek van de dienst. Het kunnen vertalen en daardoor kunnen duiden van een gesprek acht de Commissie een noodzakelijke voorwaarde om te kunnen spreken van opbrengst. Ik sluit mij aan bij dit oordeel en volg deze aanbeveling.

Door de Commissie is het belang benadrukt om zo snel mogelijk relevante en niet relevante informatie verkregen middels een telefoontap, te scheiden en de laatste categorie niet langer uit te werken. De Commissie erkent dat ook gevoelige persoonlijke aangelegenheden relevant kunnen zijn. Echter, destijds terecht uitgewerkte tapverslagen die nadien niet relevant bleken te zijn, dienen naar het oordeel van de CTIVD te worden verwijderd en vernietigd ingevolge artikel 43 Wiv 2002. Indien bewaring noodzakelijk wordt geacht, doet de Commissie de aanbeveling dat waar mogelijk slechts een zakelijke weergave van de feiten wordt bewaard indien de informatie die in de tapverslagen is opgenomen betrekking heeft op gevoelige persoonlijke aangelegenheden.

Ik merk op dat gegevens met betrekking tot de privésituatie verkregen via een tap van groot belang kunnen zijn. In de de eerste plaats worden, zeker in het begin, zoveel mogelijk taps uitgewerkt om een totaalbeeld van een target en zijn privéleven te krijgen en om duidelijkheid te scheppen in berichten uit eventuele andere bronnen. Dat is tevens van belang om ten aanzien van toekomstige gesprekken snel een onderscheid te kunnen maken tussen gesprekken die wel en niet behoeven te worden vastgelegd. In de beginfase worden tevens veel namen vastgelegd. Ook dit is bedoeld om bij toekomstige gesprekken snel te kunnen onderscheiden of een gesprek van belang is en dus uitgewerkt moet worden, of juist niet. Het opnemen van een zakelijke weergave van deze informatie is geen oplossing.

De gegevens zijn dan alsnog vastgelegd, terwijl het brondocument is vernietigd.

Dit heeft tot gevolg dat bij gebruik van de betreffende informatie hier niet naar kan worden verwezen en niet duidelijk is waar de informatie vandaan komt en of deze juist is. Ik zal de aanbeveling van de Commissie daarom in die zin opvolgen dat, indien sprake is van gevoelige persoonlijke informatie die niet (meer) van belang is voor het onderzoek, zal worden overgegaan tot verwijdering en vernietiging ervan zoals door de CTIVD aanbevolen.

In paragraaf 6 van het rapport gaat de CTIVD in op één specifiek operatie van de AIVD, waarbij zij zich bovendien heeft geconcentreerd op één van de categorieën binnen deze operatie waarbij de bevoegdheid tot selectie van Sigint is toegepast.

Ten aanzien van de toepassing tot selectie van Sigint in de desbetreffende operatie is door de CTIVD geconstateerd dat een motivering die is toegesneden op het individuele kenmerk in het geheel ontbreekt en dat evenmin een motivering is opgenomen waarin door de AIVD aandacht is besteed aan het feit dat het in bepaalde gevallen gaat om een bijzondere categorie personen, hetgeen zij onzorgvuldig acht. In die gevallen waarin een adequate motivering naar het oordeel van de CTIVD niet mogelijk was, wordt de toepassing van artikel 27 Wiv 2002 onrechtmatig geacht. Deze onrechtmatigheid is gelegen in de bijzondere categorie personen jegens wie de bijzondere bevoegdheid is toegepast. De Commissie beveelt aan dat de uit de operatie voortgekomen gegevens ten aanzien van deze gevallen ingevolge artikel 43 Wiv 2002 worden verwijderd en vernietigd.

De Commissie constateert voorts dat bij het gebruik van de bevoegdheid tot selectie van Sigint in casu niet afdoende is gemotiveerd dat is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Zo komt de belangenafweging tussen het na te streven doel en het nadeel voor de betrokken persoon, welke wordt vereist door artikel 31, derde lid, Wiv 2002 niet tot uiting in de motivering van de aanvraag. Dit geldt eveneens voor de overweging dat niet met een minder ingrijpende bevoegdheid kon worden volstaan zoals wordt vereist door artikel 32, waarbij de specifieke omstandigheden van de betrokken persoon dienen te worden betrokken en het afbreukrisico geen rol speelt. De Commissie is van oordeel dat dit onzorgvuldig is.

Ik onderschrijf uiteraard het belang aan de motiveringsplicht te voldoen. Daarbij dient de praktische uitvoerbaarheid nadrukkelijk in het oog dient te worden gehouden. Bij de uitoefening van de bevoegdheid tot selectie van Sigint moet worden onderbouwd waarom bepaalde selectiekenmerken worden gebruikt. Met andere woorden: waarom het noodzakelijk, proportioneel en subsidiair is de desbetreffende selectie toe te passen. Dat is evenwel in de praktijk niet altijd meteen bij aanvang van inzet van het middel Sigint mogelijk. Dat hangt samen met de aard van het middel. Vaak is het niet op voorhand duidelijk of aan de hand van een bepaald selectiekenmerk de voor het onderzoek relevante gegevens kunnen worden geselecteerd. Naarmate het onderzoek langer duurt, kunnen de gebruikte selectiekenmerken veelal beter worden onderbouwd. Daarmee wordt allengs duidelijk welke kenmerken vervolgens als niet of minder relevant kunnen worden geschrapt.

In onderhavige casus speelt naast het voorgaande bovendien het feit dat, zoals de commissie aangeeft, sprake is van een bijzondere categorie, waaraan in ieder geval bij de motivering aandacht zou moeten worden besteed. Op dit aspect ben ik ingegaan in mijn reactie op het geheime deel van het toezichtsrapport.

De aanbevelingen uit het openbare deel waarop ik in het voorgaande niet specifiek ben ingegaan neem ik over.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer