Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 maart 2015
U heeft mij gevraagd uw Kamer nader te informeren over de wijze van uitvoeren en de
onderzoeksopzet van de motie van de leden Leijten (SP) en Dik-Faber (CU), waarin zij
mij oproepen te onderzoeken of er voor de eerstelijn een uitzondering op de Mededingingswet
mogelijk is, zoals vormgegeven in de beleidsregel mededinging en duurzaamheid, zodat
het patiëntbelang gediend wordt1. In deze beleidsregel wordt echter geen uitzondering gemaakt op de Mededingingswet
maar is een aantal voor duurzaamheid specifieke aspecten vastgesteld die de Autoriteit
Consument en Markt (ACM) moet betrekken bij de beoordeling van het mogelijk van toepassing
zijn van de vrijstelling van het kartelverbod. Deze beleidsregel biedt marktpartijen
meer duidelijkheid en houvast bij het vormgeven van afspraken om, binnen de bestaande
mededingingskaders, samen te werken aan verduurzaming. De Mededingingswet biedt ruimte
voor samenwerking in het belang van patiënten. Ik zal nader onderzoek laten doen naar
de mogelijkheden die de Mededingingswet biedt voor samenwerking binnen de eerstelijnszorg
om zorgspecifieke belangen te borgen en de duidelijkheid van die mogelijkheden voor
zorgaanbieders in de eerstelijn.
In de motie wordt terugverwezen naar het verloop van de contractering huisartsenzorg.
Ik ben daar onder meer in mijn antwoorden op de vragen van het lid Leijten op ingegaan2. Ik heb toen geschreven dat ik van zorgverzekeraars hoor dat zij moeite doen om in
gesprek te komen met huisartsen door bijvoorbeeld het organiseren van brede regiobijeenkomsten,
waar gesproken wordt over de inkoopkaders. Dit betekent dat niet met iedereen een
individueel gesprek plaatsvindt. Tegelijkertijd hoor ik van huisartsen en anderen
dat zij zich onvoldoende gehoord voelen. Het is dan ook belangrijk te zoeken naar
werkbare modellen, waarbij de mogelijkheid moet blijven bestaan, dat een zorgverzekeraar
en een individuele beroepsbeoefenaar dit op lokaal niveau vorm geven. In mijn brief
«Kwaliteit loont»3 heb ik dan ook twee oplossingsrichtingen voorgesteld. In de eerste plaats wil ik
meer duidelijkheid geven over werkbare inkoopmodellen voor beroepsbeoefenaren en zorgverzekeraars.
Ik wil de bestaande modellen laten inventariseren en toetsen door de NZa en ACM. En
daarnaast wil ik met de sector zelf op zoek gaan naar nieuwe vormen en modellen. In
de tweede plaats wil ik dat er een mogelijkheid komt om conflicten over zorginkoop
laagdrempelig voor te leggen aan een onafhankelijke geschillencommissie, gedragen
door veldpartijen.
Het onderzoek dat ik naar aanleiding van de motie zal laten doen, richt zich op de
vraag of er voor de eerstelijnszorg zorgspecifieke belangen zijn aan te wijzen die
door de ACM betrokken zouden kunnen worden bij de beoordeling van het mogelijk van
toepassing zijn van de vrijstelling van het kartelverbod. Het doel daarvan is om meer
houvast en duidelijkheid te bieden aan zorgaanbieders bij het vormgeven van afspraken.
Het gaat om een algemeen kader waarbinnen de ACM haar concrete individuele beoordeling
kan maken om, met behoud van haar beoordelingsvrijheid en in overeenstemming met het
nationale en Europese mededingingsrechtelijke kader, haar bevoegdheden uit te oefenen.
De onderzoeksvragen zijn daarmee de volgende:
-
1. Beschrijving van redenen van samenwerking tussen concurrenten (zoals een huisarts
met een huisarts, een zorggroep met een zorggroep of een zorgverzekeraar met een zorgverzekeraar)
in de eerstelijnszorg.
-
a. Welke verschillende redenen voor samenwerking op het gebied van eerstelijnszorg (tussen
concurrenten) komen voor en zijn denkbaar?
-
b. In welke gevallen is samenwerking op het gebied van de eerstelijnszorg (tussen concurrenten)
tussen kleinere partijen nodig voor initiatieven ten behoeve van patiënten?
-
2. Welke aspecten van de onder 1 beschreven samenwerking zouden nader kunnen worden verduidelijkt
binnen het mededingingsrecht, zodat voorkomen wordt dat samenwerkingsinitiatieven
met positieve gevolgen voor patiënten niet tot stand komen.
-
3. Hoe zouden afspraken, om binnen de eerstelijnszorg samen te werken, vorm moeten worden
gegeven om binnen het mededingingsrecht zorgspecifieke belangen te borgen.
Mijn voornemen is 15 dagen na verzending aan uw Kamer te gaan spreken met partijen
om dit onderzoek ter hand te nemen, zodat ik u na het zomerreces nader kan informeren.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers