Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 april 2016
Op 8 april verzocht de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie mij om een reactie
op het bericht dat de politie in de regio Zuid-Oost Brabant vaak te laat is bij alarmeringen
en over het bericht dat agenten vooral in Noord-Nederland later ter plaatse zijn bij
spoedgevallen, ten behoeve van het Algemeen Overleg over politie voorafgaand aan het
AO Politie van 19 april a.s. In deze brief geef ik mijn reactie op deze berichten.
De ambitie van de politie om snel ter plaatse zijn in geval van spoed is groot. En
haar ambitie is de afgelopen jaren alleen maar groter geworden. Met de komst van de
Nationale Politie is er voor spoedeisende meldingen een ambitieuze streefnorm geformuleerd.
In 2013 was het streven om in 80% van de gevallen binnen 15 minuten ter plaatse te
zijn. Dit streefcijfer liep op naar 85% in 2014 en 90% in 2015. De politie had in
2015 landelijk in 85% van de spoedmeldingen een reactietijd van minder dan 15 minuten.
Dat is geen slecht resultaat, maar het is lager dan de (zelf opgelegde) landelijke
norm.
De politie hanteert sinds 2013 «reactietijden» in plaats van «aanrijdtijden». De aanrijdtijd
is de tijd tussen de opdracht aan de medewerkers op straat om ter plaatse te gaan
en het moment van ter plaatse komen. De reactietijd is de tijd tussen het opnemen
van de oproep van de melder en het moment van ter plaatse komen. Reactietijden sluiten
beter aan bij de beleving van de melder, maar hebben als consequentie dat de tijdsduur
altijd langer is ten opzichte van de aanrijdtijd.
Ik constateer dat de streefnorm in 2015 in veel eenheden nog niet wordt gehaald1. Ook zijn er verschillen tussen gemeenten. Dit blijft een punt van aandacht van mij,
van de politie en van het lokaal bestuur. Indien de norm ook in deze gebieden in alle
gevallen zou moeten worden gehaald, zouden hiervoor aanzienlijk meer middelen moeten
worden ingezet. Gegeven de begrensde capaciteit aan politie zou deze extra inzet ten
koste gaan van politie-inzet op andere terreinen. Daarom zet de politie in dergelijke
situaties in op het gedurende de rit naar de locatie contact houden met de melder
om deze bij te staan en op het benaderen van alle aanwezige politieagenten, dus ook
eenmanssurveillance en/of motoragenten, agenten uit andere teams en recherchemedewerkers.
De politie blijft haar uiterste best doen om de – door zichzelf opgelegde – streefnorm
te behalen. Bij iedere melding waarbij de norm niet wordt gehaald wordt achteraf bekeken
wat beter had gemoeten. Ik zal de korpschef vragen een nadere analyse van de specifieke
gebieden, zoals in Zuid-Oost Brabant en Noord-Nederland, waar de prestaties substantieel
lager zijn dan het landelijk gemiddelde. Ik zal uw Kamer daarover te zijner tijd informeren.
Ik bestrijd het beeld dat de reactietijden samenhangen met het sluiten van bureaus
en een vermeend tekort aan politieauto’s. De politie heeft dienstverlening tot één
van de centrale thema’s benoemd en heeft haar dienstverleningsconcept vernieuwd. Kern
van het dienstverleningsconcept is dat de toegankelijkheid van de politie gewaarborgd
is door dienstverlening aan te bieden via meerdere kanalen. Het uitgangspunt bij de
keuze voor de huisvestingslocaties is, ook in de perifere gebieden, dat de dienstverlening
op orde blijft. Bij het overleg over de huisvestingslocaties met het lokaal bestuur
is hier rekening mee gehouden.
Het is van belang, dat de politie een groot deel van haar tijd surveilleert en niet
op het politiebureau zit. Voor het snel ter plaatse kunnen zijn bij spoedmeldingen
is daarom niet alleen de locatie van het politiebureau van belang, maar vooral de
plaats waar de politiesurveillance zich op het moment van de oproep bevindt.
Bij het opstellen van het strategisch voertuigenplan is naar voren gekomen dat er
landelijk geen sprake is van een tekort, maar dat de voertuigen tussen en binnen politie-eenheden
ongelijk verdeeld zijn. De korpschef is hiermee aan de slag en heeft een plan gemaakt
voor een betere verdeling van de beschikbare voertuigen. De politie zal vanaf dit
jaar in overleg met het gezag de beschikbare voertuigen beter verdelen. Het leveren
van meer maatwerk op het terrein van vervoer zal bijdragen aan het verbeteren van
de reactietijden. Uitgangspunt bij de plannen ten aanzien van het wagenpark is dat
op de voor deze taak benodigde voertuigen niet wordt bezuinigd.
Tot slot heeft u zorgen over de veiligheid van de mensen in de perifere gebieden.
De veiligheid is landelijk, dus ook in de landelijke gebieden, toegenomen. Daarbij
helpt dat in het huidige politiebestel eenvoudiger extra capaciteit opgeschaald kan
worden waar de veiligheidssituatie daarom vraagt. Ook blijkt dat de meeste gebieden
waar soms een langere reactietijd is behoren tot de veiligste gebieden van ons land.
De Minister van Veiligheid en Justitie,
G.A. van der Steur