Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201929754 nr. 520

29 754 Terrorismebestrijding

Nr. 520 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 juli 2019

Op 2 april 2019 is de motie van de leden Laan-Geselschap (VVD) en Van Toorenburg (CDA) (Kamerstuk 29 754, nr. 496) aangenomen waarin de regering wordt verzocht om «uiterlijk voor het zomerreces 2019 actief de dossiers van alle onderkende Nederlandse uitreizigers, man of vrouw, te beoordelen op de mogelijkheid van het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid, en de Kamer hierover te informeren». Met deze brief informeren wij uw Kamer over de uitvoering van de motie. Tijdens het AO terrorismebestrijding van 26 juni 2019 heeft het lid De Graaf (PVV) verzocht in te gaan op de vraag of de intrekking van het Nederlanderschap de terugkeer naar Nederland bemoeilijkt. Conform de toezegging gaat de brief hier eveneens op in.

De motie ziet op de intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, Rijkswet op het Nederlanderschap. Voorwaarde voor de intrekking is dat de persoon 16 jaar of ouder is, zich buiten Nederland bevindt, zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie die is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Verder dient de persoon te beschikken over een dubbele nationaliteit. In de praktijk wordt aan intrekkingen een ambtsbericht van de AIVD of een (verstek)vonnis van de rechtbank ten grondslag gelegd met een beschrijving van de feiten, waaronder de aansluiting bij een terroristische organisatie en de gedragingen van betrokkene waaruit dit kan worden afgeleid. Gelet op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet blijken van aansluiting en handelingen op of na 11 maart 2017. De datum 11 maart 2017 is de datum van publicatie van de lijst van terroristische organisaties waarvoor geldt dat aansluiting tot intrekking van het Nederlanderschap kan leiden.

In de besluitvorming over de intrekking van het Nederlanderschap wordt onder meer rekening gehouden met het strafrechtelijke belang van opsporing, vervolging, berechting en de mogelijkheid van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Andere mee te wegen belangen zijn de proportionaliteit van de maatregel, de gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap en zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden.

Uitvoering van de motie

De afgelopen jaren zijn ongeveer 300 personen met jihadistische intenties succesvol uitgereisd naar Syrië en Irak. Van deze groep zijn er circa 60 volwassenen teruggekeerd naar Nederland. Ongeveer 90 personen zijn gesneuveld bij de strijd1. Van de circa 150 personen die zich nu nog buiten Nederland bevinden is de schatting dat 100 personen een dubbele nationaliteit hebben en daarmee mogelijk in aanmerking komen voor het uitbrengen van een ambtsbericht aan de IND. De verwachting is dat naast de huidige 11 intrekkingen2 (waarin nog beroep open staat) nog in enkele nieuwe zaken het Nederlanderschap kan worden ingetrokken. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een verwachting, omdat in de zaken waarin mogelijk een ambtsbericht kan worden uitgebracht de juridische beoordeling door de IND nog moet plaatsvinden.

Er zijn verschillende redenen waarom het aantal intrekkingen van het Nederlanderschap, ook nadat alle dossiers nog een keer grondig zijn bestudeerd, beperkt blijft tot naar verwachting enkele nieuwe gevallen. Zoals aangegeven in de brief van 25 juni 20193 is er niet altijd voldoende informatie beschikbaar om een intrekking op te kunnen baseren. Informatie dat iemand zich bij een terroristische organisatie buiten Nederland heeft aangesloten, is op zichzelf niet voldoende om aan een intrekking van het Nederlanderschap ten grondslag te leggen. Naast de hiervoor al genoemde voorwaarden moet eveneens sprake zijn van een beschrijving van de feiten waaruit de aansluiting bij een terroristische organisatie blijkt en de feitelijke handelingen die de persoon voor of ten behoeve van de terroristische organisatie verricht. Ook moet boven redelijke twijfel verheven zijn dat de betrokkene de door de terroristische organisatie nagestreefde doelen onderschrijft en dat hij de intentie heeft om zich bij deze organisatie aan te sluiten. Het gaat dus om concrete feitelijke informatie over de activiteiten die de betrokkene buiten Nederland heeft verricht. Omdat het gaat om activiteiten die zich in Syrië en Irak hebben voltrokken betreft dit informatie die niet eenvoudig toegankelijk is. Tot slot is het niet altijd mogelijk om relevante informatie vanuit de inlichtingendiensten op te nemen in een ambtsbericht aan de IND, vanwege de noodzaak tot geheimhouding van bronnen en de veiligheid van personen.

De verwachting dat in enkele aanvullende gevallen het Nederlanderschap kan worden ingetrokken betreft een inschatting op dit moment. Het is mogelijk dat er de komende tijd nieuwe informatie beschikbaar is en dat er dus nog intrekkingen van het Nederlanderschap bij komen. De betrokken organisaties houden hier continu aandacht voor.

Voorkomen van terugkeer

Tijdens het AO van 26 juni jl. heeft uw Kamer op initiatief van het lid De Graaf (PVV) verzocht in onderhavige brief tevens geïnformeerd te worden in hoeverre intrekking van Nederlanderschap leidt tot het voorkomen van terugkeer.

Intrekking van het Nederlanderschap vindt op grond van de regelgeving alleen plaats als de persoon tevens op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 ongewenst kan worden verklaard. De intrekking van het Nederlanderschap in combinatie met de ongewenstverklaring als vreemdeling verhindert legale onopgemerkte terugkeer naar Nederland. De ongewenstverklaring heeft onder meer tot gevolg dat de betrokkene geen aanspraak heeft op rechtmatig verblijf in Nederland.

In de 11 zaken waarin het Nederlanderschap is ingetrokken is de persoon ook ongewenst verklaard, terwijl betrokkene tevens strafrechtelijk wordt gezocht ter fine van opsporing, vervolging, berechting of executie van een door een strafrechter reeds opgelegde straf. In die gevallen kan het Openbaar Ministerie de Minister van Justitie en Veiligheid verzoeken deze ongewenstverklaring tijdelijk op te heffen. Dit aangezien betrokkene het recht heeft om bij zijn of haar strafproces aanwezig te zijn en daarmee te voorkomen dat betrokkene straffeloos blijft voor de feiten die betrokkene in het (voormalige) strijdgebied heeft gepleegd. Daarnaast heeft het OM de plicht om een door de strafrechter opgelegde straf te executeren.

Op grond van algemeen beleid van de IND ten aanzien van strafzaken4 wordt een dergelijk verzoek ingewilligd als de komst van de vreemdeling naar Nederland noodzakelijk is in verband met een eigen rechtszaak. Een verzoek om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring van een persoon van wie het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid is ingetrokken zal ter beoordeling aan de Minister en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid worden voorgelegd.

In het geval de overkomst van de verdachte voor het bijwonen van de eigen rechtszaak noodzakelijk is dan wordt er op ingezet dat deze persoon direct na afloop van de strafzaak of tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf Nederland verlaat.

In gevallen waarin het niet mogelijk is gebleken het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid in te trekken en de persoon bijvoorbeeld voor het bijwonen van de eigen strafzaak naar Nederland wordt overgebracht, bestaat de mogelijkheid het Nederlanderschap in te trekken na onherroepelijke veroordeling voor een terroristische misdrijf5. Ook in deze gevallen geldt dat de intrekking niet mag leiden tot staatloosheid.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A. Broekers-Knol


X Noot
1

Cijfers AIVD 1 juni 2019.

X Noot
2

Daarnaast zijn er twee intrekkingen die door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd.

X Noot
3

Kamerstuk 29 754, nr. 519 (Kamerbrief)

X Noot
4

A4/3.7.3 Vreemdelingencirculaire

X Noot
5

Artikel 14, tweede lid aanhef en onder b, Rijkswet op het Nederlanderschap