Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201229924 nr. 86

29 924 Toezichtsverslagen AIVD en MIVD

Nr. 86 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 juni 2012

De commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (commissie) heeft in het kader van haar taak bedoeld in artikel 64, tweede lid, onder a, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV 2002) een onderzoek verricht inzake de inzet van de afluisterbevoegdheid en van de bevoegdheid tot de selectie van Sigint door de AIVD. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de commissie een toezichtsrapport vastgesteld. Dit rapport is openbaar behoudens de delen die inzicht bieden in de in concrete gevallen gebruikte middelen, geheime bronnen of het actuele kennisniveau van de AIVD. Het openbare deel van het toezichtsrapport dien ik met mijn reactie, conform artikel 79, vijfde lid, van de WIV 2002, aan beide kamers der Staten-Generaal te zenden. Bedoeld openbaar toezichtsrapport alsmede mijn reactie hierop treft u bijgaand aan1. Het rapport met een bijlage die passages bevat die gelet op de eerder genoemde gronden niet openbaar mogen worden gemaakt, zend ik aan de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer (CIVD).

De commissie heeft zich gericht op de rechtmatigheid van de inzet van de afluisterbevoegdheid en van de bevoegdheid tot de selectie van Sigint door de AIVD in de periode van september 2010 tot en met augustus 2011.

Van de inhoud van het toezichtsrapport heb ik kennisgenomen.

De commissie heeft geconstateerd dat de AIVD bij de inzet van de afluisterbevoegdheid doordacht te werk gaat en heeft in de door haar onderzochte operaties geen onrechtmatigheden geconstateerd. Dit is gezien het grote aantal onderzochte operaties volgens de commissie een compliment waard. Op een enkel punt constateert de commissie evenwel dat er sprake is van onzorgvuldigheden ten aanzien van de motivering. Ik kan mij daar in het algemeen in vinden. De AIVD zal op deze punten in de uitvoering waar nodig extra acht slaan. In de bevindingen van de commissie betreffende paragraaf 8, aanbeveling 8.6 kan ik mij niet vinden. Ik merk daartoe het volgende op.

De commissie stelt vast dat zij een procedure is tegengekomen waarbij bij de inzet van artikel 25 WIV 2002 twee parallelle motiveringen worden opgesteld voor één operatie. Het betreft een procedure waarbij een zeer geheime motivering wordt opgesteld waarvan enkel ik en de direct verantwoordelijke medewerkers kennis mogen nemen. Daarnaast wordt er ook een motivering opgesteld die geheim gerubriceerd is die breder inzichtelijk is binnen de dienst. Deze werkwijze is voor de dienst efficiënter en effectiever dan het als zeer geheim aanmerken van de gehele operatie. De consequentie van deze werkwijze is evenwel, aldus de commissie, dat de geheime motivering onvolledig en daardoor inherent gebrekkig is. Verder meent de commissie dat onzorgvuldigheden met deze werkwijze in de hand worden gewerkt en dat het toezicht door de commisie wordt bemoeilijkt.

Ik ben van oordeel dat, indien de interne werkwijze juist en zorgvuldig wordt uitgevoerd deze geen afbreuk doet aan het door de commissie genoemde belang van een eenduidige en zorgvuldige motivering. Ik erken dat de procedure in het verleden niet altijd even zorgvuldig is toegepast. Ik heb de AIVD opgedragen om met verscherpte aandacht er op te letten dat deze zorgvuldig wordt toegepast. De aanbeveling van de commissie om de procedure te wijzigen en de werkwijze alleen in die gevallen waarin de noodzaak van deze werkwijze kan worden aangetoond toe te passen, neem ik dan ook niet over. Ik licht het belang van de AIVD bij deze werkwijze graag nader toe in de CIVD. Het toelichten van deze interne werkwijze raakt aan de modus operandi van de dienst en leent zich daarom niet voor openbaarmaking, maar alleen voor behandeling in de CIVD. Ten overvloede merk ik op dat de commissie heeft geoordeeld dat er in de door haar onderzochte operaties, en dus ook die waarin deze werkwijze is toegepast, geen onrechtmatigheden zijn geconstateerd.

Met betrekking tot de inzet van de bevoegdheid tot selectie op basis van ongericht ontvangen niet-kabelgebonden telecommunicatie (selectie van Sigint) heeft de commissie Sigint-operaties bestudeerd en komt zij tot dezelfde constateringen als in de toezichtsrapporten 19, 26 en die betreffende de inzet van Sigint door de MIVD (nr. 28). Zij onthoudt zich opnieuw van een oordeel over de rechtmatigheid van de selectie van Sigint door de AIVD. De commissie heeft kennisgenomen van het feit dat de AIVD heeft aangegeven dat pas na de voorgenomen wijziging van de WIV 2002 invulling kan worden gegeven aan eerdere aanbevelingen inzake de motivering van de inzet van de bevoegdheid tot selectie van Sigint. Niettemin vindt de commissie dat, gegeven de aanbevelingen, de dienst thans in staat moet zijn om de inzet van de genoemde bevoegdheid afdoende te motiveren. De voorgenomen wijziging van de WIV 2002 op dit punt neemt niet weg dat de AIVD dient te voldoen aan de eisen die de huidige WIV 2002 stelt aan de selectie van Sigint, aldus de commissie.

De commissie heeft aangekondigd dat zij, gezien het voorgaande, in het thans lopende diepteonderzoek naar de inzet van de afluisterbevoegdheid en de bevoegdheid van de selectie van Sigint door de AIVD zal nagaan in hoeverre de motivering van de selectie van Sigint is verbeterd.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J. W. E. Spies


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.