29 911 Bestrijding georganiseerde criminaliteit

Nr. 115 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 12 augustus 2015

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft op 17 juni 2015 overleg gevoerd met Minister van der Steur van Veiligheid en Justitie over:

  • de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 8 april 2015 met reactie op de uitspraak van de commissaris van de Koning van Noord-Brabant over de ondermijning van het openbaar bestuur door criminelen, over de aanpak van georganiseerde criminaliteit en het feit dat de wetgeving niet is ingericht op constructies met stromannen (Kamerstuk 29 911, nr. 100);

  • de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 10 april 2015 naar aanleiding van de mondelinge vragen van het lid Oskam, gesteld op 13 januari 2015, over het bericht «40.000 valse kentekens op auto's» (Kamerstuk 29 398, nr. 462);

  • de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 28 april 2015 inzake toezeggingen algemeen overleg Georganiseerde Criminaliteit d.d. 12 februari 2015 (Kamerstuk 29 911, nr. 108);

  • de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 28 april 2015 met reactie op verzoek van het lid Kooiman, gedaan tijdens de regeling van werkzaamheden van 22 april 2015, over het bericht dat de aanpak van georganiseerde misdaad in Noord-Brabant een puinhoop is (Kamerstuk 29 911, nr. 107);

  • de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 12 juni 2015 inzake Voortgangsrapportage Outlaw Motorcycle Gangs (OMG’s) en enkele andere kwesties m.b.t. OMG's (Kamerstuk 28 684, nr. 444).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Ypma

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Hessing-Puts

Voorzitter: Ypma

Griffier: Hessing-Puts

Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Berndsen-Jansen, Bontes, Helder, Kooiman, Marcouch, Oskam, Segers, Tellegen en Ypma,

en Van der Steur van Veiligheid en Justitie, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

Aanvang 10.00 uur.

De voorzitter: Dames en heren, collega's, Minister en ondersteuning, hartelijk welkom bij het algemeen overleg over georganiseerde criminaliteit. Er zijn acht Kamerleden aanwezig en we hebben een spreektijd met elkaar afgesproken van vijf minuten. We hebben tot 13.00 uur de tijd voor dit algemeen overleg. Dat betekent dat de interrupties kort en krachtig moeten zijn met alleen maar een vraag in plaats van een heel betoog. Ik doe dus een beroep op mijn collega's om zich daaraan te houden. Laten we maximaal twee interrupties met elkaar afspreken.

Mevrouw Helder (PVV): Voorzitter. Intimidatie of regelrechte bedreiging van burgemeesters of andere ambtenaren, outlaw motorbendes, liquidaties, drugs, Holleeder die vanuit de EBI blijkbaar nog wat zaakjes voortzet en toch een machteloze overheid. Wie de krant tegenwoordig opslaat, zou bijna denken dat dat een krant uit de een of andere bananenrepubliek is. Maar liefst een op de vijf burgemeesters in Nederland, dus 20%, zegt dat criminelen het gezag in de gemeente ondermijnen. Het is dan ook goed dat we hier vandaag over spreken.

Enige tijd geleden bleek uit een vertrouwelijk verslag van het topoverleg in Tilburg dat de aanpak van de georganiseerde misdaad in Noord-Brabant een puinhoop is en dat instanties onderling ruzie maken. De Tilburgse burgemeester zegt dat na jaren praten binnen de taskforce nog niets is bereikt. Doel van de taskforce is de aanpak van onder meer witwassen, mensenhandel en wietteelt. De politiechef ter plaatse zegt ondertussen het gevoel te hebben dat de aanpak vastloopt op een gebrek aan informatie, en stelt «dat ook hij het zicht kwijt is». Zo heeft hij geen enkel idee welke zaken de divisie zware criminaliteit van de recherche heeft opgepakt en intussen – ik zei het al – worden burgemeesters bedreigd.

Rond deze zomer krijgt de Kamer de resultaten van de bestuurlijke en geïntegreerde aanpak over 2014 tot nu toe. Die wachten we dan ook af. De Tilburgse burgemeester heeft op navraag aan de Minister laten weten dat het geen puinhoop is, zoals ik net zei, maar een hardnekkig probleem. Ik merk wel op dat de burgemeester in het verslag klare taal spreekt en die vervolgens tegenover de Minister enigszins afzwakt. Dat zij zo, maar dan vraag ik de Minister wel hoe hij het hardnekkige probleem gaat aanpakken, met de taskforce waar blijkbaar niets mis mee is en de politiechef die het zicht kwijt is. Mijn fractie zou het dan toch liever een puinhoop noemen, maar het gaat erom dat het probleem wordt opgelost. Ik krijg graag een reactie van de Minister.

Verder is gebleken dat 63% van de ondervraagde burgemeesters, wethouders en raadsleden in Noord-Brabant heeft aangegeven dat de gemeenten te weinig middelen hebben om op te treden tegen criminaliteit. 58% zegt dat de rijksoverheid meer moet doen om hen te steunen. Hoe gaat de Minister deze gemeenten tegemoetkomen?

Daarnaast hebben wij de woorden van de commissaris van de Koning nog. Zijn letterlijke woorden in een interview waren: «We hebben van doen met een ongeorganiseerde overheid tegenover georganiseerde criminaliteit.» En een tweede citaat: «We pakken alleen de sukkels». Volgens de commissaris zijn de wetten niet ingericht op constructies met stromannen. Ik hoor graag van de Minister of dat klopt. Zo ja, dan moeten wetten worden aangepast.

Ik neem aan dat de Minister, net als mijn fractie, de grote vissen wil vangen en niet de sukkels, want zo gaan criminele samenwerkingsverbanden in andere samenstelling gewoon door. Die vraag geldt niet alleen voor Noord-Brabant maar ook landelijk, want dit probleem moet opgelost worden.

Na zijn bezoek aan Maastricht liet de Minister in de media optekenen dat hij de rechtsstaat niet laat bedreigen. Heel goed, maar concrete toezeggingen voor de korte termijn zijn niet gedaan. De Minister sprak wel over het aanpassen van de wet om zo te kunnen optreden tegen motorbendes of ze te kunnen verbieden. De Minister wil eerst bekijken wat hij met de huidige middelen kan bereiken. Als de Minister wetgeving wil gaan aanpassen, wat gaat hij dan precies aanpassen?

Verder heeft de Minister gezegd dat er extra politiemensen naar Limburg gaan als dat nodig blijkt. Ik heb al eerder gevraagd wanneer blijkt dat dat nodig is. Wat mijn fractie betreft is dat nodig, want Limburg heeft al gevraagd om meer politiecapaciteit en ook de politiebond ACP heeft al gewaarschuwd voor een onderbezetting. Mijn fractie begrijpt dat dit een aanpak van lange adem is en ziet ook dat de politie en anderen heel goed werk verrichten, maar ze moeten wel krijgen wat ze nodig hebben. In dat kader wijs ik ook op een brief van de regioburgemeester, de heer Hoes, en de commissaris van de Koning, gedateerd gisteren. Beiden geven aan dat het punt in zicht komt dat Limburg «onder de basisformatie zakt».

Daarmee kom ik aan mijn laatste punt, dat enigszins losstaat van de agenda maar wel raakvlakken heeft met de materie, namelijk het wapenbezit. Na het schietdrama in Alphen aan den Rijn is met de toenmalige Minister afgesproken dat strengere eisen zullen gaan gelden voor illegaal wapenbezit. Beginners mogen bijvoorbeeld niet met zware wapens aan de slag en de gestelde eisen zijn opgesteld in overleg met de KNSA, de Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie, die ook fungeert als overlegpartner van het ministerie en die als koepelorganisatie toeziet op de naleving van de zwaardere eisen door de schietverenigingen en haar leden.

Inmiddels is mijn fractie ter ore gekomen dat de Staatssecretaris in dit geval blijkbaar ook een andere koepel wil aanwijzen die naar de eisen gaat kijken en dat ook een uitzondering zal worden gemaakt voor schuttersgilden voor het type wapens dat leden voorhanden mogen hebben. Dat vindt mijn fractie toch enigszins verontrustend, dus wij sluiten ons aan bij het commentaar – de kritiek, zoals ik het beter kan noemen – van de KNSA. Ik vraag dan ook een nadere toelichting van de Minister, liefst een toezegging, dat de met de KNSA ingeslagen weg wordt voortgezet.

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. In de regio Amsterdam schieten criminelen elkaar lukraak neer en in het zuiden viert de georganiseerde misdaad feest omdat de politie wel alles geeft en alles doet, maar gewoonweg het grote en vele werk niet aankan. De Minister deed daarom een «Opsteltentje» in de media, want er komen 400 extra agenten bij in Amsterdam. Dat is natuurlijk heel stoere taal van deze Minister, want die agenten worden vooral weggetrokken uit andere delen van het land. Het zijn agenten en rechercheurs die stapels werk hadden liggen. Daardoor blijven mensenhandel, moord, geweldzaken et cetera liggen, want agenten worden als postpakketjes door het land verplaatst. Daarmee verschuift de Minister het probleem alleen maar. Kan de Minister daar eens op reageren?

De 2.000 agenten die hebben meegewerkt aan het inwerkdossier van deze Minister, wachten net als ik op een reactie. Ze wachten bijvoorbeeld op een reactie van het kabinet dat niet zorgt voor meer capaciteit maar eerder capaciteit weghaalt. Het is niet zo gek dat dezelfde agenten aangeven dat er onvoldoende recherchecapaciteit is om bijvoorbeeld door te rechercheren; capaciteit die deze Minister weigert op te vullen. De Minister heeft voor een vacaturestop gezorgd voor de zo nodige rechercheurs en analisten. Wanneer heft de Minister de vacaturestrop op? Daarvoor pleit de regioburgemeester in Limburg ook, zoals mijn collega van de PVV al zei.

Op mijn werkbezoeken en uit SCP-onderzoek blijkt dat er enorme stapels werk zijn. Plankzaken, noemen we dat. Nee, zei de Minister in reactie op zijn brief, dat noemen we geen plankzaken maar werkvoorraad. Geef het beestje een andere naam, en poef, we hebben geen plankzaken meer! Zo werkt het natuurlijk niet. Na de cijfers die de Minister in zijn brief noemde ben ik gewoon de rechercheurs uit het zuiden gaan mailen om hen te vragen hoe groot die werkvoorraad – laten we die gewoon plankzaken noemen – nu eigenlijk is.

Ik kreeg daarop enorm veel brieven, waaruit ik een aantal citaten heb geselecteerd voor deze Minister. Rechercheurs zeggen bijvoorbeeld dat ze moeten werken met de korte klap. Er zijn vanwege capaciteitsproblemen zo weinig mogelijk investeringen, dat komt het recherchewerk niet ten goede. Veel rechercheurs klagen ook dat de drugsteams onder de naam Hector die tien jaar lang opereerden, ook over de grens, weg zijn. Dat vinden ze jammer, want dat was effectief. Een rechercheur mensenhandel geeft aan: «We springen vaak van zaak naar zaak om alle borden omhoog te houden, we hebben ongeveer 40 plankzaken, hierbij zitten zaken van 2013, 2014 en 2015. Het gaat dan vaak om seksuele uitbuiting van jonge vrouwen.»

In een andere stad in Brabant kreeg ik te horen: «Bij ons heten de plankzaken geen plankzaken maar bufferzaken, daar hebben we er gemiddeld 100 tot 150 van en daar zijn zaken tussen van mishandeling, oplichting, openlijk geweld, smaad en diefstal». Tot slot zegt een financieel rechercheur: «Ik zie dat we op de afdeling vele plankzaken hebben liggen. Ikzelf heb ongeveer 40 zaken op mijn naam staan».

Het is dat mijn tijd beperkt is, maar zo kan ik nog wel even doorgaan. Er is een oplossing. Neem nu deze financieel rechercheur, die zegt dat hij alleen al zo'n 40 zaken heeft liggen. Ik heb de antwoorden van deze Minister op mijn schriftelijke vragen natuurlijk goed gelezen, dat doe ik altijd. Daarin geeft de Minister eigenlijk zelf de oplossing: als je in één financieel rechercheur investeert, dan krijg je er eigenlijk drie voor terug. Als je nu dus meer investeert in die financieel rechercheurs, dan levert dat weer geld op. Met dat geld kunnen we de capaciteit dus wel hoog houden en de georganiseerde misdaad aanpakken.

Ik heb ook nog even het onderzoek van de OMG's, dus de motorbendes, doorgenomen. Daarbij noemt de Minister een aantal strafonderzoeken. Kan de Minister ook aangeven hoeveel van die strafonderzoeken uiteindelijk leiden tot vervolging en veroordeling? Hoeveel veroordelingen zijn er momenteel al geweest?

Helemaal tot slot, de aanpak van vuurwapens. Als je gemakkelijk aan die automatische geweren kunt komen, dan moeten we daarvoor natuurlijk zoeken naar een oplossing. Ik heb van agenten tijdens een werkbezoek aan de forensische opsporing begrepen dat de samenwerking op het gebied van illegale wapenhandel vrijwel nihil is. Dat is erg kwalijk. Er was eerst een Landelijk Platform Vuurwapens, maar dat is opgeheven. Agenten zeggen dat platform te missen, ook omdat er nog steeds geen eenduidig Europees beleid is om illegale wapenhandel tegen te gaan. Wanneer pakt Minister dit op?

De heer Bontes (Groep Bontes/Van Klaveren): Ik heb het verhaal van mevrouw Kooiman natuurlijk aangehoord. Ik ben toch echt benieuwd waar de SP nu staat als het gaat om de aanpak van motorbendes. Wat wil de SP nu zelf? Er is dag en nacht terreur van die groepen. Mevrouw Kooiman komt met allerlei cijfers en vraagt of de Minister al cijfers heeft over het aantal vervolgingen. Mij gaat het erom of de SP gaat voor een keihard verbod van die motorbendes, voor een keiharde aanpak zodat ze bij alles achterover worden getrokken. Dat hoor ik niet.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik volg daarin de Minister. Hij is, naar ik begreep, bereid om dat te onderzoeken. Ik ben heel benieuwd of een verbod mogelijk is. Ik wacht dat onderzoek van de Minister af, maar ik deel sterk het pleidooi van de heer Bontes over criminele motorbendes. Je kunt eerder spreken van brommerbendes, want leden hebben vaak niet eens een motorrijbewijs. Ze moeten hard worden aangepakt. Laten we wel zijn, in Limburg en Brabant waar ik zelf ben gaan kijken, hebben ze echt problemen met de capaciteit. De rechercheurs en de agenten willen wel graag maar, zoals de heer Bontes ook weet, daar zit echt een groot probleem in de opsporing en de aanpak. Ze willen wel, maar de capaciteit ontbreekt.

De heer Bontes (Groep Bontes/Van Klaveren): Betekent dat dat de SP gaat aansturen op een verbod? Want je kunt wachten tot de Minister met iets komt, maar je kunt ook zelf al iets vinden en zeggen dat er los van dat onderzoek van de Minister, gewoon een verbod moet komen op die motorbendes.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik weet niet of een verbod ook leidt tot het gewenste resultaat. Wanneer criminele activiteiten ondergronds verdwijnen, is dat ook niet de oplossing. Er is mij wel veel aan gelegen om een halt toe te roepen aan alles wat die criminele motorbendes meer exposure geeft of aan de intimidatie. Ik wil alles onderzoeken en alles aangrijpen om dat de kop in te drukken. Als dat een verbod is, hoor ik graag van de Minister of en op welke manier dat mogelijk is. Ik sta voor alles open om te kijken of we die criminele motorbendes – brommerbendes noem ik ze nog steeds – kunnen aanpakken, want de intimidatie moet nu een halt worden toegeroepen.

De heer Segers (ChristenUnie): Er is een onderzoek naar een mogelijk verbod. Stel dat de uitkomst is dat het met deze wet in de hand niet lukt om clubs waarvan we weten dat het zo structureel fout zit, legaal de nek om te draaien. Dan moet de wet worden aangepast. Je kunt dan zeggen dat je onderzoek wilt, maar dan is de vraag: wil je het of wil je het niet? Dat is de vraag die ik collega Kooiman stel.

Mevrouw Kooiman (SP): Het is niet een kwestie of je het wilt of niet, het heeft er meer mee te maken wat werkt. In die zin is de SP een zeer pragmatische partij. Ik wil graag doen wat werkt. Ik weet nu niet wat de beste oplossing is. Het is niet altijd makkelijk voor een politieke partij om dat te zeggen. Ik wil heel goed in gesprek met het veld om te horen wat men daar nodig heeft. Daarom ben ik ook heel benieuwd naar het onderzoek.

De heer Segers (ChristenUnie): Is het niet veelzeggend dat Duitsland veel sneller optreedt en eerder tot een verbod van dit soort clubs overgaat, en dat die clubs dan heel snel de grens over gaan?

Mevrouw Kooiman (SP): Volgens mij hebben ze het in Duitsland ook op een andere manier aangevlogen om dat verbod mogelijk te maken. Je zou ook kunnen kijken of we daarvan in Nederland kunnen leren. Maar dat iets zich verplaatst, wil natuurlijk nog niet zeggen dat het opgelost is. Ik wil dat dit probleem echt in de kiem wordt gesmoord, dat we intimidatie en criminele activiteiten daadwerkelijk kunnen wegwerken en dat we de boeven kunnen pakken. Ik denk dat daar nog een groter probleem te overwinnen is. Dat kun je niet altijd helemaal oplossen met een verbod. We moeten kijken of we de politie en het Openbaar Ministerie voldoende in handen geven om dat probleem daadwerkelijk te kunnen aanpakken.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Voorzitter. Eerst een opmerking vooraf. Alle brieven van de Minister zijn doordesemd van repressieve maatregelen, maatregelen achteraf. Ik vraag de Minister waar de preventieve maatregelen blijven. De grenzen aan wat politie en Openbaar Ministerie tegen criminelen kunnen doen, zijn bereikt, aldus de voorzitter van het College van procureurs-generaal afgelopen zondag in Nieuwsuur. Hij vatte de zorgen van D66 goed samen. Het is niet voor het eerst dat we dat hier zeggen.

De actualiteit spreekt voor zich. Liquidaties, drugscriminaliteit, criminele motorbendes, illegale wapens, we kunnen nog wel even doorgaan. Het ergste is dat we al jaren met deze problemen kampen en dat ze nog niet zijn opgelost. Politie en justitie hebben verschillende keren aan de bel getrokken, maar de Minister van Veiligheid en Justitie herkende het probleem niet. Sterker nog, we lagen op koers.

Al in 2011 kwam ZEMBLA met een reportage waarin een zeer verontrustend beeld werd geschetst van de opsporing van misdrijven. In 2012 berichtte RTL over het falen van de opsporing van georganiseerde misdaad door te veel prioriteiten en te weinig capaciteit. Toen al waarschuwden politie en OM dat door te veel prioriteiten de slagkracht van deze organisatie in het geding kwam.

In 2014 bracht de NOS naar buiten dat politie en justitie de strijd tegen georganiseerde drugscriminaliteit niet aankonden. Herkent deze Minister nu wel de problemen en het feit dat politie en OM de grenzen van wat mogelijk is, hebben bereikt? Is hij eindelijk bereid om naar de capaciteit en de prioriteiten te kijken om de slagkracht van deze organisaties te vergroten?

We weten nog niet precies op welke manier de georganiseerde ondermijnende criminaliteit in 2014 en medio 2015 is aangepakt, noch welke resultaten dat heeft opgeleverd. De Kamer moet de verantwoordingsrapportage van OM en politie nog ontvangen, maar het kabinet spreekt al over een verdubbeling van het aantal aangepakte criminele samenwerkingsverbanden. Maar is het aantal strafopleggingen ook verdubbeld? Hoeveel mensen zijn er achter de tralies gezet? Hoeveel onderzoeken zijn gestart en hoeveel succesvol afgerond? Hoeveel en wat voor zaken blijven op de plank liggen of behoren tot de werkvoorraad? Hoe lang duurt deze werkvoorraad gemiddeld?

Dat er zo concreet wordt gesproken over 40% aangepakte criminele samenwerkingsverbanden verbaast mij. De cijfers van het kabinet geven een eendimensionaal beeld van de werkelijkheid. CSV's zijn vaak fluïde werkverbanden, geen vaste groepen die kunnen worden uitgedrukt in mathematische rekeneenheden. Is er überhaupt zicht op de totale omvang van de CSV's? Zo ja, waarom zijn ze niet 100% aangepakt? Zo nee, hoe komt het kabinet dan aan 40%? Hoe verhoudt zich dit tot de opmerking van politiechef Jaco van Hoorn, namelijk dat we nauwelijks criminele groepen hebben maar dat we veel meer te maken hebben met een soort crimineel netwerk, een soort criminele industrie zoals hij dat noemde? En waarom is het het kabinet niet gelukt om de vermenging van de onderwereld en de bovenwereld te voorkomen, terwijl we daar steeds meer mee te maken krijgen?

Voor D66 is het duidelijk dat dit zo niet langer kan. Het kabinet moet de slagkracht bij politie en OM vergroten. Met voldoende capaciteit, scherpere prioriteiten en de juiste mensen op de juiste plek. Het gaat wat mijn partij betreft om kwaliteit, capaciteit en kennis. Ik raad de Minister aan om, als hij dat al niet gedaan heeft, het boek van oud-financieel rechercheur Michiel Prinsen te lezen. Volgens hem is de strijd van de recherche tegen de georganiseerde criminaliteit een strijd van IJsselmeervogels tegen Real Madrid. Het gaat om complexe, arbeidsintensieve en tijdrovende onderzoeken, waarvoor je mensen nodig hebt met specifieke deskundigheden. Daarom moet de recherche meer gebruikmaken van mensen die hiervoor dan ook specifiek zijn opgeleid, zoals analisten en financiële deskundigen. De politie moet deze mensen omarmen en een gelijkwaardige, executieve status geven, zodat ze er ook echt bij horen. Ook zou een meer divers samengestelde politie bijdragen aan de strijd tegen georganiseerde criminaliteit. Om onopvallend te kunnen observeren en betere informatie te kunnen verkrijgen, heb je niet alleen witte, Nederlands sprekende politiemannen nodig.

Politie en OM verzuipen in de hoeveelheid zaken. De recherche moet versterkt worden om de georganiseerde criminaliteit effectief aan te pakken. Daarom vraag ik de Minister wat hij op korte termijn gaat doen om de recherche kwantitatief en kwalitatief adequaat te versterken.

De heer Bontes (Groep Bontes/Van Klaveren): Voorzitter. Motorbendes met zware raketwerpers, burgemeesters die 24 uur per dag beveiligd moeten worden en criminelen die in toenemende mate grip proberen te krijgen op het openbaar bestuur. Het is de dagelijkse gang van zaken in Nederland. Welkom in Sicilië in de polder!

We zien dat politie en justitie geen vuist kunnen maken tegen deze excessieve criminele praktijken. Dat moet deze VVD-Minister zich aantrekken. Er is een andere aanpak nodig, een keiharde aanpak. Dat vereist een andere mentaliteit, een mentaliteit van go hard or go home.

Allereerst moeten motorbendes als Hell's Angels, Bandidos, Satudarah en No Surrender zo snel mogelijk verboden worden. Voor deze boeven, die onze rechtsstaat ondermijnen, is er geen plek in Limburg, Noord-Brabant en de rest van Nederland. Laten we daarom de Duitse aanpak kopiëren. Daar kan de Minister, anders dan in Nederland, motorclubs direct verbieden als deze de intentie hebben om strafbare feiten te plegen. Waarom komt het kabinet niet met voorstellen om dit ook in Nederland mogelijk te maken?

In de tweede plaats moet er in Limburg en in andere delen van het land veel meer politiecapaciteit komen. Geen sigaar uit eigen doos, door het schuiven van politiemensen van de ene regio naar de andere. We willen een structurele investering van 1 miljard in politie en justitie.

Ook moet de toestroom van oorlogswapens naar het criminele circuit harder bestreden worden. Stop de kalasjnikovterreur in onze straten en wijken. De Amsterdamse politiechef Albersberg gaf eerder aan dat wapenhandel de afgelopen jaren niet hoog genoeg op de landelijke agenda stond. Daarom diende ik enkele maanden geleden nog een motie in om van de bestrijding van wapenhandel een landelijke topprioriteit te maken. Alle andere partijen en het kabinet waren hiertegen. Het was een absurde vertoning. Vandaag hoor ik graag of zij van mening zijn veranderd. Alle middelen moeten worden aangewend om een einde te maken aan de niets ontziende liquidatiegolf.

Ten slotte moet er zo snel mogelijk een oplossing komen bij de Nationale Politie, die is verworden tot een geldverslindend prestigeproject waar de huidige criminaliteitsbestrijding ernstig onder lijdt.

Ik rond af. Het is al vijf over twaalf. De georganiseerde misdaad lijkt aan de winnende hand in Nederland. Burgemeesters geven aan dat er te veel wordt gepraat en te weinig wordt gedaan. De wittebroodsweken voor Minister van der Steur zijn nu echt voorbij. Het wordt tijd dat hij de onderwereld in Nederland gaat opjagen en opsluiten.

De heer Marcouch (PvdA): Voorzitter. Ik kan de Minister opnieuw vragen hoe het staat met de registratie van de campings die criminelen de kans geven daar ongezien te bivakkeren en dus vrijplaatsen creëren. Ik kan opnieuw vragen naar de strijd tegen de motorbendes, waar de collega's ook naar hebben gevraagd, en naar de mogelijkheden om dergelijke bendes als club ook te verbieden. Ik kan de Minister vragen naar zijn inzet op het verbod van illegale en gevaarlijke wapens op Europees niveau. We zien toch, met name in Oost-Europese landen, dat je kalasjnikovs heel makkelijk kunt krijgen. Wat is de inzet van de Minister? Ik kan vragen naar de inzet van capaciteit. Heeft Zuid-Limburg meer of betere agenten nodig? Komen er, zoals collega Berndsen net ook zei, meer Marokkaans-Nederlandse en Turks-Nederlandse rechercheurs die kunnen helpen met hun specifieke kennis en expertise om de georganiseerde misdaad een klap toe te brengen? Daar wil ik zeker graag antwoord op, want de opsporing van delicten moet onverdroten doorgaan.

Maar vandaag wil ik een slag verder gaan met de strijd tegen liquidaties, drugshandel, vrouwenhandel en wapenhandel. De een zegt dat drugs de grootste ziekte zijn, een tweede noemt motorbendes en een derde wapens. We moeten het totale beeld in het vizier krijgen. Dat is les één van Van Traa. Als we niet weten wat er aan de hand is, blijft het bij het opsporen van afzonderlijke delicten, in plaats van de misdaad achter de misdaad. Alles wijst erop dat de onderwereld zich twintig jaar na Van Traa stevig heeft kunnen vestigen, terwijl de politie haar wonden likt over de crisis in de opsporing. Opsporingsteams en criminele inlichtingendiensten die de misdaad achter de misdaad zochten, werden na Van Traa ontmanteld en de politie verlegde haar aandacht naar de korte klappen: de delicten die relatief eenvoudig op te lossen waren, met input en output die markttechnisch rendabel waren.

Daarnaast ging de politie zaken aanpakken waar de burger last van had in de woonbuurt. Eerst waren dat fietsen zonder licht, wildplassen, hondenpoep op de stoep. Toen kwam de tweede periode van de strijd tegen inbraken, buurtterrorisme en andere high impact crimes waar de woonbuurten onder lijden.

Nu is het de georganiseerde misdaad die gewone burgers pijn doet. De wrede liquidaties vinden plaats in woonbuurten, onlangs zelfs op schoolpleintjes. Criminele drugsproducenten die in Brabant en Limburg de burgemeesters bedreigen en intimideren, wonen in hetzelfde dorp. Hun kinderen zitten vaak als klasgenootjes bij elkaar op school. Wapendepots worden gevonden in normale woonhuizen, net als de vrouwen die verhandeld worden.

Twintig jaar na Van Traa ziet de politie zichzelf voor de grote vragen staan. Wat is de aard, de omvang en de ernst van de onderwereld? Ik hoor dat overal terug bij de politie, tijdens vele werkbezoeken die ik afgelopen weken heb afgelegd. Iedereen doet zijn best, de rechercheurs jagen achter de liquidaties aan en rollen wietplantages op, maar de wereld daaronder blijft onbekend. De politie ziet drie criminele circuits, een Marokkaans, een Turks en een klassiek Hollands, maar tast verder in het duister. Waarom voeren ze al die oorlogen? En hoe liggen de relaties tussen die criminele handel, vrouwenhandel, wapenhandel, drugshandel? Welke bovenwereld doet daaraan mee? We hebben geen idee, maar niets wijst erop dat het einde in zicht is.

Ik wil graag dat de Minister de regie neemt en met een aanvalsplan komt waarin al die partijen betrokken worden en waarbij in het bijzonder ook de wetenschap wordt ingeschakeld. Er moet een onderzoek komen naar de aard, de omvang en de ernst van deze georganiseerde misdaad, samen met bestuurders, politie en OM. Hoe groot is die georganiseerde misdaad? Er moet het begin van een totaalplan komen, opdat wij over een aantal jaren niet opnieuw in een Van Traa-achtige enquête hoeven te zeggen: we hadden geen idee.

Mevrouw Kooiman (SP): Leuk hoor, zo'n onderzoekje, maar als je rechercheurs zelf vraagt, zeggen ze: nou, mevrouw Kooiman, ik zou het u wel willen zeggen hoor, we hebben hele netwerken van de georganiseerde misdaad die erachter zit, maar ik kan hier alleen maar doorrechercheren op de korte klap. Is de oplossing niet gewoon voldoende capaciteit geven aan de rechercheurs, in plaats van fors bezuinigen, waar de PvdA voor kiest?

De heer Marcouch (PvdA): Wij moeten het doen met de middelen die wij hebben. Als de collega van de SP financiële ruimte ziet om meer geld vrij te maken voor agenten, doe ik graag mee, maar nu is de situatie ernstig. Ik heb net gezegd dat we vooral moeten doorgaan met het aanpakken van dit soort netwerken. Maar ik zie ook dat er heel veel beelden bestaan, ook bij bestuurders. Daar waar in Zuid-Limburg de burgemeesters zeggen dat ze meer capaciteit nodig hebben en dat er bevoegdheden moeten komen, zegt de Minister hier in Den Haag: het is allemaal oké, er is genoeg capaciteit en we zitten erop. Tegelijkertijd gaat het in Amsterdam en in Noord-Holland breed mis met liquidaties, in Brabant worden burgemeesters en bestuurders geïntimideerd. Dus er is heel veel aan de hand. We moeten daar zeker tegen optreden, maar ik denk dat het ook van belang is dat we inzicht krijgen in waar we tegen vechten. Ik wil dus inzicht in de omvang op nationaal niveau en in de aard. Ik wil dat de Minister zijn rol als Minister, als landelijk regisseur van de aanpak van de georganiseerde misdaad, op zich neemt. Want er is maar een die profiteert van de georganiseerde overheid, dat is de georganiseerde misdaad zelf. Dat moet en kan beter. Dat is mijn pleidooi.

Mevrouw Kooiman (SP): Dat zijn veel woorden om uiteindelijk niet met een oplossing te komen. De enige manier om te weten hoe groot die georganiseerde misdaad is, is door de mensen die daar daadwerkelijk onderzoek naar kunnen doen, voldoende capaciteit te geven. De PvdA kiest ervoor om uiteindelijk 4.000 agenten uit de operationele inzet weg te bezuinigen. Ik heb net een oplossing gegeven en heb financieel rechercheurs genoemd. Zo kan ik nog wel een aantal oplossingen aandragen. Het is jammer dat de PvdA die niet hoort. Uiteindelijk moeten we komen tot meer recherchecapaciteit. Is de PvdA in ieder geval bereid te zeggen: er komen geen bezuinigingen bij in het komende jaar, bij de begroting ziet u geen bezuiniging meer op veiligheid?

De heer Marcouch (PvdA): Meer is natuurlijk altijd meegenomen maar volgens mij is de grote vraag beter. Financiële rechercheurs, tactische rechercheurs, diversiteit, alle expertise en deskundigheid die nodig is om het te winnen van deze misdadigers, moeten we mobiliseren. Maar in de eerste plaats, voordat we over geld spreken of zeggen dat er een gebrek is aan capaciteit, wil ik dat inzicht hebben. Want tot nu toe heb ik niet gehoord dat de Minister zegt: we kunnen het niet aan. Het is dus heel belangrijk om inzicht te hebben in de aard, de omvang en de ernst van de misdaad. Vervolgens moeten we hoeveel geld er ook bijkomt, altijd prioriteiten stellen. Wat mij betreft moeten we alles op alles inzetten om het te winnen van deze misdadigers. Ik vraag de Minister om dat gewoon te blijven doen door erop te blijven zitten, maar tegelijkertijd zien we ook een ontwikkeling, een trend. Daarin wil ik inzicht krijgen, want dan kunnen we op basis daarvan ook scherpe keuzes maken.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): De PvdA zit in de regering, dus zij zit aan het stuur en kan het doen. Ik hoor de heer Marcouch nu zeggen dat de Minister zegt dat iedereen het wel aankan. Maar we hebben de voorzitter van het College van procureurs-generaal zondagavond horen zeggen dat de grenzen zijn bereikt van wat de politie en het Openbaar Ministerie tegen criminelen kunnen doen. Dat is toch een uiterste winstwaarschuwing? Alle partners in de keten hebben te kampen met financiële problemen en met financiële tekorten. Dus dan kan de heer Marcouch hier wel weer vragen om een mooi plannetje en een onderzoek, maar dat levert op dit moment niks op, om de actie die nodig is op dit moment te kunnen financieren. Dus hoe kijkt de PvdA daar dan tegenaan?

De heer Marcouch (PvdA): Ik wil collega Berndsen eraan herinneren dat D66 ook aan het stuur zit en zat waar het gaat om het verdelen van het geld. Het is uiteindelijk een politieke keuze, maar die discussie moeten we ook vooral voeren bij de begroting. We moeten het nu doen met wat we hebben en binnen wat we hebben, moeten we keuzes maken. Die keuzes moeten we maken op basis van kennis, van inzichten. Ik sluit helemaal niet uit dat we met elkaar en met de Minister komen tot een keuze in de prioritering van wat je wel of niet belangrijk vindt. Maar ik heb de baas van het OM niet horen zeggen dat hij het niet kan, wel dat hij aan de grenzen zit. Dat begrijp ik heel goed, want er gebeurt heel veel. Dus ik vind het van belang om inzicht te hebben. Ik vind het van belang dat de Minister landelijk zijn rol pakt, omdat dit een landelijk, en ook een internationaal probleem is, De Minister heeft daarin een belangrijke rol. We moeten de burgemeesters van kleine gemeenten niet in de kou laten staan omdat ze in die kleine gemeenten ook geconfronteerd worden met intimidaties van criminelen die inmiddels in de bovenwereld zitten en dus misschien wel afzien van wat ze moeten doen. Dus er is heel veel aan de hand en ik wil inzicht, ik wil actie en ik wil daar ook de nodige middelen voor, maar wel binnen de keuzes die we kunnen maken. Ik ga hier geen beloftes doen die ik niet kan waarmaken.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Laat ik in ieder geval even vaststellen dat D66 niet in de regering zit, dus ook niets met de verdeling van middelen te maken heeft. Dat is natuurlijk een heel rare opmerking van de heer Marcouch. Ik zou zo graag nu eens van hem het eerlijke verhaal willen horen. Nu schermt hij ermee dat de grenzen zijn bereikt. Ja, de grenzen zijn zeker bereikt bij het OM en de politie. We zullen het daar morgen over hebben bij het jaarverslag, er zitten overal gaten in die begrotingen. Er is een stop voor het aanstellen van rechercheurs, die moeten uit de eigen organisatie komen. Bij de inzet van de politie wordt rekening gehouden met een 100% inzet van studenten, terwijl ze maar voor 40% inzetbaar zijn. Dat zijn allemaal fopspenen. De PvdA heeft de mogelijkheid om hier iets aan te doen, dus vraag ik de heer Marcouch: wat gaat de PvdA hier nu eens een keer aan doen?

De heer Marcouch (PvdA): Dat is nu juist waarom ik de Minister vraag om zijn rol te pakken. Het moet beter, juist vanwege al die versnippering en dat langs elkaar heen werken, de inefficiënte inzet van al die middelen die we hebben. Daar hoort misschien ook bij dat we op het moment dat we dat inzicht hebben ook keuzes moeten maken tussen de prioriteiten die we kiezen, want we moeten het uiteindelijk doen met de middelen en de capaciteit die we hebben. Dat is niet altijd een kwestie van meer, meer, meer, maar van keuzes maken en van kwaliteit. Voordat we al die keuzes gaan maken op basis van nattevingerwerk, vraag ik de Minister om ons inzicht te verschaffen en de wetenschap te betrekken in het onderzoek naar de aard, de omvang en de ernst van het probleem. Intussen moeten we gewoon doorgaan met wat we doen en wat we kunnen doen. Maar het kan beter, want de misdaad is georganiseerd, nu de overheid nog.

De heer Segers (ChristenUnie): Ik zit toch met grote verbazing naar mijn PvdA-collega te luisteren, die spreekt van nattevingerwerk. We weten dat de grenzen bij het OM zijn bereikt. We weten dat er gierende tekorten zijn bij de Nationale Politie. Die feiten liggen op tafel. De Minister voert het gevecht binnenskamers, hij moet met de Minister van Financiën gaan praten en zeggen dat hij echt extra geld nodig heeft, want zo kan het niet langer. Wat hij hier nodig heeft, is steun van twee coalitiepartijen die zeggen: dat is onze inzet bij de bespreking van de begroting voor komend jaar. Dan kun je zeggen dat je nogmaals een onderzoekje wilt, dat je de Minister heel veel sterkte wenst en dat die het misschien nog iets beter kan organiseren. Wat wij nu nodig hebben is een PvdA-fractie die kleur bekent en zegt: in de strijd tegen harde criminaliteit steunen wij dat en doen wij boter bij de vis. Is de heer Marcouch daartoe bereid?

De heer Marcouch (PvdA): Alle steun voor de Minister. Ik zit hier ook om de Minister te steunen. Ik heb in mijn betoog gezegd dat iedereen keihard werkt en zijn best doet om de misdaad te bestrijden. Maar u voert een begrotingsdiscussie aan, dat is volgens mij niet wat er op dit moment aan de hand is. Het gaat er in de eerste plaats om hoe ernstig de situatie is, wat ons inzicht is en wat we aan het doen zijn. En doen we dat op de beste manier? Dat is wat ik de Minister vraag om te doen en ik vraag hem ons daar ook inzicht in te verschaffen. Als de Minister zegt dat hij iets niet kan doen, dan ligt er een politiek probleem, een politieke keuze en daar moeten we dan over spreken. Dan zien we bij de begrotingsvoorstellen waar de problemen precies zitten. Maar tot nu toe heeft de Minister gezegd: we kunnen het aan en we boeken op allerlei terreinen successen. Nu zie ik grote versnippering. Ik vraag de Minister: hebben we nu inzicht in de aard, de omvang en de ernst en maken we daarin goede keuzes, moeten we in de prioritering niet anders gaan kijken naar nieuwe ontwikkelingen? Dat staat nog los van het geld dat je nodig hebt. Uiteraard realiseer ik me heel goed dat hoe meer je wilt doen, hoe meer geld dat ook gaat kosten.

De heer Segers (ChristenUnie): Het staat niet los van het geld. De collega van de heer Marcouch, de heer Recourt, heeft samen met de vorige woordvoerder van de VVD-fractie gezegd: wij willen niet langer bezuinigen op veiligheid. Dat was een eerste ferme stap. Als we nu weten dat er zulke tekorten zijn bij de politie, dat het OM inderdaad tegen de grenzen aanloopt, dat er veel achterstand is bij de rechterlijke macht, dan is het toch een geldkwestie? Dan staat dat toch niet los van geld? Als er extra ruimte is binnen de rijksbegroting, moeten we toch een PvdA- en een VVD-fractie hebben die kleur bekennen en die zeggen dat de strijd tegen criminaliteit hun ernst is en dat er inderdaad extra geld bij moet?

De heer Marcouch (PvdA): Volgens mij is er de afgelopen periode ook extra geld naar veiligheid gegaan. Ik wil heel graag de discussie voeren, maar op het moment dat er ook voorstellen zijn van het kabinet. Er liggen nu geen voorstellen, noch om te bezuinigen, noch om geld erbij te doen. Laten we dus die discussie voeren op het moment dat dat ons wordt voorgelegd.

Mevrouw Helder (PVV): Ik vraag me wel eens af of collega Marcouch op werkbezoek gaat en dan tegen verontruste burgers en aan de bel trekkende rechercheurs zegt dat hij pleit voor een onderzoek, dus: ik ga u steunen, ik pleit voor een onderzoek. Op de vraag naar de capaciteit die veel collega's al hebben gesteld, komt geen antwoord. De heer Marcouch duikt, de PvdA steunt de Minister en doet verder niks; zij komt ook niet met een eigen voorstel. Maar goed, dan stel ik een andere vraag.

Stel dat we voldoende capaciteit hadden gehad en dat er agenten ter plekke waren gekomen bij het laatste geval, de met een kalasjnikov in het rond maaiende figuur bij een basisschool. Die agenten zouden geen schijn van kans hebben gehad. Dus gaat de heer Marcouch dan op zijn minst pleiten voor maatregelen waardoor die agenten in ieder geval goed uitgerust en veilig ter plekke kunnen komen, zoals iets betere kogelwerende vesten of gepantserde auto's? Misschien wil de PvdA-fractie daar wel voor pleiten?

De heer Marcouch (PvdA): Collega Helder weet heel goed dat ik de politiewereld heel goed ken en dat ik er vaak kom. Wat politieagenten zeggen, zoals ook naar voren is gekomen in de gesprekken die ik laatst heb gevoerd, is dat er nationale en internationale ontwikkelingen zijn in de onderwereld. Met alles wat zij kunnen, kunnen zij al die delicten onderzoeken maar zij wijzen erop dat er veel meer aan de hand is. Ze zeggen dat het tijd is dat ze inzicht krijgen in de omvang, de aard en de ernst. Dat is niet alleen wat de politie kan doen, die ook politieonderzoeken doet, maar dan heb je nog niet het totale beeld. Daarin kan de Minister een belangrijke rol spelen.

Onze politieteams zijn goed getraind en goed opgeleid om ook te reageren op dergelijke zware en gevaarlijke criminelen. Dat zijn natuurlijk niet de basiseenheden. Die professionals zijn ook zo getraind dat er arrestatieteams gemobiliseerd worden als zij ter plekke komen en die gevaarlijke criminelen staan er nog met hun geweren. Die kunnen in no time ter plekke zijn en op een zeer effectieve manier deze zware jongens uitschakelen. Desnoods is er altijd nog mogelijkheid om op te schalen en eenheden van de KMAR of van Defensie te mobiliseren. Dus die mogelijkheden zijn er, dat is het probleem niet.

Mevrouw Helder (PVV): Voordat die teams er zijn, is het natuurlijk vaak al te laat. Je zult daar maar staan als agent met je goede opleiding tegenover een kalasjnikov. Dan begin je natuurlijk helemaal niks. Dit is dus niet begin van een antwoord. Juist omdat de heer Marcouch altijd zegt de politiewereld zo goed te kennen, verbaast mij dit antwoord. Mijn fractie wil dat hij het eindelijk eens voor die wereld gaat opnemen, want dat doet hij tot heden ten dage nog steeds niet. Wij gaan echt geen wedstrijdje ver plassen houden, want al mijn collega's hebben dat al geprobeerd over de capaciteit, we zijn allemaal op werkbezoek geweest. Toen ik advocaat was, ben ik zelfs ook bij de recherche geweest, dat is inmiddels tien jaar geleden. Toen was die vraag naar de capaciteit er ook. De misdaad neemt alleen maar toe. De vraag naar de capaciteit zal er altijd blijven. Daarom zal die vraag nog steeds aan de heer Marcouch gesteld worden. Hij heeft nog niet het begin van een antwoord gegeven, dus ik geef hem met deze interruptie nog een tweede kans om dat toch te proberen.

De heer Marcouch (PvdA): Ik zal de laatste zijn die betwist dat er behoefte is aan meer capaciteit bij de politie en het OM. Hoe meer mensen, hoe meer je kunt doen. Ik zeg alleen dat wij het moeten doen met wat we hebben. Dat is onze realiteit. Ik vind het een beetje dom van collega Helder om te zeggen dat agenten effectiever kunnen zijn tegen dit soort misdadigers als ze betere kogelwerende vesten zouden hebben. In films werkt het zo, maar in de werkelijkheid is onze samenleving zo georganiseerd dat we gelukkig niet op elke hoek of op ieder schoolplein commando's hebben staan. Waar het om gaat is of je op een goede, professionele manier kunt reageren. Onze politie kan dat en als we dit soort jongens moeten aanhouden, dan heeft de politie zware wapens. Dan is de politie ook specifieker specialistisch getraind om deze jongens binnen seconden aan te houden zonder schade te berokkenen.

De heer Segers (ChristenUnie): Voorzitter. Eerst twee kleine huishoudelijke mededelingen. De Minister houdt ons regelmatig op de hoogte hoeveel dagen en hoeveel weken hij Minister is. Hier zijn drie collega's 1.001 dag en nacht Kamerlid. Een tweede punt is dat ik er om 12.00 uur heel kort tussenuit moet maar daarna weer snel zal terugkeren. Alvast mijn excuses, maar mijn medewerker luistert mee.

De voorzitter: Van harte gefeliciteerd namens alle collega's, meneer Segers!

De heer Segers (ChristenUnie): Dank u wel. Ter zake: wij spreken over een heel ernstig onderwerp. Bij de strijd tegen drugs, tegen motorbendes, tegen bendes die elkaar afmaken in Amsterdam, staat er heel veel op het spel, namelijk de rechtsstaat. Wat hier dreigt is dat parallelle samenlevingen ontstaan. Daar is de strijd tegen. Er mogen geen parallelle samenlevingen ontstaan waarin de ene crimineel de andere crimineel afmaakt terwijl wij maar toekijken en geen idee hebben wat er gebeurt en wie waarom wordt afgemaakt, terwijl familieleden worden bedreigd.

We hebben het regelmatig gehad over Brabant. Vorige week heeft Minister in de Kamer nog mooie cijfers voorgelezen over de strijd tegen de misdaad daar en tegen drugs. Maar tegelijkertijd zijn er ook zorgen. Zo heeft de burgemeester van Tilburg, de heer Noordanus, gezegd dat de inzet heel matig is en dat er echt nog een wereld te winnen is. Ik vraag de Minister om specifiek op deze kritiek in te gaan. Is wat er daar gebeurt afdoende? Hoe plaatst hij de kritiek van de burgemeester van Tilburg?

Hoe gaat Minister de gisteren aangenomen motie van ChristenUnie, CDA en D66 uitvoeren over de compensatieregeling voor het opruimen van drugsafval?

Ook in Limburg zijn er grote zorgen over de capaciteit. We hebben de brief gelezen van de burgemeester van Maastricht en de commissaris van de Koning, die zeggen dat zij echt door de ondergrens dreigen te zakken. De Minister heeft beloofd dat dat nooit zal gebeuren. Als wij dit toch heel serieuze signaal krijgen, hoe moeten we dit dan wegen en wat gaat de Minister eraan doen dat we inderdaad niet door die ondergrens zakken?

Het is cruciaal dat de positie van burgemeesters wordt versterkt, waar die ondergraven dreigt te worden. Dat raakt wel de hele reorganisatie van de Nationale Politie, waarin de burgemeesters een andere rol hebben gekregen, ook bij het overhevelen van de politie van Binnenlandse Zaken naar Veiligheid en Justitie. Dat raakt ook aan de positie van de burgemeesters. Als die positie nu opnieuw wordt bekeken en als de burgemeester ook in de driehoek verder in positie wordt gebracht, is dat dan niet het moment om eens even te kijken hoe die overheveling van Binnenlandse Zaken naar Veiligheid en Justitie heeft uitgepakt, wat voor impact die heeft gehad op de positie van de burgemeester op het lokale gezag in het domein van veiligheid en openbare orde? Is de Minister bereid om dat tegen het licht te houden en daarover een kritische zelfevaluatie te laten plaatsvinden?

Dan de motorbendes. Ik sluit me graag aan bij de vele bezorgde woorden die hierover gesproken zijn, want hier dreigt inderdaad een parallelle samenleving te ontstaan. Ongeveer 150 opsporingsonderzoeken hebben geleid tot 20 strafzaken. Dat is toch weinig. Hoe beoordeelt Minister dat en heeft hij wettelijk voldoende middelen om het uiteindelijk tot een veroordeling te laten komen?

Hierbij ligt ook de vraag op tafel die de Minister zelf heeft gesteld en die hij zegt ook heel graag te willen beantwoorden, of die bendes niet veel eerder verboden moeten kunnen worden. Er loopt nu een strafzaak en de Minister heeft gezegd dat hij dit wil onderzoeken. Stel dat het opnieuw niet lukt om het tot een verbod te laten komen, is de Minister dan bereid om de lat lager te leggen en net als Duitsland eerder te kunnen overgaan tot het verbieden van organisaties die zo evident fout zijn en die maar één doel hebben, namelijk veel geld verdienen aan dingen die verboden zijn, organisaties die daarbij geen enkel middel en geen enkel geweld schuwen? We moeten daar veel eerder tegen kunnen optreden, juist om zo'n parallelle samenleving te voorkomen.

Dat raakt ook de positie van ambtenaren die lid zijn van die motorbendes. We hebben daar heel kort iets over gelezen. Er zijn zo'n 50 ambtenaren lid van dergelijke bendes en er vindt weinig ontslag plaats. Dan is de vraag aan de Minister of de maatregelen die in de praktijk genomen worden om het overheidsgezag en de veiligheid te waarborgen, voldoende zijn als het gaat om de positie van ambtenaren die lid zijn van die motorbendes. De Minister stelt dat goed ambtenaarschap bepaalde eisen met zich meebrengt. Hij noemt als voorbeeld het niet willens en wetens verkeren in de omgeving van personen die min of meer structureel normen en wetten overtreden. Dat lijkt toch hier wel in het geding te zijn. Moeten we niet harder optreden tegen ambtenaren die lid zijn van dit soort bendes?

Mevrouw Tellegen (VVD): Voorzitter. Liquidaties in de publieke ruimte op klaarlichte dag in Amsterdam, in een winkel of, zoals recent in Zaandam, voor een school, waar veel kinderen getuige van waren. Motorbendes die het dagelijks leven in gemeenten volledig platleggen, het lokale bestuur dat wordt geïntimideerd en bedreigd. De publieke ruimte wordt in rap tempo tot een afrekentuin, waarin de onderwereld zonder grenzen opereert en zich boven iedere wet waant.

De VVD pleitte niet voor niets in het najaar voor adequate bewapening van die agenten die te maken krijgen met dit grove geweldsniveau. Want de vorm van geweld en de wijze waarop deze criminelen de publieke ruimte gijzelen, neemt toe. OM-baas Bolhuis zei het deze week treffend: «De georganiseerde criminaliteit verdiept zich, verhardt zich en wordt internationaler.» Dat er voor deze trend geen makkelijke oplossingen en kortetermijnantwoorden zijn is duidelijk. De VVD steunt dan ook de lijn van het kabinet dat uitgaat van een aanpak waarbij alle betrokken partners intensief samenwerken. Het is een proces van lange adem, waarbij de roep na ieder incident om alsmaar harder en steviger optreden, gezien de maatschappelijke impact, logisch is maar niet altijd even doordacht en effectief. Een adequaat antwoord op de toenemende mate van geweld ligt naar de overtuiging van de VVD vooral in slim en gezamenlijk optreden en in daar toeslaan waar dat het meest pijn doet. Met de recente invallen in Limburg hebben politie en andere veiligheidspartners aangetoond dat dat kan en dat het werkt. Een groot compliment is hier dan ook op zijn plaats.

Ik heb de volgende vragen aan de Minister. Ten aanzien van de georganiseerde criminaliteit in het zuiden van het land werpt de taskforce Noord-Brabant vruchten af. Deze samenwerking heeft zijn nut bewezen, doet goed werk en behaalt mooie resultaten. Het is een goede zaak dat de taskforce dan ook wordt voortgezet om het probleem bij de wortels aan te pakken. Maar is het een model dat ook zou kunnen werken over de grens? Georganiseerde criminaliteit trekt zich immers niets aan van grenzen en werkt als een waterbed. Kijken we naar Limburg, dan gaat het al snel om samenwerking met België, om samenwerking in het Nederlandse taalgebied.

De VVD is dan ook blij met het nieuws van gisteren. De Minister kondigde aan de aanpak van georganiseerde criminaliteit in Europees verband te willen intensiveren. Graag hoor ik meer over deze ambitie. Hoe kan de regio Noord-Limburg/Vlaanderen van dit voornemen profiteren? Welke mogelijkheden ziet de Minister om in analogie met de taskforce Noord-Brabant over de grenzen heen met bijvoorbeeld België te gaan samenwerken?

De opdracht is en blijft: tref de criminele netwerken waar dat het meeste pijn doet: bij het geld. Snijd ze financieel de pas af. Vorig jaar heeft de politie een recordbedrag van 136 miljoen euro kunnen afpakken. Welke inspanning verricht de Minister om op dit punt verder door te pakken? Het is ontoelaatbaar dat het lokale gezag wordt geïntimideerd en bedreigd. Mijn collega Foort van Oosten heeft hier recent een punt van gemaakt. Minister Plasterk zou in overleg gaan met de burgemeesters. Wat is hier uitgekomen?

En dan ten aanzien van de motorbendes. Ik zei het al, het recente optreden in Limburg van politie, OM en andere partners is het bewijs dat integraal optreden de enige manier is om het hoofd te bieden aan deze bendes. Motorbendes beheersen het straatbeeld, intimideren hele dorpen en vormen een ernstige bedreiging voor de openbare orde. De VVD zou dan ook graag zien dat motorbendes als geheel kunnen worden verboden. Zij volgt dan ook met veel interesse de strafzaak die nu loopt, waarbij veertien leden van de motorbende Bandidos worden vervolgd als criminele organisatie. Is dit de opmaat naar een verbod? De VVD zou daar graag werk van maken. Hoe ziet de Minister dit en wanneer kunnen we zijn onderzoek naar het een en ander in landen als België en Duitsland tegemoetzien?

Mevrouw Kooiman (SP): Hier ook een betoog van een coalitiepartij waarvan ik denk: als je daadwerkelijk naar de agenten zou luisteren, dan zou je zorgen voor voldoende capaciteit. Laat ik dan in ieder geval aan de VVD vragen of zij bereid is naar haar eigen VVD-burgemeesters te luisteren. De heer Hoes heeft in Limburg als regioburgemeester gisteren aan de bel getrokken en heeft een brief gestuurd waarin hij vraagt om in ieder geval de vacaturestop even op te heffen, zodat men weer rechercheurs en analisten kan aannemen, want daar heeft men nu behoefte aan. Is de VVD bereid om daarnaar te kijken?

Mevrouw Tellegen (VVD): Dat ben ik zeker, ik heb die brief gelezen. Ik ben me bewust van de problemen waarvoor burgemeester Hoes zich als regioburgemeester gesteld ziet. De roep om meer blauw is van alle tijden. Als ik morgen een zak geld had, zou de VVD daar ook hartgrondig voor pleiten. Helaas is de werkelijkheid van het vinden van geld voor meer capaciteit weerbarstiger en zullen wij het op dit moment in de huidige situatie moeten doen met een slimmere en flexibeler inzet. Dat neemt niet weg dat wat de heer Hoes signaleert een probleem is, want we hebben met elkaar een bepaalde minimumbezetting afgesproken. Ook de VVD vindt dat je daar natuurlijk nooit aan mag tornen en al helemaal niet in een situatie waarin die regio zich op dit moment bevindt. Dus mijn vraag aan de Minister zou ook inderdaad zijn: hoe staat het nu met die onderbezetting? Hoe snel gaan wij ervoor zorgen dat er in ieder geval een normale bezetting komt? Het zou mij een lief ding waard zijn als wij een stap kunnen zetten bij het verzoek om de vacatures die er nu zijn, te mogen invullen, want de man staat met zijn handen in het haar.

Mevrouw Kooiman (SP): Dus als ik het goed begrijp is de VVD bereid om de Minister te verzoeken die vacaturestop inderdaad op te heffen en te kijken of we de vergrijzing kunnen tegengaan door nu te investeren in rechercheurs in Limburg?

Mevrouw Tellegen (VVD): Ja, dat hebt u goed begrepen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Ik hoorde mevrouw Tellegen aan het begin van haar betoog zeggen dat zij vindt dat de bewapening van politiemensen zwaarder zou moeten worden. Ik vraag me af hoe zij dat in de praktijk voor zich ziet. Als er een 112-melding komt, dan gaat er een noodhulpeenheid naar een bepaalde situatie. Stelt zij nu voor dat alle politiemensen in het blauw zwaarder bewapend worden?

Mevrouw Tellegen (VVD): Ik ben blij met deze vraag, want dat stel ik niet voor. Als u de brief hebt gelezen over de 128 miljoen extra investering in de veiligheidsketen, dan wordt er heel concreet 25 miljoen vrijgemaakt voor speciale interventieteams die op verzoek van de VVD – dat debat heeft in het najaar plaatsgevonden – steviger worden bewapend, juist omdat het geweldsniveau ook heftiger wordt. Dat betekent niet dat de VVD ervoor pleit dat er op iedere hoek van iedere straat een agent komt te staan met een kalasjnikov, integendeel. Alleen de speciale interventieteams die ervoor zijn om deze criminelen op te pakken als dat mogelijk is, moeten ook met die wapens zijn bewapend waarmee ze een realistisch antwoord kunnen geven op het geweldsniveau waarmee deze mannen te werk gaan.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Dan constateer ik dat er dus helemaal niets nieuws onder de zon is, want de arrestatie-eenheden zijn al zwaarder bewapend en worden dus ook in dit soort situaties ingezet. Dat betekent niet dat bij een eerste melding onmiddellijk zo'n speciaal interventieteam ter plekke zal zijn. Dus ik vind dit iets voor de bühne roepen wat er in feite al is en wat dus verder niks nieuws is.

Mevrouw Tellegen (VVD): Mevrouw Berndsen heeft niet geluisterd. Ik heb ook niet een nieuw pleidooi gehouden, ik heb gerefereerd aan een pleidooi dat de VVD in het afgelopen najaar heeft gehouden en dat is ingewilligd. Daarmee is 25 miljoen vrijgemaakt, mede op verzoek van de bonden, die ook vonden dat de speciale interventieteams meer en betere slagkracht moesten krijgen om een antwoord te kunnen geven op deze toenemende criminaliteit. Dat is gebeurd, dat wil ik hier nog even markeren.

Mevrouw Berndsen wordt helemaal bediend, want ik kom er zelfs nog een keer op terug. Niet alleen in het zuiden van Nederland, ook in Amsterdam is de opkomende zware criminaliteit het gesprek van de dag. Liquidaties met automatische wapens op klaarlichte dag met kinderen als getuigen vragen om actie. Maar welke actie? VVD heeft er dit najaar al voor gepleit de speciale interventieteams van de politie zo te bewapenen dat ze opgewassen zijn tegen de toenemende mate van geweld. Hoe staat het daar nu mee? Hoe zit het met de uitwerking van de motie-Van Oosten/Marcouch die uitspreekt dat het bezit van semiautomatische wapens veel harder moet worden bestraft? Graag een reactie van de Minister.

Wanneer kunnen we van de Minister een reactie verwachten op de illegale vuurwapenhandel? Aan het gemak waarmee criminelen aan een vuurwapen kunnen komen moet een einde komen. Begin dit jaar is het Landelijk Platform Vuurwapens opgeheven, een Europese variant is hiervoor opgetuigd. Kan de Minister toezeggen dat hij de geweldsspiraal en het toenemend gebruik van semiautomatische wapens in de publieke ruimte aan de orde stelt in dit platform?

De heer Oskam (CDA): De Minister schrijft ons in een brief dat de aanpak van motorbendes in Duitsland ongeveer vergelijkbaar is met die in Nederland. Hoe kijkt de VVD daar tegenaan?

Mevrouw Tellegen (VVD): Zoals ik al zei, we willen daar werk van maken. Een eerdere zaak waarin motorbende Hell’s Angels als criminele organisatie geheel is aangeklaagd, is op niets uitgelopen. Ik heb goede hoop dat de zaak die nu loopt daar een haak voor biedt. Dan zouden we daar werk van kunnen maken.

De heer Oskam (CDA): Volgens mij kan in Duitsland de Minister een beslissing nemen om een motorbende te verbieden; als die het daar niet mee eens is, kan die naar de rechter stappen. In Nederland is het natuurlijk anders, daar moet het OM het voortouw nemen.

Mevrouw Tellegen (VVD): Het juridische vraagstuk is lastig, want tot nu toe worden alleen maar leden die onderdeel uitmaken van zo'n bende, veroordeeld. We willen toe naar een situatie waarin de organisatie als geheel kan worden vervolgd. De VVD is daar een groot voorstander van, maar juridisch is het niet eenvoudig om dat te regelen. Ik hoop dat de Minister bereid is om vandaag aan te geven dat hij daar heel serieus naar gaat kijken.

De heer Bontes (Groep Bontes/Van Klaveren): Mevrouw Tellegen maakt zich terecht zorgen over de zware vuurwapens in Nederland. Waarom heeft de VVD mijn motie om daar een topprioriteit van te maken, een paar maanden geleden niet gesteund?

Mevrouw Tellegen (VVD): Dat is een goede vraag. Dat heb ik nu zo niet even voor de bril. Ik denk dat dat is omdat we op dit moment als Kamer alles bij elk incident tot topprioriteit maken, maar laat ik heel duidelijk zijn: we vinden hier allemaal hetzelfde. Als er een nieuwe manier is om de criminele circuits aan te pakken, dan zal dat moeten zijn door de illegale wapenhandel steviger aan te pakken.

De heer Bontes (Groep Bontes/Van Klaveren): Ik maak lang niet van alles een topprioriteit. Dat maak ik alleen van de handel in wapens, kalasjnikovs. Dan is het nog geen antwoord op mijn vraag, maar kennelijk weet mevrouw Tellegen het niet meer. Daar zal ik genoegen mee moeten nemen, maar ik ga ervan uit dat ik wel steun krijg als ik nog een keer zo'n motie indien.

De heer Oskam (CDA): Voorzitter. Ik wil graag vijf thema's de revue laten passeren, namelijk de aanpak van zware vuurwapens, mobiel banditisme, criminele motorbendes, kentekenfraude en, als er nog tijd voor is, de bestrijding van de criminaliteit in het zuiden van het land.

Ik begin bij de aanpak van vuurwapens, want na de zevende liquidatie zit de schrik er goed in. Zwaar geschut midden in een woonwijk nabij twee basisscholen met gevaar voor omwonenden en passanten, en kinderen die het hebben kunnen zien. Wild West, en, om collega Bontes te citeren: Sicilië in de polder. Daar moet een einde aan komen. Voor het CDA is de aanpak van zware vuurwapens een van de eerste belangrijke stappen om daar een gevolg aan te geven, want de vraag is natuurlijk waarom mensen vuurwapens hebben. Ik wil de Minister niet tegen me in het harnas jagen, want iedereen weet dat hij een liefhebber is van de jachtsport. Ik zeg dit met uitsluiting van jagers en sportschutters, maar criminelen hebben vuurwapens voor zelfbescherming of omdat ze nog een rekening te vereffenen hebben. Daarom moet het vuurwapenbezit aan de voorkant worden aangepakt en moet het ook als er strafbare feiten worden gepleegd hard worden aangepakt. Wat mij betreft moet er een landelijke vuurwapenofficier komen. Ik zeg dat ook omdat ik er zelf ervaring mee heb en omdat ik in gesprekken met recherchechefs hoor dat het voor de politie interessanter is om een drugsonderzoek te doen. Dat kan snel, daar kun je snel scoren, terwijl een vuurwapenonderzoek maanden kost en veel energie vergt. Maar ieder vuurwapen dat van straat wordt gehaald, kan weer liquidaties schelen. Dus wat mij betreft komt er een vuurwapenofficier die landelijk aanstuurt zodat in ieder geval een aantal grote vuurwapenonderzoeken kan worden gedraaid. Er is genoeg informatie over. Dan kun je ook zelf aan de voorkant zaken voorkomen.

Dan de bestraffing. Uiteraard respecteert het CDA de onafhankelijkheid van de rechtspraak. Daar moeten wij ook niet aan tornen. Maar we zien toch nog steeds dat officieren van justitie celstraffen eisen bij illegaal vuurwapenbezit en dat er toch nog taakstraffen worden opgelegd. Ik vraag de Minister om toch nog eens met de Raad voor de rechtspraak naar die richtlijnen te kijken. Het gevoelen in de samenleving is toch dat als mensen vuurwapens hebben die potentieel bedoeld zijn om te doden, ze dan niet met een taakstraf kunnen wegkomen.

Dan het mobiel banditisme. Ieder jaar praten we erover en ieder jaar komt het terug. Detailhandel Nederland heeft het afgelopen jaar weer 250 miljoen schade geleden. Gisteren was er een uitzending van Brandpunt, waarin aandacht werd besteed aan de aanbevelingen van Detailhandel Nederland. Over een daarvan hebben we net een brief gekregen van de Minister, en wel over de rooftassen. Ik vraag de Minister om toch meer aandacht te vragen bij politie en Openbaar Ministerie voor de aanpak van dit soort vormen van georganiseerde criminaliteit en ook om de privacyblokkades weg te nemen. De interne uitwisseling van informatie over dit soort bendes schijnt toch heel moeilijk te verlopen. Daarvoor moet een oplossing worden gevonden.

Rond de motorbendes is al veel actie ondernomen de laatste tijd. De Minister heeft ook de situatie in Duitsland bekeken en heeft gesteld dat het wettelijk instrumentarium daar vergelijkbaar is met dat in Nederland. Ik vraag me toch af of dat het geval is, want ik heb net al bij interruptie tegen mevrouw Tellegen gezegd dat het OM in Nederland een verbod moet eisen, waar een zware bewijslast op zit. Tot nu toe is het niet gelukt om dat voor elkaar te krijgen. In Duitsland is de methode anders, daar kan de Minister zeggen: dit is een gevaarlijke organisatie, die slecht is voor de rechtsorde, ik verbied deze organisatie. Dan is het aan die motorbende om naar de rechter te stappen en te zeggen dat de Minister ongelijk heeft. Het zou zo goed zijn als dat in Nederland ook op die manier kan. De Minister heeft gezegd dat hij dit zal onderzoeken en dat hij binnenkort met een rapport zal komen. Wij wachten daar met smart op. Ik kan in ieder geval zeggen dat ik met mevrouw Tellegen al bezig ben om ook een eigen onderzoek te doen om te kijken welke kant het op moet, maar wat ons betreft worden die motorbendes verboden.

De Minister heeft naar aanleiding van de aangenomen CDA-motie van februari dit jaar onderzoek gedaan in Denemarken naar de mogelijkheid van uitstapprogramma's. Klopt het dat de Minister alleen maar naar Denemarken heeft gekeken, of heeft hij de motie breed uitgelegd en heeft hij ook in andere landen van Europa gekeken? De Minister heeft gezegd dat er voldoende mogelijkheden zijn in Nederland om uit een motorclub te stappen, maar de CDA-fractie twijfelt daar toch zeer aan, want in de voortgangsrapportage van juni 2014 kwam dit nog steeds nadrukkelijk als actiepunt naar voren, maar in het meest recente rapport niet meer. Ik vraag de Minister dan ook of hij nu de conclusie trekt dat het eigenlijk allemaal goed geregeld is en dat het afdoende is, of is er toch aanleiding om meer te doen en wat zou de Minister in dat verband voorstellen?

Dan nog even het full colourverbod dat in Tilburg werd afgekondigd om een aantal motorbende gerelateerde incidenten in het horecaconcentratiegebied aan te pakken. Het aantal incidenten is daar ook daadwerkelijk afgenomen. Kunnen burgemeesters een dergelijk verbod ook permanent invoeren en is ook een mogelijkheid om dat bij andere gemeenten onder de aandacht te brengen?

De vergadering wordt van 11.13 uur tot 11.28 uur geschorst.

Minister Van der Steur: Voorzitter. Dank aan de leden van uw Kamer voor de vele opmerkingen die ik in algemene zin beschouw als ondersteuning van het beleid dat de overheid voert in de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.

Ten tweede stel ik vast dat de zorgen die ik heb over de liquidaties, de criminele motorbendes en de ondermijning die kan voortvloeien uit de georganiseerde criminaliteit, ook gedeeld worden door uw Kamer. Daarnaast ben ik heel blij dat Kamer ook meedenkt over de oplossingsrichtingen die wij hebben bovenop of al binnen in het beleid zoals dat de afgelopen jaren met vrij veel succes wordt gevoerd.

Een of twee leden van de Kamer hoorde ik zeggen dat de misdaad uit de hand loopt, dat de strijd tegen de misdaad verloren is en dat Nederland steeds crimineler zou worden. De feiten zijn wat dat betreft bemoedigend en zeker ook anders. Nederland wordt de laatste jaren steeds veiliger. Het aantal criminelen en het aantal criminele daden daalt spectaculair, net als het aantal gevangenen, zoals men weet een van de uitdagingen die we binnen mijn departement hebben. Het aantal overvallen daalt spectaculair. Het aantal woninginbraken daalt spectaculair. Op een heel groot aantal terreinen zien wij dat er grote successen worden geboekt in de strijd tegen criminaliteit.

Tegelijkertijd zien we ook dat er nog steeds sprake is, en de laatste maanden weer heel intensief, van heftige liquidaties waarbij zware wapens worden gebruikt en over het algemeen ook op een manier die zeer onverantwoord en zeer onwenselijk is. Ik stel vast dat de zorg en de afschuw daarover in de Kamer niet anders zijn dan die in de samenleving en dan die bij mij als Minister van Veiligheid en Justitie.

Ons is er dan ook alles aan gelegen om aan de liquidatiegolf die we nu zien, een einde te maken, maar het is ook goed om vast te stellen dat dat niet het symptoom is van enorm toegenomen criminaliteit in Nederland, maar dat het een heftige uitwas is van een over het algemeen structureel veiliger wordend Nederland. Het is goed om dat in perspectief te plaatsen, omdat het ook hier gaat om het evenwicht dat wij moeten bereiken.

De heer Bontes (Groep Bontes/Van Klaveren): Dit is een hosannaverhaal van de Minister: geen probleem want het gaat fantastisch, met spectaculaire dalingen in misdaadcijfers. Die wereld is veel complexer. Je moet kijken naar de afnemende aangiftebereidheid, je moet kijken naar de pakkans, je moet kijken wie in welke gevallen veroordeeld wordt en in welke gevallen dat daadwerkelijk tot gevangenisstraf leidt. Als de Minister dat goed gaat bestuderen zal hij zien dat hij dat enthousiasme en dat positivisme overschat en dat dit niet op zijn plaats is. Dus die werkelijkheid is veel complexer waar het gaat om geweldsmisdrijven. Georganiseerde misdaad loont nog steeds in Nederland en veel te veel. Misschien kan de Minister daar toch op reageren.

Minister Van der Steur: Met de laatste opmerking van de heer Bontes ben ik het geheel eens. Georganiseerde misdaad loont in Nederland nog steeds het loont ook veel te veel. Dat is absoluut waar, maar dat is in de afgelopen jaren gelukkig ook veel minder geworden, dankzij het succesvol ingezette beleid van mijn voorganger op dit punt. In het eerste deel van het betoog van de heer Bontes herken ik mij echter niet. Ik wijs erop dat de onderzoeken waarop ik mij baseer en waarop wij ons allemaal baseren, niet door mij of mijn departement worden gedaan maar door onafhankelijke instituten die op een heel zorgvuldige manier naar die vragen kijken. Natuurlijk is het waar dat wij niet altijd precies weten hoe het zit met aangiftes, dat wij niet precies weten hoe de cijfers zich exact vertalen, maar ik signaleer de trends die we in Nederland zien naar een steeds veiliger samenleving, en daar kan zelfs de heer Bontes niet onderuit.

De heer Bontes (Groep Bontes/Van Klaveren): Ja, daar kan ik wel onderuit, want systemen zijn veranderd, registraties zijn veranderd. Ik kan me nog herinneren uit mijn eigen politietijd dat een inbraak in een schuur behorend bij een woning werd gezien als een inbraak in een woning. Nu wordt die niet meer gezien als een inbraak in een woning, dus de wereld is veel en veel complexer dan de Minister hier nu schetst. Ik ben ook veel minder enthousiast en veel minder positief dan de Minister. Wij moeten niet het beeld neerzetten dat het nu allemaal goed gaat en dat we dus zo kunnen doorgaan. Het is echt vijf over twaalf, niet vijf voor twaalf, de Minister moet gewoon veel meer doen. Graag een reactie daarop.

Minister Van der Steur: Ik herken mij niet in de conclusies die de heer Bontes trekt. De cijfers over de aanpak van de high impact crimes worden door iedereen onderschreven. Alle gemeenten, alle burgemeesters erkennen ook dat er in heel veel gemeenten sprake is van spectaculaire dalingen van het aantal woninginbraken, roofovervallen en winkelovervallen. Dat komt voor een groot deel door de uitstekende manier waarop wordt samengewerkt door de politie en het Openbaar Ministerie maar vooral ook met mensen in de samenleving, burgers die veel meer aan preventie denken, het Politiekeurmerk Veilig Wonen en winkeliers die zich veel beter beschermen tegen al deze vormen van criminaliteit. Dat heeft er echt voor gezorgd dat we, door de grote samenwerking met al die mensen, deze spectaculaire daling hebben veroorzaakt.

Dat wil niet zeggen dat Nederland probleemloos is. Het betekent ook niet dat mijn werk als Minister van Veiligheid en Justitie klaar is. Er is wel degelijk een risico op ondermijning van onze samenleving door criminelen. Ik noem alleen al het simpele feit van de enorme omzetten die zij maken, door illegale hennepteelt, door de productie van synthetische drugs, door de handel in wapens, door de handel in mensen, zowel in de vorm van mensensmokkel als van uitbuiting, seksueel dan wel door lagere salarissen.

Dat zijn echt grote zorgen. Voor die zorgen loop ik niet weg. Dat is ook de reden dat ik ook sinds mijn aantreden heel actief in contact ben met de lokale driehoeken, met de veiligheidsregio's, met de regioburgemeesters, precies om op dit punt effectief te kunnen zijn. Ik vind ook dat we daarin als overheid effectief moeten zijn, uiteraard binnen de kaders die we daarvoor nu eenmaal met elkaar hebben afgesproken.

Maar de aanpak van de ondermijning heeft volop de aandacht. Getuige ook de zeer gewelddadige liquidatie van vorige week in Zaandam moeten wij met de kracht die wij hebben, in gezamenlijkheid dit probleem blijven aanpakken. We komen als één overheid in actie tegen de criminelen die met steeds zwaarder geschut onze samenleving onder druk zetten. Dat de druk op de samenleving groter wordt, betekent vermoedelijk ook dat we steeds dichterbij komen. Ze voelen dat we het niet meer pikken en dat we ze op vele fronten aanvallen. Dat houden we vol. Daar is lange adem voor nodig. Ik verwacht niet dat ik bij het volgende algemeen overleg georganiseerde criminaliteit van de Kamer een bos bloemen zal ontvangen vanwege het beëindigen van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Dat is niet realistisch. Maar wat ik wel hoop is dat het beleid dat wij nu voeren, steeds betere resultaten laat zien, zoals dat in de afgelopen jaren ook steeds meer het geval is geweest, en dat ook de Kamer de erkentelijkheid daarvoor kan uitspreken. Daar streef ik naar en daar staan wij met de Nationale Politie, het Openbaar Ministerie en mijn departement ook voor. Daarvoor is wel doorzettingsvermogen nodig en de onverkorte steun aan alle betrokken partijen in die keten.

De heer Marcouch (PvdA): Ik betwist het harde werk en de inzet van alle betrokkenen absoluut niet. Er wordt heel hard gewerkt om deze misdadigers op te sporen, op te pakken en op te sluiten. Maar als de Minister zegt dat de liquidaties een reactie zijn omdat de daders voelen dat we dichterbij komen, dan doet dat geen recht aan de werkelijkheid. Ik zie dat deze criminelen zeggen: wij zijn de baas op straat. Op klaarlichte dag, in drukke wijken elkaar afmaken; afrekeningen, deurwaarderspraktijken maar dan zoals dat gaat in de onderwereld. Dan kan de Minister toch niet zeggen dat dat komt doordat criminelen voelen dat wij dichterbij komen? Dan hebben we toch veel diepere inzichten nodig en misschien wel een andere kijk op de georganiseerde misdaad om effectief te zijn?

Minister Van der Steur: Dan heeft de heer Marcouch mij niet goed begrepen. Ik zeg niet dat de liquidaties daar een voorbeeld van zijn, ik zeg dat er druk op de samenleving komt, zoals de bedreiging van burgemeesters en de pogingen van criminelen om hun terreinen niet te verliezen. Daarmee zetten zij bijvoorbeeld druk op gemeentelijke instanties. Die druk laat zien dat men steeds meer in de knel komt, gelet op de effecten binnen gemeenten die praten met motorbendes om hun het gebruik van het clubhuis te ontzeggen of, zoals in Kerkrade, cafés en panden te sluiten. Dat zijn allemaal manieren waarop men voelt dat de druk wordt vergroot. In reactie daarop wordt de druk op de samenleving opgevoerd. Mogelijkerwijs is ook de kwestie in Haarlem de afgelopen dagen daarvan, zeg ik in alle voorzichtigheid, een voorbeeld. Maar dat betekent, zoals ik net ook zei, gegeven het feit dat zij die druk voelen, dat wij ervoor moeten zorgen dat wij die strijd ook volhouden en dat wij de juiste maatregelen blijven nemen om die criminelen de pas af te snijden.

De heer Marcouch (PvdA): Ik hoop dat de Minister straks nog op mijn pleidooi terugkomt om een nationaal aanvalsplan op te stellen en om de regie te nemen bij de aanpak van dit probleem. Ziet de Minister ook dat de vraag wie de baas is op straat, hier wordt betwist door de criminelen? Kan hij aangeven wie er dan volgens hem de baas is op straat?

Minister Van der Steur: Ik denk dat in algemene zin iedereen wel erkent dat wij met zijn allen de baas zijn op straat, maar in dit specifieke geval, waar het gaat om heel zware criminaliteit in Zaandam, kan ik niet ontkennen dat die liquidatie heeft plaatsgevonden. Waren we toen de baas op straat? Nee, dat waren we niet. Hebben we de daders al te pakken? Nee, dat hebben we nog niet. Betekent dat dat we ze nooit te pakken krijgen? Nee, gelukkig niet. Ik verwijs naar de Staatsliedenbuurt, met een soortgelijke zware liquidatie, de eerste die we te zien kregen, waar in het wilde weg geschoten werd met kalasjnikovs. Twee daders daarvan zijn levenslang opgesloten, de andere daders zijn volgens mij inmiddels overleden. Daar is dus het hele misdrijf opgelost; een groot succes voor het Openbaar Ministerie door een levenslange gevangenisstraf voor deze mensen, voor het eerst in Nederland, voor zover ik weet, is dat op basis van deugdelijk onderzoek door politie en justitie gelukt.

Onze aanpak werpt vruchten af. Het aantal aangepakte criminele samenwerkingsverbanden is binnen vijf jaar meer dan verdubbeld tot totaal 1.130 in 2014. Dat is een enorm succes ten opzichte van de cijfers uit de jaren daarvoor.

Naar de afpakstrategie vroeg een van de leden terecht. Wij vinden allemaal dat misdaad niet mag lonen. Die strategie is de laatste jaren zeer succesvol gebleken. In het afgelopen jaar is 136 miljoen euro afgepakt. In een eerder algemeen overleg vroeg een van de leden of dat al in de buurt komt van de totale omzet van de criminaliteit. Ik denk het niet. Dan is de volgende vraag die gesteld kan worden of ik precies weet wat de omzet van de Nederlandse criminaliteit is. Nee, dat weet ik niet. Dat zou ik wel graag willen weten, want als ik het eenmaal wist, zou dat betekenen dat we die criminaliteit ook effectief hebben aangepakt en opgelost. Dat dit de komende jaren zal moeten toenemen maar ook zal toenemen is iedereen duidelijk en is ook kernpunt van het beleid dat wij voeren.

Een aantal leden heeft er zijn zorgen over uitgesproken hoe het nu gaat met de ondersteuning en de positie van burgemeester. Ik weet dat er, zowel binnen het LIEC als binnen de RIEC’s, zoals ik ook in mijn functie als Minister met burgemeesters, Openbaar Ministerie en politie doe, veelvuldig over de aanpak wordt gesproken. Ik heb zelf geregeld telefonisch contact met de burgemeesters die zich op dit moment in zo’n kwetsbare positie lijken te bevinden. Ik ben in Limburg geweest, zoals de Kamer ongetwijfeld heeft kunnen volgen en ik heb bezoeken gebracht aan de eenheden Zeeland, West-Brabant en Oost-Brabant. Wat ik daar heb gezien, is toch een beetje anders dan wat ik proef bij de leden van de Kamer. Ik zie daar een enorm grote ambitie en gedrevenheid van de burgemeesters, de politie, het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst om de georganiseerde misdaad op alle mogelijke fronten dwars te zitten en aan te pakken. De resultaten spreken dan ook voor zich. Ik heb dat ook bij een eerdere gelegenheid in de Kamer kunnen zeggen. De intensivering op hennep en synthetische drugs in Zuid-Nederland heeft in een halfjaar tijd onder meer opgeleverd dat er 173 interventies hebben plaatsgevonden, dat er 20 criminele samenwerkingsverbanden zijn aangepakt, dat er 149 aanhoudingen zijn gepleegd en dat alleen al daar voor ruim 2 miljoen aan crimineel vermogen is afgepakt. Dat we in Zuid-Nederland, zoals ik ook een aantal leden terecht heb horen zeggen, te maken hebben met zeer zware jongens, blijkt wel uit het feit dat we in het eerste halfjaar in Zuid-Nederland 63.000 liter aan chemicaliën voor de productie van synthetische drugs in beslag hebben genomen, dat 19 drugslaboratoria zijn opgerold en dat 145 wapens in beslag zijn genomen. Ik hoef de Kamer niet te vertellen dat dat onder andere ook zeer recentelijk nog zeer zware wapens als raketwerpers waren en eveneens weer kalasjnikovs. Dus is daarmee vastgesteld dat we te maken hebben met zeer zware criminelen? Het antwoord daarop is ja, dat wisten we, dat weten we en dat is ook de reden dat we daar heel veel energie in steken.

De heer Segers (ChristenUnie): Het lijkt wel of de Minister allerlei feiten opnoemt om duidelijk te maken dat er van alles gebeurt. Maar dat wordt volgens mij aan deze kant van de tafel niet betwist. Er gebeuren fantastische dingen, alleen zijn er zorgen geuit, ook door burgemeesters. Denk aan burgemeester Noordanus, die zegt dat hij de inzet nog te matig vindt. De taskforce doet goed werk, de Minister heeft vorige week allerlei resultaten voorgelezen en doet dat nu weer, die worden helemaal niet betwist, maar Noordanus zegt: het is te matig. We krijgen een brief vanuit Limburg waarin staat dat we door de ondergrens dreigen te zakken. Het is dan toch geen antwoord om te komen met allemaal feiten dat we zo veel mensen hebben gearresteerd en zo veel raketwerpers in beslag hebben genomen. Dat geloven we allemaal, maar er moet meer gebeuren.

Minister Van der Steur: Er moet meer gebeuren, er gebeurt elke dag meer, maar de vraag is dan vervolgens of er ook meer kan gebeuren, want je moet voordat je iets doet ook weten wat je moet doen. Daar is onderzoek voor nodig en daar heb je activiteiten voor nodig. Burgemeester Noordanus heeft zijn opmerking overigens ook wel genuanceerd, want hij vond zelf ook dat hij misschien iets te krachtig uit de hoek was gekomen. In de gesprekken die ik met hem heb gevoerd en met alle burgemeesters daar uit de regio, proef ik een zeer grote tevredenheid over de ondersteuning die zij krijgen, over de aanpak die er is. Tegelijkertijd is er de blijvende zorg dat het nog steeds niet klaar is. Maar dat is iets anders dan zeggen dat we het niet onder controle hebben of dat de aanpak niet deugt. Dat hoor ik niet bij de heer Segers, dat geef ik hem onmiddellijk na, maar wel bij een aantal andere leden. Zo opende mevrouw Helder haar betoog met een opmerking over de machteloze overheid. Daar herken ik mij helemaal niet in, gegeven de cijfers die ik net heb genoemd. Maar dat wil niet zeggen dat we klaar zijn.

De heer Segers (ChristenUnie): Als heel recent nog de feiten op tafel zijn gelegd die aangeven dat in een derde van de gemeenten het gezag bedreigd wordt door de onderwereld, dan is dat heel ernstig. Dus nogmaals, de feiten geloven we, maar als we het probleem effectief willen aanpakken, dan moeten we ook de lelijke en de gevaarlijke kanten waar we tegenover staan heel goed onder ogen zien. Dan helpt het niet om alleen maar het goede nieuws te vertellen.

Minister Van der Steur: Maar volgens mij is dat ook helemaal niet wat ik zeg. Ik zeg juist dat er grote zorgen zijn op het punt van ondermijning dat door burgemeesters maar ook door raadsleden is genoemd. Overigens verschillen de cijfers daarover nogal. Er zijn twee onderzoeken. Het enige ziet er wat zorgwekkender uit dan het andere, maar dat doet niet af aan het feit – zo zijn mijn gesprekken ook met burgemeesters – dat het risico bestaat. Dat is ook precies de reden dat wij een taskforce hebben ingesteld. Het is precies de reden dat wij 125 man extra hebben ingezet in Zuid-Nederland. Het is precies de reden waarom wij afspraken maken met de landen om ons heen. Ik zal daar zo meteen nog wat meer over zeggen in antwoord op vragen die gesteld zijn. Dat is allemaal omdat wij ons realiseren dat wij veel werk te doen hebben en dat wij dat werk ook doen. Daarbij staat vast dat wij bedreiging van burgemeesters, wethouders en raadsleden uiteraard niet accepteren. Ik heb dat in Limburg ook gezegd en ik zeg dat hier weer.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): De Minister lepelt gewoon alle cijfers op die wij ook in de brief hebben kunnen lezen, dus dat voegt niet zoveel toe. Maar wat ik echt in zijn betoog mis, is de urgentie. De urgentie die wordt aangegeven door het Openbaar Ministerie, door de politie, door burgemeesters dat het ze over de schoenen loopt, dat de zware georganiseerde criminaliteit zo ontzettend veel capaciteit kost. Want natuurlijk, in Limburg wordt extra menskracht ingevlogen, maar dat gaat ten koste van de inzetbaarheid bij andere eenheden. Dus het is een sigaar uit eigen doos. Daarom klagen burgemeesters, want zij zien dat die capaciteit daar verdwijnt. Kan de Minister nu eens eerlijk aangeven dat het gewoon over de schoenen loopt bij die organisaties en dat er daadwerkelijk iets moet gebeuren? Want die hallelujaverhalen kennen wij wel van de voorganger van de Minister. Hij gaat er gewoon mee door, maar er is urgentie. Het gevoel van urgentie mis ik echt bij de Minister.

Minister Van der Steur: Ik moet mevrouw Berndsen dan toch zeggen dat ik mij niet herken in de conclusie die zij trekt uit wat ik haar zeg. De urgentie voel ik dagelijks, die is er ook dagelijks. Er wordt elke dag keihard gewerkt om criminele organisaties een halt toe te roepen, om daar zo veel mogelijk mensen te arresteren, om zo veel mogelijk plantages op te rollen, om drugslaboratoria af te remmen. Dat doen we niet omdat we zeggen dat dat zo aardig is om te doen, maar omdat we ons heel goed realiseren dat we die slag daar echt moeten winnen. Dat is ook de inzet van de extra politie daar. Daarvoor is het Openbaar Ministerie extra uitgerukt. Daar wordt de laatste jaren gelukkig veel intensiever samengewerkt met de lokale driehoek maar met name ook met bedrijven, instellingen en wetenschappelijke organisaties, allemaal omdat we allen die urgentie, die noodzaak, die zorg begrijpen en er ook met elkaar voor staan om dat aan te pakken. De ondersteuning van de lokale driehoeken is enorm verbeterd, de RIEC’s en het LIEC. Ik wijs alleen al op de stapel informatie die gemeenten kunnen krijgen over de aanpak van criminele motorbendes en hoe ze zich tegen ondermijning moeten verweren, dat is allemaal deugdelijk materiaal dat verspreid wordt. De ondersteuning voor gemeenten en burgemeesters is enorm. Dat is allemaal de afgelopen jaren ontwikkeld, niet omdat we dachten: goh, laten we dat eens leuk ontwikkelen. zoals mevrouw Berndsen lijkt te suggereren, maar omdat we zien dat het hartstikke urgent en dringend noodzakelijk is en dat die aanpak ook moet worden voortgezet. Ik kan het niet mooier maken dan het is. Wij realiseren ons dat wij nog een zware taak hebben, die ook met verve en met doorzettingskracht wordt opgepakt.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Er is nog een urgentie, namelijk de urgentie dat de grenzen bereikt zijn aan wat politie en Openbaar Ministerie kunnen doen. Ik heb het ook over die urgentie. De urgentie dat die criminele groepen aangepakt moeten worden, delen we met elkaar, maar de urgentie dat bij de organisaties die het moeten doen, het water over de schoenen loopt, hoor ik niet. Ik hoor de Minister zeggen dat de steun van alle betrokkenen nodig is. Ja, natuurlijk, maar die steun moet wel gegeven kunnen worden. Dus kan de Minister daar nu eens op reflecteren?

Minister Van der Steur: De situatie in de Nederlandse criminaliteit is op dit moment natuurlijk zo dat we niet alles in een keer kunnen aanpakken. Daar hebben we de capaciteit niet voor. Alleen al voor de Nationale Politie heb ik met de Kamer een capaciteit afgesproken van 49.500 actieve politieagenten, op een totaal van 60.000 mensen. Daar zit ik boven. Ik zit boven die begroting, ik betaal dus meer agenten dan ik de facto in afspraak met de Kamer zou mogen betalen. Die worden allemaal ingezet. Er zit niemand de hele dag niks te doen. Heb ik ruimte om daar meer van te maken? Nee. Heb ik overigens behoefte aan meer? Dat is nog maar zeer de vraag. Waar ik wel behoefte aan heb, dat onderkennen wij ook en dat wordt ook door de Kamer onderkend, is aan beter. In de toekomst zullen er veel meer rechercheurs nodig zijn ten opzichte van mensen op straat. Als die trend doorzet ten aanzien van de woninginbraken en andere, dan zul je die slag op een steeds ingewikkelder niveau moeten maken. Daarover zijn zeker zorgen. Die gesprekken voer ik ook met de Politieacademie samen met de korpsleiding om al die problemen en al die uitdagingen in de toekomst goed aan te gaan. Loopt het ons dus over de schoenen? Is er sprake van gigantische achterstanden? Dat herken ik niet. Wordt alles aangepakt wat wij kunnen aanpakken? Nee, dat is niet het geval. We zullen altijd prioriteiten moeten stellen, ongeacht de vraag hoeveel agenten er zijn en of dat de op de juiste wijze goed opgeleide agenten zijn. Dat is een fact of life. Dat is denk ik in geen enkel land in de wereld anders.

De heer Oskam (CDA): Ik wil wel graag mevrouw Berndsen bijvallen. Ik hoor de Minister de vraag stellen of er behoefte is aan meer ruimte. Ik denk het wel, want als er grote problemen zijn, zoals in Zuid-Limburg, dan vraagt burgemeester Hoes om extra politiemensen. Die komen dan uit Roermond. Daar ontstaat dan een gat. Dan hebben wij de burgemeester van Roermond aan de lijn, die zegt dat hij een probleem heeft. Datzelfde geldt in Amsterdam. Zijn daar liquidaties, dan komen er politiemensen uit Alkmaar of uit Haarlem en dan krijgen wij de burgemeester van Alkmaar of van Haarlem aan de lijn die zegt dat hij een probleem heeft. Waarom is het nu niet mogelijk om een extra squad, een soort vliegende brigade van 50 tot 100 rechercheurs te formeren boven de sterkte van die 49.500 mensen die je flexibel kunt inzetten, in plaats van dat ze, zoals nu in Limburg, één dag meedoen om huiszoekingen te doen waarna ze weer weggaan? Nee, laat ze daar even een tijdje zitten en laat ze die problemen oplossen. Waarom kunnen we nu niet een kwalitatieve injectie geven aan de Nationale Politie?

Minister Van der Steur: Misschien is het toch goed dat ik de heer Oskam dan even uitleg hoe het systeem in Nederland werkt. We hebben nu een aantal politie-eenheden en we hebben de landelijke eenheid. De landelijke eenheid functioneert zoals de heer Oskam bedoelt. Dat is ook de capaciteit die wordt ingezet, bijvoorbeeld bij de 125 man extra personeel, bij de 400 mensen die we extra hebben ingezet op de liquidaties en bij de incidentele 400 mensen die we hebben gebruikt voor de aanpak van de Bandidos. Die kwamen voor een deel uit de landelijke eenheid maar ook uit de overige eenheden omdat het een incidentele actie was. Er is zo’n gespecialiseerde ruimte, dat is de landelijke eenheid. Die wordt structureel ingezet als dat nodig is. Dat is precies de afspraak die mijn voorganger met de Kamer heeft gemaakt.

De heer Oskam (CDA): Kan de Minister dan uitleggen dat wij klagende burgemeesters aan de lijn krijgen die zeggen dat zij het ene gat met het andere moeten vullen? Natuurlijk is het de bedoeling dat de Nationale Politie flexibel kan worden ingezet, maar het is niet de bedoeling dat wij het ene gat met het andere gat gaan vullen.

Minister Van der Steur: Het grappige is, de heer Oskam noemde een aantal burgemeesters waar ik zelf regelmatig mee spreek, die ik niet als klagende burgemeesters zou willen kenschetsen. Ik zou zelfs willen vaststellen dat dat zeer verantwoord handelende bestuurders zijn die heel goed weten waar de grenzen liggen, ook nu we de begroting van de Nationale Politie kennen en de uitdagingen die er liggen. Laat ik een voorbeeld geven. Burgemeester Hoes, die de heer Oskam ook noemde, heeft mij in zijn verantwoordelijkheid als regioburgemeester recentelijk nog erop gewezen, ook tijdens mijn bezoek, dat hij zich grote zorgen maakt dat zijn eenheid zou kunnen zakken onder de basiscapaciteit. Een van de leden heeft dat zojuist ook gememoreerd. Juist omdat ik ook vind dat dat niet kan, hebben we toegezegd dat we er alles aan gaan doen om dat te voorkomen. Daarmee is die burgemeester niet meer als klagende burgemeester te kenschetsen, maar als iemand die heeft gekregen wat hem was toegezegd en wat hij wilde hebben. Het is mijn uitdaging om ervoor te zorgen dat ik dat waarmaak, maar daar sta ik dan vervolgens als Minister voor en daarop zal ik te zijner tijd ongetwijfeld door de Kamer worden aangesproken als die situatie zich alsnog mocht voordoen. Maar ik herken mij dus niet in het algehele beeld. Dat wil niet zeggen dat er geen zorgen zijn, maar ook niet dat we praten over paniek in burgemeestersland. Dat is niet aan de orde.

Ik kom bij de individueel gestelde vragen. Mevrouw Berndsen maar ook andere leden waaronder de heer Segers hebben gevraagd of wij de georganiseerde criminaliteit nog wel aankunnen. Ik ben ervan overtuigd dat dat uiteindelijk het geval is, maar dat wil niet zeggen dat wij vandaag al klaar zijn om te kunnen zeggen dat het morgen is opgelost. Het is en blijft een zaak van heel lange adem.

Mevrouw Helder heeft gevraagd of er nu ook nog andere wetten moeten worden aangepast om de georganiseerde criminaliteit te kunnen aanpakken. Ik ben ervan overtuigd dat op zichzelf het huidige instrumentarium volstaat. Maar dat betekent wel dat ik steeds scherp blijf op de vraag of een aanpassing van de wet- en regelgeving noodzakelijk is. Ik kom daar zo bij de wapens nog even op terug. Ik ben van mening dat wanneer je informatie of een wetswijziging nodig hebt, je daar je ogen niet voor moet sluiten maar er snel en actief mee aan de slag moet gaan.

Twee voorbeelden daarvan. Ik kom zeer aanstonds met het wetsvoorstel om de dataretentie te redden. Ik reken op steun van de Kamer op dat punt, want ik weet dat dat gevoelig ligt op een aantal terreinen, onder andere op het gebied van de privacy. Maar ondertussen is wel duidelijk, juist voor dit soort ingewikkelde organisaties, dat dataretentie de mogelijkheid biedt om terug te kijken naar het verleden en informatie te verschaffen over de verkeersgegevens voor telefoon en internet, hetgeen van essentieel belang is. Ik hoop in het najaar te komen met de kaderwet informatie-uitwisseling die noodzakelijk is om die samenwerking tussen het openbaar bestuur, private partijen, instellingen, politie en Openbaar Ministerie een goede, deugdelijke, wettelijke basis te geven zodat ook aan alle eisen van bijvoorbeeld privacybescherming kan worden voldaan.

Mevrouw Berndsen en andere leden hebben gesproken over het Openbaar Ministerie. De heer Bolhaar heeft bij de presentatie van zijn jaarverslag hetzelfde gezegd als hij ook tegen mij heeft gezegd in de gesprekken die ik met regelmaat met hem voer, namelijk dat het Openbaar Ministerie tegen het einde van de capaciteit aanloopt. Daar sluit ik mijn ogen ook niet voor. De Kamer weet dat binnen de begroting ook alles wordt gedaan wat mogelijk is om het Openbaar Ministerie te ondersteunen. Het OM zit zelf in een ingewikkeld reorganisatieproces, dat overigens noodzakelijk was. Daarover zijn we het allemaal eens. Het OM moet ook nog grote stappen zetten om binnen de eigen organisatie het werk beter en efficiënter maar voor een deel ook moderner te gaan doen.

Tegelijkertijd behaalt het Openbaar Ministerie spectaculaire resultaten. Wij kunnen echt allemaal trots zijn op wat het OM in 2014 heeft gerealiseerd. Ik weet dat dat ook geldt voor 2015. Betekent dat dat ik zorgeloos ben? Nee, dat ben ik zeker niet. Ik bekijk dan ook samen met het College van procureurs-generaal regelmatig de impact van de taakstelling. Ik herhaal de opmerking van mijn voorganger dat als mocht blijken dat een extra investering nodig is, ik die ook zal leveren. Dat gaat dan overigens wel ten koste van iets op andere terreinen, maar daarover zal ik dan het debat met de Kamer aangaan. Ik merk op dat bij de begrotingsbehandeling 2015 op initiatief van uw Kamer 20 miljoen euro structureel is toegevoegd aan het budget van het Openbaar Ministerie, onder andere voor de aanpak van jihadisme en de bestrijding van kinderporno. Daarvoor wordt dat bedrag uiteraard ook gebruikt.

Mevrouw Berndsen en anderen hebben gevraagd of er voldoende capaciteit bij de politie is om die ondermijning effectief aan te pakken. Daarbij zijn twee dingen van belang, namelijk de capaciteit en de kwaliteit. De recherchecapaciteit in Nederland is gestegen van 8.500 fte in 2002 naar 14.000 op dit moment. Dat is een gigantische toename van de capaciteit in de afgelopen dertien jaar bij de recherche. Er is ook fors geïnvesteerd in de kwaliteit van de opsporing. De vraag naar politiecapaciteit en politie-expertise is divers en groot, en wordt eerder meer dan minder. Dat betekent ook dat de beschikbare capaciteit moet worden geprioriteerd. Het is dan niet alleen de vraag of een zaak kan worden opgepakt maar vooral op welke wijze, vanuit welke expertise en op welk tijdstip. Ter bestrijding van incidentele problemen kan capaciteit worden ingezet vanuit andere eenheden of de landelijke eenheid. Een voorbeeld daarvan is te zien in Zuid-Nederland.

De Politieacademie, waarover toevallig vorige week een uitgebreid gesprek is geweest, is zich heel erg bewust van het feit dat er een kwaliteitsslag moet worden gemaakt, met name bij de recherche. De heer Prinsen heeft daar prangend op gewezen in zijn boek, waarnaar mevrouw Berndsen verwees. Ik heb dat boek gekregen van mevrouw Van Tongeren en ik heb het tot mij kunnen nemen als een goed voorbeeld van iemand die aangeeft waar het beter kan en moet. Om die reden zijn ook de gesprekken met de Politieacademie gevoerd en zullen die ook tot resultaat leiden. Overigens is dat wel lastig, want daar wringt dat wij eigenlijk meer opleidingscapaciteit nodig hebben op korte termijn dan wij kunnen betalen, terwijl wij weten dat op langere termijn een grote uitstroom plaatsvindt als gevolg van de vergrijzing, waarbij de truc wordt om die op de juiste wijze op te vangen. Dat is niet makkelijk, maar ik doe mijn uiterste best om dit nog binnen de bestaande begroting te regelen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Als de Minister het boek van Prinsen goed had gelezen, had hij ook kunnen zien dat je bepaalde capaciteit gewoon van de markt moet halen. Het gaat om heel specifieke kennis en deskundigheid, waarvan het helemaal niet noodzakelijk is dat politiemensen die op de Politieacademie leren, want daarvoor hebben we uitstekende universitaire opleidingen. Het probleem is dat de mensen die als zij-instromer bij de politie komen, nu niet direct worden geaccepteerd binnen de politieorganisatie. Daar is dus sprake van een cultuurprobleem.

Ten tweede komen deze mensen binnen op een administratieve functie en worden ze vervolgens boa, maar ze zijn niet executief, waardoor ze beperkter inzetbaar zijn, want ze zijn niet wapendragend, terwijl ze wel mee moeten met doorzoekingen en dergelijke. Dan spreek je over specifieke kwaliteit en kennis. Daar heb ik het over. Ik zou dus graag van de Minister willen weten wat hij daaraan gaat doen, want politiemensen opleiden op die specifieke deskundigheid is een mijl op zeven.

Minister Van der Steur: Dat stel ik ook helemaal niet voor. Mevrouw Berndsen heeft gelijk, de zij-instromers zijn belangrijk, het beleid van de korpsleiding is ook om meer zij-instromers voor de politie te enthousiasmeren. Er liggen twee problemen, ten eerste de cao van de politie, die niet in alle gevallen, bijvoorbeeld voor mensen die uit de ICT komen ook een soortgelijk salaris kan bieden als zij in het bedrijfsleven kunnen verdienen; ik denk dat ik dat niet nader hoef toe te lichten. Tegelijkertijd zien wij ook juist op dat punt tot mijn grote vreugde dat er in het afgelopen jaar een enorme toestroom van ICT-deskundigheid bij de politie is geweest. We zien ook dat we daar die slag gaan maken omdat veel mensen het blijkbaar mooi vinden om bij de politie te werken. Daar mogen we dan ook trots op zijn en ik weet ook dat de politie dat is.

Overigens voorziet de Politieacademie ook in hbo- en universitaire opleidingen, maar mevrouw Berndsen heeft gelijk dat er veel aandacht is voor zij-instromers. Het cultuurprobleem dat zij noemde, valt misschien een beetje buiten dit AO maar het is wel een van de belangrijke onderwerpen waarvoor de korpsleiding aandacht heeft en dat ook zal worden meegenomen in het herijkingsdocument dat ik aan de Kamer zal sturen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Je kunt het cultuurprobleem terzijde schuiven maar als je effectief wilt zijn in de opsporing en in de aanpak van de zware georganiseerde criminaliteit, dan heb je deze specifieke deskundigheden nodig. Als je ze met enthousiasme binnenhaalt, dan wil je ze ook graag binnenhouden. Dat kan ik me vanuit mijn eigen verleden heel goed voorstellen. Dus als je daar niet in investeert, kun je deze specialisten binnenhalen tot je een ons weegt maar dan verdwijnen ze na een paar jaar weer. Ik vraag de Minister daarvoor specifieke aandacht.

Minister Van der Steur: Dat heb ik en niet alleen ik; degene die daar aandacht voor moet hebben is de Nationale Politie, en die heeft die aandacht ook. De kwaliteitsslag en de cultuur zijn een belangrijk aandachtspunt voor de Nationale Politie. In het strategische personeelsplan dat bij de politie op dit moment in ontwikkeling is, worden ook beide aspecten betrokken. Ik zal de Kamer daarover uiteraard volgens de gebruikelijke gang van zaken informeren.

Mevrouw Kooiman heeft gevraagd of er niet te veel wordt ingezet op de korte klappen en of er eigenlijk wel genoeg wordt doorgerechercheerd. Beide is het geval. Ja, er wordt expliciet ook vaak gebruik gemaakt van de mogelijkheid van de korte klap. Ik noem het uit de markt halen van hennepplantages, het uit de markt halen van drugslaboratoria, het uit de markt halen van vuurwapens. Als je iets kunt vinden, haal het eruit, zorg dat het niet verder in criminele verbanden kan worden gebruikt. Maar tegelijkertijd is er ook sprake van diepgravende onderzoeken naar criminele kopstukken en het samenwerkingsverband in zijn geheel. Waarom blijven dan die korte klappen niet achterwege? Omdat elke korte klap ook een inkijkoperatie is en informatie oplevert voor het verder ontrafelen van criminele netwerken en inzicht geeft in wie wat doet voor de organisatie. Korte klappen zijn dus niet alleen hard nodig om direct en zichtbaar op te treden tegen georganiseerde misdaad, maar ook omdat ze een schat aan informatie opleveren. Die wordt dan weer gebruikt bij de langdurige onderzoeken die uiteraard ook plaatsvinden.

Mevrouw Helder vroeg of burgemeesters middelen tekortkomen bij het bestrijden van de georganiseerde misdaad. Mijn gevoel is dat dat niet zo is. Dat zeg ik op basis van mijn gesprekken met de burgemeesters in Zuid-Limburg, maar ook op basis van de ondersteuning die de rijksoverheid biedt, niet alleen via het landelijke informatie- en expertisecentrum maar ook via de regionale informatie- en expertisecentra, de zogenoemde RIEC’s. Ik spreek dan ook voortdurend met burgemeesters. Daarnaast spreken medewerkers van mijn departement momenteel met burgemeesters van alle regionale stuurgroepen over de vraag waar men tegenaan loopt en welke behoeften zij hebben. Het ontbreekt burgemeesters niet aan middelen of aan wet- of regelgeving in hun aanpak. Ik zie dat ook in de enorme toepassing van Bibobwetgeving, waarbij in het afgelopen jaar alleen al vanuit Zuid-Nederland 691 verzoeken zijn gedaan. Toekenning van de capaciteit is en blijft een zaak van de lokale driehoek. De heer Segers vroeg in dat kader of de overgang van Binnenlandse Zaken naar Veiligheid en Justitie ertoe geleid heeft dat de burgemeester een andere positie heeft gekregen. Het antwoord daarop is nee. De wijziging van de positie van de burgemeester heeft te maken met de Nationale Politie. Je hebt eerst een landelijke aanpak nodig om nu – dat is ook onderdeel van mijn herijkingsdocument – de burgemeester en de lokale driehoek weer volledig in hun kracht te zetten. Dat gaat ook gebeuren, zoals ik met hen heb afgesproken en dat is ook het doel van de werkgroep-Van der Laan die daarmee actief is in het kader van het overleg dat ik voer met de lokale driehoek.

Mevrouw Kooiman (SP): Het is heel mooi dat deze Minister op gevoel denkt dat burgemeesters niet meer middelen nodig hebben, maar dat gevoel is niet juist, want gisteren ontvingen we een brief van burgemeester Hoes, die letterlijk schrijft dat bovenop het invullen van de vacatures extra capaciteit nodig is. Hij is niet de enige, er zijn meer burgemeesters. Sterker nog, het is de werkvloer zelf die dat aangeeft: 2.000 agenten uit een onderzoek, 89%, zegt meer capaciteit nodig te hebben om te kunnen door rechercheren. Hoeveel aanwijzingen heeft deze Minister nog nodig om daadwerkelijk een keer met een actie komen?

Minister Van der Steur: Twee dingen. Ten eerste, met burgemeester Hoes heb ik uitgebreid gesproken over de capaciteit. Ik heb hem alle extra capaciteit toegezegd die hij nodig heeft om de klappen uit te delen die moeten worden uitgedeeld, dat heb ik ook in het openbaar gedaan. Dat is ook gebeurd. Twee dagen later zijn er 400 man ingezet om de Bandidos aan te pakken. Mevrouw Kooiman weet als geen ander hoe de afspraken gaan over de verdeling van de politie. Die afspraken heeft mijn ambtsvoorganger onder andere gemaakt in samenspraak met de Kamer en binnen de begroting zoals ik die heb. Mevrouw Kooiman kent die begroting. Ik heb daarbinnen geen ruimte om tot andere of meer politieagenten te komen dan mij zijn gegeven. Als daar ruimte voor zou komen, dan verneem ik dat graag en dan zie ik dat graag terug in de begrotingsdiscussie over 2016 die wij in het najaar met de Kamer zullen voeren.

Overigens merk ik wel op dat het altijd de vraag is of het alleen maar gaat om meer agenten. Je moet ook kijken naar het soort agenten. Dat is niet iets waarover je zo een, twee, drie kunt beschikken, zoals ook duidelijk is geworden uit het debat dat ik zojuist voerde met mevrouw Berndsen.

Mevrouw Kooiman (SP): Leuk hoor, die 400 extra agenten die als postpakketjes uit het land zijn weggetrokken, die ook gewoon moordzaken en mensenhandelzaken op te lossen hadden. Dat is dus gewoon het verschuiven van capaciteit. Deze brief is een dag oud, dus die 400 agenten, die eenmalig een keer leuk zijn ingezet, vormen dus niet het probleem waar burgemeester Hoes op wijst. Dat is één burgemeester maar in een onderzoek hebben 2.000 agenten een heel mooi inwerkdossier voor deze Minister gemaakt. Ik heb daarop geen enkele reactie van hem gehoord. Zo veel mensen op de werkvloer zeggen dat ze zo ontzettend veel plankzaken hebben liggen. Minister, kom met een actie en als ik helemaal niets hoor van enige suggestie om de situatie te verbeteren, dan denk ik: met babbelen komen we niet zoveel verder.

Minister Van der Steur: Ik denk dat mevrouw Kooiman toch de Nationale Politie tekort doet, met 65.000 mensen waarvan 49.500 agenten, door de suggestie te wekken dat er alleen maar gebabbeld wordt. Dat is natuurlijk niet het geval. Wat ik doe is ook niet babbelen maar weergeven wat de situatie is, welke aanpak we volgen en wat het succes daarvan is. De zorgen van de Kamer deel ik en ik zal ze op een efficiënte en effectieve manier aanpakken, binnen de mogelijkheden die ik heb. Burgemeester Hoes heeft aandacht gevraagd voor twee dingen, namelijk de basiscapaciteit waarover hij terecht zorgen heeft en waarover ik hem toezeggingen heb gedaan. Daarnaast heeft hij als regioburgemeester gezegd dat hij graag extra capaciteit zou willen hebben. Die kan ik niet structureel toezeggen maar alleen incidenteel en dat heb ik gedaan.

Mevrouw Kooiman (SP): Voor de Handelingen, het leek dat de Minister suggereerde dat de politie babbelde. Dat vind ik niet. Ik vind wel dat de Minister babbelt. Daar wil ik het graag bij houden.

Minister Van der Steur: Dat vind ik niet. Dan zijn mevrouw Kooiman en ik het oneens. Dat komt wel vaker voor, dus ik probeer daarmee te leren leven.

Mevrouw Helder antwoord ik dat de commissaris van de Koning van Noord-Brabant heeft gepleit voor aanpassing van de Wet Bibob met het oog op stromannenconstructies. Dat is een concreet voorbeeld waarvan men heeft gezegd er onvoldoende geoutilleerd voor te zijn. Zoals aangekondigd in de brief van 12 januari van mijn ambtsvoorganger zal ik de Kamer medio 2015 informeren over de vraag of en zo ja, hoe daarvoor een oplossing word gevonden.

De heer Marcouch heeft gevraagd of de Minister nu de regie heeft. Dat gevoel heb ik. Dan zal mevrouw Kooiman zeggen dat de Minister een gevoel heeft. Dat is waar, ook Ministers hebben gevoelens, maar ik heb niet alleen dat gevoel maar ook die indruk. De Nationale Politie is een uiterst kundige organisatie, het Openbaar Ministerie idem. Zij hebben samen met het lokaal gezag de regie over wat in Nederland op het gebied van politie en justitie gebeurt. Daarover hebben we ook expliciet afspraken met elkaar gemaakt.

We hebben daarnaast een nationaal beleid, zoals het nationaal dreigingsbeeld. Door die gezamenlijke informatiepositie krijgen we steeds meer en beter zicht op de ondermijning en de risico’s. Zijn we daarmee klaar en hebben we het volledige beeld? Ik geef de heer Marcouch onmiddellijk toe dat we dat nog niet hebben. Daarom moeten we daar ook zeker mee doorgaan. De instrumenten die wij hebben, zijn ook genoeg om dat te kunnen doen. We krijgen steeds meer en beter inzicht in de ernst en omvang van de situatie. Ik verwijs ook nog eens naar het rapport dat professor Fijnaut heeft gemaakt, specifiek over Zuid-Nederland. Dat is een belangrijk onderzoek dat hij gedaan heeft, waarop ook het beleid is gebaseerd. Is er dus behoefte, zoals de heer Marcouch zei, aan extra onderzoek? Nee, dat gevoel heb ik niet. Maar veel belangrijker is dat we nu gewoon keihard moeten uitvoeren, aanpakken en slaan. Dat is ook wat we doen.

De heer Marcouch (PvdA): De Minister zegt: ik heb de regie. Dat lijkt me ook van belang, maar het gaat mij om al die beelden, die hier vanachter de tafel van de volksvertegenwoordiging komen, maar ook vanuit lokale bestuurders. Professor Fijnaut heeft onderzoek gedaan in Zuid-Limburg. Inderdaad wordt Nederland veiliger waar het gaat om kleine criminaliteit. Daarnaast zien we een toename in de zichtbaarheid van de georganiseerde misdaad. Dan gaat het niet alleen maar om het ontmantelen van hennepteelt en kwekerijen en ecstacylabs, maar we zien ook cocaïneoorlogen, heroïneoorlogen en ondermijning van het gezag. We zien risico’s voor de democratische rechtsstaat. Dat beeld maakt de Minister niet duidelijk. Daarom vraag ik hem, juist om deze discussie over de vraag waar we wel of niet capaciteit op inzetten in goede banen te leiden, om die inzet te geven. Ik geef maar aan dat het antwoord van de Minister geen recht doet aan deze werkelijkheid. De Minister mag er ook nog eens naar kijken maar ik vind het te makkelijk om te zeggen: we doen onderzoek en het gaat allemaal goed.

Minister Van der Steur: Dat heb ik ook niet gezegd. Ik heb gezegd dat we heel goed in beeld hebben waar we mee bezig zijn en dat het gaat om grote georganiseerde criminele organisaties, deels in een vast verband, bijvoorbeeld de criminele motorbendes, deels in veel lossere verbanden, waarover we ook in het kader van de criminele jeugdgroepen met elkaar van gedachten hebben gewisseld. Maar ik heb niet de indruk dat er behoefte zou bestaan aan nog meer onderzoek. Ik zou daar ook niet voor willen pleiten, want dat kost allemaal capaciteit. Ik wil gewoon dat we het beeld dat we hebben, compleet krijgen door in de aanpak steeds weer om ons heen te kijken en te vragen: wat zien we nu gebeuren? Die criminele organisaties worden in beeld gebracht. Er wordt stevig onderzoek gedaan naar de drugslijnen die er lopen. Daarin zijn we ook steeds succesvol. Zo is er net in Rotterdam nog een hele lijn opgerold met honderden kilo's cocaïne. Elke dag worden er goede stappen gezet. Ik zou die stappen niet willen frustreren door extra onderzoek te doen. Ik vind dat we gewoon het Openbaar Ministerie en de politie hun werk moeten laten doen, in samenspraak met het lokale gezag, dat daarvoor is ingericht.

De heer Marcouch (PvdA): Daar ben ik het helemaal mee eens, dus het Openbaar Ministerie en de politie moeten vooral doen wat ze op dit moment doen, dat is ook mijn pleidooi. Ik doel dan op de aanpak en ontmanteling van die lokale netwerken en soms ook nationale netwerken. Maar waar ik voor pleit, is dat Minister de ernst en de omvang van de georganiseerde misdaad overall in beeld krijgt, door bijvoorbeeld de wetenschap erbij te betrekken.

Minister Van der Steur: Dat zei ik net ook al, dat is het nationaal dreigingsbeeld, waarover ik de Kamer informeer en waar we ook met elkaar over spreken. Het dreigingsbeeld gaat ook over ondermijning en over de criminaliteit in algemene zin. Dat hele proces zit erin, maar daarnaast wordt de Kamer natuurlijk geïnformeerd zodra wij informatie verkrijgen. Ik heb niet de indruk dat het beeld incompleet zou zijn. Uiteraard hebben we niet alles in beeld, want anders zouden we klaar zijn met het werk. Maar er is geen behoefte aan extra wetenschappelijk onderzoek, bovenop al die onderzoeken die wij al doen, specifiek naar deze criminaliteit. Wij weten waar die criminaliteit zit, we weten wat er aan de hand is, we krijgen het beeld steeds scherper en we pakken het ook effectief aan.

Mevrouw Berndsen heeft gevraagd of de verantwoording zware criminaliteit van het OM de politie ook inzicht gaat geven in de strafrechtelijke sancties naast gevangenisstraf. Het antwoord daarop is ja; het Openbaar Ministerie gaat over het jaar 2014 ook inzicht geven in het aantal opgelegde werk- en taakstraffen en het poogt inzicht te geven in het aantal en de hoogte van de opgelegde geldboetes. Voor het zomerreces komt de verantwoording van het Openbaar Ministerie en de politie naar de Tweede Kamer. Daarin zal dus deze vraag worden beantwoord.

Mevrouw Kooiman vroeg hoe zit het met de vacaturestop bij de recherche. Die vacaturestop is mede ingegeven door de overcapaciteit die ik heb ten opzichte van de met uw Kamer afgesproken omvang van het politiekorps. Ik heb meer agenten in dienst dan ik volgens onze afspraken zou mogen hebben en ook meer dan in mijn begroting passen. Desondanks hebben we onder strikte voorwaarden uitzonderingen mogelijk gemaakt op de vacaturestop, maar die betreffen op dit moment niet de functie van algemeen rechercheur of analist. Uitzonderingen komen voort uit de personele reorganisatie die gaande is, zoals mevrouw Kooiman weet, en politieke prioriteiten waarvoor specifieke deskundigheid vereist is. Aan de hand daarvan wordt bezien of er een vacature invulling nodig is. Als het goed is zal die personele plaatsing in 2015 het geval zijn. Daar is de volledige inzet van de hele herijking op gericht. Ook dan is er een nauwkeurig beeld te krijgen van de openstaande vacatures die dan zo snel mogelijk binnen de capaciteit kunnen worden ingedeeld.

Dan hebben mevrouw Berndsen en de heer Marcouch gevraagd naar de diversiteit van het politiepersoneel. Daarover hebben we eerder heel uitgebreid met elkaar van gedachten gewisseld. Ik herhaal hier dat diversiteit van het politiepersoneel een must is. Zowel wat mannen als vrouwen betreft maar ook wat achtergrond betreft is een brede afspiegeling van het politiepersoneel absoluut wenselijk, zonder dat er aan de kwaliteit van de politie concessies worden gedaan. Dat debat hebben wij ook gevoerd aan hand van een motie van mevrouw Tellegen over een taaltoets bij de Politieacademie. Daarop wordt ook door de politie actief ingezet. Die actieve beïnvloeding is nodig, want het gaat echt niet vanzelf, zoals de heer Marcouch ook al een keer aan de orde heeft gesteld. Er wordt gericht geworven, er komt een landelijke visie op diversiteit van de zijde van de korpsleiding. Er wordt gerapporteerd in het jaarverslag van de politie en de resultaten van al dit beleid zullen de komende jaren zichtbaar worden.

Dan kom ik nu specifiek op de vragen die gesteld zijn over Zuid-Nederland. Mevrouw Helder heeft gezegd dat de aanpak van de georganiseerde misdaad een puinhoop zou zijn. Ik meen dat ik daarop al voldoende heb gereageerd. Wel geef ik onmiddellijk toe dat die problematiek absoluut hardnekkig is. Criminele organisaties zoals die in Zuid-Limburg en Zuid-Nederland laten zich niet zomaar afbreken, terwijl dat uiteraard wel de bedoeling is. Vandaar ook dat we een extra intensivering gepleegd hebben van de ondermijningteams en dat we die ook hopen te kunnen blijven voortzetten.

Mevrouw Helder vroeg verder of we nu ook de grote boeven pakken of alleen de kleintjes. We pakken ze allebei, met de korte klappen pak je soms alleen de kleintjes, maar het diepgravende onderzoek is gericht op de criminele kopstukken. Een voorbeeld is de actie in Zuid-Limburg tegen de Bandidos waarbij als het goed is alle kopstukken zijn opgepakt. Zal dat overigens een gemakkelijke zaak worden? Nee, de bewijsvoering in dit soort hooggeorganiseerde criminele organisaties is buitengewoon lastig. Dat betekent dan ook dat het Openbaar Ministerie samen met de Nationale Politie alles op alles zal moeten zetten om ook tot veroordelingen te komen. Maar een ding is zeker, wat er gevonden is, geeft in ieder geval aan dat het dingend noodzakelijk was dat deze stappen werden gezet, onder andere op het gebied van de zware wapens.

Mevrouw Kooiman heeft nog gevraagd naar de werkvoorraad, zoals ik die zal noemen. Het moge helder zijn, zoals ik in mijn brief van 28 april 2015 ook heb geschreven, dat er altijd sprake zal zijn van zaken die in behandeling zijn. Het is niet bedoeling dat dat plankzaken zijn, want dat zou betekenen dat er zaken zijn waar helemaal niets mee gebeurt. Uiteraard ben ik het met mevrouw Kooiman eens dat het onwenselijk is, maar er moeten natuurlijk wel steeds weer prioriteiten worden aangebracht. Dat doet niet alleen de politie zelf maar ook het Openbaar Ministerie werkt daar uiteraard aan mee. Dat hebben wij ook gezien in de discussie met het Nederlands Forensisch Instituut, waar dat ook plaatsvindt. Maar er is uiteraard werkvoorraad. Daar wordt ook goed naar gekeken. Daarbij speelt ook het sturings- en het weegproces een belangrijke rol, want dat bepaalt uiteindelijk in welke prioriteiten de politie en het Openbaar Ministerie het werk zullen oppakken.

Zal er ooit een einde komen aan de werkvoorraad? Nee, op het moment dat er geen werkvoorraad meer is, kun je ook zaken oppakken die minder prioriteit hebben. Er zal altijd sprake zijn van werkvoorraad, maar het idee is in ieder geval dat we proberen de werkvoorraad zo klein mogelijk te houden. Ik hoor van mevrouw Kooiman signalen dat individuele politieagenten zeggen dat zij nog 40 zaken hebben liggen. Ik neem daar nota van en ik zal die signalen uiteraard bespreken met de korpsleiding naar aanleiding van dit algemeen overleg.

Mevrouw Tellegen en anderen hebben de vraag opgebracht hoe het nu zit met de internationale samenwerking. Ik dank mevrouw Tellegen voor het compliment dat ze heeft uitgesproken in mijn richting over mijn activiteiten van gisteren. Ik heb gisteren samen met de Ministers van Binnenlandse Zaken van Frankrijk, Luxemburg en België een overeenkomst getekend waardoor de aanpak van georganiseerde criminaliteit wordt geïntensiveerd en waarin wij wederom hebben vastgelegd dat die samenwerking van ongelooflijk groot belang is. Binnenkort zullen we ook met Duitsland een soortgelijke overeenkomst aangaan. Daarvoor heb ik al afspraken gemaakt over samenwerking van de openbare ministeries met België en met de deelstaten Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen. Dat is al gebaseerd op een samenwerking die heel succesvol is van de politie op dat punt. Ik kan u allen aanbevelen om een keer bij het EPIC in Heerlen te gaan kijken, waar die samenwerking heel fysiek zichtbaar is; die is heel succesvol, met name op het gebied van criminele motorbendes, georganiseerde criminaliteit maar ook autodiefstallen. Dus we hebben oog voor de internationale samenwerking. Er wordt ook keihard op ingezet.

Dan kom ik bij de criminele motorbendes, die hoge prioriteit hebben, ook voor de vervolging. Het Openbaar Ministerie werkt hier ook hard aan, getuige de vervolgingen die nu plaatsvinden in Zuid-Nederland. Dat is mijn antwoord op de vraag van de heer Segers.

Ik heb er geen twijfel over laten bestaan dat belang wordt gehecht aan een verbod van criminele motorbendes. We kijken nog verder naar het Duitse stelsel, dat in zoverre een heel andere achtergrond heeft dat men daar vanuit de geschiedenis altijd heel sterk is geweest in het verbieden van organisaties, met name van verenigingen met een nationaalsocialistische achtergrond. We hebben in Nederland een heel andere jurisprudentie, die het veel minder makkelijk – kijk naar de uitspraak uit 2009 over de Hell’s Angels – mogelijk maakt om verenigingen te verbieden. Maar tegelijkertijd hebben we daarin ook belangrijke stappen gezet met het verbod van de Vereniging Martijn. Het Openbaar Ministerie heeft mij toegezegd dat het alles op alles zal zetten om in het kader van deze strafrechtelijke procedure het verbod van deze specifieke motorbende te onderzoeken en als het kan ook te bewerkstelligen, civielrechtelijk dan wel strafrechtelijk. Als we praten over het succesvolle Duitse beleid, dan praten wij over 30 chapters die in Duitsland zijn verboden van de 600 die daar zijn. Zou de indruk bestaan dat alle chapters, alle motorbendes in Duitsland zijn verboden, dan is dat niet het geval. Dat geldt maar voor een heel beperkt aantal. We hebben in Nederland om en nabij de 132 chapters. Dat betekent dat wij toch een iets andere omvang hebben. Maar wel vind ik het belangrijk dat wij ze integraal blijven aanpakken. Ook de burgemeesters in Zuid-Nederland hebben mij ervan overtuigd dat het voor hun bestuurlijke aanpak van belang is dat die mogelijkheid van een verbod er is. Daarom heb ik ook gezegd: laten we kijken naar de snelste mogelijkheid, dus via het Openbaar Ministerie. Werkt dat niet, dan gaan we bekijken of een wetswijziging nodig is, maar ik wijs er wel op dat zo'n wetswijziging een verregaande impact kan hebben op een aantal punten. Ik zie dat helemaal niet zo'n makkelijke discussie worden, ook niet in het licht van onze jurisprudentie. Ik hoop dat wij op heel korte termijn die discussie niet meer hoeven te voeren omdat de strafrechter, dan wel de civiele rechter, zich heeft uitgesproken.

De heer Segers heeft gevraagd naar de wenselijkheid van ambtenaren die lid zijn van criminele motorbendes. Mijn ambtsvoorganger heeft in januari een brief geschreven waarin hierop uitgebreid wordt ingegaan. Er wordt op alle niveaus aan dit probleem gewerkt. Het probleem is dat je natuurlijk niet zomaar een ambtenaar kunt ontslaan, alleen omdat hij lid is van een motorbende. Die organisaties bestaan namelijk ook nog eens in een heleboel vormen en gedaanten. Je zult een zaak moeten opbouwen, je moet aan dossiervorming doen, je moet waarschuwen, je moet een stopgesprek voeren en je moet overplaatsen naar onschadelijke functies, allemaal op basis van het huidige recht dat van toepassing is op ambtenaren. Maar dit blijft onze aandacht houden en er is geen misverstand over dat het, zoals ook in de brief van januari staat, onwenselijk is dat ambtenaren lid zijn van bendes of motorclubs die een crimineel karakter hebben.

Een van de leden, ik meen mevrouw Berndsen, heeft gevraagd hoe het zit met het aantal veroordelingen van criminele motorbendes. Tot mijn spijt moet ik zeggen daar dat ik daar geen exact beeld van heb. Dit wordt namelijk niet als zodanig geregistreerd, er wordt geregistreerd op delict. Dan zou ik dus eerst moeten weten welke delicten men heeft gepleegd voordat ik weet hoeveel het er zijn. Op deze vraag kan ik dus geen antwoord geven.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik heb inderdaad gevraagd naar het aantal strafonderzoeken tegen motorbendes en hoeveel veroordelingen daaruit voortkomen. Nu begrijp ik van de Minister dat hij het aantal niet kent. Is hij bereid om dat te onderzoeken? We willen natuurlijk wel weten in hoeverre de aanpak effectief is. Daarin wil ik graag inzicht.

Minister Van der Steur: Een heel begrijpelijke vraag van mevrouw Kooiman, maar in mijn antwoord ligt al besloten dat ik, al zou ik het willen, dit niet kan doen omdat die informatie niet wordt geregistreerd. Er wordt dus niet geregistreerd of iemand die veroordeeld wordt voor een misdrijf, lid is van een criminele motorbende. Er wordt alleen geregistreerd op delict zelf. Dus al zou ik het willen, ik zou het niet kunnen. Maar in mijn eerstvolgende gesprek met het Openbaar Ministerie zal ik wel eens even vragen of men hiervan bij het OM een indruk heeft. Als de Kamer zegt dat zij aan een indruk, net als aan gevoelens, niets heeft, dan verzet ik werk waar de Kamer misschien niet mee gediend is. Ik vraag even aan mevrouw Kooiman of zij het wenselijk vind dat ik daar wel mijn best voor doe.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik vind het altijd prettig als de Minister in ieder geval zijn best doet. Daarvoor krijgt hij natuurlijk altijd bonuspunten. Dat is zijn taak, zegt mevrouw Helder, daar heeft zij gelijk in. Ik zou het heel fijn vinden als de Minister er alles aan doet om in ieder geval die cijfers boven tafel te krijgen en als hij in ieder geval probeert te achterhalen wat de effectiviteit is, want daar gaat het natuurlijk om. Dan hoor ik graag wanneer hij de Kamer kan informeren.

Minister Van der Steur: Ik zal dat doen. Ik vrees dat dat een kort antwoord zal zijn, maar de griffier kan opschrijven dat ik nog even kijk of ik iets van de effectiviteit ten aanzien van het verleden van leden van criminele motorbendes kan nagaan. Ik zal de Kamer daarover na het zomerreces informeren.

De heer Bontes (Groep Bontes/Van Klaveren): De Minister zegt eigenlijk: wacht eventjes op de uitspraak van het OM over de aanpak op het gebied van strafrecht en civiel bestuursrecht. Dat is eigenlijk wel jammer, want het zou beter zijn om ook te werken aan een verbod zoals dat in Duitsland bestaat. Kan de Minister uitleggen waarmee het Openbaar Ministerie nu precies gekomen? Kan hij dat voor mij iets concreter maken?

Minister Van der Steur: Dat weet ik ook niet precies, maar ik weet wel dat we twee mogelijkheden hebben. Laat ik nog even het beeld rechtzetten dat het verbod van motorbendes in Duitsland in werkelijkheid toch iets anders is dan het lijkt. Het lijkt zo te zijn dat alle motorbendes in Duitsland verboden zijn van de 630 chapters. Dat is niet het geval, zeg ik voor de helderheid in de richting van de heer Bontes. Er zijn twee manieren waarop je een criminele organisatie kunt verbieden. De ene is langs strafrechtelijke weg, namelijk dat vastgesteld wordt dat mensen lid zijn van een criminele organisatie en dat om die reden de organisatie ook crimineel is. De tweede lijn is dat je een verbod krijgt van een vereniging, want het zijn over het algemeen verenigingen, zoals de Vereniging Martijn was, op grond van het gedrag van de leden van die vereniging. Dat is een civielrechtelijke aanpak. In beide gevallen moet het Openbaar Ministerie dat vorderen. In het geval van de Vereniging Martijn is dat in eerste instantie gevorderd bij de strafrechter en afgewezen, en in tweede instantie via de civiele rechter uiteindelijk toegewezen in hoger beroep, of misschien ook wel in eerste aanleg; dat ben ik even kwijt. Maar in ieder geval is dat een kwestie van vormgeving. Ik heb begrepen van het Openbaar Ministerie dat het voornemens is om die stappen op te zetten. Dat zal de Kamer dan ook ongetwijfeld vanuit de media bereiken.

De heer Bontes (Groep Bontes/Van Klaveren): Nog even de vergelijking met Duitsland. Het gaat natuurlijk ook om de definitie van het begrip chapter. Misschien zijn er in Duitsland wel honderden chapters die nooit over de schreef gaan. Die hoef je dan ook niet aan te pakken. Er zijn uitsluitend echt criminele chapters aangepakt. Kan de Minister dat misschien nader uitleggen?

Minister Van der Steur: Ik beschik niet over die gedetailleerde informatie. Ik weet wel dat het in ieder geval voor Nederland heel ingewikkeld is. Ik verwijs naar de discussie die de heer Segers aanzwengelde over de vraag wanneer je als ambtenaar nu wel of niet lid mag zijn van een motorclub. Er zijn motorclubs die zeggen dat ze motorclub zijn maar waarvan je kunt zeggen dat ze misschien eigenlijk best wel een beetje crimineel zijn of heel erg crimineel. Je hebt ook motorclubs waarvan we allemaal vinden dat ze heel erg crimineel zijn maar waarvan één specifiek lid niet crimineel hoeft te zijn. Dus zo eenvoudig ligt het niet. Het is niet zo dat iedereen die zo'n jack aan heeft, automatisch een crimineel is. Dat zou de wereld wel heel eenvoudig maken, maar zo zit het niet in elkaar. Dus het is best ingewikkeld. Dat is ook de reden waarom de rechter in 2009 heeft gezegd onvoldoende bewijs te zien, maar dat is zes jaar geleden, om de Hell’s Angels als een criminele organisatie te verbieden. Ik heb goede hoop dat daar nu anders over wordt gedacht.

De heer Segers (ChristenUnie): Als de rechter een andere uitspraak doet, neem ik aan dat er onmiddellijk actie wordt ondernomen tegenover ambtenaren die lid van zo’n club zijn?

Minister Van der Steur: Waar je tegen aanloopt is het ambtenaren arbeidsrecht, dat ons ook als werkgever verplicht tot een bepaalde zorgvuldigheid. Maar in de discussie helpt het natuurlijk geweldig als inmiddels de motorclub waarvan de betrokkene lid is, tot motorbende is verklaard en ook verboden is. Ja, dan wordt de discussie wel eenvoudig.

De heer Oskam heeft gevraagd of er vergelijkend onderzoek is naar criminele motorbendes in Duitsland en België. Door een zeer recent initiatief van mijn departement in het kader van Europol is gesproken met een groot aantal omliggende landen, veel meer dan alleen met Duitsland en België, over het probleem van de criminele motorbendes, juist omdat we denken dat we ook veel van elkaar kunnen leren en ook moeten leren op dit punt. Ik mocht zelf die bijeenkomst afsluiten. Dat was een zeer inspirerende bijeenkomst, waarin goede ideeën naar voren zijn gekomen die ook al in het beleid zijn meegenomen of zullen worden meegenomen. Harmonisatie is moeilijk als dat het doel zou zijn, maar één ding is zeker, namelijk dat op alle mogelijke manieren overleg wordt gevoerd met Duitsland en België maar ook met heel veel andere landen, juist om die aanpak te intensiveren. Dat doen wij ook door middel van de overeenkomsten die ik met die landen teken.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): De Minister dacht dat hij antwoord gaf op een vraag van mij. Ik had eenzelfde soort vraag gesteld, namelijk over criminele samenwerkingsverbanden en niet alleen over de motorbendes. Er wordt heel nadrukkelijk aangegeven dat ongeveer 40% van de criminele samenwerkingsverbanden is aangepakt. Ik heb gevraagd hoe het kabinet daarbij komt, omdat de politiechef, die ook afgelopen zondag in Nieuwsuur het woord voerde, zei dat er eigenlijk nauwelijks meer criminele groepen zijn maar dat er veel meer sprake is van fluïde netwerken. Daarop zou ik nog wel graag een antwoord krijgen.

Minister Van der Steur: Ten aanzien van het laatste punt heeft mevrouw Berndsen gelijk. Dat hebben wij ook heel uitgebreid met elkaar gedeeld in het algemeen overleg over de criminele jeugdgroepen, want daar zie je de ontwikkeling eigenlijk vooruitlopen. Mijn indruk is dat het in de toekomst veel meer zal gaan over los-vaste verbanden. Dat zien wij ook al in zekere zin bij de Marokkaanse criminaliteit, die een heel los-vast karakter heeft. Op de vraag hoe nu precies die 40% tot stand gekomen is, kan ik op dit moment geen concreet antwoord geven, dus daarover zal ik de Kamer nader en kort informeren, want daar speelt natuurlijk ook de definitie van een crimineel samenwerkingsverband een rol. Misschien vindt mevrouw Berndsen het goed dat ik dat antwoord niet nu geef als ik het niet zeker weet. Mijn excuus dat ik haar niet eerder heb beantwoord.

Dan kom ik bij de vraag van de heer Oskam of voor de uitstapprogramma's alleen naar Denemarken is gekeken en of dat wel allemaal afdoende geregeld is. Ik heb daar net nog even over kunnen spreken. In Denemarken is men het verst met uitstapprogramma's die om die reden als voorbeeld golden. Daarom is ook een van mijn ambtenaren naar Denemarken afgereisd om zich daar persoonlijk op de hoogte te stellen, maar daarnaast is ook gesproken met Noorwegen en Zweden, want die zijn ook bezig met dat project. Dat hebben wij gedaan, omdat wij vinden dat elke effectieve maatregel de moeite van het bestuderen waard is. We hebben alleen vastgesteld dat de Deense uitstapprogramma's buitengewoon kostbaar en zeer arbeidsintensief zijn. Wij hebben het gevoel dat daar in Nederland niet veel behoefte aan bestaat en dat wij de tijd, de energie en ook het geld liever aan andere dingen besteden, zoals voorkomen dat jongeren aangetrokken worden tot criminele motorbendes en de keiharde aanpak ervan. Maar dat wil niet zeggen dat wij niets daarvan leren.

De heer Oskam stelde ook de vraag of hesjes langdurig kunnen worden verboden door burgemeesters. Er is geen wettelijke bepaling die direct strafrechtelijk ingrijpen tegen hesjes mogelijk maakt. Een verbod op of beperking van het dragen van hesjes maakt inbreuk op fundamentele rechten, zoals het recht op je uiting, het recht van vereniging en dat van de persoonlijke levenssfeer. In de APV kan in de paragraaf handhaving openbare orde een bepaling worden opgenomen die beperkingen stelt aan het dragen van bepaalde kleding op bepaalde plaatsen en tijden. Dergelijke beperkingen zijn in combinatie met het samenscholingsverbod wel gesteld bij voetbalwedstrijden aan voetbalsupporters die clubkleding dragen. De burgemeester kan dit verbod opnemen in een noodverordening in geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Daarmee is naar mijn inschatting de toepassing van dit instrument nog niet geregeld. Kan dit langere tijd en voor de hele gemeente? Daarop is het antwoord nee, dat staat ons recht niet toe.

Mevrouw Tellegen stelde een vraag naar aanleiding van een toezegging van collega Plasterk over het gesprek met de burgemeesters over bedreigingen. Ik merk even op dat ik vanuit mijn verantwoordelijkheid met enige regelmaat spreek met de burgemeesters die bedreigd worden of bedreigd zijn. Collega Plasterk van Binnenlandse Zaken doet dat natuurlijk ook. Wij hebben ons voorgenomen dat wij een aantal rondetafelgesprekken met burgemeesters gaan organiseren in het kader van de toezegging die hij gedaan heeft. Die gesprekken zullen na de zomer plaatsvinden. Over de uitkomsten daarvan wordt de Kamer uiteraard geïnformeerd.

Dan kom ik nog snel op de vuurwapens. Mevrouw Helder heeft gevraagd om een nadere toelichting op het standpunt van de KNSA. Ik betreed nu het terrein van de Staatssecretaris die over de wet- en regelgeving rond vuurwapens gaat. Daar spelen een heleboel zaken, ook vanuit het verleden. De Kamer heeft gevraagd naar vuurwapens bij schutterijen. Ik herinner mij dat want daar was ik zelf bij betrokken. Het ging volgens mij zelfs om een motie van CDA en VVD die is aangenomen in de Kamer, of in ieder geval om een toezegging van de zijde van de regering. De vraag was of de door mevrouw Helder genoemde schutterijen niet op een andere manier georganiseerd zouden kunnen worden opdat zij in aanmerking komen voor de vuurwapens waarvan zij uit folkloristisch oogpunt gebruikmaken, anders dan via de KNSA, die toch meer gericht is op sportschutters. Daaraan is gewerkt en daarover is de Kamer ook geïnformeerd, maar dat is nog in behandeling bij de Staatssecretaris. De KNSA heeft bezwaren geuit tegen de aantasting van haar positie. Dat zijn ook punten die de Staatssecretaris in zijn beleid zal meenemen. De Kamer is per brief al geïnformeerd door de Staatssecretaris. Ik neem aan dat de Staatssecretaris ook in overleg zal treden met de KNSA, voor zover hij dat niet al gedaan heeft, om die bezwaren van de KNSA te bespreken.

Mevrouw Helder (PVV): Ik weet dat dit tot de portefeuille van de Staatssecretaris behoort, maar ik wil toch even van de mogelijkheid gebruikmaken om te reageren. De KNSA wil niet alleen dat schutterijen hun eigen positie behouden, maar zij heeft geen bezwaar tegen een andere koepelorganisatie. Wel moet het geleidelijk aan gebeuren, gezien de problematiek waar het om gaat. Maar de Staatssecretaris gaat daarover en er zijn schutterijen die een uitzondering hebben gekregen, maar nu moet die breder gaan gelden. Daarvoor waarschuwt de KNSA. Misschien kan ik via de Minister aan de Staatssecretaris een brief vragen en anders zal ik dat doen in een procedurevergadering, zodat de Kamer op de hoogte wordt gehouden van het overleg met de KNSA.

Minister Van der Steur: Ik denk dat het geen probleem is om toe te zeggen dat de Staatssecretaris de Kamer wil informeren over de resultaten van dat overleg met de KNSA, gegeven het belang van de vuurwapenwetgeving in Nederland, en met name het feit dat illegaal vuurwapengebruik en vuurwapenbezit streng gereguleerd zijn met het oog op de veiligheid van de samenleving

Dan ga ik verder over vuurwapens.

De voorzitter: Mag ik u even wijzen op de klok?

Minister Van der Steur: Ja, voorzitter ik doe mijn uiterste best. Ik zal nog sneller spreken dan ik al doe.

De heer Marcouch heeft aandacht gevraagd voor vuurwapens en wil weten wat nu de inzet van de Minister is op EU-niveau. Ik stel voorop dat harmonisering van vuurwapenwetgeving in Europa heel lastig is, omdat die wetgeving in de individuele lidstaten enorm uit elkaar loopt, met name op basis van de traditie in die landen. Een mooi voorbeeld is dat vuistvuurwapens in Engeland zijn verboden naar aanleiding van de schietpartij in Dunblane. In andere landen zijn wapens toegestaan waarvan de toelating in Nederland ondenkbaar zou zijn vanwege de achtergrond daar. Ik heb gisterochtend een overleg gevoerd met een aantal collega-Ministers op dit onderwerp, waarbij wij hebben gezegd dat de belangrijkste stap zou moeten zijn dat we snel werken aan een kundige richtlijn of verordening met betrekking tot het deactiveren van vuurwapens. De bedoeling is natuurlijk dat als een vuurwapen gedeactiveerd wordt, dus onbruikbaar wordt gemaakt, dat niet omgekeerd kan worden. Bij de aanslag in Parijs is gebleken dat dat wel gebeurde. Daar zie je dus dat er een gat zit in de Europese regelgeving. In sommige lidstaten betekent deactiveren het uit het wapen halen van één onderdeel, dat er later weer in kan worden gezet, waardoor het wapen weer gebruikt kan worden, of dat het wapen onvoldoende onklaar wordt gemaakt waardoor het later weer reversibel is. Dat is het belangrijkste punt naar aanleiding van de aanslag in Parijs. Daarnaast is Europa zich er heel erg van bewust, zoals ook blijkt uit de mededeling van de Europese Commissie van gisterochtend, dat vooral ook de wapenhandel en het wapentransport, dus de import en export van illegale wapens, onderwerp van een Europese aanpak zouden moeten zijn.

De heer Oskam heeft gevraagd of er een vuurwapenofficier moet komen. Ik begrijp zijn vraag. Het antwoord van het Openbaar Ministerie is dat elke officier een vuurwapenofficier is, in die zin dat elke officier er alles aan doet om vuurwapens uit de markt te halen. Politie en Openbaar Ministerie plegen ook veel inzet op informatiedeling en inlichtingenverwerving. Deze aanpak leidt tot successen. Ik verwijs nog even naar de opgerolde lijn vanuit Slowakije, met een hele bus vol vuurwapens. Maar dat betekent ook dat de aandacht voor de bestrijding van vuurwapenhandel niet mag verslappen. Ik zie geen meerwaarde van een specifieke vuurwapenofficier. Wel is het natuurlijk van belang dat dat platform in Europees verband verder wordt ontwikkeld. De heer Oskam en anderen hebben daarnaar verwezen; ik zal zo nog iets over zeggen.

De heer Oskam (CDA): Ik vind dit jammer. Je kunt natuurlijk zeggen dat iedere officier alles moet kunnen, maar zo is het niet. Bij de Wet wapens en munitie is het toch vrij ingewikkeld, dat weet de Minister als geen ander. Het is belangrijk dat de politie wordt aangejaagd. Wij hoeven De Telegraaf maar open te slaan om te zien dat het altijd gaat over drugsonderzoeken maar bijna nooit over vuurwapenonderzoeken. Het is te weinig. Ieder wapen dat uit de markt kan worden gehaald, is winst. Zelfs de Europese Commissie onderkent dat. Dus waarom zou je niet iemand hebben die de boel aanjaagt en die daar structureel mee aan de gang gaat? Noem het anders maar het moet wel gebeuren.

Minister Van der Steur: Het is misschien makkelijk dat ik dit punt nog even meeneem in de toezegging die ik zal doen aan de Kamer. Het probleem is natuurlijk, maar daarmee loop ik vooruit op mijn brief, dat in heel veel zaken vuurwapens aan de orde komen, zoals bij drugszaken. We zien dat bij de growshops die nu worden opgerold in het kader van de nieuwe wetgeving. Daar worden vuurwapens gevonden. Bij de Bandidos worden zware vuurwapens gevonden. Dan rijst de vraag wie dan bevoegd is om de opsporing te doen: de vuurwapenofficier, die zich helemaal niet bemoeit met die zaak, of een andere officier. Daar zit de uitdaging. Ik kom hierop terug omdat ik het Openbaar Ministerie heb gevraagd om te reageren op de motie van de heer Marcouch en anderen over de strafeisen inzake vuurwapenbezit. Ik zal dit punt meenemen in de brief die ik aan de Kamer zal sturen nadat ik de gevraagde informatie van het Openbaar Ministerie heb ontvangen. Ik neem aan dat ik de Kamer daarover na het zomerreces kan informeren.

De heer Oskam (CDA): Misschien moeten we op een ander moment daar nog maar eens even verder over doorgaan. Natuurlijk, als ergens incidenteel een vuurwapen wordt gevonden gaat dat gewoon naar de zaaksofficier, maar juist bij de heel grote vuurwapenonderzoeken, ook in Europees verband, heb je iemand nodig die daar zicht op heeft en die de politie ook op dat punt aanjaagt en aanspreekt. Nu moet de recherche steeds kiezen. Dan is het makkelijker om een drugsonderzoek te doen waardoor je veel verdachten binnenhaalt en waar je hoge straffen uit haalt. Dan doet de politie het goed, terwijl we eigenlijk willen dat die vuurwapens van de markt worden gehaald omdat daarmee liquidaties worden uitgevoerd.

Minister Van der Steur: Ik denk dat niemand meer twijfelt, en nooit heeft getwijfeld, aan de noodzaak van het terugdringen van illegaal vuurwapenbezit. Bij vuurwapens ligt uiteindelijk het grootste probleem, niet zozeer bij de legale maar vooral bij de illegale vuurwapens. Dit punt van de heer Oskam neem ik mee in de brief die ik na het reces aan de Kamer zal sturen, waarin ik ook de andere punten zal oppakken.

Mevrouw Tellegen heeft een adequate beschrijving gegeven van de manier waarop we nu omgaan met de geweldsinstructie en de bewapening van de politie. Heel recent nog is weer extra materiaal voor de politie beschikbaar gekomen, ook naar aanleiding van de discussie in de Kamer van een paar maanden geleden. De geweldsinstructie die er nu ligt, is voldoende. De politie mag alle geweldsniveaus benutten, uiteraard mits dat geweld proportioneel is. De politie heeft de mogelijkheden om ondersteuningseenheden of speciale interventieteams, zoals de Dienst Speciale Interventies, in te zetten als blijkt dat dat vanwege de aanwezigheid van zware vuurwapens noodzakelijk is.

De heer Segers vroeg hoe ik van plan ben de gisteren aangenomen motie uit te voeren. Hij complimenteerde mij daarbij in het bijzonder met mijn daadkracht, snelheid en effectiviteit. Ik zal die uitvoering uiteraard bestuderen zoals dat past. Ik praat hierover met name ook met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Dat zal ik combineren met de invulling van het amendement-Cegerek/Dijkstra waarover wij al hebben gesproken tijdens de begrotingsbehandeling. Van de begroting van Infrastructuur en Milieu is 1 miljoen – ik zei toen 2 miljoen – gereserveerd voor opruimkosten. Ik zal de Kamer dan ook naar aanleiding van die motie informeren.

Dan heeft de heer Oskam nog gevraagd naar mobiel banditisme. Op dat punt is er sprake van een ketenaanpak. Er is veel aandacht voor mobiel banditisme. Wij zien ook dat de aanpak succesvol is. Het aantal woninginbraken en inbraken in bedrijven neemt enorm af, mede vanwege de aanpak op dit punt, maar er is ook veel aanpak nodig van andere partijen. Het barrièremodel noem ik in dit kader en de publiek-private samenwerking, zoals het programma dat ik recentelijk heb kunnen openen, in samenwerking met LTO, waarmee wij ervoor hebben gezorgd dat agrarische bedrijven zich veel beter beveiligen tegen de effecten van mobiel banditisme. Daarbij is gebleken hoe moeilijk dat is. Een agrariër zei tegen mij dat hij ook wel begrijpt dat hij uit zijn tractor van € 150.000 de sleutels moet halen, maar dat dat nogal onhandig is aangezien vier mensen op zijn bedrijf steeds die tractor gebruiken. Dat neemt niet weg dat het wel heel vervelend zou zijn als die tractor weg is. Daar loopt men tegenaan. Dat project loopt en daar zijn wij actief mee.

Daarmee heb ik alle vragen zo goed als ik kan beantwoord.

De voorzitter: Dan kijk ik even naar mijn collega’s. Wij hebben nog tien minuten.

De heer Oskam (CDA): Een puntje van orde. Er is één vraag niet beantwoord. Ik begrijp dat het een lastige vraag is. Ik heb ook gezegd dat wij de onafhankelijkheid van de rechtspraak respecteren, maar mijn vraag was toch of de Minister eens bij de rechtspraak de impact van een vuurwapen onder de aandacht wil brengen.

Minister Van der Steur: Excuus. Ik zal het stenogram van dit deel van de Handelingen doorgeleiden aan de Raad voor de rechtspraak. Het is lastig voor mij om als Minister te zeggen: wilt u eens even zorgen dat er zwaarder gestraft wordt. Dat ligt natuurlijk vooral bij het Openbaar Ministerie. Daar ligt de motie-Marcouch waarover ik de Kamer zal informeren, maar bij gelegenheid zal ik het onderwerp nog eens aansnijden, op verzoek van de heer Oskam, zelf oud-rechter, misschien dat dat extra gewicht in de schaal legt.

De voorzitter: Hartelijk dank. Een minuut maximaal per fractie in tweede termijn. We kijken daarna wat we doen met de beantwoording, of die schriftelijk of nog hier kan.

Mevrouw Helder (PVV): Voorzitter. Dank aan de Minister voor de uitgebreide beantwoording van de vragen. Het kernwoord dat ik namens mijn fractie hieruit heb weten te halen is grenzen, omdat de grenzen van de capaciteit wat mijn fractie betreft bereikt zijn. Er zijn nogal wat regioburgemeesters die dat ook vinden. Er wordt aan gewerkt en wij blijven het scherp in de gaten houden.

Dat is een mooi bruggetje naar wat mijn fractie vaker zegt over grenzen, maar dan grenzen die dicht moeten. Dat helpt namelijk tegen mobiele bendes die verantwoordelijk zijn voor veel delicten en het helpt ook tegen illegale wapenhandel. Ik wijs ook op de brief van burgemeester Hoes en op het feit dat burgemeester Van der Laan dit ook al een keer heeft gezegd. Gaat de Minister daar inmiddels anders over denken en gaat hij zorgen voor meer grenscontroles?

Met de korte klappen pak je de kleine vissen. De Minister heeft gezegd dat hij ook langere onderzoeken gaat doen. In dat kader wijs ik hem graag op een column van John van den Heuvel die heeft geschreven dat er in dat soort milieus sprake is van gezag, macht en veel geld, dus waarom worden er nu niet forse beloningen uitgeloofd voor tips? Ik weet zelf niet zozeer wat ik daarvan moet denken, maar misschien heeft de Minister daarover alvast een idee?

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. De aanpak van de georganiseerde misdaad is een puinhoop. Dan gaat het niet om de inzet van agenten, maar meer om het beleid van het kabinet. Een puinhoop, zeg ik. De Minister zegt dan dat het hardnekkig is. Als ik dan zeg dat het slecht gaat, zegt de Minister dat hij hier spreekt van incidenten. Daarop zeg ik dan dat er plankzaken liggen en dat de werkvloer dat ook zegt. Waarom de Minister dan reageert met: Nee ik spreek van werkvoorraad en poef, het probleem is opgelost.

Dit is de Goed Nieuwsshow van de Minister. Het lijkt wel de Fabeltjeskrant. Ik wil graag dat de Minister met een heldere oplossing komt. Die mis ik tot op heden. 2.000 agenten hebben laatst nog een onderzoek speciaal voor deze Minister gedaan. Ik verwacht daar eigenlijk wel een reactie op. Wanneer komt de Minister met een reactie daarop?

Als het gaat om het Europees vuurwapenplatform ben ik blij dat er in ieder geval wordt gewerkt aan een richtlijn op Europees niveau om te zien of de samenwerking kan worden verbeterd. Agenten zelf zeggen dat zij sinds het landelijke platform is opgeheven, niet meer weten waar zij de samenwerking op Europees niveau moeten gaan zoeken. Kan de Minister daar nog op ingaan?

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Voorzitter. Dank voor de beantwoording van de vragen. Ik betreur het toch dat de Minister de stellingname van de voorzitter van het College van procureurs-generaal bagatelliseert. Als de Minister stelt dat hij niet meer geld heeft, zou hij ook naar zijn prioriteiten moeten kijken, want die zouden toch echt wel met elkaar in balans moeten zijn. Ik adviseer de Minister vooral om als er straks 5 miljard te vergeven is, zoals wij allemaal in de pers lezen, bij de begrotingsbehandeling van 2016 een flinke claim te leggen, zodat de problemen bij politie, Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht kunnen worden opgelost.

Op één punt heb ik geen reactie van de Minister gekregen. Dat heeft te maken met de executieve status van bijvoorbeeld financiële rechercheurs die van buiten de politieorganisatie komen. Misschien kan de Minister dit punt nog meenemen in de schriftelijke beantwoording.

De heer Bontes (Groep Bontes/Van Klaveren): Voorzitter. Gewone misdaad kan in dit land heel makkelijk doorgroeien naar georganiseerde misdaad. Daar zijn talloze voorbeelden van. Kijk naar het liquidatieproces. Kijk naar de doorgroei van bijvoorbeeld de motorbendes, maar ook naar het doorgroeien van Turks en Marokkaanse bendes die heeft geleid tot liquidaties. Het boek Doorgeschoten van Paul Vugts is daar een prima voorbeeld van. Dus nogmaals, kijk naar het Passageproces. Die liquidaties dateren al van 1990. Zij hebben maar kunnen doorwoekeren. Wat is daarvoor de oplossing? Laat ik het heel kort houden: een veel sterker politie- en justitieapparaat. Daar moet veel meer geld naartoe maar ook veel meer power. Mensen doen hun best. Ik waardeer de actie van een paar weken geleden zeer, waarbij 400 politiemensen achter de Bandidos aan gingen, maar het is «too little, too late». Wat nodig is, is een veel sterker politieapparaat, een veel sterker justitieapparaat en een beter instrumentarium, met een maatregel als «thee strikes, you’re out». Dat soort maatregelen zullen we moeten gaan toepassen als we Nederland veiliger willen maken. Anders gaat het niet lukken. We kunnen op details blijven zitten, maar je zult er keihard in moeten.

De heer Marcouch (PvdA): Voorzitter. Ik dank de Minister voor de beantwoording van de vragen.

Ik ben blij dat de Minister heeft toegezegd – wat mij betreft mag hij in zijn toezegging wat scherper zijn om de urgentie te laten voelen – wapens in Europa zoveel mogelijk tegen te houden, althans tegen te gaan dat die in handen komen van criminelen. Graag wat meer urgentie, dat zegt de politie ook.

Ik vraag nog eens of de Minister de regie wil nemen en wil komen met een aanvalsplan waarin bijvoorbeeld ook de burgemeesters van de kleine gemeenten, die heel kwetsbaar zijn, worden ondersteund. Zij hebben meer aan ondersteuning van de manier waarop ze deze georganiseerde misdaad aanpakken dan aan een telefoontje op het moment dat het misgaat.

Het gaat hier dus om regie van de Minister, zijn verantwoordelijkheid en de vraag wie de baas is op straat. De overheid moet de baas op straat zijn en dat moet die overheid ook laten zien, door niet te twisten over capaciteit maar door als één overheid op te treden. Dat kan alleen maar als de Minister inzicht heeft in de omvang van het probleem van de georganiseerde misdaad. Dus ik spoor hem nog eens aan om meer dan naar het dreigingsbeeld, te kijken naar de stand van zaken op dit moment.

De heer Segers (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank de Minister voor zijn antwoord. Ik heb twee aanmoedigingen en een vraag.

De eerste aanmoediging is om als hij het gesprek voert met de Minister van Financiën, niet alleen successen uit te venten maar ook te vertellen waar het knelt, piept en kraakt en waar hij geld tekort komt, een aanmoediging om dan echt voor veiligheid te gaan.

De tweede aanmoediging is om waar het aantal ambtenaren dat lid is van een motorbende, het afgelopen jaar is toegenomen echt de vinger aan de pols te houden, want ik vind het op gespannen voet met elkaar staan dat wij zulke zorgen hebben over de aard van die motorbendes, terwijl ambtenaren daar lid van zijn.

Ten slotte heb ik een vraag over de positie van de burgemeester. De totstandkoming van de Nationale Politie wordt geëvalueerd, en ook de verhouding tussen de departementen van Veiligheid en Justitie en van Binnenlandse Zaken. Kan daar nog eens heel specifiek naar worden gekeken, in relatie tot de positie van de burgemeester en het gezag dat hij heeft?

Mevrouw Tellegen (VVD): Voorzitter. Dank voor de realistische beantwoording door de Minister. Hij heeft aangegeven waar het goed gaat, maar ook waar er nog zorgen zijn. Die zorgen zijn er wat de VVD betreft nog steeds.

Ik begrijp de Minister als hij zegt dat de bewijsvoering voor een verbod op motorbendes heel lastig is, waardoor zo’n verbod niet zo makkelijk is als het klinkt. Ik heb de Minister goed gehoord dat hij het belang hiervan onderkent, dus ik wacht de uitkomsten van de zaak die nu loopt met interesse af.

De beantwoording over vuurwapens vond ik een beetje dun, want wij hebben het Nationaal Platform Vuurwapens gewoon opgeheven. Daarvoor hebben wij een Europese component in de plaats gezet. Ik heb niet helemaal antwoord gekregen op mijn vraag wat Nederland nu binnen dat Europese platform doet als het gaat om deze geweldsspiraal. Daarop zou ik graag nog wat specifieker antwoord van de Minister krijgen.

De heer Oskam (CDA): Voorzitter. Ik vind het goed dat het kabinet nu serieus werk maakt van fraude met kentekenplaten, maar dat heeft wel lang geduurd, want het bestuurlijke signaal is afgegeven in mei 2013 en pas in juni 2014 kwamen de betrokken overheidspartijen bij elkaar.

De NOS meldde afgelopen zaterdag dat er een test komt met de chip om die kentekenfraude te bestrijden. Dat ziet er goed uit volgens de NOS, dus ik hoop dat we daar ook mee doorgaan, ondanks de lobby van allerlei privacy-organisaties die dat absoluut niet willen.

Mevrouw Berndsen noemde al de melding van de super-PG dat het toch moeilijk gaat bij het OM. Ik meld ook aan de Minister dat naar aanleiding van het rapport van De Galan van twee jaar geleden, nu ook weer door De Galan is bekeken hoe in de afgelopen twee jaar de bezuinigingen zijn doorgekomen. De Galan stelt daarin ook dat het OM balanceert op het randje. Ik wil niet dat het OM de verkeerde kant op valt. Wil de Minister reageren op die nieuwe zienswijze van De Galan Groep?

De voorzitter: Waar wil de Minister nu nog op reageren? Misschien kan hij een aantal vragen schriftelijk beantwoorden.

Minister Van der Steur: Voorzitter. Dank aan uw leden. Op een aantal vragen zal ik schriftelijk reageren, ten eerste op de vraag, die voor mij een beetje als een deus ex machina uit de lucht kwam vallen, van de heer Oskam over de fraude met kentekenplaten. Dat onderwerp was nog niet eerder aan de orde geweest en het is ook nog maar de vraag of dat samenhangt met georganiseerde criminaliteit, maar in ieder geval is dit wel ernstige criminaliteit. Daarop zal ik schriftelijk antwoorden na de pilot die de Nationale Politie nu doet.

Ik zal hetzelfde doen met de vraag van mevrouw Tellegen over de inrichting van het Europees platform voor de vuurwapens. Het gaat nu te ver om dat helemaal uit te leggen, dus dat doe ik ook schriftelijk.

Ik neem de opmerking van de heer Oskam mee over de procureur-generaal die heeft gezegd dat het OM echt tegen het einde van de ruimte aan zit. Ik heb al toegezegd dat ik als die ruimte bereikt wordt, altijd bereid ben om te praten over iets extra’s, waarbij ik wel aangeef dat dat binnen mijn begroting zal moeten worden opgelost en dus ten koste gaat van iets anders.

De heer Marcouch heeft mij verder ondersteund in het nemen van de regie. Ik dank hem daarvoor. Dat zal ik doen. Ik ben het met hem eens dat de overheid de baas is op straat en dat ook altijd zal moeten zijn en blijven. Ik denk dat dat ook zo is, zij het dat wij ten aanzien van de uitwassen van de georganiseerde criminaliteit op het gebied van liquidaties nog wel echt veel werk te doen hebben.

Mevrouw Berndsen herinnert mij er terecht aan dat zij een vraag had gesteld over de status van financieel rechercheurs. Die zal ik ook meenemen in de brief naar aanleiding van dit algemeen overleg.

Mevrouw Kooiman heeft een toneelstukje opgevoerd over wat ik allemaal zou hebben gezegd. Ik herken mij niet in de parafrase die zij daar heeft weggegeven, maar ik denk wel dat wij gewoon het beleid zoals het er ligt moeten voortzetten en dat wij niet onder stoelen of banken moeten steken dat er natuurlijk wel zorgen zijn.

Mevrouw Helder heeft gevraagd om de grenscontroles in te zetten of de grenzen te sluiten. Zoals zij weet is dat in Europees verband niet mogelijk, maar daar waar dat nodig is, nemen wij de vereiste maatregelen om ervoor te zorgen dat in de internationale samenwerking op het gebied van vuurwapens die oplossingen zo dicht mogelijk komen bij wat we zouden willen.

Mevrouw Helder heeft ook nog gevraagd hoe het zit met tipgeld. Dat is het beleid van het Openbaar Ministerie zelf. In dat kader worden forse beloningen in het vooruitzicht gesteld. Ik zie op zichzelf geen aanleiding voor aanpassing van het beleid van het Openbaar Ministerie. Ik kijk even naar mevrouw Helder of zij het prettig vindt dat ik daar nog iets meer antwoord op geef in mijn brief aan de Kamer. Dat zie ik. Dan kunnen wij altijd nog even het beleid van het Openbaar Ministerie op dit punt toelichten.

De heer Oskam (CDA): Omwille van de tijd vind ik het prima dat de Minister schriftelijk antwoordt, maar ik wil wel graag de mogelijkheid openhouden om moties in te dienen, dus ik vraag hierbij een VAO aan.

Minister Van der Steur: Ik realiseer mij dat ik de heer Segers niet heb geantwoord op zijn vraag over burgemeesters. Excuus daarvoor. Dat punt komt uitdrukkelijk aan de orde in de herijking Nationale Politie. Dat is een van de pijlers waarop die herijking rust. Ik verwacht dat hij daarin alle antwoorden zal vinden die hij wil vinden, omdat de positie van de burgemeester een essentieel onderdeel is van de herijking en een herbevestiging van de positie zoals die zou moeten zijn.

De voorzitter: De toezeggingen zullen schriftelijk worden toegezonden en er is een VAO aangevraagd met als eerste spreker de heer Oskam. Dat zal volgen op dit AO. Ik dank de collega’s, de Minister en zijn ondersteuning hartelijk.

Sluiting 13.05 uur.

Naar boven