Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202029628 nr. 910

29 628 Politie

Nr. 910 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 oktober 2019

Hierbij informeer ik uw Kamer over mijn voornemen om het woonplaatsvereiste voor politiechefs te laten vervallen. Ik wens uw Kamer hierover te informeren, omdat deze verplichting is ingevoerd naar aanleiding van een motie.

Graag licht ik aan uw Kamer mijn voornemen toe door eerst in te gaan op de achtergrond van dit vereiste. Vervolgens licht ik de beweegredenen achter mijn voornemen toe. Daarna zal ik ingaan op de gesprekken die ik hierover in de afgelopen periode heb gevoerd met het lokaal gezag en met de politievakorganisaties.

Het woonplaatsvereiste voor politiechefs

Artikel 66 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) bepaalt dat de politiechef van een regionale eenheid woonachtig is in het werkgebied van de betreffende regionale eenheid (het woonplaatsvereiste).

Het woonplaatsvereiste is in 2012 ingevoerd in het Barp naar aanleiding van de motie van het lid Çörüz.1 De gedachte toentertijd was dat de korpschef geworteld moet zijn in de regio waar hij werkzaam is en snel beschikbaar en oproepbaar moet zijn. Toen de motie in 2009 werd aangenomen was er nog geen nationale politie.

Ik kan op grond van artikel 66, tweede lid, van het Barp op verzoek van de beoogde politiechef een ontheffing verlenen van het woonplaatsvereiste. Hierbij betrek ik in elk geval de vraag of het lokaal gezag hiermee akkoord gaat.

Belemmeringen in de praktijk

In de praktijk is gebleken dat het woonplaatsvereiste de mobiliteit binnen de politietop kan belemmeren. Politiechefs zullen minder snel rouleren van eenheid. Dit botst met de wens van het creëren van flexibiliteit.

In de praktijk blijkt bovendien dat het vasthouden aan het woonplaatsvereiste in bepaalde situaties niet redelijk is. Mijn voorgangers en ik hebben dan ook vaak een ontheffing verleend. Een voorbeeld van een dergelijke situatie is wanneer een beoogde politiechef nabij de grens van de eenheid woont. Een ander voorbeeld is de situatie waarin een beoogde korpschef weliswaar woonachtig is buiten de eenheid, maar waarvan de afstand tot de plaats van tewerkstelling in de eenheid gering is. Hierdoor komt een eventuele verplichting van een verhuizing binnen de eenheid in de praktijk neer op het vergroten van die afstand. Hierbij wijs ik tevens op de verschillen tussen de eenheden in oppervlakte. Zo beslaat de Eenheid Amsterdam een oppervlakte van 355 km2, terwijl de Eenheid Oost-Nederland een oppervlakte dekt van maar liefst 8.556 km2.

Afschaffen woonplaatsvereiste

Er is aldus gebleken dat de huidige vorm van het woonplaatsvereiste geen recht doet aan de praktijk. Daarom ben ik voornemens om de verplichting voor politiechefs om in de eenheid te wonen op de volgende wijze te veranderen: de politiechef is op grond van het Barp niet langer verplicht om woonachtig te zijn in het werkgebied van de betreffende regionale eenheid. Bij het vaststellen van het profiel voor de politiechef kan het lokaal gezag deze eis echter nog steeds stellen. Deze wijziging tast derhalve de invloed van het lokaal gezag niet aan.

Het lokaal gezag

Ik heb het afschaffen van het woonplaatsvereiste met het lokaal gezag besproken in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (LOVP) van 24 juni 2019. In dit overleg is overeenstemming bereikt over het veranderen van het woonplaatsvereiste in de hiervoor omschreven vorm.

De politievakorganisaties

Ik heb het afschaffen van het woonplaatsvereiste met de vier politievakorganisaties besproken in het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP) van 4 juli 2019. Ook met de vakorganisaties is overeenstemming bereikt.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


X Noot
1

Kamerstuk 29 628, nr. 169.