Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200929628 nr. 109

29 628
Politie

nr. 109
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 november 2008

Eind 2007 heeft de Commissie gelijke behandeling mij geadviseerd over een voorstel dat ik van de Raad van Hoofdcommissarissen heb ontvangen, inzake «life style neutraliteit» van de politie. Naar aanleiding hiervan zijn Kamervragen aan mij gesteld (Aanhangsel der Handelingen, vergaderjaar 2007–2008, nr. 941). Ook is een motie door u aangenomen, waarin u uitspreekt dat het dragen van een hoofddoek door een Nederlandse politieagente onwenselijk is (31 200 VII, nr. 38). In navolging hiervan informeer ik u, mede namens de minister van Justitie, over mijn standpunt ten aanzien van dit vraagstuk.

Ik ben van mening dat het in het kader van het goed functioneren van de politie noodzakelijk is om regels te stellen met betrekking tot de uitstraling en het voorkomen van de politie. Dit functioneren heeft betrekking op de gezagsuitstraling, neutraliteit en veiligheid van de politiemedewerkers. De adviezen die ik van de Raad van Hoofdcommissarissen (RHC) en het Korpsbeheerders Beraad (KBB) heb ontvangen, ondersteunen mij in dit standpunt.

Gezagsuitstraling

De politie neemt in onze maatschappij een bijzondere plaats in. Politiemensen handhaven het recht en helpen burgers in nood, en zij mogen bij het vervullen van die taken ook bijzondere bevoegdheden gebruiken. Om zijn of haar taken goed uit te kunnen oefenen, is het van groot belang dat de uiterlijke verschijning van de politieman of – vrouw richting de burger gezag en respect uitstraalt. Uitingen die afbreuk kunnen doen aan de representativiteit en daarmee aan het gezag van de politieambtenaar dienen daarom te worden vermeden. Politiemensen dienen met andere woorden geen onverzorgd of heel opvallend voorkomen, zoals een extreme haardracht, te hebben. Ook bijvoorbeeld zichtbare piercings, zichtbare tatoeages en andere zichtbare lichaamsversieringen doen in mijn ogen afbreuk aan de gezagsuitstraling van de politie en zijn daarom ongewenst. Dit geldt uiteraard niet als een dergelijke uiterlijke verschijning in het kader van zijn of haar specifieke taak nu juist gewenst is.

Neutraliteit

Bij de uniforme en professionele uitstraling van de politie hoort ook een neutraal voorkomen. Een uitstraling van onpartijdigheid en objectiviteit van de Nederlandse politie is een voorwaarde voor de legitimiteit van de politie bij het uitoefenen van haar bijzondere overheidstaak. Het is daarom noodzakelijk dat zaken worden vermeden die aan de onpartijdige uitstraling in de gezagsuitoefening afbreuk kunnen doen of een schijn van vooringenomenheid kunnen wekken. Dit geldt voor alle mogelijke zaken die afbreuk doen aan de neutraliteit van de politie, waaronder zaken die uiting geven aan een bepaalde levenstijl of -overtuiging, zoals hoofddoekjes, kruisjes, keppeltjes, een roze driehoek etc.

Veiligheid

Ten slotte ben ik van mening dat ook vanuit het belang van de veiligheid van de politieambtenaar en zijn of haar collega’s noodzaak bestaat voor het stellen van kledingvoorschriften en voorschriften over de uiterlijke verschijning. Uit het oogpunt van veiligheid en functionaliteit moet het dragen van bepaalde accessoires vermeden worden. Grote oorbellen, piercings, halskettingen, armbanden, etc. brengen een onnodig veiligheids- en letselrisico voor de drager ervan, maar ook voor diens directe collega’s, met zich mee en dienen om die reden niet toegestaan te zijn voor politiemensen in de uitoefening van hun primaire politietaken. Dit geldt uiteraard zowel voor mannen als voor vrouwen.

Grondrechten

Daar waar het gaat om het beperken van agenten in hun mogelijkheden om blijk te geven van een bepaalde levensstijlof overtuiging, is de vraag aan de orde of dit in overeenstemming is met de geldende grondrechten. Grondrechten gelden voor iedereen, dus ook voor ambtenaren. Hiertoe behoort ook het recht op een godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging, ook als dit gepaard gaat met bepaalde uiterlijke kenmerken, bijvoorbeeld het dragen van kledingstukken en/of sieraden die daaraan uitdrukking geven. Dit staat in beginsel ook het goed ambtenaarschap niet in de weg. Er zijn echter omstandigheden waaronder dit toch het geval kan zijn, met name daar waar een onpersoonlijke en/of geüniformeerde gezagsuitoefening in het bijzonder van belang is. Dit doet zich bij uitstek voor in het geval van functies waarbij de overheid zich in de samenleving manifesteert met behulp van de sterke arm, zoals de rechterlijke macht en de politie. De politie beschikt over het geweldsmonopolie en maakt daarbij gebruik van dwangmiddelen.

In die gevallen kunnen er in verband met de aard van de functie redenen zijn met betrekking tot veiligheid, functionaliteit of onpersoonlijke gezagsuitoefening die kunnen leiden tot de dringende noodzaak voor het stellen van kledingvoorschriften.1

De CGB benadrukt dat de taken en daarmee verbonden bevoegdheden van politiefunctionarissen voor een groot deel uniek zijn. Geen andere organisatie in de maatschappij is gerechtigd deze bevoegdheden uit te oefenen. Politiemensen oefenen daarmee bij uitstek een bijzondere overheidstaak uit en daarom is de (rechts)positie van politieambtenaren niet zonder meer vergelijkbaar met die van «gewone» ambtenaren en andere werknemers, althans voor zover de betrokken politieambtenaar is belast met typische politietaken.

De politie is er voor iedereen. Vanuit dat principe moet elke geüniformeerde politiemedewerker en elke politiemedewerker belast met publieksfuncties onmiddellijk inzetbaar zijn en voor iedereen in Nederland, gevraagd en ongevraagd, door feitelijk handelen of door enkel aanwezig te zijn. Daaruit volgt dat deze zichtbaar neutrale en onpartijdige uitstraling van de politie op ieder moment en voor iedereen gewaarborgd moet zijn.

In het belang van het goed functioneren van de politie acht ik het noodzakelijk om uitingen van een privé-identiteit die de gezagsuitstraling en neutraliteit van de politieambtenaar aantasten, te verbieden.

Deze doelstelling is legitiem, zwaarwegend en niet op een andere wijze te bereiken dan door het niet toestaan van zichtbare uitingen van godsdienst, levensovertuiging of andere uitingen die afbreuk kunnen doen aan de noodzakelijke onpartijdige uitstraling van de politie. Naar mijn mening kan alleen op deze wijze een correct en gezaghebbend optreden van de politie worden gewaarborgd.

De CGB heeft mij gevraagd om de werkwijze van diverse buitenlandse politiekorpsen serieus in overweging te nemen. Sommige buitenlandse korpsen hebben aparte kledingstukken ontworpen in de kleuren van het politie-uniform waarmee tegemoet wordt gekomen aan de behoeften van politiefunctionarissen met een bepaalde religieuze achtergrond. Ik ben van mening dat dergelijke kledingstukken nu juist bewust uiting geven aan een bepaalde levensovertuiging, en dus afbreuk doen aan de gewenste neutraliteit. Daarbij ben ik van mening dat de werkwijze van diverse buitenlandse korpsen moet worden bezien in de specifieke historische en culturele context van het desbetreffende land. Bovenstaande overwegingen in ogenschouw nemend, acht ik het, gezien de bijzondere en specifieke nationale context waarbinnen de taken en positie van de politie per land verschillend verankerd liggen, niet noodzakelijk om aparte kledingstukken bij de Nederlandse politie te incorporeren. Bij bovenstaande afweging wordt naar mijn mening geen onevenredige afbreuk gedaan aan het respect voor grondrechten in een pluriforme samenleving. Personen worden enkel gedurende de uitoefening van hun politietaken beperkt in de uitoefening van hun grondrechten, waarvoor de rechtvaardiging ligt in de bijzondere overheidstaak die de politie vervult.

Conclusie

Op grond van voorgaande overwegingen ben ik van mening dat uitingen die afbreuk kunnen doen aan de gewenste neutraliteit van de politie, zoals uitingen van levensovertuiging, godsdienstige uitingen en uitingen die afbreuk doen aan het politiegezag alsmede uitingen die een bepaald veiligheidsrisico met zich meebrengen, niet toegestaan zouden moeten zijn voor:

• alle politiemedewerkers die het uniform dragen;

• alle overige politiemedewerkers belast met publieksfuncties. Ik denk hierbij aan medewerkers belast met de uitvoering van politietaken, die contact onderhouden met het publiek, maar daarbij geen uniform dragen. Het gaat dan bijvoorbeeld om recherchemedewerkers. Uitzonderingen hierop zijn denkbaar in het geval een politieambtenaar in de uitvoering van zijn politietaak voor een functioneel doel een bepaalde uitstraling dient te hebben.

Het betreft dus niet politiemedewerkers belast met interne, ondersteunende taken die de politie niet in haar primaire taakuitoefening representeren. Zij vallen onder de gangbare gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer.

Effectueren

Tot nu toe is over draagwijze en uitstraling landelijk nog niets vastgelegd. Ik ben van plan neutrale kleding en uitstraling bij de politie vast te leggen in regelgeving. Ik wil met de politievakbonden op dit punt overeenstemming bereiken. In dit overleg met de politievakbonden zal specifiek aandacht worden besteed aan eventuele bepalingen voor politiemannen en -vrouwen die reeds in dienst zijn, en waarvan de uitingen niet in overeenstemming zijn met de nog op te stellen regelgeving. Naast het vervatten in regelgeving dient de neutrale uitstraling ook ingebed te zijn in de cultuur en werkwijze van de Nederlandse politie. Het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Hoofdcommissarissen onderschrijven dat ook.

De Nederlandse politie bestaat uit mensen die per definitie – en gelukkig – verschillend zijn: naar sekse, culturele afkomst en achtergrond, seksuele gerichtheid, religieuze overtuiging, levensopvatting en -stijl en naar persoonlijke smaak en karakter. U kent mijn opvatting dat de Nederlandse politie juist meer divers samengesteld zou mogen zijn dan nu het geval is. Maar het optreden van politiemensen hangt in de kern niet af van hun achtergrond of persoonlijke stijl: zij doen allemaal professioneel en onpartijdig hun werk en verdienen daarvoor respect en grote waardering.

Ik begrijp dat sommige politiemensen regels over kleding en uitstraling kunnen ervaren als inperking van hun persoonlijke vrijheid, althans in werktijd. Maar ik hoop juist dat het publiek nog meer waardering en respect krijgt voor de politie en het gezag van politiemensen accepteert, als zij er absoluut onpartijdig en representatief uitzien. Dit hoop ik onder meer met regels over kleding en uitstraling te bereiken. Daarbij weet ik dat onpartijdig, integer en met gezag en respect optreden al veel aandacht krijgt van de politie.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst


XNoot
1

Vgl. Nota grondrechten in een pluriforme samenleving, Kamerstukken II 2003/04, 29 614, nr. 2.