Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-200729861 nr. 18

29 861
Arbeidsmigratie en sociale zekerheid

nr. 18
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 juli 2007

Op 31 oktober 2006 heeft uw Kamer een motie aangenomen van het lid Koşer Kaya (D66)1. De strekking van deze motie is dat de regering wordt verzocht om met voorstellen te komen waarbij het potentieel van een bepaalde categorie asielzoekers beter wordt benut. De motie doelt op asielzoekers die tijdens de procedure hoger onderwijs volgen, goed Nederlands spreken en een Nederlands diploma hebben. Mede namens de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bericht ik u als volgt.

Ik voer deze motie uit, binnen de randvoorwaarden die de regelgeving stelt.

Asielzoekers in procedure hebben op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (WAV) beperkt toegang tot de arbeidsmarkt. Het is niet mogelijk om binnen de kaders van de WAV asielzoekers in procedure die voldoen aan de criteria uit de motie, meer vrijheid te verlenen op de arbeidsmarkt dan asielzoekers in procedure die niet aan die criteria uit de motie voldoen. Om het potentieel van de in de motie aangegeven categorie asielzoekers in procedure beter te benutten, moet de regelgeving die op de toegang tot de arbeidsmarkt voor alle asielzoekers in procedure ziet, worden aangepast. In aansluiting op de motie zal in de WAV worden neergelegd dat alle asielzoekers in procedure meer mogen werken. Deze verruiming heeft geen consequenties voor de verblijfsaanvraag: dat de asielzoeker tijdens de procedure meer mag werken, resulteert niet in een grotere kans op een verblijfsvergunning.

Zoals uw Kamer is bericht2 in de kabinetsreactie op het SER-advies«arbeidsmigratiebeleid» ziet het kabinet ruimte om de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid tijdens de asielprocedure te verruimen door de recente oprekking van de referte-eis in de Werkeloosheidswet (WW). Als asielzoekers langer werken dan de minimale referte-eis voor de WW, ontstaat recht op een uitkering op basis van de WW. Het levert een complexe situatie op als de vreemdeling vertrekplichtig wordt en nog WW-gerechtigd is.

Thans mogen asielzoekers die langer dan een half jaar in procedure zijn 12 weken per jaar arbeid verrichten. Deze 12 wekentermijn was destijds afgestemd op de laagste wekeneis die gold voor toegang tot een uitkering op basis van de WW. Tegenwoordig is de minimale termijn voor artiesten, musici, filmmedewerkers en werknemers die deze groepen technisch ondersteunen 16 weken. Binnen deze branche zal de mogelijkheid tot werken voor asielzoekers in procedure worden uitgebreid naar 14 weken per jaar. Voor alle overige branches is de wekeneis 26 uit 36 weken. Hiervoor heeft het kabinet voorgesteld de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid voor asielzoekers te verruimen tot en met 24 weken per jaar. Door deze voorgenomen wijziging in de WAV wordt dus de mogelijkheid gecreëerd om het potentieel van alle asielzoekers in procedure beter te benutten en impliciet dus ook van de categorie waar de motie zich op richtte. Hiermee is de motie uitgevoerd voorzover dat mogelijk is binnen de bestaande wetgeving.

Naast deze voorgenomen beleidswijziging voor asielzoekers in procedure geldt nog het volgende: zoals reeds verwoord door mijn ambtsvoorganger tijdens de reactie op de motie tijdens het algemeen overleg van 26 oktober jl.1 was er al binnen het bestaande beleid ruimte om de motie uit te voeren voor de doelgroep van asielzoekers met de hierboven vermelde kenmerken, zodra zij een verblijfsvergunning hebben gekregen.

Voor hoger opgeleide asielzoekers met een verblijfsvergunning heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een aantal beleidsmaatregelen aan uw Kamer kenbaar gemaakt om deze personen zo snel mogelijk in het arbeidsproces op te nemen. In de aanbiedingsbrief bij het rapport «de arbeidsmarktpositie van hoger opgeleide vluchtelingen»2 zijn een aantal maatregelen genoemd die voor de uitvoering van deze motie van belang zijn: het Banenoffensief vluchtelingen, de voorlichtingscampagne naar vluchtelingen, werkgevers en gemeenten en de maatwerktrajecten hoger opgeleide vluchtelingen. Deze maatregelen werden al eerder in een brief aan uw Kamer toegelicht3.

Tenslotte wordt in de motie overwogen dat Nederland steeds meer behoefte heeft aan hoog opgeleide migranten. Om aan deze behoefte tegemoet te komen is de kennismigrantenregeling ontwikkeld. Het staat vreemdelingen, die voldoen aan de criteria uit de motie, vrij om de asielaanvraag in te trekken en een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst of als kennismigrant in te dienen. De gegeven criteria in de motie hinten op de mogelijkheid dat deze vreemdelingen mogelijk zouden kunnen voldoen aan de vereisten die zijn neergelegd in de kennismigrantenregeling. De vreemdeling dient voorafgaand aan de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wel een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan te vragen. De mvv dient te worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging in het land van herkomst of bestendig verblijf. Wanneer een mvv wordt afgegeven zal vervolgens in Nederland een aanvraag moeten worden ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel het verrichten van arbeid.

Op een aanvraag voor verblijf als kennismigrant zal conform de kennismigrantenregeling binnen twee weken worden beslist. Het vertrek uit Nederland en verblijf in het land van herkomst kan dus juist voor deze categorie vreemdelingen van korte duur zijn. De verplichting voor ex-asielzoekers, die een verblijf op reguliere gronden beogen, om te beschikken over een mvv hangt samen met de strikte scheiding die in de Vreemdelingenwet 2000 is neergelegd tussen een aanvraag voor verblijf op reguliere gronden of een asielaanvraag.

Ik verwacht dat uw Kamer hiermee voldoende geïnformeerd is over de uitvoering van deze motie.

De staatssecretaris van Justitie,

N. Albayrak


XNoot
1

Kamerstukken II, 2006–2007, 29 861, nr. 13.

XNoot
2

Kamerstukken II, 2006–2007, 29 861 en 30 573, nr. 17.

XNoot
1

Handelingen II, 2006–2007, pag. 1257–1261.

XNoot
2

Kamerstukken II, 2005–2006, 27 223, nr. 80.

XNoot
3

Kamerstukken II, 2005–2006, 27 223, nr. 78.