Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201629628 nr. 663

29 628 Politie

Nr. 663 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 september 2016

In het Algemeen Overleg Politie van 9 april 20151 heb ik uw Kamer toegezegd een onderzoek te laten uitvoeren naar de oorzaken van de daling van de in de Veiligheidsmonitor van het CBS gemeten aangiftebereidheid.

In de Veiligheidsmonitor wordt de aangiftebereidheid jaarlijks gemeten. De cijfers in de monitor lijken erop te wijzen dat er in de periode van 2005 tot 2015 sprake is van een daling van de aangiftebereidheid. Het spreekt voor zich dat een zodanige daling onwenselijk zou zijn. Het is om die reden dat ik het WODC de opdracht heb gegeven een wetenschappelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de (vermeende) daling in de aangifte- en meldingsbereidheid. Met deze brief stuur ik u dit onderzoek «Aangifte- en meldingsbereidheid: Trends en determinanten» toe2.

Het onderzoek

De onderzoekers concluderen dat de in de Veiligheidsmonitor geconstateerde daling in de aangifte- en meldingsbereidheid het gevolg is van methodologische verschillen in de metingen van aangifte- en meldingsbereidheid over de tijd. Zij concluderen dat er binnen de opeenvolgende versies van de Veiligheidsmonitor nauwelijks trends waarneembaar zijn die duiden op een (statistische significante) daling van de aangiftebereidheid, maar dat er met name verschillen zijn tussen de verschillende (type)versies van de Veiligheidsmonitor. De resultaten duiden niet op een daadwerkelijke verandering in de aangifte- en meldingsbereidheid van burgers.

Het onderzoek onderstreept voorts dat de aangifte- en meldingsbereidheid vooral samenhangt met het type delict. Het rapport beschrijft de determinanten van aangiftebereidheid aan de hand van drie invalshoeken. Vanuit economisch perspectief is de beslissing om (geen) aangifte te doen de resultante van een kosten- batenanalyse van het slachtoffer. Hierbij horen determinanten zoals de benodigde (reis)tijd om aangifte te doen, angst voor represailles van de dader, de ernst van de schade en de mogelijkheid om deze op een verzekeraar of de dader te verhalen. Vanuit psychologisch perspectief spelen emoties zoals schaamte, schuldgevoel of behoefte aan vergelding een rol. Het sociologisch perspectief vult aan dat de aangiftebereidheid ook afhangt van de sociale omgeving van het slachtoffer. Zo kunnen anderen aandringen op het doen van aangifte of juist de norm opleggen om de politie er buiten te laten. De toegepaste multivariate analyse toont aan dat met name specifieke delictskenmerken bijdragen aan het verklaren van aangifte- en meldingsbereidheid. De onderzoekers concluderen derhalve dat het verhogen van de aangifte- en meldingsbereidheid vooral gerealiseerd kan worden door in te zetten op die type delicten waarvan bijvoorbeeld uit onderzoek blijkt dat vanuit het perspectief van het slachtoffer de lat om aangifte te doen nog te hoog is. De onderzoekers wijzen hierbij onder meer op geweldsdelicten, cybercriminaliteit en zedendelicten.

Beleidsreactie

Voor een effectievere aanpak van criminaliteit is een zo hoog mogelijke aangiftebereidheid van groot belang. Het onderzoek ondersteunt het beleid dat ik op dit punt voer, namelijk het bevorderen van laagdrempelige aangiftemogelijkheden, maar ook de mogelijkheden van beschermde aangifte, zoals aangifte onder nummer en het kiezen van domicilie op een ander adres.

De bevindingen van dit wetenschappelijke onderzoek duiden niet op een daadwerkelijke verandering in de aangifte- en meldingsbereidheid van burgers in de periode 2005 tot 2015. Ondanks deze wetenschappelijke constatering zijn er genoeg goede handvatten om met het ingezette beleid ten aanzien van de verbetering van de aangifte- en meldingsbereidheid in de praktijk verder te gaan en nieuwe accenten te leggen om deze bereidheid verder te stimuleren.

De verdere verbetering van de dienstverlening van de politie en het zo optimaal mogelijk inrichten van het aangifteproces blijven onverminderd van belang. De onderzoekers zien een duidelijk verband tussen de aangiftebereidheid en een positieve attitude van het slachtoffer ten opzichte van de politie.

Ik ben van mening dat dit onderzoek onderstreept dat het beter is om naar de aangiftebereidheid per type delict te kijken. De motieven van een slachtoffer van een woninginbraak zijn geheel anders dan van slachtoffers van een zedenmisdrijf. Uit het onderzoek blijkt dat de aangiftebereidheid sterk samenhangt met de ernst van het delict. Mijn beleid zal zich derhalve blijven richten op het vergroten van de aangifte- en meldingsbereidheid per type delict. De onderzoekers doen hiertoe waardevolle aanbevelingen. Ik zal derhalve het CBS ook vragen in de Veiligheidsmonitor te kijken naar de aangiftebereidheid bij specifieke delicten. Hieronder schets ik twee concrete maatregelen die ik al heb genomen ten aanzien van zeden en cybercrime.

Deze zomer is in opdracht van het WODC ook een onderzoek gestart naar de overwegingen van slachtoffers van zedenmisdrijven bij het zoeken van hulp en/of het doen van aangifte. In het onderzoek zal worden ingegaan op de factoren die meespelen bij het doen van aangifte, zoals de eigenschappen van het slachtoffer en het misdrijf, de overwegingen die het slachtoffer maakt bij het contact zoeken met de politie en/of hulpverlening en de ervaringen die zij hadden met de politie. De resultaten van dit onderzoek kunnen gebruikt worden om beleidsmaatregelen te treffen die als doel hebben om drempels die slachtoffers mogelijk om begrijpelijke reden ervaren om aangifte te doen of hulp te zoeken te verminderen. Ik vind dat van groot belang.

Cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit zijn containerbegrippen waaronder veelal tal van delicten worden geschaard, variërend van internetoplichting en bankpasfraude tot «high tech crime» en kinderpornografie. Dat cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit in toenemende mate onderdeel vormen van onze dagelijkse wereld is een logisch gevolg van de verdergaande digitalisering van onze samenleving. Dat betekent ook dat dat slachtoffers aangemoedigd moeten worden om melding en/of aangifte te doen. Er zijn daartoe voor deze vormen van criminaliteit verschillende meldpunten opgericht waarin de politie samenwerkt met partners om vormen van gedigitaliseerde criminaliteit aan te pakken. Voorbeelden hiervan zijn het landelijk meldpunt internetoplichting (LMIO), het meldpunt kinderporno en het centraal meld- en informatiepunt identiteitsfraude en -fouten. Hier worden meldingen en aangiften verzameld en verrijkt met opsporingsinformatie.

De aanpak van cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit is in ontwikkeling. De huidige inzichten zijn dat naast de «klassieke» manier van opsporen die begint met een aangifte, ook gewerkt wordt aan andere manieren om dit soort criminaliteit aan te pakken. De politie werkt in haar aanpak ook samen met andere partijen en bedrijven om meer aan de «voorkant» te komen zodat criminelen gestopt of verstoord worden. Voorbeelden hiervan zijn samenwerkingsverbanden in het kader van de electronic crimes task force (ECTF) en het al eerder genoemde LMIO. Tegelijkertijd blijven meldingen en aangiftes voor de politie hierbij ook van groot belang om te kunnen monitoren, nieuwe dreigingen te signaleren en betrokkenen te kunnen waarschuwen. Daarom zal onder meer aandacht worden besteed aan het verbeteren van de bekendheid van Intake en Service medewerkers met cyberdelicten.

Verder richt ik mij op het inrichten van een ander proces voor aangiften die alleen om verzekeringstechnische redenen worden gedaan. Bijvoorbeeld om aangiften van vermissing van een camera of zonnebril tijdens de vakantie, beschadiging van een geparkeerde auto etc. In het grootste deel van de gevallen hebben deze aangiften geen enkele opsporingsindicatie, zodat er geen opsporingsonderzoek kan worden gestart. Daarvan ontvangt de aangever per ommegaande bericht, gecombineerd met de aangifte. Deze documenten kunnen door de aangever worden gebruikt om de schade te claimen bij zijn/haar verzekeringsmaatschappij. De politie kan met deze opzet veel tijd uitsparen en daarop gerichter acteren (bijvoorbeeld gegevens omtrent bepaalde delicten, locaties waarop deze vaak worden gepleegd, trends etc.). De burger is gebaat bij zo’n aanpak omdat in deze situatie de aangifte snel wordt afgehandeld en de burger het doel van zijn aangifte, namelijk het indienen van een verzekeringsclaim, realiseert.

Tenslotte

Dat slachtoffers aangifte of melding doen van strafbare feiten is van groot belang. Om het recht te doen zegevieren, maar ook voor de informatiepositie van politie. Samen met de politie blijf ik mij inzetten om de aangifte- en meldingsbereidheid van slachtoffers te stimuleren. Voorliggend (wetenschappelijk) onderzoek geeft mij het vertrouwen dat er geen daadwerkelijke verandering ten aanzien van aangifte- en meldingsbereidheid van burgers heeft plaatsgevonden in de afgelopen 10 jaar en dat het bezien van aangiftebereidheid per type delict zinvollere (beleids)informatie zal bieden. Het onderzoek biedt mij de mogelijkheid om nadere focus aan te brengen in mijn beleid om de aangifte- en meldingsbereidheid over de hele linie te stimuleren. Ik zal mij hier in de komende periode, samen met de politie, ten volle voor in zetten.

De Minister van Veiligheid van Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Kamerstuk 29 628, nr. 533

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl