Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201929628 nr. 893

29 628 Politie

Nr. 893 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 juli 2019

In mijn brief van 10 december 2018 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de taken en bevoegdheden van de verschillende buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) binnen het handhavingsdomein en de gevolgen voor de lokale inbedding van de politie.1 Daarbij ben ik ook ingegaan op de ontwikkeling van het aantal boa’s in de afgelopen jaren en heb ik erop gewezen dat uit de cijfers van de Dienst Justis blijkt dat, anders dan wel eens wordt gesuggereerd, er in de afgelopen jaren geen sprake is van een bijzondere groei in het aantal boa's. Verder heb ik in de genoemde brief een aantal verkenningen betreffende de inzet van boa’s aangekondigd. Mijn streven is dat met deze verkenningen een aantal ervaren knelpunten binnen het bestaande boa-stelsel pragmatisch kunnen worden opgelost. Een meer fundamentele bezinning op de politiefunctie vindt plaats in het kader van de uitvoering van de gewijzigde motie van het lid Den Boer (D66) c.s. over een visie op de toekomst van de politiefunctie in Nederland.2

In het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (LOVP) van 4 februari 2019 heb ik, conform mijn toezegging uit het evaluatiedebat Politiewet 2012 op 12 december 2018, met de Regioburgemeesters, het Openbaar Ministerie en de politie gesproken over de samenwerking tussen politie en boa’s en hun opvattingen daarover. Vervolgens heeft het LOVP ermee ingestemd dat een integrale ambtelijke werkgroep (hierna: de werkgroep) de door mij aangekondigde verkenningen ter hand neemt. Ook het Strategisch Beraad Veiligheid (SBV) heeft hier op 4 februari 2019 mee ingestemd.

De werkgroep bestaat uit vertegenwoordigers van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), drie gemeenten (Haarlemmermeer, Utrecht en Rotterdam), de Regioburgemeesters, de politie, het Openbaar Ministerie en mijn ministerie en onderzoekt of er, binnen het huidige boa-stelsel, gekomen kan worden tot een meer flexibele inzet van gemeentelijke boa’s door domeinlijst I (openbare ruimte) uit te breiden met enkele feiten die nu alleen in domeinlijst II (milieu) en IV (openbaar vervoer) zijn opgenomen. Ook wordt het leefbaarheidscriterium nader beschouwd. Naast deze verkenningen wordt onder leiding van het Openbaar Ministerie een verkenning uitgevoerd naar het ervaren handhavingstekort in het verkeer, waarbij de positionering en rol van boa’s bij verkeersfeiten worden betrokken.

Met deze brief informeer ik uw Kamer over de stand van zaken van voornoemde verkenningen. Tevens ga ik in deze brief in op de informatie-uitwisseling tussen politie en boa’s. Daarmee doe ik mijn toezegging gestand die ik tijdens het Algemeen Overleg Politie op 17 april 2019 aan uw Kamer heb gedaan. Hiermee raak ik ook aan de motie van het lid Laan-Geselschap (VVD) over (opleidings)mogelijkheden zodat boa’s op meerdere terreinen handhavend kunnen optreden en de samenwerking tussen politie en boa’s kan worden verbeterd, onder meer door betere gegevensuitwisseling.3 In deze brief zal ik niet ingaan op de discussie die op dit moment in het land gevoerd wordt over de bewapening van boa’s. In mijn brief van 10 december 2018 heb ik mijn standpunt ten aanzien van het geweldsmonopolie toegelicht. Dit standpunt is onveranderd. Wel is het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) gevraagd om onderzoek te doen naar de mate en aard waarin boa’s in de openbare ruimte geweld ervaren tijdens de uitvoering van hun werkzaamheden. Daarbij wordt de inzet van boa’s door hun werkgever en de relatie met het leefbaarheidscriterium betrokken. De werkgroep betrekt de uitkomsten van dit onderzoek bij haar verkenningen.

Flexibele inzet boa’s

De VNG heeft ervoor gepleit een meer flexibele inzet van gemeentelijke boa’s mogelijk te maken door domeinlijst I (openbare ruimte) uit te breiden met enkele feiten die nu alleen in domeinlijst II (milieu) en IV (openbaar vervoer) zijn opgenomen. Dit is de flexibele inzet van boa’s of domeinoverstijgend werken gaan heten. De werkgroep is met dit vraagstuk aan de slag gegaan. Dit heeft tot het resultaat geleid dat in SBV en het LOVP van 24 juni 2019 is afgesproken om burgemeesters, in overleg met de officieren van justitie en lokale politiechef, te vragen om experimenten (pilots) aan te dragen voor domeinoverstijgend werken in de openbare ruimte (domeinen I, II en IV), daar waar gedacht wordt dat dit kan bijdragen aan een effectievere en efficiëntere handhaving bij een geconstateerd maatschappelijk probleem. De werkgroep verwacht door middel van de lokale experimenten een beter inzicht te krijgen in de lokale handhavingsproblematiek, welke domeinoverstijgende inzet wenselijk is en wat mogelijke gevolgen voor de praktijk zijn van een (tijdelijke) uitbreiding van domeinlijst I (openbare ruimte) met enkele feiten uit domeinlijst II (milieu) en/of IV (openbaar vervoer). Ook kunnen de experimenten inzichtelijk maken in hoeverre domeinoverstijgend werken een oplossing kan zijn voor het ervaren maatschappelijke probleem.

Het uitvoeren van deze experimenten past binnen het huidige boa-stelsel. In de huidige domeinlijsten is een bepaling opgenomen dat een boa, naast de in de domeinlijst opgenomen feiten, ook bevoegd is voor andere feiten waarvoor hij of zij door een officier van justitie is aangewezen in het kader van een concreet opsporingsonderzoek of concreet project voor de duur van dat onderzoek of project.4 Op dit moment wordt die bepaling met name ingezet indien in een concreet strafrechtelijk onderzoek behoefte is aan specifieke expertise van een boa. De bepaling kan echter ook worden benut om aan een boa een tijdelijke bevoegdheid te verlenen ten behoeve van de experimenten.

Nadere beschouwing leefbaarheidscriterium

In juli 2013 is het leefbaarheidscriterium geïntroduceerd in domein I (openbare ruimte) als criterium voor het beoordelen van toekomstige verzoeken tot uitbreiding.5 Sinds april 2014 worden verzoeken tot uitbreiding van domein I bovendien getoetst aan criteria over de uitvoerbaarheid voor de boa.6 In de verkennende notitie van de politie («Boa en politie, niet naast elkaar maar met elkaar») is de wens geuit om het leefbaarheidscriterium nader te beschouwen.7

De werkgroep doet hiertoe een eerste aanzet door de feiten op de domeinlijst I (openbare ruimte) in relatie tot het leefbaarheidscriterium te analyseren. Voor zover deze verkenning meer principiële vraagstukken opwerpt over de gemeentelijke handhavingstaak en de rol van de boa daarin, zullen deze worden bezien in het kader van de langere-termijn-verkenning naar aanleiding van de gewijzigde motie van het lid Den Boer (D66) c.s. over een visie op de toekomstige politiefunctie.8

Verkenning ervaren handhavingstekort verkeer

Het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 (SPV) bevat een gezamenlijke strategische visie van de verschillende overheden op het verkeersveiligheidsbeleid. Door het Openbaar Ministerie, de VNG, het Interprovinciaal Overleg en de politie is de noodzaak voor een integrale aanpak onderschreven teneinde de verkeersveiligheid te verbeteren. De gedeelde ambitie is om het aantal verkeersslachtoffers te reduceren. Hierbij worden de mogelijkheden voor verbetering voor de langere termijn, zowel binnen als buiten het huidige stelsel van de verkeershandhaving, in onderlinge samenhang afgewogen.

Informatie-uitwisseling politie en boa’s

De boa heeft voor een goede taakuitvoering en zijn eigen veiligheid een goede informatiepositie nodig. Uw Kamer heeft mij tijdens het Algemeen Overleg Politie van 17 april 2019 in dat kader gevraagd u nader te informeren over de informatie-uitwisseling tussen politie en gemeentelijke boa’s. Hieronder ga ik allereerst in op het wettelijk kader waarbinnen de uitwisseling van gegevens tussen politie en boa’s moet plaatsvinden. Verder werkt de politie in gezamenlijkheid met de boa-werkgevers aan het verbeteren van de samenwerking met boa’s. Voor een deel betreft het maatregelen die bijdragen aan een betere informatiepositie van boa’s en een positief effect kunnen hebben op hun veiligheid. Ik licht dit nader toe.

Wettelijk kader

Sinds de implementatie van de dataprotectierichtlijn (EU-richtlijn 2016/680) in de Wet politiegegevens (Wpg) valt de verwerking van gegevens door de boa onder het regime van de Wpg.9 Dit zal kunnen bijdragen aan het verbeteren van de onderlinge uitwisseling van gegevens tussen de politie en de boa.

In de Wpg is geregeld dat de politie, de Koninklijke Marechaussee (Kmar), de bijzondere opsporingsdiensten (Bod-en), de rijksrecherche en de boa’s elkaar over en weer voorzien van gegevens die noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van hun taak, tenzij er een wettelijke weigeringsgrond of een beperkende voorwaarde van toepassing is.10 De boa heeft een specifieke taakstelling binnen een veiligheidsdomein aangezien zijn taak ziet op de opsporing van de strafbare feiten binnen zijn domein.

De boa heeft een bijzondere positie omdat hij nauw moet kunnen samenwerken met (andere) bestuurlijk toezichthouders, maar ook met de politie, de Kmar en de Bod-en. In het Besluit politiegegevens boa (Bpg boa) is een specifieke regeling opgenomen waarin de verstrekking van gegevens door de boa aan toezichthouders wordt geregeld. De politiegegevens die de boa ter beschikking zijn gesteld door politie, de Kmar, de Bod-en en de Rijksrecherche zijn hiervan uitgezonderd. Anders zou het risico kunnen ontstaan dat gegevens door de boa aan derden worden verstrekt die door de politie, Kmar of Bod-en zelf niet zouden mogen worden verstrekt, bijvoorbeeld omdat hierdoor een lopend opsporingsonderzoek wordt geschaad.

Verbeteringen in de informatie-uitwisseling

In opvolging van haar verkenning «Boa en politie, niet naast elkaar maar met elkaar» werkt de politie, zoals vermeld, in gezamenlijkheid met de boa-werkgevers momenteel aan het verbeteren van de samenwerking met boa’s. Verbeteringen worden daarbij vooral decentraal en naar lokale omstandigheden en behoefte vorm gegeven zodat initiatieven maatschappelijk geïntegreerd en politiek-bestuurlijk ingebed zijn en deel uitmaken van een gemeenschappelijke veiligheidsaanpak. Een aantal verbeteringen verdient landelijke aandacht of coördinatie.

Toegang politielocaties en informatiesystemen en toetsing betrouwbaarheid

Relevant voor de informatiepositie van boa’s is een laagdrempelige toegang tot politielocaties. De politie onderzoekt in hoeverre boa’s toegang kunnen krijgen tot het politiebureau, met als voorwaarde dat er sprake is van een daadwerkelijke samenwerking tussen de politie en de betreffende boa. Een andere ontwikkeling die de politie momenteel verkent, is of boa’s toegang kunnen krijgen tot bepaalde delen van informatiesystemen van de politie. Het huidige wettelijk kader, zoals hierboven beschreven, biedt hiervoor meer mogelijkheden dan voorheen. Daarbij signaleer ik dat hoe meer gevoelige informatie ter beschikking wordt gesteld aan de boa, des te groter het belang lijkt te worden dat de betrouwbaarheid van boa’s op basis van actuele gegevens ook tussentijds wordt getoetst.

Gezamenlijke briefings

De politie zet op lokaal niveau ook in op meer informatie-uitwisseling door het organiseren van gezamenlijke briefings met boa’s, het overdragen van werkopdrachten en gezamenlijk uitgevoerde surveillances. Ook hier dient het wettelijk kader zoals hierboven beschreven, als leidraad. Om een en ander te faciliteren heeft de politie binnen het korps een briefingrichtlijn bekend gemaakt waarin mogelijkheden voor gezamenlijke briefings of andere vormen van informatiedeling zijn opgenomen. Deze richtlijn geeft uniforme kaders en helderheid en wordt momenteel geactualiseerd als gevolg van de gewijzigde Wpg.

Assistentieverlening voor boa’s

Het is belangrijk dat boa’s kunnen rekenen op assistentie van de politie als zij onverwachts in een gevaarlijke situatie terechtkomen. Dit zal bijdragen aan de veiligheid van boa’s tijdens de uitvoering van hun taken. Uw Kamer vroeg hier ook aandacht voor in de aangehouden motie van het lid Buitenweg (GL).11

Het is van belang dat boa’s kunnen beschikken over communicatiemiddelen en hun verzoek om assistentie kunnen doen via de meldkamer van de politie. Op lokaal niveau worden nadere afspraken gemaakt om de assistentieverlening door de politie vorm te geven. Verder zet de politie zoveel mogelijk in op speciale contactpersonen in de basisteams die de relatie met handhavers onderhouden. Bovendien is het voornemen om in samenwerkingsafspraken lokaal helder vast te leggen hoe de politie en handhavers met elkaar samenwerken. Zo hebben politie en boa’s in Rotterdam de werkwijze afgesproken om op de Lijnbaan een aanpak te hanteren, waarbij meerdere boa’s in afwachting van de politie een verdachte omsingelen en de politie onmiddellijk onderweg is.

Tot slot

Ik zal uw Kamer over de voortgang van de verkenningen informeren via de halfjaarberichten van de politie.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


X Noot
1

Kamerstuk 29 628, 838.

X Noot
2

Kamerstuk 35 000 VI, 79.

X Noot
3

Kamerstuk 29 628, 846.

X Noot
4

Zie de bijlage bij de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar.

X Noot
5

Kamerstuk 28 684, 387, p. 6, nader uitgewerkt in Kamerstuk 28 648, 402, p. 3.

X Noot
6

Kamerstuk 28 648, 402, p. 3.

X Noot
7

Bijlage bij Kamerstuk 29 628, 838.

X Noot
8

Kamerstuk 35 000 VI, 79.

X Noot
9

Zie artikel 46 Wpg en het Besluit politiegegevens buitengewoon opsporingsambtenaren. Voordien viel de verwerking van gegevens door de boa onder de Wet bescherming persoonsgegevens.

X Noot
10

Artikel 15 Wpg juncto artikel 2:13 Bpg en artikel 4 Bpg boa.

X Noot
11

Kamerstuk 29 517, 160 (aangehouden).