Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202029689 nr. 1026

29 689 Herziening Zorgstelsel

Nr. 1026 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR MEDISCHE ZORG

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 oktober 2019

Bij brief van 4 juli 2019 heeft u mij gevraagd naar de stand van zaken over de uitvoering van de door de Kamer aangenomen gewijzigde motie van het lid Van den Berg c.s. (Kamerstuk 29 689, nr. 1015). In deze motie verzoekt de Kamer te onderzoeken wat de voor- en nadelen, de kosten en de opbrengsten zijn om fysiotherapie voor chronische zieken in het basispakket op te nemen en de Kamer voor het algemeen overleg pakketbeheer 2021 te informeren.

Zoals ik tijdens het AO Pakketbeheer op 26 juni jl. (Kamerstuk 29 689, nr. 1018) heb aangegeven loopt sinds 2017 bij het Zorginstituut voor fysio- en oefentherapie de aanpak van het zogenaamde systeemadvies. Deze aanpak is in lijn met de reactie die de Minister van VWS in haar brief van 14 februari 2017 op het door het Zorginstituut uitgebrachte Systeemadvies fysio- en oefentherapie heeft gegeven (Kamerstuk 29 689, nr. 805). Kort samengevat houdt die aanpak in om via het proces van ontwikkelen van kwaliteitsstandaarden de kwaliteit en effectiviteit van fysio- en oefentherapeutische behandelingen te vergroten, alsmede duidelijk te krijgen voor welke (langdurige) aandoeningen fysio- of oefentherapie bewezen effectief is. Hierbij zijn ook een positief effect op de gezondheid van patiënten en een substitutie-effect met een gunstige financiële uitkomst van belang. Om die reden is het Zorginstituut verzocht bij de aanpak via de route van het systeemadvies met voorrang te starten met advisering over behandelingen met fysio- of oefentherapie bij langdurige aandoeningen waarbij van vergoeding uit de zorgverzekering vanaf de eerste behandeling substitutiewinst is te verwachten. Deze aanpak sluit aan bij de overwegingen zoals opgenomen in de gewijzigde motie van het lid Van den Berg c.s. namelijk dat hierdoor elders in de zorg de kosten kunnen dalen.

Op basis van de door het Zorginstituut uitgebrachte adviezen is vanaf 2017 voor een aantal chronische aandoeningen fysio- en oefentherapie vanaf de eerste behandeling in het basispakket opgenomen:

  • per 1-1-2017 voor claudicatio intermittens,

  • per 1-1-2018 voor artrose aan heup of knie

  • per 1-1-2019 voor COPD.

  • Het Zorginstituut bereidt een advies over fysio- en oefentherapie bij lage rugklachten voor; naar verwachting wordt dit advies uiterlijk begin 2020 uitgebracht.

Het Zorginstituut heeft in de Voortgangsrapportage van december 2018 ten aanzien van de aanpak conform de lijn van het systeemadvies geconstateerd, dat met name de ontwikkeling van kwaliteitsstandaarden en het toewerken naar een structurele en duurzame inrichting van een goed kwaliteitssysteem en een goede kwaliteitscyclus achterloopt op de planning. Enkele belangrijke knelpunten bij het tot stand komen van kwaliteitsproducten zijn:

  • De betrokken beroepsgroepen hebben aangegeven dat hun beschikbare capaciteit beperkt is.

  • Hoewel alle betrokken organisaties grote inspanningen hebben geleverd om de voorziene activiteiten in het traject van het systeemadvies in gang te zetten en uit te voeren, hebben de beroepsgroepen van fysio- en oefentherapeuten aangegeven dat het ze ontbreekt aan voldoende middelen om extra personeel aan te trekken of trajecten uit te besteden.

  • Het tripartiete proces met zorgaanbieders, zorgverzekeraars en patiënten, om overeenstemming te bereiken over de inhoud van kwaliteitsstandaarden en -indicatoren blijkt in de praktijk complex en vergt daardoor meer tijd dan voorzien. Deze tripartiete aanpak om een kwaliteitsstandaard te ontwikkelen is nodig voor aanbieding aan het Kwaliteitsregister.

Bij het opstellen van het plan van aanpak voor het traject van het systeemadvies hebben betrokken partijen aandacht gevraagd voor een versnelling in de ontwikkeling van kwaliteitsstandaarden. Een mogelijke optie zou zijn standaarden te ontwikkelen vanuit het perspectief van functioneren (in generieke zin) in plaats van specifiek vanuit de aandoening. Deze optie heeft het Zorginstituut getoetst tijdens een invitational conference met experts en betrokken partijen op theoretische haalbaarheid. Uitkomst van deze invitational conference was dat er algehele overeenstemming bestond, dat het ontwikkelen vanuit het perspectief van functioneren vooralsnog (theoretisch) niet mogelijk is. Geconcludeerd werd dat het thans niet haalbaar is op grond van de beschikbare wetenschappelijke literatuur kwaliteitsstandaarden voor fysio- en oefentherapie te ontwikkelen vanuit functionerings- of participatieproblemen, ongeacht de onderliggende aandoening. Dit betekent dat de onderliggende diagnose niet kan worden losgelaten omdat deze een belangrijk element voor de fysiotherapeutische interventie kan zijn.

Wel is er een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd dat als resultaat had dat versnelling mogelijk is als bij de ontwikkeling van kwaliteitsstandaarden gericht generieke fysio- en oefentherapeutische elementen worden geïdentificeerd. Daarmee wordt zoveel mogelijk dubbelwerk voorkomen.

Wat betreft het gebrek aan middelen dat de beroepsgroepen van fysio- en oefentherapeuten aanvoerden, is in de recente Bestuurlijke Afspraken Paramedische Zorg voorzien in extra financiële middelen. Zo is er voor de periode 2019–2022 € 10 miljoen gereserveerd voor een programma paramedische zorg bij ZonMw, waarbinnen onder andere kwaliteitsstandaarden en richtlijnen zullen worden ontwikkeld. Hierbij wordt ook ingezet op een meer efficiënte manier van standaard- en richtlijnontwikkeling. Voor de fysio- en oefentherapie worden daarnaast extra middelen beschikbaar gesteld voor de uitvoering van het systeemadvies. De bestuurlijke afspraken en bijbehorende middelen zijn erop gericht een versnelling aan te brengen in de uitvoering van het systeemadvies.

De gewijzigde motie van het lid Van den Berg c.s. is voor mij aanleiding geweest om deze zomer met het Zorginstituut in overleg te treden om (nogmaals) alle mogelijkheden – naast de hiervoor genoemde 10 miljoen voor onder meer de ontwikkeling van kwaliteitsstandaarden en richtlijnen – voor versnelling van het opstellen van kwaliteitsstandaarden na te gaan. Daarbij worden nog een keer alle mogelijke opties die aan versnelling van de uiteindelijke advisering kunnen bijdragen langsgelopen, ook de optie om niet per afzonderlijke aandoeningsdiagnose te adviseren. Verder buigt het Zorginstituut zich nog eens kritisch over de vraag welke bewijslast met betrekking tot de effectiviteit in het kader van de fysiotherapie het adequaat en haalbaar is. Het Zorginstituut zal daarbij ook de beroepsgroepen van fysio- en oefentherapeuten betrekken.

Over de uitkomst van dit overleg en daarmee over de uitvoering van deze motie zal ik de Kamer in het voorjaar van 2020 informeren, voorafgaand aan het Algemeen Overleg Pakketbeheer 2021. Daarnaast brengt het Zorginstituut nog dit jaar een tweede Voortgangsrapportage uit.

De Minister voor Medische Zorg, B.J. Bruins