29 628
Politie

nr. 81
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 april 2008

Bij brief van 25 maart 2008 (08-BZK-B-026) verzoekt de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om een toelichting op het interview in het NRC-Handelsblad van 15 maart jl. Specifiek wordt aandacht gevraagd voor de passages waarin ik spreek over de CAO-onderhandelingen met de politievakorganisaties.

In dit interview spreek ik over maatschappelijke verruwing. In dat kader heb ik een opmerking gemaakt over reacties van politieagenten in het kader van de cao-onderhandelingen. Daaraan heb ik de kwalificatie «kort lontje» verbonden. Uw verzoek geeft mij de gelegenheid om dit citaat toe te lichten.

In het cao-traject tot nu toe ben ik door individuele agenten en ook door de media en Kamerleden aangesproken, niet alleen op mijn cao-bod, maar ook op mijn vermeende houding/gedrag. In de Tweede Kamer is hierover ook een motie ingediend, maar niet aangenomen. Nadien zijn uitlatingen door individuele agenten doorgegaan en ernstiger geworden, niet alleen op sites van bonden, maar ook in mails en persoonlijke brieven. Vooral de woordkeus in deze reacties, die tegen mij als persoon waren gericht, baren mij zorgen.

In dat licht moet mijn opmerking in het NRC-interview over «een kort lontje» worden gezien. Mijn uitlating sloeg uiteraard niet op de politieorganisatie als geheel of op alle politiemensen noch op de bonden. Deze had betrekking op de relatief beperkte groep die bovengenoemd gedrag heeft laten zien.

Het cao-traject is een zeer complex traject waarin tussen de werkgever en de vakbonden grote tegenstellingen moeten worden overwonnen. Ik kan begrijpen dat de emoties daarbij hoog op kunnen lopen. Maar het baart mij zorgen dat individuele politiefunctionarissen dit op een dergelijke wijze, op schrift en via mails, uiten.

Juist, omdat ik weet welke hoge normen en waarden de politieorganisatie en haar medewerkers zich zelf stellen. Ik die zin plaats ik deze uitlatingen van individuele politiefunctionarissen dan ook in het algemenere beeld van maatschappelijke verruwing. Dat maatschappelijke verruwing vele verschijningvormen kent, is evident.

Ik hoop u hiermee voldoende toelichting te hebben gegeven op dit interview.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst

Naar boven