29 628 Politie

Nr. 623 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 maart 2016

De wetgever heeft een aantal categorieën ambtenaren de bevoegdheid gegeven om, indien noodzakelijk, geweld te gebruiken bij de uitoefening van hun wettelijke taak. Bij het gebruik van geweld moeten de algemene beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht worden genomen. Dit betekent dat het gebruik van geweld in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd dient te zijn.

Het tragische overlijden van de heer Henriquez na zijn aanhouding in het Zuiderpark op 28 juni 2015 in Den Haag was voor mij aanleiding om de Inspectie Veiligheid en Justitie (hierna: Inspectie) te verzoeken om onderzoek te doen naar de training en toepassing van de nekklem door de politie. De Inspectie heeft bij het onderzoek ook de Koninklijke marechaussee (Kmar) en de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) betrokken. Hierbij bied ik uw Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, het rapport van de Inspectie aan1.

Geweldstechnieken zoals de nekklem worden veelvuldig gebruikt om in een confrontatie controle te krijgen over een persoon waarbij de inzet van een geweldsmiddel zoals een vuurwapen, een wapenstok of pepperspray niet proportioneel, voorhanden of aangewezen is. Daarbij moet worden aangetekend dat de Inspectie aangeeft dat de in het rapport gepresenteerde cijfers schattingen zijn en moeten worden beschouwd als een orde van grootte en niet als een exacte weergave van de werkelijkheid.

Voor een goed begrip van de aanbevelingen van de Inspectie is het noodzakelijk om allereerst te constateren dat de term «nekklem» niet eenduidig is.

De Inspectie stelt in haar rapport dat met de term »nekklem» verschillende technieken worden aangeduid waarbij de nek van een persoon wordt omvat. Daarbij kan het gaan om het omvatten van de nek als controletechniek of als verwurgingstechniek. Aan de hand van dit belangrijke onderscheid constateert de Inspectie dat het omvatten van de nek als controletechniek een veel gebruikte en bruikbare techniek is die in beginsel, mits technisch correct toegepast, weinig risico met zich meebrengt. Daar staat tegen over dat de Inspectie tevens constateert dat aan het gebruik van de nekklem als verwurgingstechniek wel (ernstige) risico’s zijn verbonden. De Inspectie beveelt daarom aan om deze techniek alleen toe te passen indien noodzakelijk voor de taakuitvoering en voor zover medewerkers hiervoor zodanig zijn opgeleid en getraind dat ze deze techniek veilig en verantwoord kunnen toepassen.

De conclusies uit het rapport van de Inspectie roepen de vraag op of het gebruik van de nekklem als verwurgingstechniek moet worden verboden. Het verbieden van verwurgingstechnieken kan echter, net zoals dit geldt voor andere zware vormen van fysiek geweld, leiden tot een hiaat in het geweldsspectrum. Gelet op de risico’s die aan het gebruik van de nekklem als verwurgingstechniek zijn verbonden, dient dit gebruik van de nekklem evenwel beperkt te blijven tot die gevallen waarin er geen, minder risicovol, alternatief voorhanden is en in principe alleen door personeel dat adequaat getraind is in de toepassing van deze techniek. Om die reden ben ik dan ook van mening dat het op voorhand verbieden van bepaalde vormen van fysiek geweld, zoals de nekklem als verwurgingstechniek, onwenselijk is. Dit laat onverlet dat er zich in de praktijk situaties voordoen waarbij de toepassing van fysiek geweld gerechtvaardigd kan zijn, ook als in het individuele geval sprake is van gebruik van een niet-aangeleerde vormen van fysiek geweld.

Uit het rapport van de Inspectie blijkt verder dat geen van de onderzochte organisaties de nekklem als verwurgingstechniek in het opleidingscurriculum heeft opgenomen maar dat een deel van de docenten, van alle onderzochte organisaties, dit wel aanleert. Daarnaast blijkt uit het rapport van de Inspectie dat de nekklem als verwurgingstechniek vaker wordt toegepast dan tot nu toe werd aangenomen.

Deze bevindingen van de Inspectie zijn voor mij aanleiding geweest om de betrokken organisaties te verzoeken om met inachtname van dit rapport voor de eigen organisatie een landelijk eenduidige instructie op te stellen voor het trainen en toepassen van hoofdcontrole- en verwurgingstechnieken waarbij aandacht moet worden besteed aan de (verstikkings)risico’s die zich bij de toepassing van deze technieken kunnen voordoen. De organisaties hebbben dat ook toegezegd.

Daarnaast informeer ik u, in het kader van de beperking van de toepassing van risicovolle vormen van fysiek geweld, over het feit dat de politie heeft besloten om, net als de Kmar, over te gaan tot de invoering van de uitschuifbare wapenstok voor alle ambtenaren van politie die nu ook met een wapenstok zijn uitgerust. De voorbereidingen voor de aanbesteding van dit geweldsmiddel zijn gestart en naar verwachting zal in de loop van 2017 worden gestart met de implementatie.

Ondanks alle waarborgen blijven er aan het gebruik van geweld altijd risico’s verbonden. De maatschappij moet er dan ook op kunnen vertrouwen dat de overheid verantwoording aflegt over het door haar toegepaste geweld en dat dit geweldsgebruik waar nodig wordt getoetst door een onafhankelijke rechter. Het is dan ook van groot belang dat het gebruik van geweld door de politie en andere opsporingsambtenaren goed wordt geregistreerd en beoordeeld op de rechtmatigheid en het in acht nemen van de algemene beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het verbeteren van de registratie van geweldsaanwendingen en het inrichten van een zorgvuldig proces voor de beoordeling en monitoring van geweld gebruik door opsporingsambtenaren, is dan ook een belangrijk onderdeel van de stelselherziening geweldsaanwending. Voor een overzicht van de overige maatregelen die deel uitmaken van deze stelselherziening verwijs ik u naar mijn brief2 van 16 november 2015.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Kamerstuk 29 628, nr. 588.

Naar boven